Melnjak-reflectie

Een uit privacyoverwegingen niet nader te specificeren gemeenteraad heeft onlangs verplicht een sessie mee moeten maken van een motivatie-illusionist – ook in te huren voor het verzorgen van cursussen betreffende de monitoring tijdens de advisering over trainingen –, waarin onder andere met behulp van het geven van een reeks rapportcijfers voor eenieder inzichtelijk moest worden gemaakt of men vond dat er sprake was van een team of van een groep.
Ik sta waarschijnlijk niet alleen als ik zeg dat dit soort oefeningen bij bestuurlijke organen juist de plank misslaat. Het smeden van een eenheid van zo’n raad heeft namelijk als effect dat de onvermijdelijke elitaire afsplitsing vooral vastomlijnder wordt. Er zou juist géén bestuurlijk team gekweekt moeten worden, maar wel een continu wakker geschud besef dat men te allen tijde onderdeel is van wat men feitelijk aan het besturen is. Je hoeft maar een willekeurige vergadering bij te wonen om te ontdekken dat er te vaak met de derde persoon meervoud verwezen wordt naar zaken waar men eigenlijk met de eerste persoon, enkelvoud of meervoud, naar zou moeten verwijzen. Het moet niet ‘zij’ of ‘de inwoners van deze gemeente’ zijn die hondenpoep op de stoep of wijzigingen in de belastinghoogte vervelend vinden, maar ‘wij als inwoners’, of zelfs ‘ik (in mijn hoedanigheid als dorpsgenoot)’.
De fout die je bij een scheiding van ‘zij’ en ‘wij’ zou kunnen maken, ligt met name op de loer bij uitspraken over de onvermijdelijke overlap. Stel de volgende gedachte gaat zich voordoen: sommige ‘wij’ zijn ‘zij’. (Oftewel: enkelen van ons behoren tot de dorpsgenoten waarover we het hebben.) Een daarop volgende gedachte zou dan kunnen zijn: dus sommige ‘wij’ zijn niet-‘zij’. (Oftewel: dus enkelen van ons behoren niet tot de dorpsgenoten waarover we het hebben.) Maar de verzameling van ‘wij’ die niet-‘zij’ zijn kan natuurlijk heel goed leeg zijn. (Als alle ‘wij’ ‘zij’ zijn, dan zijn logischerwijs ook sommige ‘wij’ ‘zij’.)
Ik heb het geluk een gesigneerd exemplaar te bezitten van het slechts 66 pagina’s tellende, maar zeer compact geschreven boekje On personality and outspokenness van de toonaangevende Duitse cultureel antropologe Amanda Melnjak. Hierin beschrijft zij, onder andere, het wij/zij-probleem beter dan ik het ooit verwoord heb gezien.
Uiteraard belicht Melnjak de kwestie van alle relevante perspectieven en ze neemt het zelfs in zekere zin op voor de plegers van bovenstaande fout door te stellen dat mensen doorgaans bij het doen van hun uitspraken helemaal niet in eerste instantie bezig zijn met het aanbieden van pure waarheden. In een ‘normale’ communicatie is logica lang niet altijd aan de orde, zegt ze. Of in een alledaags gesprek ‘sommige x zijn y’ nou wel of niet ‘sommige x zijn geen y’ impliceert, zal daarom niet per se extra problemen in het wederzijdse begrip opleveren.
Wat blijft, volgens Melnjak, is dat we uiteindelijk allemaal tot één groep behoren. Het is niet het ene stereotype dat ervoor zorgt dat sommige mensen gevoelens overdreven aan voedsel koppelen of het andere dat sommige mensen in flitsende pakken door het bos laat rennen. We moeten erkennen, zo herinnert Melnjak haar lezers, dat onder de oppervlakkige classificaties altijd dezelfde mogelijkheden bestaan om het mensdom te vieren. In die zin kennen de verzamelingen ‘wij’ en ‘zij’ enkel overlap.

