De palendroom

Waar al eeuwen wind en zand met het kabbelende water spelen, hier niet ver vandaan, waar tussen onregelmatig gevormde meertjes struikhei, brem en dophei bijna hypnotiserende patronen vormen, waar het meer dan eens stikt van de zeldzame dagvlinders, lag ooit een markies op een zacht bed van mos en onder een lobvormige maan te slapen.
Hij lag daar al sinds die middag rustig te ronken. Ineens was hij weggedommeld, moe van alle zware activiteiten van die dag. Sinds de vroege ochtend was hij namelijk druk in de weer geweest met de jacht op evenhoevige zoogdieren. Hij had er heel wat moeten tellen, waaronder schapen.
Toen de markies een paar uur later wakker werd, met zijn gebruikelijke ochtendslapte, zat zijn entourage zwijgend en ongeduldig om hem heen. Hij was een zeer gewaardeerd man, onze markies, in de groep, omdat iedereen financieel van hem afhankelijk was.
‘Tjongejonge,’ zei de markies, terwijl hij een glas wijn inschonk, ‘wat heb ik een rare droom gehad, zeg. Tjongejonge!’
‘Vertel!’ zei de gek genoeg nogal magere priester uit het gevolg. ‘Wij zijn razend benieuwd met z’n allen.’
‘Nou, tjongejonge, ik droomde dat ik omringd werd door pilaren. Heel veel pilaren. Wel duizend! Grote, dikke pilaren, allemaal helemaal van hout gemaakt. Het leek zo echt. Tjongejonge!’
‘Interessant,’ zei de priester, ‘en deden ze nog iets, die pilaren?’
‘Nee, dat niet. Maar, tjongejonge, die pilaren hadden allemaal de vorm van een pilaar, en aan die pilaren zaten ook weer kleinere pilaren vast, een soort zijpilaren. En aan die zijpilaren zaten vervolgens ook weer zijpilaartjes. Tjongejonge, zoiets komt echt alleen in een droom voor,’ zei de markies, en hij ledigde met een gulzige teug zijn wijnglas.
‘Dat geloof ik ook,’ zei de priester, ‘en ik weet volgens mij zelfs wat de droom betekent.’
‘Tjonge, laat me niet in spanning.’
‘De houten pilaren stellen een kasteel en een stad voor die door u opgericht zullen worden op deze plaats. Deze stad zal de hoofdstad zijn van onze mensen en de woning van hun heersers, en de glorie van hun daden zal over de hele wereld weerklinken.’
‘Een stad? Hier? Tjonge!’
‘Ja. De start van de bouw zal het begin van een nieuwe dynastie inluiden. Een eeuwigdurende dynastie, zoals de cirkelvorm van de houten pilaren aangeeft. Over honderden jaren zullen sportclubs en zangverenigingen zich nog steeds noemen naar de stichter van deze stad. Een grotere roem zal op deze aardbol nooit kunnen bestaan.’
‘Voor ons nageslacht zou dat tjonge een mooi verhaal opleveren om hun romantisch nationalistische gevoel te ondersteunen,’ zei de markies, tussen het slobberen van zijn nieuwe glas wijn door.
‘Uw handelingen en levensloop zullen tot het einde der tijden als voorbeeld dienen voor jong en oud! U zult gezien worden als een ziener. Niet voor niets waren de pilaren uit uw droom van hout, het element van vernieuwing, van ontwikkeling, dat zorgt dat dingen tot leven komen. Dus zal ik de boel voor u in gang zetten?’ zei de priester.
‘Nee, dat is mij te veel gedoe,’ zei de markies tussen gezucht door. ‘Eerst zit je maanden in de rotzooi bij het bouwen van zo’n stad. Bovendien kost het allemaal nogal wat centen, en die geef ik liever uit aan wijn.’

