Ei-eigenschappen #50

Kippen hebben niet het alleenrecht op eieren. Nou is het hier niet zoals in de politiek of in de sport dat zij die niet bedreven zijn in voetballen of zelfpromotie ook mee mogen praten over wat er op het veld zou moeten gebeuren, met net zo veel recht als zij die tegen een bal kunnen trappen of de juiste mensen kennen. En keuvelen over eieren is om de drommel niet verboden, maar er zijn ook wezens, naast kippen, die eieren daadwerkelijk tastbaar kunnen maken. In wezen zijn dat alle vrouwelijke wezens, als ik de betreffende taxonomie tenminste goed begrepen heb, maar de eieren waar we met z’n allen, stuk voor stuk, het eerst aan denken komen toch wel van vogels. Vrouwelijke vogels, uiteraard. Te herkennen aan hun make-up – die geeft een extra impuls aan het leven als een manier om de evolutie in al haar gevarieerde verschijningsvormen ten toon te spreiden.
Het juiste ei bij de juiste vogel plaatsen is wat lastiger. Maar gelukkig zijn er altijd Attenboroughachtigen die ons op weg willen helpen. Om drie eieren met drie vogels te combineren voldoen in feite twee zinvolle aanwijzingen, maar met vijf vermoeiende stukjes informatie kan het ook: 1. De eieren van de kwartel zijn lichtgrijs met donkere spikkels. 2. De vaalgele tot blauwgroene eieren wegen niet 25 gram. 3. De eend of de fazant legt eieren van 30 gram. 4. De eieren van 100 gram zijn bleekgroen. En 5. Als de eieren van de eend niet lichtgrijs en gespikkeld zijn, wegen ze meer dan 30 gram.
Met deze inlichtingen kunnen we nu kleur en gewicht achterhalen van wat kwartels, fazanten en eenden zoal leggen. Sommigen gebruiken hier een waarheidstabel voor. Anderen gaan aan de slag met een of ander diagram. En weer anderen geven het meteen op.
Welnu, uitgaande van alleen al de eerste zin kunnen we een fijne krul invullen bij de verbinding kwartel en lichtgrijze, donkergespikkelde eieren. En dan kunnen we meteen noteren dat de eieren van de eend en de fazant niet lichtgrijs met donkere spikkeltjes zijn, en dat de kwartel geen bleekgroene of vaalgele tot blauwgroene eieren heeft. Vier gratis negatietekens om aan onze tabel toe te voegen.
En de tweede zin levert er nog eentje op voor de mogelijkheid dat de vaalgele tot blauwgroene eieren 25 gram wegen. Met het lezen van de derde zin kunnen we in ons diagrammetje krabbelen dat kwarteleieren zwaarder of lichter dan 30 gram zijn.
Zin 4 geeft groen licht voor de koppeling bleekgroen en 100 gram – en tegelijkertijd levert dat vier minnen op voor de andere combinaties. Nu weten we dat de vaalgele tot blauwgroene eieren geen 25 gram en geen 100 gram wegen. Zo blijft er als gewicht voor deze tint eieren nog maar één over, namelijk 30 gram. Daar kunnen we dus een nette plus in het schema voor zetten, en ook leert dat ons dat vier van die gespikkelde eieren bij elkaar een gewicht van 100 gram hebben.
Omdat de eieren van de kwartel lichtgrijs zijn met van die donkere spikkels en eieren met dit kleurenspel 25 gram wegen, kunnen we concluderen dat de kwarteleieren 25 gram wegen. Alweer een aanvulling voor onze matrix. Alleen de laatste zin nog, en dat is zowaar een logische implicatie. We weten onderhand maar al te goed dat de eieren van de eend geen spikkels hebben; derhalve moeten ze 100 gram zijn. En – om het rond te maken – als de eendeneieren 100 gram wegen en de eieren van 100 gram bleekgroen zijn, behoren die bleekgroene toe aan onze eend.

