Klevende foetus dinsdag

Dames en heren, het is dinsdag dus het is weer klevende foetus dinsdag!

Ze plakken, ze kleven, ze hechten zich aan ieder denkbaar oppervlak en het zijn foetussen.

KLEVENDE FOETUSSEN!

Neem er nu drie en betaal er één pas een week later!

Klevende foetussen,

alleen op dinsdag.

Kevin de foetus – dinsdag

De telefoon ging om tien over elf en de wekker zou pas zes minuten later gaan.
“Godverdomme,” nam Kevin de telefoon op. Het was de manager van AC/DC – alweer, de zoveelste keer deze week – , die vroeg of Kevin tekstschrijver van de band wilde worden.
“Nee,” gilde Kevin in de telefoon, “en ik droomde net van een moeslima die een varken aan het pijpen was, dus nu helemaal niet meer!”
Maar toen ging de manager van AC/DC op het sentiment spelen. Hij was vroeger ook foetus geweest; enfin, u kent het wel. En toen ging (zelfs!) Kevin door zijn te worden knietjes.
Niet lang en een nieuwe villa voor Kevin daarna zongen bijna alle kindertjes van de wereld de hit ‘Take A Shit, But Give No Shit’ vrolijk mee. Het was een typische win-win-situatie: belangrijke dingen voor de wereld doen en daarnaast ook nog eens amper tot geen belasting betalen.
Kevin zette zijn telefoon uit en zijn wekker wat later en hij hield er wel van.

Kevin de foetus – maandag

Kevin langs bij de buren; de buurtjes gaven een party. De buurman had namelijk een mijlpaal bereikt – en dat al op zijn zevenenvijftigste!
Op de party trof Kevin een kantonrechter en hij vroeg deze enige vragen. Simpele vragen natuurlijk! Op moeilijke vragen zijn kantonrechters niet gebouwd. “Hoe krijg je bessensap uit kleding?” en “Hoeveel poten hebben spinnen?”, dat soort vragen.
“Ee, val die kantonrechter eens niet lastig,” schreeuwde de moeder van Kevin tegen Kevin. “Die moet ik nog pijpen als we geld nodig hebben!”
Respectvol nam Kevin afscheid van de kantonrechter met de woorden: “Ik wist niet dat u een man was”.
Toen Kevins moeder haar poepgat (zelf noemde ze het haar ‘second opinion’) aan werkelijk alle gasten had laten zien, maar ze nog steeds niet voldoende drank genuttigd had, togen Kevin en zijn moeder naar huis.
“Iedereen was bijzonder aardig,” zei Kevin onderweg. “Vorig jaar was het neuker,” zei zijn moeder en viel.

Kevin de foetus – zondag

Vandaag was Kevins vrijwilligersdag; zo stond het in zijn agenda. “Alles moet een keer meegemaakt worden en het maakt daarbij niet precies uit door wie!” was Kevins motto. Maar vandaag vond Kevin de foetus het nodig om eens te gaan collecteren voor een goed doel. En wel voor het goede doel ‘Stichting Mannen Boven De Zestig Die Ook Wel Weer Eens Een Keer Met Een Meid Van Achttien Willen Neuken’ – kortweg SMBDZDOWWEEKMEMVAWN.
Maar voor Kevin bij het eerste huis was om aan te bellen, bedacht hij zich: “Hee, is het niet juist die groep van achttienjarige meiden die in dezen vrijwilligsters moeten zijn en niet ik?” Kevin zag de Nobelprijzen al zijn kant op vliegen met deze gedachte en rende snel naar huis voor papier en potlood.
Na drie minuten had hij een belachelijk secuur uitgewerkt schema over hoe de meisjes van de samenleving tot een bepaalde leeftijd de mannelijke helft zouden kunnen behagen – desnoods tegen betaling.
Vol trots e-mailde Kevin dit plan naar de minister-president. Binnen twintig minuten had Kevin een e-mail terug waarin beschreven dat dat idee al bestond, maar ook met hartelijke groeten en ‘bedankt voor de moeite voor het denken voor de samenleving’.
“Tja, voor mij dus geen vrijwilligerswerk meer,” mompelde Kevin een joint rollende.