Het slangenmeisje

In een naar lupines en geraniums geurend bos, hier niet ver vandaan, waar de klimplanten elkaar met cascade-effecten af proberen te troeven, waar langs de randen de kreekbedden aan de bodembedekkers een gevoel van beweging geven, waar het landschap moedwillig door het gebruik van veel kleur het effect van een zacht uiterlijk bereikt, werd ooit een pril meisje, Ophidia genaamd, overdonderd en half verleid door een slang in de gedaante van een bohemien. Tenminste, dat zei ze; dat was haar vaste overtuiging.
‘Mama, papa, ik moet trouwen met een slang!’ riep Ophidia op een dag toen ze thuiskwam. ‘Een slang heeft me gedwongen met hem te trouwen! Echt waar, een knappe, stoere slang was het!’
Haar ouders probeerden haar duidelijk te maken dat dat allemaal wel zo’n vaart niet zou lopen, omdat slangen nou eenmaal geen ringvinger hebben en sowieso niet achter het instituut huwelijk staan. Ze stuurden het meisje met een kop hete kamillethee en wat chloroformpotpourri naar haar bed en lieten het daar verder bij.
Lang duurde het echter niet voor Ophidia door een stel slangen werd ontvoerd en naar een onduidelijk slangenrijk vol met slangeninfrastructuur en een invulling daarvan werd gebracht. Hier trouwde ze met de van een zeer gesoigneerd baardje voorziene slangenkoning, en alles in haar leven werd voortaan beslist door slangen. Levenslang, daar zag het eigenlijk wel naar uit.
Echt onaangenaam vond ze het niet, maar na een paar jaar voornamelijk bezig te zijn geweest met het verversen van haar huidcellen wilde Ophidia toch graag een keer op bezoek bij haar ouders en de rest van haar inmiddels best dierbare familie.
De slangenkoning had er nou niet bepaald trek in dat Ophidia een weekend of zo weg zou gaan, maar hij wilde als slang ook niet lullig zijn en daarom wees hij haar verzoek om af te reizen niet meteen af. Drie taken gaf hij Ophidia. Ze moest een pan pakken, ze moest er boter in smelten, en ze moest er een ei in bakken.
Ophidia was geen meisje dat snel opgaf, ze had zelfs ooit een folder van een liberale politieke partij half doorgekeken, en binnen een week had ze alle drie de taken van haar man volbracht. Nu kon ze op weg naar haar moeder en wat er zich verder nog allemaal familie noemde.
Thuis was het gezelligheid troef. Er werd een groot feest gevierd, wel vijf uur lang, en toen vroegen dronken ooms aan Ophidia: ‘Waarom blijf je niet hier, meisje? Je moeder mist je zo. Je vader moet te veel uitleggen. Kunnen we je man niet op een of andere manier een betere bezoekregeling laten goedkeuren of gewoon heel bloederig een beetje doodmaken?’
Ophidia vond haar ooms maar onredelijk. Maar na een bier, twee tequila, drie rode wijn, vier witte wijn en vijf gin-tonic ging Ophidia anders denken.
‘In de zee is mijn man, in de zee,’ zong ze, zich vastklampend aan de minst scrupuleuze der ooms. ‘Als de zee melk schuimt leeft hij en als de zee bloed schuimt is hij dood!’
Het was slechts dronken gebazel, en dan ook nog van slechte kwaliteit, maar toch togen de meeste ooms en neven en tomboy-achtige andere familieleden na het horen ervan naar het strand om verhaal te halen, al wisten ze nog niet precies hoe. Vervolgens werd het een heel gedoe. Ophidia voelde zich, zeker de dag erna, heel beschaamd, en zonder enige vorm van dwang of tegenzin keerde ze op die zondagavond terug naar het sanatorium.