Ei-eigenschappen #49

Dialectsprekers stralen met hun taaluitingen vaker wel dan niet een mix van een triomf van het gezonde verstand en een schattig bekrompen pretentie uit. Als een gebruiker van zo’n gewestelijke taalvariant (gekleed in maatpak met bijpassende schoenen) ‘spreek ik de ei zo goed uit?’ aan je vraagt, dan kan het goed zijn dat je niet eens begrijpt over welke klank hij nou precies informatie wil hebben.
De ei behoort tot de niet meer groeiende verzameling van tweeklanken. Tijdens het produceren van elementen uit deze groep verandert de stand van de mond – aan het eind is hij meer gesloten. En dat komt, uiteraard, omdat tweeklanken uit twee klanken, zeg klinkers, bestaan. Daarom noteert het International Phonetic Alphabet ze ook met twee symbooltjes; voor de ei-klank in het Standaardnederlands is dat [ɛi], een koppeling van de [ɛ] van mest en de [i] van pies – die laatste klank wat minder vurig uitgevoerd dan de eerste. Mensen die ‘tweeklank’ niet uit kunnen spreken zeggen ‘diftong’, en zij die interessant willen doen hebben het bij de ei-klank over een coronale tweeklank, waarbij het predicaat coronaal slaat op de plaats van articulatie in de mond, namelijk vlak achter de tanden.
In taalkundig onderzoek bestaat er een bijzonder experiment betreffende de ei-klank. Men laat hierbij proefpersonen nagaan of een ei wel of niet gekookt is, en men doet dit door hun een ei en een bakje aan te reiken, met de opdracht het ei te pellen. Druipt er een dunne massa in het bakje (of op de tafel) dan was het ei niet gekookt. Het moge voor zich spreken dat de opstelling met het ei slechts een afleiding is. Het echte onderzoek betreft de klanken, en dan vooral de ei-klank, die de proefpersonen uiten.
Bij zo’n ei moet de mond, zoals gezegd, eigenlijk min of meer tegelijkertijd open en gesloten zijn, en tevens moet de stand van de tong zowel in het midden als naar voren zijn. Dit zijn goede spieroefeningen, maar luie mensen hebben daar vrij gauw genoeg van. En het is juist die luiheid waar een dialectspreker zich maar al te vaak mee verraadt. Resultante is dat meestal wordt gekozen voor één van de klinkers die deel uitmaken van de tweeklank. Als je een stukje met je auto gaat toeren, merk je al gauw dat men in sommige streken – en ik zal geen namen noemen – in plaats van de ei de ie aanbiedt, en dat men in andere gebieden hier de korte e ten gehore brengt. Die sprekers kiezen dus voor één van de twee mondbewegingen die de ei-klank eigenlijk dicteert. Om de ei te ontwijken wordt ook nog wel de lange a, die naast de korte e ligt, gebruikt. En dan zijn er zelfs van die overachievers in ons land die bij de ei van de lange a toch helemaal naar de ie-klank gaan. Die denken daarmee wellicht nonchalant te doen, hoewel ze in feite de beweging van kaak en tong juist groter maken zo.
Maar mogelijk heeft dit ook weer z’n voordelen. Er heerst namelijk een hardnekkige opvatting dat iemands wereldbeeld en de manier waarop diegene denkt over de werkelijkheid beïnvloed worden door de taal die die persoon spreekt. Misschien is de wereld dus draaglijker of zo in een bepaald dialect, puur door de manier waarop je het woord ‘tijd’ dient uit te spreken.
Wat dat betreft kan ik er een kwistig stuk in meegaan dat humor en poëzie vaak hun lading toegewezen krijgen door een doorgaans onvertaalbare associatie (bijv. via rijm) van vormen (klanken). De kans is evenwel daar dat mijn taal mij dat domweg zo laat zien.