Kevin de foetus – zaterdag

Op de beste dag van allemaal tot nu toe besloot Kevin de foetus van oorharen tellen een sport te maken. En niet zomaar een sport, nee: een denksport! Maar waar haal je nu een twee drie oorharen vandaan? Of, als je verder wil tellen, nog meer oorharen?
Kevin zag zijn plan al in duigen vallen en ging zijn te worden knie wrijven. Toen kwam zijn moeder de kamer binnen. “O sorry, ik wist niet dat je aan het masturberen was,” zei ze. “Dat was ik ook niet,” zuchtte Kevin, “maar erg interessant dat je niet wist wat ik niet aan het doen was. Ik moet er mijn filosofenencyclopedie eens op naslaan.”
Snel trok Kevin een stuk of vijf oorharen uit zijn moeders neus. (Kevins moeder bewaarde haar oorharen altijd in haar neus – zie het album ‘Satan is jarig’).
“Maar als je wil dat ik masturbeer, doe ik het uiteraard met plezier,” ging Kevin verder, “Kom lekker naast me zitten en vertel me over de eerste keer dat je een penis in je anus kreeg.”
De moeder van Kevin trok zwijgend naar een andere ruimte. “En dan praat ik nog netjes ook!” schreeuwde Kevin haar na. “Moederliefde is niet meer wat het geweest is!”

Our man in the Netherlands

Holland is a soap, a wonderful but boring soap and therefore it seems cleaner than it actually is. The Dutch themselves know this and their survival intelligence has taught them to consider every countryman a Lying Dutchman. The finger in the dyke is not a metaphor for things coming in; no, it’s to prevent things getting out. The former number one slave traders are trying amazingly hard to be the best student in the classroom. And amazingly often they get away with this. Nederland: it is a country and western. When it moans and complains just let it be. Small country, cute, adorable, lovable. The Germans have always loved their tiny neighbour. The Germans have always had more help from their Dutchmen than they expected. Even then. Yes, there used to be quite a large Jewish community in the business cities of Holland. And nowadays it’s not even worth mentioning. Which is of course typical Dutch. The story goes the Netherlands inhabit more pigs than people. This is not true. The people outrank the pigs by five million. Of these people six percent is muslim. The pigs win, hurray. Every year the Dutch government comes with promises. The date changes every year: it’s the third tuesday in September. The queen does her show this day and even the lousy Dutch soccer must step aside for this event in the media. Of course a lot of these promises are made hoping they will be forgotten. It’s still a democracy and charity is in the eye of the beholder. All kinds of wise men get hired to make up pretty words to conceal the silent inflation. It’s still a democracy, you are allowed to cost money. Not cutting down a tree is more expensive than cutting it down. People in the Netherlands with no jobs can spend their dear time making beautiful banners and go on the streets to jam parts of the economy. This is what is called free speech and it is calculated in the taxes. Everybody pays. I’ll give you the colours of the Dutch flag: smudgy red, grey and smudgy blue. It’s a rainy country. And bothering is no Dutch invention. Say cheese.

“Uw bril, mein Führer”

Waarom staat Nederland er zo slecht voor in de internationale politiek? Waarom ziet onze leider Balkenende er uit als een 12 zloty Poolse pijphoer naast andere leiders? Daar zijn natuurlijk legio antwoorden op te bedenken, maar ik denk dat ik achter de ware toedracht ben. Voor het antwoord op de vraag wil ik je graag meenemen naar een periode die ongeveer op de helft van de Middeleeuwen moet liggen. Zeg maar zo circa 1200 AD. Rond die periode werd namelijk de bril geïntroduceerd in Europa. Niet dat vanaf dat moment de bril een algemeen gebruiksgoed was voor elke bij-/ver-/slechtziende, maar de bril deed in ieder geval zijn intrede. Vanaf dat moment zijn er brildragers geweest en deze zullen zich in eerste instantie vooral in de geleerde en/of hogere klasse van de samenleving hebben bevonden. Een bril bestaat immers uit geslepen glas (de lens of lenzen) en dat moet een prijzige aangelegenheid zijn geweest. In de 18e eeuw werd de moderne bril geïntroduceerd, modern als in: twee glazen met poten.  Tot zover even een korte geschiedenis van de bril. Nu weer even terug naar waar dit verhaal mee begon: de leider. Als we in de geschiedenis kijken welke leiders er zijn geweest die iets van waarde hebben bijgedragen zullen wij constateren dat er onder hen geen zijn die brildragend waren en daar en publique voor uit kwamen. Waarmee ik wil zeggen dat zij zich niet lieten portretteren met bril of bij belangrijke gebeurtenissen hun bril droegen als onderdeel van hun image, iets wat onze huidige premier steevast wél doet.