De drakenrecensie

Waar al sinds mensenheugenis de koeien en kalveren hun schaduwen geduldig op het glanzende gras neerleggen, hier niet ver vandaan, waar met evenveel zorg de slakken langs de omheiningen dag in dag uit het groene mos polijsten, bevond zich ooit de oorsprong van een grillig pad dat met steeds grotere slingerbewegingen leidde naar een zevental obscure hellingen waarachter een vuurspuwende en ronduit asociale draak zijn huisvesting had.
De draak werd in de volksmond De Draak genoemd, en dat kwam voornamelijk omdat er toen weinig creativiteit in de gemeenschap zat. Maar meestal werd er naar de draak verwezen met zijn soortnaam, dus gewoon ‘draak’, en niet met de voor het beest bedachte eigennaam.
Zo’n draak in de achtertuin was op zich nog niet zo’n probleem. Het was goed voor het toerisme en het hield de vorming van een eventuele veel te hippe buitenwijk tegen. Maar er was in die tijd wel een soort ongeschreven wet dat de dorpelingen de draak elke dag te eten moesten geven. Dat de wet nergens daadwerkelijk was opgeschreven deed er niet toe, want er was toch niemand in het dorp die kon lezen. Maar het protocol was er nou eenmaal, en de draak gaf ook niet bepaald aan zijn routine in dezen te willen wijzigen.
Toch waren er steeds meer stemmen vanuit de plaatselijke bevolking die lieten horen dat de draak best wel mocht blijven maar dan alleen als hij voortaan ergens zijn eigen voedsel ging regelen. En toen deze gedachtegang onderhand een meerderheid ging vormen, toonden enkele stoere boerenzoons zich bereid om de draak van de nieuwe regeling op de hoogte te brengen. De draak bleek echter weinig voor rede vatbaar en de boerenzoons kwamen stuk voor stuk heel erg dood terug naar het dorp.
De moed bij de mensen zakte weg; ze dachten dat ze voortaan aan de draak en zijn honger vast zouden zitten. Maar juist toen kreeg de oude schoenmaker een ideetje.
‘Vrees niet, beste dorpsgenoten!’ zei de schoenmaker. ‘Als jullie me een dood schaap, een bak zwavel, een zak kool en een pot teer bezorgen, zal ik ons probleem uit de wereld helpen. En vergeet niet dat de linkerschoenen deze week in de aanbieding zijn!’
Gewillig brachten de mensen de schoenmaker waar hij om vroeg, en sommigen van hen bestelden meteen een paar schoenen.
‘Tot straks!’ zei de schoenmaker, en hij koerste neuriënd met zijn spullen naar de voederplaats van de draak.
Daar aangekomen vulde de schoenmaker het dode schaap met een mengsel van de zwavel, de kool en de teer. De bedoeling was dat de draak het schaap zou opslokken, maar door het contact van de vonken in zijn mond met het ontvlambare mengsel zou hij in brand vliegen en waarschijnlijk zelfs ontploffen. En een dode draak hoeft natuurlijk niet meer gevoerd te worden. Tevreden met zijn intelligente plan floot de schoenmaker de draak. Die kwam aansjokken, zag het schapenhapje liggen en nam het meteen in zijn bek. Maar direct daarna spuwde hij het zwavelschaap ook weer uit.
‘Bah! Wat is dit voor een ordinaire eetgelegenheid geworden hier!’ schreeuwde de draak al proestend uit. ‘Ik kom hier nooit meer!’
De draak verdween en werd inderdaad nooit meer gezien. En ter nagedachtenis van dat voorval zijn er daarom in onze streek nog altijd eettenten waar het eten belabberd slecht is. Lang leve onze tradities!

Het golempje

Aan de zuidkant van een moeras waar de aarde leek te ademen, hier niet ver vandaan, waar als de nachten gingen lengen de onmiddellijke nabijheid gezondheid en comfort bood aan een spectrum van paddenstoelen, en waar de wilde asperges vanaf de grasmaand schitterden in de opkomende zon als zilveren staken, woonden vroeger goudeerlijke mensen in zogenaamde muur-dakboerderijen. Die bestonden uit een viertal muren, waarop een prima passend dak bevestigd was. Deze alleen maar vrome boeren waren jarenlang verwikkeld in een heftige strijd met de doortrapte mensen uit het onooglijke noorden, de bewoners van de kop-hals-rompboerderijen. (Die hoeves hadden ook gewoon muren en een dak, maar dan in een aanstellerige vorm.)
Keer op keer kwamen de boosdoeners uit het noorden de zuidelijke braveriken lastigvallen met het plunderen van de goede oogsten en ook met het stelen van de kinderen om met hun bloed duistere rituelen uit te voeren.
Zelfs de kapelaan werd het op den duur te gortig, en omdat zijn lichaam langzaam helemaal van rillingen vervuld raakte met de gedachte dat hij nog meer dagen zou moeten laten passeren op een plek vol onheil, besloot hij een spitsvondig plannetje uit de kast te trekken. Eigenlijk was het meer uit een boek dan uit een kast, en wel een boek dat hij een paar jaar daarvoor van een collega-geestelijke had gekregen als dank dat die mee mocht rijden naar een congres voor wereldgodsdiensten. In het boekwerk had de kapelaan gelezen dat hij een hulpmonster, een golem, kon kneden uit rivierklei en daarna tot leven kon wekken door middel van magische handelingen en soortgelijke incantaties. Deze golem zou de goedaardige zuiderlingen kunnen beschermen tegen de altijd kwaadwillende noorderlingen.
En hij ging aan de slag, de kapelaan. Maar omdat hij een eigenwijze man was en omdat hij geen rivierklei voorhanden had (en zeker niet de speciale klei die in het geschrift vermeld stond) besloot hij zijn golem uit totaal iets anders te maken, namelijk uit onstoffelijke begrippen.
Van het concept ‘verleden’ maakte hij een torso, van ‘honger’ maakte hij een linkerarm, van ‘liefde’ maakte hij een rechterbeen. En een avondje van abstracties later was de golem af. Het was een nogal doorzichtig type geworden, zonder persoonlijkheid nog. Maar dat vond de kapelaan niet erg. Een identiteit zou het maaksel alleen maar kunnen afleiden van zijn doel. Uiteindelijk moest de golem gewoon de bevolking beschermen, en meer niet.
Maar na verloop van tijd ging de golem zich meer en meer tegen zijn maker en diens volk richten. Op den duur trok hij zelfs partij voor de vijand, de nare kop-hals-rompmensen. De golem had namelijk geen ‘humor’ – dat was de kapelaan vergeten te gebruiken bij de bouw – en omdat de noorderlingen ook geen humor hadden, voelde de golem zich bij hen veel meer thuis. De kapelaan en zijn volgelingen hadden daar echter geen weet van. Zij dachten dat het aan het salaris van de golem lag. Tot dan toe had hij alles gratis moeten doen. En daarom gaven ze hem een loonsverhoging van maar liefst tien procent. De golem werd alleen maar bozer. Ook een toeslag van twintig procent wees hij af, en zijn woede uitte hij door alle muur-dakboerderijen te vernielen; hij kreeg daarbij splinters in beide ogen, die van ‘leven’ en ‘spijt’ gemaakt waren. En vlak voordat hij zijn laatste adem uitblies, lachte hij nog even, al was het zachtjes, met ironie op zijn lippen.