Ei-eigenschappen #48

Je merkt de laatste tijd steeds vaker dat mensen op straat naar elkaar toe lopen om informatie uit te wisselen over het eiergebruik in het oeuvre van Albert Camus. Voor degenen die weinig buiten komen geef ik hier een samenvatting. We beperken ons daarbij tot zijn romans uit 1942, 1947 en 1956, en laten voor het gemak even al zijn geschriften die hij dronken op doorreis van vriendin naar vriendin kwijtraakte buiten beschouwing. Op de openluchtvergadering van afgelopen weekend waren alle vierennegentig aanwezigen het er wel over eens dat er expliciet maar één keer door Camus melding wordt gemaakt van eieren: in deel 1 van De Vreemdeling bakt de hoofdpersoon een paar eieren als lunch. Niet omdat hij dat per se zo lekker vindt op dat moment, maar meer omdat hij geen zin heeft om naar het door hem frequent bezochte restaurant te gaan die dag. Hij eet de eieren zonder brood. Niet omdat hem dat beter smaakt, maar omdat hij niet de moeite wil doen om helemaal naar buiten te gaan voor een boodschap. En als die hap dan nogal zoutloos is opgegeten, is het gedaan met de eieren voor Camus; na 1942 blijven ze achterwege.
Veroorzakers van eieren – in het bijzonder vogels – treden vaker op, en het wezen dat we in het dagelijkse consumentenleven wellicht het meest met eieren associëren komt er redelijk bekaaid vanaf. De Val presenteert een kip. Althans, er wordt verteld over het wantrouwen dat je zou moeten hebben bij het bestellen van de kipschotel, of welk gerecht dan ook, in een Chinees restaurant. Dode kippen leggen geen eieren, denken we er als lezer bij. Maar verder voert Camus geen kip meer op. Ja, De Pest laat nog een voorval met de man van de kip gebeuren. Een van de romanfiguren detecteert op een tafel wat vogelpoep (die druk bezig is om op te drogen). Dan wordt hij opgeschrikt door een met zijn vleugels klapperende haan die uit een hoek tevoorschijn komt. Niet veel later wordt deze haan weggetrapt.
Andere vogels geeft Camus talrijker weer. Zo komen er in de tweede roman vanuit het zuiden vluchten spreeuwen stil voorbij, en in de laatste speelt het gekrijs van onzichtbare meeuwen een rolletje. In beide boeken wordt een papegaai genoemd. Ongeïdentificeerde vogels duiken hier en daar op, en verder zijn er veel verwijzingen naar duiven, in elk verhaal wel. In De Pest een paar keer – ze worden niet voor niets vliegende ratten genoemd. Maar veel vaker heeft Camus het over duiven in zijn roman die zich in Amsterdam afspeelt; ze worden niet voor niets vliegende ratten genoemd. Deze bevinding werd op de straatvergadering onlangs met applaus ontvangen. Na een stemming werd toen tevens vastgesteld dat veel Fransen hun eigen taal blijkbaar nogal moeilijk vinden en dat er daarom juist vertalingen zijn – naar het Engels bijvoorbeeld. Van die taal kun je dan weer een en ander vertalen naar het Nederlands, waarmee je begint door een willekeurige zin te pakken. Echt willekeurig, want elke zin is feitelijk even zinvol. Of zinloos, zo je wilt – want elke volzin is immers even leeg. Op maandag zou je die waarschijnlijk anders vertalen dan op dinsdag. En zo hoort dat ook. Het ei van vandaag kan morgen nou eenmaal een kuiken zijn. Sowieso is feitelijk elke lezing een vertaling. Maar gelukkig is bovenstaande ook allemaal zelf nog na te lezen. En dat hoeft heus niet te vroeg in je bestaantje. Je bent uiteindelijk maar heel kort jong, en heel lang oud.

Ei-eigenschappen #47

Het is van onschatbaar belang om je gebazel te blijven oefenen in tijden dat de kroegen dicht zijn. Eieren weten daar alles van, en de wijste eieren hebben de langste baarden. Over de wang-, hals-, en kinhaarlengte van fusei (van nature zo) en thesei (via de willekeur van de afspraak) is vaak een dispuut. Het begint er meestal mee dat een ei niet te kenmerken is met een lijst van de zintuiglijk waarneembare eigenschappen van een ei. Deze lijst is oneindig. Of beter: deze lijst is oneindig te maken, want alle ideale eigenschappen zijn al aanwezig, alleen nog niet altijd zintuiglijk waarneembaar. Voor er een ei was, was de idee van een ei er al. Het is niet zo dat er eerst ei uit een wezen rolde, en men daarna, al dan niet per ongeluk, eens ging bedenken of ondervinden wat het was. Denkend vanuit dit puntje ontstonden er ooit twee kampen – zij die vonden dat de dingen noodzakelijk en natuurlijk waren stonden tegenover zij die meenden dat hier van niet meer dan een door eieren bepaalde conventie sprake was. ‘Alles is natuurlijk en in wezen logisch en regelmatig,’ zei fusei, de o zo slimme, en het al even slimme thesei zei dat alles door eieren ontworpen was en daardoor zo onregelmatig. En zo ging dat eeuwen door tot er een nog slimmer ei kwam dat stelde dat de ware aard der dingen, en dus ook eieren, niet in die dingen zelf is gezeten, maar in de opposities van deze dingen onderling. Met deze uitspraak gaf hij tevens thesei meer gelijk dan fusei, want verschillende systemen met eigen afspraken en regels bleken, vond hij, stuk voor stuk afdoende te werken, en het ene systeem was niet per definitie juister of onvermijdelijker dan het andere. En, ja, een kip is uiteraard ook een kip juist omdat ze geen haan is, en andersom – en wellicht is er na deze indeling die in oorsprong ongetwijfeld regelmatig, logisch en natuurlijk is ook nog een invulling van bepaalde parameters die leidt tot een aantal willekeurige beperkingen en imperfecties. En een ideaal ei rustend in een ideaal hokje met een laagje ideaal hooi is denkbaar, maar niet werkelijk te verwachten in de wereld die gekend is. Aan de bar klinkt dit allicht allemaal een stuk beter, want dan kun je bijvoorbeeld ook fijn beeldend uitleggen dat de gekende wereld bestaat uit een eindige set van culturele opposities, beginnende bij een totem, een vast, concreet geworden meetpunt – of zeg maar een stamcafé –, ten opzichte waarvan alle opvattingen en waarden kunnen worden gespiegeld.
De truc zit ’m uiteindelijk in het classificeren, en alle individuele eieren classificeren op gelijke wijze – ook al is er, omdat de natuur verschillend begrepen kan worden, niet altijd dezelfde uitkomst. Eieren worden ingedeeld naar de wezens die hen gelegd hebben, naar de gebruikte opfokmethode, naar gewichts- en kwaliteitsklasse, en ook nog naar allerlei zaken waar zowel moeder als ei weinig tot niets (direct) aan heeft, zoals verpakking, transparantie, klimaatbelasting, biodiversiteit, en gezondheid van degenen die de eieren als voedsel toegediend krijgen. Maar aan het einde van de dag belanden toch alleen de gladgeschoren kippeneieren met nog geen promille alcohol en absoluut geen tegengeluid in de schappen van de plaatselijke supermarkt. En dat is dan enkel een bedacht ideaal van een ei, want als het authentieke en pure ei al mag bestaan, is dat door een naïef doordravende doorvoering van structuur onzichtbaar gemaakt.