Stelling van Wiehl

Mijn oude wiskundelerares heeft onlangs de verzameling van levenden verlaten en mag nu eindelijk beginnen met serieus onderzoeken of het oneindige bestaat. Ze gaf les op de school die voor mijn klasgenoten en mij de voorpret van de universiteit vorm moest geven. Haar naam weet ik niet meer, de code die het systeem haar gaf nog wel: wi233v56. Vanaf de eerste les al merkte ik op dat je van haar stoel naar mijn stoel een perfect rechte lijn kon trekken. Heel bijzonder. Nou ja, voor een deel had dat er wel mee te maken dat ze de klas meteen bij het begin in tweeën had gedeeld. Rechts moesten alle kinderen zitten die later enkel econoom wilden worden of jurist of iets als coach in het trainen van de monitoring tijdens het geven van adviezen, en links mochten de kinderen zitten die ook echt iets van haar leerstof op wilden steken. Dat lijkt op het eerste gezicht wat bot, maar haar streven was eenvoudigweg om lieden die ‘misschien’ als een prima antwoord zagen op zowat elke vraag niet te veel tot last te zijn tijdens haar lessen.
En de meeste van die lessen gingen over taal. Ze droomde vaak hardop over een precieze, eenduidige taal die alle vaagheden zou moeten elimineren. Ik kan me nog goed herinneren dat ze zichzelf tamelijk gek aan het maken was met het begrip kaalheid. Mensen zonder haar worden kaal genoemd, maar ook mensen met nog wel haar (maar niet bar veel, over het algemeen) worden kaal genoemd. ‘Kaal’ is derhalve een onnauwkeurig woord. Het is onduidelijk waar de grens ligt tussen wat kaal is en wat dat niet is. Als een soort reactie hierop zou je woorden in het leven kunnen roepen die ieder een ander exact aantal haren (op het hoofd of elders) specificeren. (Dat aantal kan ook relatief zijn, maar dan moet je natuurlijk weten hoeveel haren er oorspronkelijk waren.) Iemand met duizend haren op zijn kop kun je bijvoorbeeld ‘stig’ noemen, en iemand met duizend drieëndertig haren ‘ronk’. Het houdt de voortgang van het zijn allemaal flink op, maar op deze manier heb je uiteraard geen misverstanden meer. Tenzij mensen het verrekken om miljoenen nieuwe woorden uit hun hoofd te leren; dat soort mensen zul je toch altijd houden. En zo’n perfecte taal zou natuurlijk waardeloos zijn voor de meeste dagelijkse taken die we al communicerend uitvoeren. Maar dat moesten we er in de klas zelf bij denken.
Ik las toen al veel van de taalfilosoof Wiehl. Die bekeek het iets anders. Die zag slechts voordelen in eenduidigheid – en hij was wars van jargon en sociolecten et cetera. Want hij wilde taal graag zo uniform mogelijk houden. Zijn beroemde stelling zegt dan ook dat de beste (lees: meest optimale) taal (lees: communicatie) er een is die voor zo veel mogelijk mensen zo verstaanbaar mogelijk is.
Wiehl onderzocht hiervoor vooral hoe de communicatieve organisatie van de individualiserende samenleving, georiënteerd op concurrentie, maatschappelijke klassen en hun ongunstige onderlinge invloed produceert. Hoe iemand praat en schrijft heeft evenveel, zo niet meer, te maken met historische veranderingen in de sociale en economische structuur als met de individuele grillen van deze taalgebruiker. Een idioom kan, zonder zich afscheidende bedoelingen, simpelweg gegroeid zijn uit een zekere culturele sfeer die bij andere groeperingen in de samenleving niet aan de orde was en is. Desalniettemin vond Wiehl deze divergentie in de taal ongewenst.