De zigeunerinnenvloek

Daar waar nu nog een jaarlijkse bedevaart langs de hoger gelegen bebossing en de lagere weilanden trekt, hier niet ver vandaan, waar de beken elkaar kussen en weer wegduwen, en waar de eekhoorns zich het meest acrobatisch tonen, belde ooit een jongeman aan bij het indrukwekkende huis van de pastoor.
De zielenhoeder zag meteen dat het bezoek niet uit de buurt kwam, en zijn neus voor vreemdelingen beaamde dat.
‘Wat kan ik voor je doen, mijn zoon?’ zei hij, zijn glas champagne verbergend.
‘Welnu, eerwaarde,’ zei de jongeman. ‘Het is een lang verhaal. Ik kom van ver in de hoop van een vloek ontlast te worden.’
De pastoor gebaarde de jongeman binnen te komen, en hij nam hem mee naar zijn achtertuin. Al wandelend langs de langgerekte borders met rozenstruiken, langs de net geschoren buxushaagjes met daarachter een pracht van begonia’s, margrieten en lavendel, en langs statige rijen van moerbei, vijg, kweepeer en andere leibomen, deed de jongeman emotioneel zijn verhaal.
‘Een paar jaar terug was ik hier ook in deze streek,’ zei hij. ‘Het was net na de oorlog. Ik was soldaat, en we vierden de vrede hier op een dorpsfeest met zang en dans, dat ter ere van ons strijders werd gegeven.’
‘Zo zo,’ zei de pastoor, terwijl hij een tros druiven plukte.
‘Met menig boerendochter heb ik een rondedans of een polka ondernomen. Zelfs de horlepiep kwam een keer langs.’
‘Ja ja,’ zei de pastoor, terwijl hij een van zijn papegaaien aaide.
‘Na verloop van tijd had ik wel genoeg gedanst. Maar net toen kwam er een zigeunermeisje mij ten dans vragen. Ik wees haar af. Met een grapje. Ik zei haar dat mijn schoenen versleten waren.’
‘En toen?’
‘Toen vervloekte ze me! Ze vervloekte mijn schoeisel!’
De pastoor gaf de jongeman met een simpele handbeweging aan dat hij even rustig op het marmeren bankje tussen de twee fonteinen midden in de tuin plaats moest nemen.
‘Zigeunerinnen doen dat wel vaker,’ zei de pastoor. ‘Dat is een beetje een traditie in onze contreien. Daar hoef je je geenszins druk om te maken.’
‘Nou, sindsdien zijn al mijn schoenen altijd versleten! Als ik nieuwe schoenen koop, kan ik ze de volgende dag weer weggooien,’ jammerde de jongeman.
Hij wees naar het verlepte voetbekleedsel dat hij op dat moment aan zijn voeten droeg.
‘Betreurenswaardig! Maar wat moet ik met al deze informatie?’ zei de pastoor.
‘U moet mij helpen! U moet de plaatselijke Maria, de Moeder van God, vragen of ze deze vreselijke vloek ongedaan kan maken!’
Op dat moment kwam de huishoudster van de pastoor met een grote schaal met daarop onder andere gebraden zwaan omringd met een carpaccio van in truffelolie gegaarde coquilles aanlopen.
‘Ik ken jou!’ riep ze, toen ze de jongeman zag. ‘Jij wilde niet met mij dansen!’
‘Jij, lelijke en gemene zigeunerin!’ schreeuwde de jongeman, ‘door jou zijn mijn schoenen altijd versleten!’
‘Ik zal je helpen,’ zei de vrouw, en ze pakte de zeis die tegen de pergola stond en hakte met een trefzekere zwaai de voeten van de jongeman af. ‘Nu hoef je je nooit meer zorgen te maken om schoenen!’