Ei-eigenschappen #46

Dat de moderne mens het voor elkaar heeft gekregen om de samenleving zo te organiseren dat die op belangrijke zaken altijd onvoorbereid is, zeker als het gaat om het ageren in het belang van iedereen, werkt de verzekeringsbranche nogal in de hand – en de rendabelste der verzekeringen, hebben econometristen gegokt, is zonder twijfel de eierscheidverzekering. Met zo’n polis op zak kun je de kosten van alle eieren die je verprutst tijdens het proces van het scheiden van eiwit en eigeel verhalen (mits je vooraf exact op twee decimalen nauwkeurig het verschil tussen het gewicht en de massa van het ei hebt opgegeven). Sommigen zeggen nooit eieren te scheiden en dus zo’n verzekering niet nodig te hebben. Maar dat slaat natuurlijk nergens op. Je zult net zien dat je, terwijl je gewoon iets voor jezelf aan het doen bent, ineens, vanuit het niets, in de keuken een ei aan het scheiden bent, en dat verpest – dan kan zonder een geschikte assurantie alle schade mooi door jezelf betaald worden, om nog maar te zwijgen over de bijkomende schaamte. En af en toe ben je toch echt wel met je volle verstand aan het eierscheiden – omdat je per ongeluk de dooier op de grond hebt laten vallen en alleen nog maar het eiwit eromheen kunt gebruiken.
Maar zelfs mét een eierscheidverzekering is het uiteraard lang niet zeker dat je gecompenseerd wordt. Die onnodig grote gebouwen van die maatschappijen zijn immers niet gratis. En daarom is het goed om naast een dergelijke afdekking het eierscheiden zelf toch enigszins onder de knie te hebben. Die procedure begint met het vastpakken van een ei. Breek dat ei en laat de inhoud in je hand lopen. Beweeg je hand zo, voorzichtig, dat het eiwit tussen je vingers door in een bakje druipt en de dooier in je handpalm achterblijft. Laat de dooier nu sensueel in een tweede bakje glijden, en voilà pilatus pas! Wil je meer dan één ei scheiden, dan is er daarna nog een cruciale vervolgstap: gooi het goedje uit bak 1 in een derde bak. Alle komende dooiers belanden in bak 2, en al het volgende eiwit gaat via bak 1 in bak 3. Er zou namelijk weleens wat eigeel door je vingers heen in bak 1 verzeild kunnen raken, en dat willen we juist voorkomen.
Belangrijk bij deze methode is wel dat je je handen goed wast. Of dat nou voor of na het proces is, daar zijn de meningen over verdeeld. En er zijn natuurlijk wel andere technieken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een lepel met gleuven of van de schaal (in tweeën) zelf, maar de methodiek met de hand is toch zeker de gezelligste. Daarnaast wordt ieder van ons door voornamelijk groepsdruk gedwongen om het omgaan met eieren te beperken tot binnen de vastgelegde richtlijnen, en het scheiden van eiwit en -geel enkel uit te voeren volgens de geldende, voorgeschreven handelswijzen. En boven en beneden de rivieren gaat men daar, zoals wij weten, niet hetzelfde mee om. Over de optimale temperatuur van deze eierbewerking is men het wel alom eens – het beste kan men gekoelde eieren gebruiken, omdat de dooiers op kamertemperatuur eerder geneigd zijn te breken.
En na veel oefenen zit je dan met een lading eigeel en een vrachtje eiwit. Geen nood. Van al het eiwit kun je heerlijke meringues maken, en de dooiers tover je – met boter en azijn – om in een prachtige hollandaisesaus. Heb je alleen hele eieren? Dat is ook geen probleem. Want meringues met hollandaisesaus heb je per slot van rekening zo gemaakt!