Ortmann-principe

Er is door de scholen in de buurt weer een tombola met proefwerken afgehandeld onlangs. Het jammere van het huidige schoolsysteem is dat die verplicht aanwezige kinderen daar nog een worst voorgehouden wordt dat het hebben van kennis onmisbaar zou zijn om te slagen in onze door winst gestuurde samenleving, terwijl alle volwassenen dondersgoed weten dat succesvol zijn in deze neoliberale tijd (en misschien wel sinds mensenheugenis) vooral afhangt van je vermogen – en bereidheid – om anderen te overdonderen. Als je op je veertigste niet op elke vinger een desillusie kunt tellen, heb je niet goed opgelet, zeg maar. Voor een heldere bevestiging hiervan kun je bijvoorbeeld eens kijken naar al die beleidsmakers en bestuurders om je heen. Er is blijkbaar amper meer nodig dan wat slordige lessen in de retoriek om over wat dan ook bindende uitspraken te mogen doen. En waarschijnlijk is het besmettingsgebied zelfs nog veel groter dan dat. Kinderen worden immers maar al te vaak in hun schoolactiviteiten aangemoedigd door ouders en andere rondhangende volwassenen met het tenenkrommende argument ‘sommige dingen moet je nou eenmaal doen’. Een terechte vraag blijft: waarom moet je dat dan doen?
Als je niet eet, ga je dood. Daarom moet je nou eenmaal eten. In die setting is dat ‘moeten’ heel makkelijk uit te leggen en heel makkelijk te begrijpen. Maar als we met een gelijkvormige constructie kinderen aanzetten tot het slikken van een mengsel met overwegend triviale zaken, dan betekent dat dat we gewoon een erg zwakke analogie gebruiken. Het klinkt al veel beter als je zegt: ‘Beste kinderen, naar school gaan is goed voor je, want als je je zintuigelijke waarneming, je gevoelsvermogen en je bewustzijnservaring aan de kant zet, kun je er prima volwassen mee worden.’
Nu is het krijgen van uitleg uiteraard niet echt erg, meestal, en soms zelfs uitermate interessant, maar de vraag is of dat echt altijd getoetst moet worden. Sowieso is het van belang dat je weet wat je aan het toetsen bent als je aan het toetsten bent. Een grote bek, al met al, levert meer op dan een goed antwoord – in ons economische keizerrijk. En in het verlengde hiervan levert het zo veel mogelijk niet combineren van kennis topbanen op als het trainen van coaches inzake de monitoring van cursussen.
Als scholen al íets zouden moeten bijbrengen aan de jeugd, dan is het wel het Ortmann-principe. De als onderwijs- en systeemcriticus bekendstaande, Amerikaanse communicatiewetenschapper en publicist Ortmann haalde regelmatig in zijn vele publicaties over onderwerpen op het gebied van pedagogie, semantiek en cultuur zijn stelregel aan dat er een recht op communicatie bestaat. Daarmee had hij iets anders in gedachten dan wat tegenwoordig (voornamelijk) met de vrijheid van meningsuiting wordt bedoeld. Een recht op communicatie betekent dat iedereen zijn stem mag laten horen – maar niet om iets te schreeuwen wat anderen ook al geblaat hebben. Het gaat juist om een recht om te horen en laten horen wat nog niet gehoord is. Dit recht moet dan ook worden opgevat als een wisselwerking, een sociale verantwoordelijkheid die wij allen hebben ten opzichte van elkaar. Pas als dit Ortmann-principe in voldoende mate wordt nageleefd, is er werkelijk ruimte voor zinvolle kruisbestuiving van informatie. En daar hebben scholen dan een mooie functie te vervullen.

Rogall-effect

De wind deed de laatste maanden in de Gestelsestraat verdacht vaak de stem van Vincent Price na, en in het meest vervallen, leegstaande pand daar, waar tot voor negen jaar een bloeiend bedrijf in het geven van adviezen aan coaches betreffende de monitoring van cursussen gehuisvest was, is onlangs, niet totaal onverwacht, een bescheiden zwerm vleermuizen aangetroffen. De eigenaar moet daarom nog sowieso een heel lang broedseizoen afwachten voor hij de verkoop aan een handige projectontwikkelaar af kan ronden. Bij een inval van de politie – waarschijnlijk geïnitieerd door iemand die graag gewichtig doet met het hier en daar gebruiken van termen van zijn verjaarde studie psychologie – bleken er overigens ook nog andere zoogdieren in het gebouw aanwezig te zijn.
Verschillende nationale en internationale kranten pakten dit bericht (van de al dan niet vliegende, ongenodigde gasten in een van de panden in ons dorp dus) op en deze lezende kreeg ik een mooi overzicht van hoe diverse mediawerknemers bij het samenstellen van hun stukjes hun doelgroep in gedachten houden – met behulp van goed geconstrueerde onzorgvuldigheid wordt de lezers datgene toevertrouwd waar ze naar verlangen, terwijl tegelijkertijd handig opzij wordt geschoven wat dat verlangen in de weg zou kunnen staan. De Singapore Financial Times laat zo een toch wel heel andere kleur zien dan, bijvoorbeeld, de Schweizer Illustrierte. Maar het gaat verder dan het aanbieden en kiezen van een smaak in deze branche. En worden hier smaken verhandeld waar waarden aan worden toegekend – daarbovenop is er sprake van een soort spel, van een rolverdeling: de krantenuitgever biedt de (niet-kritische) afnemer x én de wil dat x waar is, en die afnemer accepteert x én de wil dat x waar is.
Nu is dat wellicht íets te boud gesteld. Een dergelijke recht-toe-recht-aan-constructie zou zelfs voor de meeste lichtvaardige nieuwsabsorbeerder niet acceptabel zijn, als er niet al een zekere voorwaarde aan vooraf is gegaan, namelijk een vooroordeel over x, leidende tot het overschatten van het gewicht van het bewijs ten gunste van x, evenals het afzwakken van enig tegenbewijs. En ‘vooroordeel’ wordt redelijk vaak gezien als een vies woord, maar men is nou eenmaal geneigd om dat aan te nemen waar men het meeste baat bij denkt te hebben. (Zo waren de neanderthalers ervan overtuigd dat je van een 5G-netwerk impotent wordt, en daarom hebben ze ook nooit tijd in de ontwikkeling ervan gestopt.)
Technieken van het manipuleren van een onderwerp in de richting van een vooroordeel zijn uitvoerig onderzocht door de politicoloog Rogall. En een van de meest voorkomende technieken hiervan is wat we tegenwoordig het Rogall-effect noemen: door het maken van een grap wordt het thema gebagatelliseerd en zo neemt het relatieve belang ervan af.
Door ontkrachtende boutades eenzelfde podium te geven als de op dat moment besproken kwestie, bevordert men, volgens Rogall, niet de luchtigheid, maar ondermijnt men juist de significantie van de betreffende issue. Zo’n gekscherende opmerking tussendoor kan bij de ontvanger werken als het uittrekken van een splinter, waardoor het probleem dat er wellicht was zijn relevantie verliest.
De domper is dat in de ontstane moet-kunnen-sfeer de aangereikte verbandtrommel slechts een doekje voor het bloeden blijkt, waar vervolgens hooguit de neus in wordt gesnoten.