Het duivelshaartje

Waar de schaduwgevende eikenbomen de weilanden een ziel geven en op het landschap een stempel van standvastigheid en trouw drukken, hier niet ver vandaan, werd eens een boerenzoon in de vliezen van zijn moeder geboren. Zijn heksachtige tante was bij de bevalling aanwezig en voorspelde dat hij later door middel van een huwelijk van adel zou worden. Het verhaal ging vurig de streek rond, om na enkele jaren weer uit te doven.
Maar toen de jongen veertien werd, stapte hij tot ieders verbazing boud naar het kasteel van de hertog om diens dochter tot vrouw te vragen. De hertog moest in eerste instantie lachen, maar ook hij had van de rare voorspelling van al die jaren terug gehoord.
‘Voor de hand van mijn dochter zul je me een gouden haar van de duivel moeten brengen,’ zei de hertog, met de hoop van het gedoe af te zijn.
En dus ging de boerenzoon op pad, en niet lang daarna kwam hij bij een poort naast een droogstaande fontein.
‘Vertel me waarom de fontein geen wijn meer spuwt,’ zei de daar die dag werkzame poortwachter, ‘en ik zal je doorlaten.’
De boerenzoon gebruikte zijn charmes en beloofde de wachter op zijn terugweg het antwoord te zullen geven. De man stemde toe, en de boerenzoon zette zijn reis voort, tot hij weer bij een poort kwam, deze keer met een kale boom ernaast.
‘Vertel me waarom de boom geen gouden appels meer draagt,’ zei de bijbehorende poortwachter, ‘en ik zal je doorlaten.’
Wederom wist de boerenzoon met vriendelijkheid de schildwacht te overtuigen dat hij het antwoord op zijn terugweg zou geven, en hij mocht verder trekken. Enige tijd later bereikte hij een rivier, waar hij een veerman trof.
‘Vertel me waarom ik gedoemd ben voor altijd heen en weer te varen,’ zei de veerman, ‘en ik zal je naar de overkant brengen.’
Ook nu wist de boerenzoon de man in te palmen, en ze spraken af dat hij het antwoord bij zijn terugkeer zou geven. Aan de overkant van de rivier zag de boerenzoon de duivel schokkerig dronken op een bankje liggen.
‘Ha, daar is die gekke veerman,’ murmelde de duivel. ‘Die idioot die maar op en neer moet blijven varen tot hij de vaarboom aan iemand anders geeft.’
Toen viel de duivel pardoes in een diepe dronken slaap. De boerenzoon trok snel een haar uit een van de wratten van de duivel en maakte rechtsomkeer. Bij de rivier aangekomen legde hij aan de veerman uit hoe die onder zijn lot uit moest komen.
‘Geef die vaarboom maar even hier,’ zei de boerenzoon. ‘Voel je dat die last nu helemaal van je schouders valt?’
‘Ja!’ zei de veerman. ‘Dank je voor de tip. Geef die vaarboom nu maar snel terug.’
De veerman was zo blij dat hij aan de boerenzoon vertelde wat de problemen waren met de appelloze boom en de wijnloze fontein, en toen ze weer aan de overkant van de rivier waren beloofden de twee elkaar te zullen schijven.
Zowel de mensen van de appelboom als die van de fontein beloonden de boerenzoon met een ezel beladen met goud en juwelen. Met zo veel bezit kon hij een adellijke titel ook wel kopen, wist de boerenzoon. En dus gooide hij de duivelshaar weg, wiste hij de hertogsdochter uit zijn geheugen, en keek hij op zijn kaart waar de dichtstbijzijnde herbergen en bordelen waren.