Ei-eigenschappen #45

Smaak is niet vies van mystiek. De een kan bijvoorbeeld een bepaalde kookshow op televisie beter pruimen dan de ander – en dat kan dan puur te maken hebben met het kleurgebruik van het decor, of zelfs met een of andere gast die daar ooit op bezoek was. Wat wel buiten kijf staat, is dat de kookprogramma’s van het Verenigd Koninkrijk, van de BBC dus, tot de beste van niet-continentaal Europa behoren. Waar in Nederland de sponsor van de ingrediënten de meeste aandacht verdient, gaat het bij Britse koks nog echt om de ingrediënten zelf. Het liefst ook van eigen bodem – een zeer vriendelijke vorm van patriottisme die in Nederland geheel ontbreekt. Maar wat eigenlijk nooit ontbreekt in elke aflevering van elk kokkerelprogramma op elke zender is een ei. Eieren zijn feitelijk zo onmisbaar in de keuken als de kok en de honger. Ze kunnen verwerkt worden tot gerecht an sich, maar ook als rijsmiddel/luchtigmaker (bijv. in allerlei al dan niet bureaucratische mousses, soufflés en gebaksoorten, en eventuele onderafdelingen daarvan), als plakmiddel (bijv. bij het paneren van bijna bedorven vis of onbepaalde substanties), als glansmiddel (bijv. voor bladerdeegmaaksels, om de schone schijn nog even die extra 100% te geven), als garnering (bijv. om de aandacht van de huzarensalade af te leiden), en als bindmiddel (bijv. in sauzen, omdat de liefde door de maag gaat). Het toevoegen van een ei betekent niet te vergeten eveneens dat er vocht wordt bijgemengd. Een ei bestaat immers voor zo’n driekwart uit water – het eiwit wat meer dan de dooier. Awel, als het puur om het aanvullen van water gaat, zijn er uiteraard goedkopere alternatieven. De prijs van ‘eierwater’ is, als we eieren van een kwartje tot drie dubbeltjes pakken, ruim 5 euro per 750 ml. Daar kun je bij de delicatessenwinkel op de hoek een exquise merkje mineraalwater voor uitzoeken. Bevochtiging is min of meer om die reden niet de belangrijkste missie van een ei.
Hoe dan ook mag het ei rekenen op een flinke dosis sympathie van voedselbereiders. Zijn functies kunnen namelijk, zoals we hierboven al zagen, best door andere grondstoffen overgenomen worden. Neem ter illustratie hiervan eens de Hollywoodsausloze schotel hutspot (hotchpotch in het Engels, plat de merde avec une couleur, volgens Auguste Escoffier), waar onze kikkerlandse cuisine zo trots op is. Dit gerecht is een prachtig gebonden prut zonder dat daarbij een ei aan te pas is gekomen. Nee, aan dit samenspel van aardappel, winterpeen en ui is als bindmiddel ook nog eens aardappel toegevoegd. En het werkt!
Een tv-kok die met veel rode bloedlichaampjes dit soort nut van verschillende ingrediënten beschrijft, is de Westfaal Björn Freitag. Zijn manier van koken doet ons een diepere blik slaan in het eeuwige mysterie van de voeding. Als de aftiteling begint zal de kijker met grote dankbaarheid en vreugde erkennen dat Björn hem tot in het diepst van zijn ziel heeft geroerd. Bovendien is Björn een keurige vent. In pandemische tijden is de kans groot dat mensen regelmatig hun handen wassen en dan kan men ook best die uitsmijter van café Het Gore Hemd een keer proberen. In Björns restaurant, Goldener Anker (in Dorsten, niet in Heidelberg, en zeker niet in Oldenburg), is handen wassen echter al jaren en jaren een vast onderdeel van de dag. En dat zeg ik nou heus niet omdat hij mij bij mijn volgende bezoek een plaatsje bij het raam heeft beloofd.