Laten we ons even beperken tot de afgelopen twee eeuwen. Alle historische figuren van voor 1800 die zich lieten portretteren met een bril (George Washington, Benjamin Franklin en enkele anderen) deden dat in een privésfeer. Het betrof hier dus geen statieportretten, ze deden het alleen om geleerd te lijken. Maar goed, welke leiders hadden er een bril? De Japanse keizer Hirohito droeg altijd een bril. Hij was succesvol in zijn veroveringen in Azië, maar werd in de internationale politiek gezien als de slaaf van Adolf Hitler. Adolf Hitler droeg niet standaard een bril en werd wél serieus genomen. Stalin droeg ook nooit een bril (alleen een leesbril) en werd ook als wereldleider gezien. Zowiezo droeg geen van de Grote Drie die na de Tweede Wereldoorlog de nieuwe wereldorde moest inrichten een bril. George W. Bush dan? Of zijn vader? Beide gevreesde wereldleiders, maar ook zij droegen geen bril. Khadaffi? Die draagt wel een bril, maar is dan weer geen echte leider. Saddam Hoessein werd nooit geportretteerd met bril.  Kim Yung Il, wel geportretteerd met bril, maar weer een kneus. Vorsten (als in: échte vorsten, geen Pieter van Vollenhovens) worden nooit geportretteerd met bril, behalve de koning van Thailand, maar dat is een Aziaat en die tellen eigenlijk niet mee in de wereldpolitiek. Behalve dan misschien de Chinezen ,maar die dragen ook niet zoveel brillen meer als we van ze gewend zijn. Sla maar een willekeurige Kuifje open (bij voorkeur Kuifje en de blauwe lotus) en je zal zien dat bijna alle Chinezen een bril droegen. Ghandi droeg een bril maar was dan weer geen staatshoofd. Robert Mugabe draagt een bril, maar is dan weer een dictator en wordt, evenals Khadaffi en Kim Yung Il niet serieus genomen. Waren er misschien Europese leiders met een bril de afgelopen eeuwen? Het antwoord luidt: neen. En als er al waren die een bril hadden dan droegen ze die niet als onderdeel van hun imago. John Major (Engelse premier van 1990 tot 1997) droeg een bril maar was een slappe zak. Margaret Thatcher daarentegen werd de “Iron Lady” genoemd en droeg geen bril. Sterker nog, vanaf de achtiende eeuw tot nu zijn er slechts twee Engelse premiers geweest die een bril droegen. Dit geldt ook voor Amerikaanse presidenten. Het aantal brildragers onder hen (de teller staat nu op 44) valt op één hand te tellen. De enige Duitse Bondskanselier ooit  die een bril droeg was Helmut Kohl en daarmee hebben we eigenlijk meteen een unicum te pakken. Kohl was een vent die serieus werd genomen én brildragend was. Wellicht dat zonder de val van de Berlijnse Muur Kohl niks voorstelde, maar het is nou eenmaal niet anders. Voor de rest dragen echte wereldleiders geen bril. Nooit, never. Het is dus niet verbazingwekkend dat onze premier niet serieus genomen wordt en dat het ook erg moeilijk is om dat wel te doen. De twee belangrijkste Franse staatshoofden van de 20e eeuw droegen ook geen bril (Mitterand en De Gaulle). Kemal Ata Turk droeg ook geen bril. Mussolini,géén bril. Franco, niet brildragend. De enige brildragende ‘leiders’ zijn figuren die aan het hoofd staan van bananenrepubliekjes, dictaturen (en dan betreft het vaak een zonnebril), vage Balkanlanden en nietszeggende staatjes zoals België (DeHaene).