Goede Sientje

Waar rond deze kalenderdagen, hier niet ver vandaan, de mistige ochtenden de veranderende kleuren van de holste eiken, de tamste kastanjes en veruit de oudste lindes langzaam onthullen, en de bladeren van het zomerse groen overgaan in brandende tinten rood, geel en oranje, wanneer de temperaturen laag genoeg zijn voor een nachtvorst, maar de lucht nog aangenaam fris is, zijn de kinderen nog steeds in de ban van een figuur die in vroeger tijden in een jurk cadeautjes rond kwam brengen.
Velen, groot en klein, zijn de oorsprong van dit fenomeen totaal vergeten – wellicht om zich te behoeden voor het uiterst trieste verhaal ervan.
Lang, lang geleden woonde er in deze regio een koningsdochter, Sientje. (Nu was Sientje niet haar echte naam, maar ze werd zo genoemd, omdat ze verzot was op sinaasappels. Appeltjes van oranje, noemde ze die zelf.)
Sientje was een zeer vroom en eerzaam meisje dat de simpele pech had dat ze na haar eerste afspraakje met een of andere koningszoon van een of ander naburig rijk ineens zwanger was. De bewuste koningszoon had bij het vernemen van de blijde boodschap geen zin meer in een relatie, en toen zat onze Sientje daar, zonder man en zonder maagdelijkheid. Uiteraard werd Sientje toen door haar ouders verstoten, zo ging dat in die tijd, en haar kind werd van haar afgepakt. Een jaar of vijf bracht ze in eenzaamheid door ergens in een achteraf kamertje in een achteraf soort klooster, ergens helemaal onderaan een berg, maar uiteindelijk wist ze te ontsnappen.
Maandenlang, zelfs wekenlang zocht ze vergeefs naar haar kind. Maar ze wist niet hoe het eruitzag, ze wist niet hoe het heette, ze wist niet eens of het een jongetje of een meisje was. Welk klein mensje moest ze nou bijzonder koesteren? Het zag ernaar uit dat ze daar nooit achter zou komen. Maar voor ze verteerd werd door verdriet kreeg ze een prachtig idee: ze zou gewoon elk kind in de streek beschouwen als haar eigen kroost. Ze besloot dit wel op een afstand te doen en in het geheim. De kinderen wilde ze immers niet op stang jagen. Ze zou ze stilletjes en anoniem volgen en bewonderen. En vanaf toen bracht Sientje ook alle kinderen jaarlijks op wat hun geboortedag moest zijn een bezoek als zij sliepen, en ze liet dan een mooi cadeau voor hen achter. (Ze had als oud-koningsdochter toch nog wel een fijn spaarcentje.) De kotertjes waren elk jaar weer verrukt, en Sientje genoot met volle teugen van alle kindervreugde.
Al gauw anticipeerde jong en oud op de jaarlijks terugkerende bijzonderheid. De wildste verhalen werden bedacht om het verschijnsel te verklaren. Ouders probeerden zelfs aan hun kinderen te vertellen dat zij zelf die cadeautjes kochten, maar die kinderen wisten wel beter.
Na een paar jaar kreeg ook de overheid lucht van wat juridisch gezien werd als zwarte handel in consumentengoederen. Blijkbaar liep de staat heel wat taksgeld mis door die herfstige transacties, en Sientje werd al snel getraceerd en opgepakt, wegens belastingfraude. Alle inkomsten van de producten die ze aan de kinderen had verkocht had ze nooit opgegeven aan de fiscus, vonden ze.
De claim die Sientje kreeg kon ze niet betalen en ze werd in de gevangenis gegooid, alwaar ze, beseffend dat ze haar kinderen nooit meer zou zien, stikte in haar eigen tranen.