Wet van Häberle

In de grote hal op het nieuwe bedrijventerrein, waar doorgaans een heel parcours ligt voor de monitoring van trainingen voor het geven van advies aan cursusleiders, is onlangs met een warm gevoel de voorverkoop van vuurwerk weer van start gegaan. Over deze klasse consumptiegoederen, die voor de kopers ervan in de regel staat voor een bewuste waardering van het gezelschap van vrienden en het genieten van het moment, is de laatste jaren veel te doen en een groeiende groep landgenoten pleit zelfs voor een vuurwerkloos bestaan. Uiteraard zijn er effecten van het spul waar de mens echt wel zonder kan. Sommige bestuurders proberen hierop mee te liften, wat af en toe wat pijnlijk uitpakt, getuige een uitspraak in de regionale media van een provinciale politica die graag lokaal wil doorbreken: ‘Dat geknal met dat vuurwerk moet gewoon pats-boem uit onze samenleving, en het zou goed zijn om voor een korte periode het maken van geluid helemaal te verbieden, of, als dat niet lukt, de mogelijkheid tot het maken van geluid gewoon centraal uit te zetten.’
Het probleem van het niet goed over kunnen brengen van de overlast en het gevaar van vuurwerk heeft grotendeels te maken met de verkoop- en gebruikscyclus ervan. Het afsteken van vuurwerk gebeurt slechts een paar dagen per jaar, en uit die korte episodes stammen ook de ongelukken en de hinder die ermee gepaard gaan. Daarna is het weer maanden, kwartalen niks. Maar met vuurwerk is het natuurlijk net als met elk ander nieuws: uit het oog, uit het hart. De moderne mens is daarbij zelfs opgevoed met een nieuwsfrequentie van een week of twee. Uiterlijk elke veertien dagen moet er toch wel weer een fris nieuwsitem de boventoon voeren: alleen hypes leveren verkoopcijfers op.
Beschikbaarheidsheuristiek is niet alleen een woord dat bij Scrabble heel mooi lijkt maar daar feitelijk totaal ongeschikt voor is – het is ook een term waarmee het fenomeen bedoeld wordt dat het gemak waarmee een type gebeurtenis kan worden onthouden gebruikt wordt bij de neiging om de waarschijnlijkheid van dergelijke voorvallen te beoordelen. Aan vuurwerk gerelateerde schade en ander gedoe is in februari haast verwaterd en daarom is men er vanaf maart allang niet meer van onder de indruk. De truc voor het creëren van een draagvlak voor het aan banden leggen van vuurwerk is dus eigenlijk om regelmatig te zorgen voor een levendige, angstaanjagende herinnering – dat levert een sterker emotioneel effect op dan droge, slapende statistieken.
(Je vraagt je af in hoeverre dit ‘toepasbaar’ is. Er zijn voldoende artiesten die met elk optreden voortdurend waarschuwen voor hun gebrek aan talent en die toch keer op keer volle zalen trekken.)
Maar laten we even teruggaan naar de woorden van onze onbeholpen politica. Want daar is meer aan de hand. Mensen moeten beschermd worden tegen dit soort zelfbeschadiging. De dame in kwestie kan hier blijvend letsel aan overhouden, en daarvoor had de betrokken journalist haar moeten behoeden.
De helaas te vroeg gestorven antropoloog Häberle heeft veel over dergelijke materie geschreven, waarna hij uitkwam bij een pleidooi voor het zwijgen, en wat tot een naar hem genoemde wetmatigheid is gedestilleerd: als je de ander niets vraagt, hoeft die ander zijn (of haar) onkunde en onnozelheid ook niet te tonen.