Echt, bijna alle leiders van enige betekenis dragen geen bril.

Conclusie: leiders van landen die er toe doen in de wereld dragen geen bril. Zij die dat wel doen zullen nooit serieus genomen worden en schoothondjes blijven. Om ons, Nederland, weer op de wereldpolitieke kaart te krijgen moeten we de volgende keer een premier hebben zonder bril. Anders wordt het weer niks…

旨味 (u-ma-mi)

De eerste keer dat ik een mondegreen ervoer, ik moet zo’n twaalf jaar zijn geweest, was met het nummer Mamy Blue van de welbekende Pop Tops. Het heerlijk ontspannende, doch met soul doorleefde, melodietje dat de prachtige zoetgevooisde stemmen van de bandleden op authentieke wijze begeleidt, brengt me keer op keer weer in vervoering. Naar teksten luisteren doe ik eigenlijk nooit, het gaat me om het geheel. Het moet lekker klinken, daar gaat het om. De tekst leer je vanzelf zolang je het onderhavige nummer maar goed genoeg vindt om het nog eens te luisteren. Dat is een onbewust iteratief proces. Dat weet iedereen. Echter, over het lied van die guitige Top Pops in kwestie ben ik nog niet klaar. Dus ter zake.

Mijn allereerste mondegreenervaring ontstond dus naar aanleiding van dat lied. Het heerlijk opbeurende liedje over een jongen die met zijn gloednieuwe Chevrolet impala door de straten van New Orleans rijdt en daar veel verschillende mensen van diverse pluimage tegenkomt met wie hij de meest uiteenlopende en doldwaze avonturen beleeft. Als hij thuiskomt wil hij alles aan zijn moeder vertellen maar zijn moeder is te druk met het uitkoken van varkensbeenderen, vandaar de titel. Het refrein -prachtig, volkomen, onbetwistbaar en vooral complex in zijn eenvoud- is een exponent van de titel: Oh / Mamy / oh / Mamy – Mamy – blue / oh / Mamy – Blue.

Op mijn twaalfde (ik kan iets ouder maar ook iets jonger zijn geweest) kreeg ik de keiharde feiten onder mijn olfactorisch orgaan gedrukt. Ik was mijn eigen interpretatie aan het meezingen toen ik het nummer op Youtube voorbij zag komen. Een toevallig net binnengeslopen inbreker hoorde me meezingen en vroeg prompt: “Zing jij nou umami?”

“Ja,” zei ik. “Ze zingen Oh / Mamy / Umami – Umami  – blue / oh / Mamy – Blue.

“Nee joh. Het is Oh / Mamy / oh / Mamy – Mamy – blue / oh / Mamy – Blue, ” zei de inbreker met een zekere overtuiging die mij aan het twijfelen deed brengen.

“Maar ze refereren toch aan de in 1908 door de Japanse professor Kikunae Ikeda ontdekte nieuwe vijfde basissmaak genaamd 旨味?”

“Je bedoelt u-ma-mi?” vroeg de inbreker.

“Ja dat zeg ik,” zei ik.

“Nee, daar wordt met geen woord over gerept.”

“Weet je het zeker?”

“Zo zeker als reetleer. Helaas jongen, ” was de van een sympathieke blik vergezelde reactie van de inbreker, die -zoals op zijn naambordje was af te lezen- overigens Geert Jan heette (wat een hele sympathieke naam is). Hij kon, zo dacht ik, best wel eens gelijk hebben. Het slaat natuurlijk nergens op om met je moeder over umami te gaan beginnen. Niet dat ik niet van een stukje gerijpte kaas hou, laat daar geen misverstand over bestaan, maar het is nou ook weer niet heel erg gangbaar om ineens Oh moeder Umami te gaan roepen als je net in de stad allerlei avonturen hebt beleefd die in feite niets met smaakbeleving te maken hebben. Al moet ik wel zeggen dat het refrein, waarin de eenarmige crackhoer Polly de hoofdpersoon in kwestie pijpt en hem minitieus de smaak van zijn lid beschrijft, me wel heel erg deed denken aan de smaak die ook aan umami wordt toegedicht.