Het gewiekste wiefke

Waar het landschap maar zelden oranje gloeit onder een verbrande lucht, waar juist de aangename regenval de florerende bossen op heuvelachtige kronen voedt, hier niet ver vandaan, waar de meren als hoefafdrukken van hemelse paarden verspreid liggen, leefde eens een meisje, Grietje genaamd, dat wilde trouwen.
Grietje was uiteraard heel erg slim, net als alle vrouwen, maar niet zo slim dat ze wist dat mannen helemaal niet van slimme vrouwen houden, en dat ze zich daarom wellicht beter maar minder slim voor moest doen dan ze daadwerkelijk was.
Haar oog was gevallen op Frans, de burgemeesterszoon. Frans kon de betweterigheid van Grietje echter niet goed verdragen. Dat was al zo toen ze nog samen op school in dezelfde klas zaten. Grietje had een bril, en Frans niet. En dat was volgens Frans ongeveer de voornaamste reden dat hij beduidend lagere cijfers haalde dan Grietje.
Omdat Grietje dag in dag uit om hem heen bleef dansen en hem aandacht bleef schenken, besloot Frans hier met een volgens hem slimme truc voor eens en voor altijd een eind aan te maken.
‘Ik zal met je trouwen, Grietje,’ zei hij op een dinsdagmiddag, in zijn handen wrijvend. ‘Als het je lukt om een zekere opdracht uit te voeren, zal ik met je trouwen. Maar lukt het je niet, dan moet je me verder ook met rust laten.’
‘Kom maar op,’ zei Grietje verrukt. ‘Laat maar horen!’
‘Ik zal met je trouwen als je me binnenkort bezoekt, maar je moet dan niet overdag komen, en ook niet in de nacht. Je moet niet lopend komen, en ook niet rijdend. En je mag niet gekleed zijn, maar tegelijkertijd niet ongekleed.’
Grietje keek, na het aanhoren van de opdracht, eerst bedenkelijk, maar moest toen weer vrolijk lachen, wat Frans op zijn beurt toch wel wat nerveus maakte.
De volgende dag, bij het ochtendkrieken, stond Grietje voor de burgemeesterswoning en klopte op de deur. Het was geen dag en geen nacht. Frans deed gapend open en zag Grietje gehuld in een visnet. Ze was niet ongekleed, maar toch ook niet gekleed. Met één been stond ze op de grond en haar andere been lag op de rug van de geit die naast haar stond. Ze was blijkbaar niet komen lopen, maar ook niet komen rijden.
Er moest dus getrouwd worden. De ouders van Frans hadden daar inmiddels zelfs weet van. Maar hoewel ze begrepen dat hun zoon Frans – met zijn bochel, zijn haakneus en zijn doorlopende wenkbrauwen – moeilijk aan de vrouw zou kunnen komen, vonden ze Grietje toch ook maar niks.
Ze stelden aan Grietje voor om van het huwelijk af te zien. In ruil daarvoor mocht ze het mooiste wat ze maar kon vinden in huis uitkiezen en meenemen. Grietje stemde toe, maar eerst wilde ze dan wel voor de hele familie koken. Haar plan was om iedereen te bedwelmen en dan Frans te ontvoeren. Hij was immers het mooiste in huis, vond zij.
De ochtend daarop werden Frans en zijn ouders houtenkopperig wakker. Al snel merkten ze op dat Ans, de zus van Frans, niet meer in huis was.
Ans werd wakker in een heerlijk zacht en warm bed aan de andere kant van de stad.
‘Als ik wist dat Frans zo’n mooie zus had, had ik niet zo veel energie in die engerd gestopt,’ zei Grietje. En Ans moest lachen, waarna ze kusten.

De fruitwerper

Ver van waar de elfen wonen in duin en woud, ver van waar bij eb de zeegod wordt weggestuurd, en ver van waar de krekels de schemering van een elegante stroefheid voorzien, maar niet ver hier vandaan, leefde eens een zekere Willempje T. Willempje was gek op fruit. Niet alleen om het te eten, nee, ook om het te gooien. Reeds als dreumes pakte hij bijvoorbeeld een kumquats van tafel en dan riep hij: ‘Haha, ik ga deze fruitbom om de grond gooien!’
En inderdaad, even later belandde de citrusvrucht dan exact op de grond.
Zijn ouders zagen zijn talent en zetten hem op fruitwerples. Dat ging hem goed af, en hij besloot zelfs van zijn hobby zijn beroep te maken. Op de universiteit koos hij daarom een studie in die richting. (Zijn afstudeerscriptie ging over de tomaat. Of het nou fruit of groente was. Taalkundig gezien was de tomaat een groente, maar plantkundig gezien een vrucht. In zijn conclusie maakte hij er een kip-of-ei-verhaal van en met die culinaire wending meende hij de tomaat definitief een groente te kunnen noemen. Gooien van tomaten vond hij echter voor fruitwerpers nog steeds geoorloofd.)
Met zijn ambacht trok Willempje daarna vele jaren door Europa.
‘Hé Willempje, kun je voor ons even deze bananen op die marktkraam daar gooien?’ vroegen de mensen hem dan bijvoorbeeld.
En dat deed hij dan. Hij nam dan die bananen en een voor een zwierde hij ze met een suaviteit van heb ik jou daar op het beoogde oppervlak.
Niets was hem te dol. Hij werkte net zo makkelijk met mandarijnen als met doerians. Peren waren hem even lief als jaboticababessen, en met zowel de persimoen als de braam kon hij lezen en schrijven.
Een stoere rondtrekkende fruitwerper als Willempje kon natuurlijk niet lang vrijgezel blijven, en zes maanden na zijn trouwerij werd zijn zoon geboren, Willem genaamd. Met een gezin vond hij het leven als vruchtenbohemien niet meer gepast, en dus toog hij met vrouw en kind naar zijn geboortegrond.
Maar inmiddels was in het gebied waar zijn ouderlijk huis stond een alleenheerser opgestaan die vond dat iedereen moest buigen die door de veel te lage stadspoort ging. Willempje weigerde dat, en hij stootte wel drie keer zijn kop.
Als straf voor zijn onbenulligheid moest Willempje van de alleenheerser midden op het marktplein een appel gooien op de pijl die zoon Willem boven zijn hoofd moest houden. Wierp Willempje mis, dan zou zijn zoon een appel tegen zijn hoofd krijgen, en dat was lang niet zo leuk als het eten van chocolade-ijs, wist hij.
De spanning en het marktplein liepen hoog op, maar Willempje hield daar rekening mee. Ook de windsnelheid in acht nemend gooide hij de appel precies en prachtig symmetrisch om de pijl heen. Zoon Willem kreeg een klein spatje appelpulp op het puntje van zijn neus, maar verder was hij ongedeerd. Er werd geapplaudisseerd en gejoeld.
‘Waarom heb je in je andere hand nog een appel?’ vroeg de alleenheerser ineens bits. ‘Zeker om naar mij te gooien, als je per ongeluk je zoon had geraakt?’
‘Nee, ik heb gewoon honger,’ zei Willempje, een hap nemend. ‘En straks, na dit appeltje, heb ik dorst!’