Hölscher-stelling

Niemand zal het ontgaan zijn dat onlangs de door de financiële branche in het leven geroepen, jaarlijkse aanmoedigingsprijs, bedoeld voor die personen of groepen in de samenleving die voor de bancaire wereld de meeste maatschappelijke goodwill kunnen genereren, weer uitgereikt is. Doorgaans gaat deze bokaal naar bedrijven of mensen die zich bezighouden met dingen als het coachen van verzorgers van cursussen over de training van adviseurs, maar dit jaar was onze eigen juttersvereniging de zielsgelukkige winnaar. Nu heeft die speurclub al sinds de oprichting geen noemenswaardig jutresultaat geboekt, en in juryrapport stond dan ook: ‘Een slechte juttersvereniging is beter dan een goede juttersvereniging, want slecht jutten is beter dan niets, en niets is beter dan een goede juttersvereniging.’
Duidelijk was dat de juryvoorzitter, een bankmanager pur sang en van het zuiverste water, de grap in het door een ingehuurde tekstschrijver geschreven rapport niet begreep, want bij het voorlezen knikte hij instemmend en wijs. Je verwacht hier toch dat eigenlijk iedereen wel bij het afspelen van de argumentatie een ongemakkelijk gevoel krijgt, omdat de vooronderstellingen allemaal waar lijken, maar de conclusie ronduit onjuist is. Op z’n minst moet er een zenuwachtig glimlachje worden gegenereerd, omdat gedetecteerd is dat er iets drastisch mis is met de voorbijgekomen reeks stellingen, maar dat het in eerste instantie niet intuïtief duidelijk is wat dat dan is.
Eenmaal uitgelachen is er met een zekere rust best goed de vinger te leggen op waar het doorgeven van de betreffende argumentatie spaak loopt: de dubbele betekenis van ‘niets’ zorgt hier voor een vreemd scharnier in de logica. De zinsnede ‘niets is beter dan x’ betekent hier natuurlijk niet dat de totale afwezigheid van alles beter is dan x, maar wel dat er geen dingen zijn die x kunnen overtreffen.
Bij het uitreiken van de trofee sprak de bankmanager, die tevens penningmeester van de juttersvereniging is en vanwege de afwezigheid van de voorzitter van de juttersvereniging de prijs in ontvangst nam, de woorden: ‘Ja, bedankt. Goh, ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Ik was er helaas bij en moest grinniken. Onwetendheid over andermans woorden is altijd nog te verkiezen boven onwetendheid over de eigen woorden, dacht ik toen. Maar ik vond het ook een prachtig voorbeeld om de Hölscher-stelling wat mee toe te kunnen lichten.
De socio-fonoloog Hölscher schreef een opmerkelijke set holistische articulatiewetten, waarvan de meest toegankelijke en daardoor leidende is: voor sommige mensen is de articulatie het begin van de communicatie – voor anderen is de articulatie het einde van de attentie.
Die laatste groep gaat, zeg maar, uit van een vrees dat met het uitspreken van iets er weliswaar aandacht voor datgene gevraagd wordt, maar dat deze zo goed als meteen weer los van de persoon komt en bij de groep gaat horen; het gezegde is immers aan de wereld ‘vrijgegeven’. En personen uit die eerste groep gloriëren juist door het niet ter discussie stellen van de eigen positie – zij verkeren soms zelfs in een denksfeer waarin het onmogelijk is dat de waarde van hen als subject geen verband zou houden met de maatschappelijke context. (Over een middelste stand van dit mechanisme hoor je Hölscher niet.)