Het lied ging ondertussen gewoon verder op Youtube en toen ik bij de laatste refreinen de tekst op correcte wijze kon meezingen, arriveerde de politie. Het bleek dat de inbreker op het verkeerde adres was beland (hij moest twee deuren verderop zijn) waardoor de hele zaak met een sisser afliep.

zelfportret (maart 2009)

mij kun je niet eens klei
meer noemen
verdroogd, verhard, verzadeld

de krokussen wenden zich af
de jus d’orange wordt zuur
met klonten
en konten zien in mij
wc-papier

ik zie mezelf in blik
dicht, doe me
vergeten, verlopen, veraderd

de heilkwissen straffen mij af
dan nu mijn dansje met vuur
in rondten
en bonter zelfs was ik
de troebadoer

Chairman of the bored (deel 3)

“Hoorde je wel wat ik zei?” zei Rick.
“Jawel, jawel, het een of ander vond jij of ik te pas of te onpas schier onmogelijk, of zoiets,” antwoordde Pelle.
“Wat heeft Dick Passchier er nou mee te maken?”
“Was die nie’ diegene die die spelshow presenteerde?”
“Welke Dinie? Waar heb je het over?”
“Hij had een eng seksistische uitstraling, maar hij was wel eerlijk.”
“Erik, Erik, Erik wie? Wacht even, wacht even!” schreeuwde Rick zich helemaal kogelrond. “Time out! Time out! Ik ben serieus van mening dat we ergens suiker moeten scoren. Het gaat anders niet goed zo.”
“Je hebt gelijk,” zei Pelle een beetje verveeld. “Ik denk dat we maar eens in een stad een winkel op moeten zoeken. Niet ver terug zag ik een bordje ‘Piemeledam 30 cm’, dus we moeten er zo zijn.”

Enige tijd later arriveerden de twee vrienden in het centrum van Piemeledam. Naar een suikerwinkel hoefden ze niet lang te zoeken. Op de markt van Piemeledam stond een marskramer zijn waar aan te prijzen.

“Dames en heren,” riep de marskramer, “u kende al sacharose, onze bekende tafelsuiker. U kende al glucose, oftewel druivensuiker. Ik noem een fructose, een ribose, een mannose. Ik kan er talloze opnoemen. Maar wist u dat deze suikers allemaal zo giftig zijn als een tierelier? Ik zweer het u. Ik ben er al drie kinderen, vijf vrouwen en zeven tanden door verloren!”
“Hee, dat zijn priemgetallen!” stootte Rick Pelle aan.
“Maar nu, dames en heren,” ging de marskramer verder, “is er een nieuwe sacharide op de markt. Een suiker zo zuiver en veilig dat deze alle andere suikers doet verbleken!”
De marskramer hield een glazen pot met een wit kristallijn poeder boven zijn hoofd en vervolgde: “Dames en heren, ik presenteer u: tuberculose!”
“Oooooh,” klonk het in de menigte.
Om de aandacht van potentiële kopers niet kwijt te raken ging de marskramer snel door met zijn verkooppraatje. “Op je brood of in je thee. Je kunt het zo gek niet bedenken of tuberculose maakt er wel een feest van! Het ziet er niet alleen mooi uit, maar is nog lekker en bovendien voedzaam ook. En, beste mensen, tuberculose is prachtig om cadeau te geven!”
“Ik denk dat we maar een kilo of zo moeten kopen,” zei Pelle tegen Rick.
“Je leest mijn gedachten,” zei Rick.

Pelle en Rick gingen in de rij staan.
“Hmmmm, smaakt naar kip!” hoorden ze iemand voor hen zeggen.

(wordt vervolgd)