Ei-eigenschappen #44

Lang, te lang geleden, ver voor de allereerste Kondratieffgolf bestond, was het populair voor goden om uit een ei te komen – beginnende waarschijnlijk bij de Chinese god Pángŭ. Je moet dit uiteraard niet omdraaien. Wat uit een ei komt, is niet per definitie een god. Als fans van de politiek graag een T-shirt van de VVD dragen, dan wil dat nog niet zeggen dat iemand met een VVD-T-shirt ook een liefhebber van politiek is. Je kunt namelijk niet een conclusie trekken op basis van het gevolg van die conclusie – omdat andere conclusies immers niet kunnen worden uitgesloten. Iemand kan bijvoorbeeld ook een shirtje met de tekst ‘VVD’ erop dragen omdat hij dyslectisch is, of gewoon omdat hij graag kledingstukken draagt die door kinderarbeid en onder erbarmelijke omstandigheden tot wording gekomen zijn. Terug naar de hogere machten: het is overigens niet zo dat alle goden uit eieren geboren werden, en worden. Het is daarom tevens onjuist om te zeggen dat als iets niet uit een ei komt, het dus geen god is. Oftewel, als het gevolg onwaar is, hoeft daarmee het antecedent nog niet onwaar te zijn. Een voorbeeldje hiervan kunnen we in India vinden. Daar barst het van de goden. Er zijn er sowieso al meer dan Gandhi haren op zijn kop had – daar zijn het de heren historici wel over eens. Voor van alles en nog wat bestaan er in India bivakkerende goden. Zo ook, naar alle waarschijnlijkheid, is er een god van het ei. En logischerwijs is die niet geboren uit een ei, want dan zou hij ontstaan zijn uit iets wat hij zelf nog moet scheppen, en door die paradoxale recursie-hapering zou hij continu te zenuwachtig zijn om nog zinvolle dingen te doen in dit universum. Een oppergod, de god die alles verder teweegbrengt, zou uiteraard met hetzelfde te maken hebben – dus we kunnen met een gerust hart concluderen dat die in ieder geval niet uit een ei is gekropen. Toch heerst er in het algemeen, vooral vanwege het gebrek aan ooggetuigen, best veel onduidelijkheid rondom deze vorm van eierpresentatie.
Gelukkig voor ons nieuwsgierigen hielden sommige goden een dagboek bij. (Nogmaals: niet iedereen met een dagboek is een god, en het niet schrijven van zo’n log betekent nog niet dat men geen god is.) Lezen wij een passage van de Finse god Väinämöinen: ‘Ik vond het voornamelijk een originele entree. En het magische en nogal tot de verbeelding sprekende getal nul lijkt van een afstand ook best op een ei. Bovendien is het erg goed dat de schaal van het ei adequaat het ontstaan van het iets uit het niets afdekt. Dat vergroot alleen maar het mysterie. Als de mensen de wording van het iets gewoon zouden kunnen aanschouwen, zou er geen reet meer aan zijn, vermoed ik.’ Dat Väinämöinen onder meer de god van de podiumkunsten is, maakt deze tekst wat gekleurd; de keuze voor het ei wordt hiermee wel wat begrijpelijker. Sommige goden namen hun eifascinatie een stuk verder nog. Zeus was zo’n figuur. Die deed het met een zwaan. (Lekker zwaantje, dat wel. Erg mooie veren ook.) Daar werden Castor en Pollux uit geboren, nu de twee helderste lichtjes van de constellatie Tweelingen. Over heldere sterren gesproken: op Sirius B ligt volgens een stam in Mali de blauwdruk van de schepping. Toch zo’n 8,6 lichtjaar weg. Je moet dus voor zo’n educatieve reis heel wat episodes van je favoriete show willen missen – om dan te kunnen lezen dat de Big Bang klonk als het breken van een eierschaal of zo.