Principe van Riedesel

De afvalcontainers die bij het winkelcentrum in de bloemenbuurt staan, bedoeld om glas, luiers, textiel en stiekem ook allerlei andere rotzooi in te deponeren, zullen binnenkort worden verplaatst naar een nieuwe locatie, vijftig meter verderop, werd onlangs bekend. Een en ander hiervoor was allerminst geruisloos in gang gezet door een mondige dorpsgenoot, wiens bedrijf uitkijkt op de bakken, en die bijkomstig een goede vriend is van de beheerder van het stencilapparaat op ons gemeentehuis. Hij vindt het niet gepast om zijn klanten, die komen voor een van zijn cursussen aangaande het geven van advies over het coachingsproces tijdens monitoring, aan dit zicht bloot te stellen.
Nu is er de gemeente alles aan gelegen om tijdens de op til zijnde verhuizing zo veel mogelijk de natuur naast, op, onder en in de containers te behouden. Er zal belachelijk veel rekening met de bestaande flora en fauna gehouden worden en daarvoor zijn al diverse maatregelen genomen. Zo zullen middels een simpele herdefiniëring bepaalde zeldzame planten niet meer zeldzaam genoemd hoeven worden en zullen enkele van de vergaarkisten beter toegankelijk worden gemaakt voor de voedselvoorziening van een aantal dieren uit de omgeving.
‘Ja, je verplaatst de containers of je redt de natuur,’ had een vertegenwoordiger van de gemeente in eerste instantie gezegd, en dat was in het verkeerde keelgat geschoten bij menig bezitter van meerdere keelgaten. Het heeft een lading ingehuurde adviseurs daarna nog heel wat kruim gekost om uit te leggen dat de scheiding die het voegwoord ‘of’ aangeeft zowel inclusief als exclusief kan zijn. In dat laatste geval is precies één van de gescheiden delen waar, maar bij een inclusieve scheiding is juist sprake van een en/of-situatie. Voorbeeldje: om iets te bewerkstelligen in deze gemeente moet je of heel standvastig zijn of een vriend van de stencilapparaatambtenaar. Maar als je nou met je standvastigheid iets bij de gemeente gedaan hebt gekregen, dan kan dat natuurlijk nog steeds betekenen dat je een vriend van die stencilpief bent. Het ene sluit het andere niet altijd uit; we hoeven hier niet iets te bevestigen om daarmee iets anders te ontkennen.
Maar dat bij een voorgestelde keuze een acceptatie van het totaalpakket ook deugdelijk kan zijn, wordt qua interessante associatie absoluut overschaduwd door die (waarschijnlijk door de not-in-my-backyard-gedachte gevoede) eenmansactie die alles in gang zette. Ik hoor hier het principe van Riedesel klinken.
Riedesel stelt dat het patroon van de moderne vrijmoedigheid onder andere leidt tot een groeiende zoektocht naar acties afdwingende communicatie – in een wereld waar extraverte karakters meer en meer domineren en worden geprezen. De teweeggebrachte acties zijn dan niet zozeer het gevolg van een reële noodzakelijkheid ervan, maar wel van een zogenaamd nut ervan dat met voornamelijk geschreeuw wordt gemonopoliseerd. Mensen die met een meer timide optreden ook dingen gedaan willen krijgen worden zo als het ware geblokkeerd om te concurreren – in het bijzonder zelfs door het samenspannen van de brutaleren en zelfzuchtigeren onder ons (want soort zoekt soort). Hier hebben, volgens Riedesel, de (re)acties dus minder te maken met de waardering voor de vrager dan met diens opdringerigheid.

Fischer-thesis

Een van de meer incoherente pensionado’s in ons dorp, een man die min of meer per ongeluk in de jaren ’80 een fortuin vergaarde met trainingen aan adviseurs over de coaching tijdens monitorwerkzaamheden, liet ons onlangs een houterige ingezonden brief lezen over de geneugten van het pre-colatijdperk. Überhaupt is de fizzy drink tegenwoordig vaak genoeg al reden genoeg voor een supermarktbezoek. Maar mayonaise zit ook in die hoek; vaker dan men denkt is men op zoek naar een excuus om mayonaise te kunnen eten, bijvoorbeeld ter begeleiding van een frikadel. Suiker en vet laten de moderne wereld draaien. Nu is vet wellicht makkelijk uit de ons omringende natuur te onttrekken, maar het produceren van suiker is voor de huis-tuin-en-keuken-doe-het-zelver nogal lastig. Met andere woorden: om suiker thuis in je voorraadkast te krijgen moet je meer overlaten aan het delegeren dan om vet op je aanrecht te toveren. Onze briefschrijvende babyboomer liet dit punt – begrijpelijk – liggen, maar hij bracht wel naar voren dat, volgens hem, zijn vrienden en hij een goede smaakontwikkeling hebben, omdat, volgens hem, zijn vrienden en hij geen zoete rotzooi als cola drinken en, volgens hem, mensen die wel zoete rotzooi als cola drinken geen goede smaakontwikkeling hebben.
Klinkt best logisch, dat laatste. Als je niet te veel oplet, tenminste, en als je tegelijkertijd naar het vrolijke geluid van koolzuurbubbeltjes aan het luisteren bent.
Maar het enige dat, volgens mij, uit deze woorden zou kunnen worden afgeleid, is dat er mogelijk coladrinkende mensen in ons midden zijn met een smaakontwikkeling die nogal te wensen overlaat – en dat onze gepensioneerde vriend waarschijnlijk vrienden heeft.
De conclusie van de senior komt voort uit twee negatief verpakte vooronderstellingen. Maar de gevolgtrekking is juist positief: bepaalde mensen hebben een goede smaakontwikkeling. En met negatieve uitgangspunten (zoals ‘geen x is y’ of ‘sommige x-en zijn niet y’) is dat gewoonweg niet jofel. Hier geldt eenmaal niet dat negatief maal negatief positief maakt.
Toevallig sprak ik die zeventiger gisteren over zijn soortement van essay, en het viel me op dat geen enkele van zijn toevoegingen aan de conversatie werkelijk voortborduurde op het bedoelde gesprek. Dan had de sociolinguïst Fischer dus toch gelijk (en gelukkig maar)! Dat moest ik het hele babbeltje denken. Wellicht had dat er vooral mee te maken dat ik die ochtend had zitten lezen over de Fischer-thesis.
Fischers gedachte was dat de uitingen van mensen een dialoog sturen en niet andersom. Dit lijkt een wat flauwe, zelfs voor de hand liggende hypothese, maar in Fischers tijd was de gangbare aanname dat de dialoog zelf juist de deelnemers ervan aan de hand neemt en hun uitspraken in het verdere verloop bepaalt. Veel academische takken waren destijds vol van dit idee van de opgelegde psychologie, en Fischer besteedde het grootste deel van zijn carrière aan de strijd tegen deze school – de lijvigste uiteenzetting van deze visie is te vinden in zijn The Conversational Theory of Shared Individualism, waarin hij de functie van de eigen inbreng (qua discours) en de daaruit voortvloeiende alomtegenwoordigheid in zo goed als alle wetenschappelijke literatuur tot die tijd onderzoekt.

