Onderwaterprovisie


Het hebben van een eenmanszaak is onhandig omdat er dan geen gelegenheid is om alle informatie – zoals het blijkbaar volgens deze of gene hoort – aan iemand door te geven. Ja, aan je klant, nee, ammehoela; in de makelaardij is het verdomd niet de bedoeling om je klant van allerhande gegevens te voorzien, laat staan de wederpartij. Heb je eenmaal mensen in dienst, dan kun je daar de broodnodige informatie aan vertellen en je hebt weer met een zekere interpretatie voldaan aan de norm.
Dit was een van de lessen die Rupert Stadermann gaf in zijn cursus Makelaardij zonder scrupules (voor gevorderden).
Het was namelijk pet in de makelaardij. Petteflet zelfs! Die dagen verkochten makelaars nog maar zelden een huis. Hooguit verkochten ze een kleine geldlening om daar eventueel een huisdeel van te kopen. En alleen met het geven van seminars, symposia, werkgroepen en voordrachten kon Rupert nog wat geld binnenspaaien. Dat had hij van de bedrijfskundebranche afgekeken: praktijklessen geven over iets waar je eigenlijk alleen de theorie van weet en daar dan veel geld voor vragen.
En zo had Rupert dingen waar hij op terug kon vallen en tevens dingen waar hij op vooruit kon vallen.

Natuurlijk deed Rupert het allemaal niet alleen. Nee, hij had een paar compagnons. Bijvoorbeeld was daar Wally Luiten. Wally deed de meeste dingen op kantoor, zoals de telefoon beantwoorden en wat administratie. Hem kon je niet echt op pad sturen om een klant op te vangen of een groep trainees toe te spreken, want hij had bijzonder veel nare dermatologische aandoeningen, waarvan acne. Maar hij was blij in de binnendienst. In de ochtend zat hij altijd al vroeg achter zijn bureau. Daar kon je de klok op gelijkzetten. Hij had namelijk een ontzettend fijne bureaustoel en bij het gelijkzetten van zijn klok (waar hij heel slecht in was) leverde het comfortabele zitten in ieder geval iets positiefs op. Als hij even niks te doen had ging hij wat handwerken. En de laatste tijd was het rustig en was hij bordurend met naalden in de weer.
Teun Schellekes was een andere associé. Teun was een beetje veel een mix van een chaoot en een warhoofd. Zo dacht hij ooit dat hij een dubbele agenda had. Maar in september van dat jaar kwam hij erachter dat een van zijn agenda’s gewoon van het jaar daarvoor was. En uiteraard kwam het allemaal voort uit zijn paranoia. Als jonge makelaar, net in het vak, moest hij vroeger noodgedwongen verhuizen naar een andere stad, puur vanwege zijn levendige enthousiasme. Hij zat gewoon in een restaurant te eten en vond het eten zo lekker dat hij iedereen om zich heen vergat en zijn voedsel begon te neuken. In sommige culturen is dat een compliment voor de kok. Maar in de gemeente waar hij toen woonde werd dat niet gewaardeerd. De mensen spraken er schande van en Teun kon dus oprotten.
En dan was er nog Pietertje van Griensven. Pietertje had het altijd druk. Zelfs als hij glimlachte gebruikte hij wel iets van twintig spieren. Zijn lievelingsallergie had te maken met stroopwafels. Hij at ooit een stroopwafel toen hij maar liefst tienduizend euro won met een kraslot en hij tegelijkertijd iemand van een pinda of een glas melk of zo zag opzwellen. Vroeger heette Pietertje trouwens Pieter. Vanaf zijn geboorte eigenlijk al. Zijn moeder verbeterde iedereen continu. ‘Nee, het is Pieter’! Maar toen op zijn zestiende bleek dat hij niet echt meer boven de een meter negenendertig uit zou groeien, was het logischer om hem voortaan maar Pietertje te noemen. Waarom Pietertje zo klein bleef was voor velen tijdverdrijf dat zich het beste laat omschrijven als giswerk. Volgens de knakker van de plaatselijke videotheek kwam het omdat in de tijd dat Pietertjes moeder zwanger van hem was zij de film Rosemary’s Potpourri gezien had. (Sindsdien had zij trouwens ook zonderlinge ideeën over textiel, maar daar kunnen we hier verder niet over uitweiden.)

Zowel Rupert als Wally en Teun en Pietertje waren van de oude garde, betreffende de huizenhandel. In de moderne tijd werden veruit de meeste makelaars voor hun puberteit gecastreerd. Dan konden ze immers een hoger bod aan. Maar Rupert en kornuiten was dit bespaard gebleven. Vroeger gebeurde dat niet. Daarentegen hadden makelaars vroeger wel veel meer verstand van verzekeringen. En ze waren ook steengoed verzekerd. Beter kon niet. Minstens eens in de zes jaar brandde er immers wel een pand van een makelaar af. De nieuwe generatie makelaars sprak dan ook met respect over de oude tijd.

Ja, niemand in de hele vastgoedbranche van de laatste vijfhonderd jaar heeft zo veel ontzag en bewondering weten te genereren als de groep van Rupert cum suis. Want toen de huizenmarkt helemaal vastliep, ja, zelfs onroerend was, en er voor de makelaardijcursussen ook geen enkele animo meer was, werd het veel te grote en nog veel duurdere kantoorpand van het gezelschap door een tsunami totaal verwoest. De assurantiemaatschappij kon niet anders dan het volledige verzekerde bedrag tot op de laatste cent uitkeren.
Nog steeds is het een raadsel hoe ze die vloedgolf hebben geregeld en hun namen worden in bepaalde kringen slechts met de hoogste achting uitgesproken. Het is zelfs zo dat als makelaars het tegenwoordig over heimwee hebben, ze de tijd van Rupert, Wally, Teun en Pietertje bedoelen.