Ei-eigenschappen #43

In de tijd dat het nog blits was je gang te behangen met het filmscript van Annie Hall, was het minder hip om elke dag een ei te eten. Eieren zijn dan wel fiks rijk aan hoogwaardige eiwitten, met bovendien een collectie vitaminen en mineralen om je vingers bij af te likken, maar gezonde dingen zijn volgens de uiteinden van onze beleidsmakers blijkbaar niet altijd even goed voor onze lichaampjes geweest. Nou is het uiteraard tegenwoordig nogal onmogelijk om serieus te meten wat gezond voor ons is. Proeven op mensen die werkelijk bijdragen aan fatsoenlijk klinisch onderzoek zijn sowieso bij wet verboden. Het blijft dan een beetje bij experimenten met een man of 18 (van doe een gooi iets van 57 tot 70 jaar oud) die dan een keer of 5 worden uitgenodigd om een shake te drinken en daarna een dagdeel wat testjes te ondergaan. Wat die proefpersonen buiten het onderzoekslokaal allemaal op- en uitvreten wordt met een blind vertrouwen voor lief genomen. En dan komt daarnaast die paradox om de hoek kijken dat men zich anders gaat gedragen als men weet dat men gemonitord wordt. Hoe filter je dat er goed uit? Kippen laten zich makkelijker bestuderen, en eieren nog simpeler. Die laten zich probleemloos in voor hen gekozen ruimtes zetten en hele dagen filmen – zonder dat er vragenlijsten ingevuld hoeven worden over bijvoorbeeld privacy of opgedrongen meningen.
Voordat eieren de mens zouden kunnen bezoedelen zijn deze dus buitengewoon goed op allerlei manieren te analyseren. Hoe de samenstelling ervan varieert bij verschillende leefomstandigheden van de kip, bijvoorbeeld, is netjes te meten en aan te tonen. Op een website als researchgate.net is met de juiste zoektermen (egg quality, housing systems, laying hens) een keur aan resultaten van dergelijk onderzoek te vinden. Tegen een wellicht naïeve, maar goedbedoelde verwachting in ontdekken we dan dat de kwaliteit van eieren, in de zin van voedingswaarde en gehalte aan bioactieve stoffen, minder te maken heeft met de behuizing van de hennen en meer met hun etenswaar. Een kip die kilometers kan kuieren legt niet een significant ‘beter’ ei dan een kip die met tamelijk weinig bewegingsruimte en steeds dezelfde buren de dag doorbrengt – onder dezelfde gecontroleerde dieetcondities.
Hoe de kip zich in beide gevallen voelt, is vooralsnog toch gissen. Daar komt de menselijke arrogantie van de empathie-extrapolatie in het spel. Mensen willen graag een groot huis, dus kippen zullen ook wel ruim willen wonen. Men kan het de hen niet vragen – wel kan men observeren dat in grotere groepen kippen soms overgaan tot kannibalisme, en dat in omstandigheden met duidelijke afbakening pluimvee efficiënter en beter tegen parasieten en ziekten te beschermen is. Bij de stap van het ei naar de kip, bij de vraag wanneer die laatste zich fijner voelt, schakelt men in de discussie sowieso snel over van feiten naar retoriek. Gezondheid en tevredenheid worden dan om te beginnen al half op elkaar gelegd.
Voor de kippen zelf is dat natuurlijk al helemaal niet leuk. Die hebben immers, dat is alom bekend, een bloed- en spuughekel aan het gebruiken en bespelen van emoties met bombast puur en alleen om oorzaak en gevolg door elkaar te kunnen husselen. Ik leg mij hier met hen verder neer bij de woorden van Woody Allen (als het personage Alvy Singer) in de bioscoopscène met Marhsall McLuhan (als zichzelf).

Ei-eigenschappen #42

Iemand kan negatief antwoorden op de vraag of hij zin heeft in een gebakken ei, omdat hij ‘gebakkelei’ verstaat. Met de woorden spiegelei en spielerei is soortgelijke verwarring mogelijk. Dat de boodschap in deze voorbeelden niet correct tot stand komt, kan pure desinteresse zijn – slordige uitspraak van de zender, gebrek aan aandacht van de ontvanger – of het resultaat zijn van signaalverstoring onderweg (bijvoorbeeld door het geroezemoes van passagiers in een nogal laag overvliegende Boeing). Het kan echter nog erger, zelfs zonder enige intentie. Er zijn woorden die disorde kunnen veroorzaken omdat ze meer dan één betekenis in zich dragen, en doorgaans worden deze homoniemen genoemd. Toch moeten we niet alle woorden met meerdere semantische ladingen op dezelfde hoop vegen. Enige nuancering is op z’n plaats. Zuivere homonymie houdt in dat uitspraak en spelling (en, in engere zin, ook woordsoort) gelijk zijn, maar dat de betekenis duidelijk verschilt. In een woordenboek herken je echte homoniemen aan de behandeling van de omschrijvingen onder afzonderlijke lemma’s. Het woord ei is zo in onze Van Dale twee keer opgenomen – een keer als zelfstandig naamwoord en een keer als tussenwerpsel. Alle betekenissen die hier onder dat naamwoord worden opgesomd, zijn geen homoniemen, maar worden polysemen genoemd; de betekenisschakeringen houden verband met elkaar. In onze taal hebben een vrouwelijke geslachtscel en iemand die halfzacht is nou eenmaal met elkaar te maken, maar voor deze ladingen kan het woord ei dus officieel niet gesplitst worden in twee homoniemen.
Toch, belangrijker dan precies weten wat het verschil tussen begripsaanduidingen zou zijn, is beseffen dat in alledaagse situaties mensen polysemen doorgaans gewoon homoniemen noemen. De logica rond niet af, zeg maar, terwijl in de praktijk categorieën vaak genoeg juist wat ruimer zijn. Tegelijkertijd worden sommige woorden weer niet als homoniem gezien, terwijl die best dat label zouden mogen krijgen. Taal is eigenlijk nooit echt op hetzelfde moment schrift én klank. En zo komen er woorden voor met dezelfde uitspraak (en niet per se dezelfde spelling), maar met verschillende betekenissen. Homofonen heten deze dan. Het paar gevlij/gevlei vertoeft in deze groep. Homografen bestaan ook, woorden met verschillende inhoud, verschillende uitspraak, maar dezelfde tekenreeks. Denk maar aan de twee manieren om ‘voorkomen’ te zeggen.
Dit allemaal wetende is het nu tijd voor uitbreiding van ons lexicon. Voor sommige fenomenen zijn nou eenmaal meer homoniemen nodig. Zij die bijvoorbeeld vinden dat de ongebreidelde groei van al te creatieve en gekunstelde neologismen aan banden moet worden gelegd, zouden dit moeten kunnen benoemen met een groter deel van onze taalschat, is de algemene opvatting. Maar wij beperken ons hier simpelweg even tot het toevoegen van betekenissen aan al lang en breed bestaande woorden, tweedehands in feite, met name die eindigend op –ei. Met een term als ‘lakei’ moet men namelijk ook gewoon een ei gemaakt van lak of een ei om mee te lakken aan kunnen duiden. En ‘pastei’ zou heel goed kunnen slaan op een kind dat zich goed weet te gedragen. Een ei dat wordt benoemd door degene die het ook bezit, mag voortaan best voor ‘mei’ doorgaan. En nu jij: stampei, schalmei, gelei, gewei, doei…