Stelling van Kastein

Sigaretten en andere rookwaar zijn onlangs, na een vurige demonstratie, compleet uit onze gemeente verbannen. Een dorpsgenoot had ergens gehoord of gelezen dat je van roken doorgaans gaat hoesten en dat mensen die hoesten in de regel ziek zijn. Hij merkte tijdens een verkoudheid ineens op dat hij een sigaret aan het roken was – en zo kwam de bal aan het rollen. Roken zou ongezond zijn. (Later schreef die dorpsgenoot in zijn dagboek: ‘Ik was vanmiddag wat snotterig, maar toch professioneel online advies aan het geven over trainingen van de coaching tijdens het geven van cursussen. Plotseling werd ik overmeesterd door een geforceerde uitademing, waarbij mijn stembanden gewelddadig uiteen werden geduwd en ik getuige was van een soort knallend, krassend geluid. Van schrik liet ik mijn sjekkie vallen.’) Niet voor niets waren er tot voor kort geregeld op strategische plekken in onze gemeente spandoeken met teksten als ‘Hoesten gebeurt onder dwang van virussen en bacteriën, dus stop met roken!’ of ‘Roken los je niet op door besmettelijke aerosoldruppels in je elleboog te hoesten!’ te vinden. En van het een verdween het ander.
Wel hebben we hier te maken met een nogal rare doorgeefredenering, meen ik. Mensen die hoesten (x) zijn ziek (y). Rokers (z) hoesten (x). En dus zijn rokers (z) ziek (y). Dat het woord hoesten uit het ene argument precies past op het woord hoesten van het andere argument geeft niet per se aan dat die twee argumenten daarom met elkaar verbonden moeten worden. (Zelfs een beetje virus voelt zich te goed voor een dergelijke overhaaste connectie die alleen gestuurd wordt door wat rijmreceptoren.) Maar deze vorm van flikflakargumentatie buiten beschouwing latend is het ook niet correct om een algemene regel te pas en te onpas toe te passen. Meer nog dan dat zelfs: geen enkele regel is zo algemeen dat hij geen uitzondering toelaat – zeker in irrelevante situaties. Dat is toch wel als een vuistregel te beschouwen.
Het is te hopen dat het anti-rookwaarcomité wist dat ze hun uitingen deden vanuit statistische generalisaties – waarbij atypische gevallen dus voor het gemak buiten beschouwing werden gelaten. Sowieso moet de tekst bij hun ophef waarschijnlijk niet al te letterlijk geanalyseerd worden. In veel gevallen zegt de manier waarop een boodschap gebracht wordt beter iets over die boodschap dan de inhoud van die boodschap zelf.
‘Ah, de stelling van Kastein!’ hoor ik een enkeling van u nu zeggen. Thomas Kastein had hier inderdaad een mooie theorie over, en het is jammer voor hem dat de veel extravertere Marshall McLuhan stomtoevallig in dezelfde maand met precies dezelfde quote, namelijk The medium is the message, naar buiten kwam. Kastein werd zelfs nog beschuldigd van plagiaat. De kranten stonden er vol van, ruim een halve eeuw geleden.
Maar Kastein en McLuhan hadden het niet over hetzelfde. McLuhan bedoelde het veel breder, meer gericht op de media als artefacten – dat bijvoorbeeld een televisietoestel een heel andere invloed op de samenleving heeft dan een radioapparaat.
Kastein bedoelde het kleiner, persoonlijker – juist de intermenselijke taaloverdracht. Tegenwoordig zou hier de term non-verbale communicatie gebruikt worden. Dingen als mimiek, intonatie en lichaamshouding krijgen daar een rol. Maar Kastein zag dit dan weer breder: ook geschreven taal (bijv. gebruik van kapitalen of uitroeptekens) betrok hij bij zijn theorie.