De heidekeizerin

Op de qua omtrek aardappelvormige heidevlakte hier niet ver vandaan, tussen de van het leven bruisende vennetjes, waar het witte veenpluis dagelijks met de nevel speelt, en waar rondtrekkende schaapskuddes de uitheemse boomsoorten stug negeren, stond ooit een berg van wel honderdtwintig centimeter hoog.
Op die berg, zei men, huisde de rusteloze ziel van een vroegere keizerin. Deze dame was zo overmand geweest door frustraties heel haar lijfelijke bestaan, dat ze als dode nog steeds meende haar woede uit te moeten leven. Mensen die de heideberg passeerden hadden stuk voor stuk behoorlijk last van de keizerin. Wandelaars werden maar al te vaak zo afgeleid, dat ze pardoes struikelden en in het stuifzand stikten.
Met haar intens indringende en kranig krakende stem bracht de keizerinnengeest passanten met veel genoegen van de wijs.
‘Kijk uit!’ riep zij, als de voorbijganger geen reden had om ergens voor uit te kijken.
‘Kijk niet uit!’ riep zij, als de voorbijganger juist wel een reden had om ergens voor uit te kijken; als er een gat in de weg zat of als er iets in de weg zat.
Ook mensen die te paard waren moesten het ontzien, en zelfs mensen die te doof waren raakten soms door de uitingen van de keizerin verward. Er waren maanden bij dat tussen de negentien en de eenentwintig mensen de overkant van de heidevlakte niet haalden.
Op den duur werd het ronduit vervelend. Vooral Paulus, de uitbater van taveerne In De Riekende Rommelpot, en Tinus, de plaatselijke struikrover, kregen er een sik van.
Door dat gespook op de heide gingen mensen een blokje om en kwamen zo niet meer langs de struik van Tinus en het etablissement van Paulus. Na wat kniezen met z’n tweetjes besloten Paulus en Tinus samen een plan te maken en wat soep (omdat ze honger hadden).
Vol soep en goede moed trokken ze een uurtje later naar de heidevlakte. Ze hadden bijenwas in hun oren gedaan, want ze wilden niet afgeleid worden door elkaars saaie verhalen.
De eerste actie van hun draaiboek bestond uit het maken van een berg van honderdvijfentwintig centimeter, een meter of vijftig van de berg van de keizerin vandaan. Daarna gingen ze kijken vanachter de struik van Tinus of hun idee zou werken.
Omdat de keizerin het hoog in haar bol had – dat kon je opzoeken in boeken – dachten Paulus en Tinus namelijk dat ze altijd naar de hoogste berg zou verhuizen. En ze kregen gelijk!
De keizerin schoof een berg op; het plan had een echte kans van slagen gekregen.
En dus bouwden de twee ondernemers een berg van honderddertig centimeter, weer vijftig meter verderop. En een berg van honderdvijfendertig centimeter, weer vijftig meter verderop. En een stuk of veertien bergen later hadden ze het keizerlijke fantoom zo ver weggelokt dat alleen het volgende dorp nog last van haar kon hebben. Maar andermans leed konden ze natuurlijk niet voelen, en zo kwam alles dus toch nog goed.
De bergen op hun eigen heide maakten ze allemaal met de grond gelijk, en daarom is het daar nu nog zo mooi vlak.
Dus als je ooit iemand hoort roepen dat je uit moet kijken, terwijl er niets is om voor uit te kijken, dan zit je zeer waarschijnlijk in het verkeerde dorp.