Ei-eigenschappen #41

Eierkoeken zijn niet als Tarantinofilms. Eierkoeken zijn amper beter te genieten als je meer over de ingrediënten weet. Bovendien worden ze al een stuk langer gemaakt dan die flicks van Quentin. De doorgaans schuimachtig zachte, cirkelvormige baksels – van onderen vlak, van boven bol – bestaan immers al zeker sinds de wegwerkzaamheden bij Rome van 1593. Van die tijd stamt namelijk het recept: zo neempt eyeren ende lechtse [leg ze] int waerme water, neempt fin blomme, doe die doreo [dooiers] daer inne ende neempt een luttel [beetje] suyckers, een luttel versche botere, up leste [als laatste] luttel overgist, en maect daer af [maak daarvan] deech ende laetet upgaen [laat het rijzen] alsoet behoirt eer ghijt weerct [zoals het behoort voordat u het kneedt] ende dan maecket [maak het] zoe ghij wilt ende backet van passe [bak het lang genoeg]. Deze eierkoeken waren blijkbaar – wie weleens wat bakt, zal het herkennen – nogal taartbodemachtig. Tegenwoordig worden ze nog steeds gemaakt als een soort sponscake, dus met (ongeveer) gelijke delen bloem, ei en suiker, en zonder vet. Men klopt de eieren met de suiker tot een luchtig mengsel en roert daar dan voorzichtig en niet te lang de bloem (met wat rijsmiddel en zout) doorheen. Het beslag moet daarna in klodders met een diameter van zo’n vier tot vijf duimdiktes de oven (± 180°C) in, en na een minuut of twaalf is het voortbrengsel goudbruin. Geduldig de bakkerswaar af laten koelen hoort er eventueel ook nog bij.
Maar hét voorschrift voor eierkoekbereiding bestaat eigenlijk niet. In een paar minuten tien verschillende recepten van het internet plukken is iets wat een kind kan doen tijdens de was. De eierkoeken van de bakker op de hoek ruiken bijvoorbeeld lekker naar ammoniak, terwijl die van tante Truus altijd die heerlijk temperamentvolle zeepsmaak hebben. En dat heeft dan alles te maken met de keuzes omtrent de sponsachtige structuur van de koeken. Uiteraard is een en ander luchtig te houden door het tijdens het maken over voetbal in plaats van politiek te hebben, maar de selectie van het rijsmiddel speelt toch gewis een rol van betekenis. Fluffige koeken verkrijgen we immers door de uitstoot van koolstofdioxide, en dit proces kunnen we regelen via een reactie met natrium- of ammoniumbicarbonaat. Dat eerste goedje ontbindt na de kennismaking met een zuur, dat tweede onder invloed van warmte (bij zo’n 60°C). Als voor de natriumverbinding te weinig zuur aanwezig is of bij de ammoniumverbinding te veel vocht (water), dan wordt dit tijdens de productie vertaald in een niet per se gewenste bijsmaak van de eierkoek.
Nu kunnen we de vraag stellen of het wel zo erg is om het nuttigen van een eierkoek gepaard te laten gaan met een basische, zeepachtige sensatie. Een keer de mond goed spoelen hoeft niet nadelig te zijn. Even gorgelen, koek en ei, zou je zeggen. Maar de moderne, brave persoontjes onder ons leven gelukkig met het getelevisioneerde besef dat alleen het perfecte goed genoeg voor ons kan zijn, dus op de zintuigen werkende bijeffecten moeten volop geretoucheerd worden. Bakken is passen en meten – de rede is echter ook hier de slaaf van de passie. En om ons te dienen is er daarom bakpoeder, een kant-en-klaar-pakketje rijsmiddel, een droog mengsel van NaHCO3 en C4H6O6. Just add water. Net als in de liefde gaat het om de goede verhouding – en dan een beetje nat maken. Eitje.