Wet van Schmidt

Een van de vele politieke ambtsdragers die onze gemeente rijk is, werd onlangs, geheel volgens de gang van het spelletje, weggestuurd – toevallig juist diegene die heel bedreven is in recepties. (Gelukkig kon hij meteen weer terugvallen op zijn oude vakgebied, te weten het monitoren van de coaching tijdens cursussen over het geven van trainingen.) En dat waarschijnlijk alleen maar omdat er een meningsverschil was over de betekenis van het woord ‘liberaal’. De denotatie ‘volksgezind’ overlapt blijkbaar niet voor iedereen met de omschrijving ‘een cocktail van kapitalisme en elitarisme tot in den treure minnend, op het racistische af’.
Nu kan ‘liberaal’ beide dingen inhouden, zonder daarbij het woord opzettelijk qua beduidenis volledig te kapen of te belasten met een lading die er in hoge mate enkel is om een emotionele reactie op te wekken. De ene aanduiding is simpelweg wat ouderwetser dan de andere, en de huidige betekenis hoeft niet noodzakelijkerwijs gelijk te zijn aan de historische betekenis ervan. Er is wat dat betreft ook niet een ‘ware betekenis’ van een woord – iets waar sommige oude Grieken, op Lesbos wellicht, weleens over mijmerden, terwijl ze aan elkaar ongetwijfeld een amfoor met wijn doorgaven. Semantische verandering is hoe dan ook in veruit de meeste gevallen een vloeiend proces, met een omslagpunt dat net zo lastig aan te wijzen is als dat bij de transformatie van jong naar oud – en de verschillende ladingen van een woord zullen ook heus wel, in meer of mindere mate, naast elkaar blijven gelden, volgens een verdeling die, in ieder geval in een bipolaire situatie, waarschijnlijk erg fraai visueel weergegeven kan worden met een Gausscurve.
Maar welke waarde een woord nou precies waar en wanneer en hoe en waarom heeft, is in een communicatie feitelijk niet het thema. Als het doel is om te communiceren, dan is de ‘geldende’ of ‘ware’ betekenis van een woord de huidige, meest gebruikte betekenis ervan. Dat is toch wel de ongeschreven regel die dan van kracht is. Een misschien nog wel belangrijkere regel is dat men elkaar in een communicatie niet dirk-poep-in-’t-handje moet noemen ter introductie van een wedstrijdje koppig zijn. En nutteloos lijkt het me niet als in dezen de betrokkenen te rade gaan bij de taal- en cultuurfilosoof Rufus Detlev Schmidt – uiteindelijk gaat het immers om een begrip dat wordt overgebracht, niet om een correcte set van formaliteitjes.
De wet van Schmidt is misschien wel de herkenbaarste uit de communicatiekunde, althans de westerse variant van dat vakgebied, en dat komt wellicht omdat de strekking duidelijk in de lijn van de christelijke traditie ligt: voor men anderen op diens fouten wijst, is het goed de hand in eigen boezem te steken. Schmidt formuleerde zijn wet op de voor hem typerende zinspreukerige manier: roepen dat andermans shirt besmeurd is, maakt onterecht populairder dan verklaren dat eigenlijk ieders shirt wel voorzien is van minstens één vlek.
Zelfs in de positief-negatieve uitleg, zoals Schmidt het noemde, geldt dit nog. Volgens hem moet je jezelf iets wat goed genoeg is niet ontzeggen door een drang naar het perfecte.
Gelukkig biedt Schmidt ook een oplossing. Namelijk oefenen. Je kunt beter (effectiever, zinvoller) worden in communicatie door te oefenen. Leren praten stopt niet bij het zeggen van ‘mama’, en eigenlijk nooit.