Binding

Sinds een dag of twee ben ik The Catcher in the Rye – u weet wel, dat Amerikaanse boek over die Amerikaan die dingen doet in Amerika – aan het herlezen (de roodtint op de kaft heeft inmiddels sowieso aan kracht ingeboet), en ik moet zeggen dat me ditmaal de afwezigheid van een plot zelfs een beetje dwarszit. De eerste keer dat ik het meesterwerk las, was ik zestien, en had ik een hekel aan pubers, dus ook aan de hoofdpersoon van het verhaal, weet ik nog. Om eerlijk te zijn weet ik nu niet zo goed hoe ik met mijn volledige acceptatie iets zinvols over het boek moet zeggen zonder daarbij het risico te lopen van een zekere verwarring door een eventueel onnauwkeurige keuze in mijn terminologie bij mijn beschrijving. Bovendien wil ik geen problemen krijgen met de moordenaar van John Lennon, al gun ik die Mark Chapman uiteraard alle emoties die hij heeft of heeft mogen hebben bij verschillende door hem beleefde culturele uitingen, net als dat ik iedereen dat wens bij bijvoorbeeld een schilderijenserie als Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue. Maar het lijkt me toch gezonder om het over iets anders te hebben. Het weer misschien, al loop je met zo’n onderwerp ook weer de kans dat mensen niet weten wat het is. Dus maar beter iets over eten en bijbehoren: soms, als we bijvoorbeeld veel eters hebben gehad, is de besteklade deels leeg, en bij het uitruimen van de wasmachine weet ik dan vaak niet meer in welk vakje de lepels lagen en in welke vakjes de messen en de vorken. Waarschijnlijk is het handig en verstandig om de volgorde eens in mijn intuïtieboekje op te schrijven of om een foto van de gevulde la te maken, maar dan lijkt het wellicht net alsof het me iets interesseert, en zo wil ik niet overkomen bij de mensen. Liever wil ik te boek staan als iemand die met allerlei aanslagen op de piano een vertolking van Imagine brengt waar de honden brood van lusten. (En dan bedoel ik alle honden, behalve mijn hond, een afgelopen zomer tot een fel koolhydraatarm dieet bekeerde Picardische herdershond, wellicht.)
Best interessant nog aangaande het boek is dat J.D. Salinger met het tegenhouden van verfilmingen ervan de mythe eromheen actief vergroot heeft. Barnett Newman had de groeiende belangstelling voor zijn werk juist door de vernielingen ervan zelf niet in de hand. Chapman kan in principe elk moment vrij worden gelaten, maar Lennon heeft de aandacht niet meer nodig.

— — —
welkomthuispagina.nl

Peetmens

Ik ben nu zo oud als Marlon Brando was toen hij een rolletje in The Godfather vertolkte. (Deel een, uiteraard, want in deel twee is-ie al dood, en in deel drie nog steeds.) In die tijd waren allerlei zaken en dingen nog veilig en gezond die dat nu niet meer zijn; blijkbaar veranderen de eigenschappen van bijvoorbeeld eieren of achter in de auto zitten met het ronddraaien van de wijzers van de klok.
Maar Brando speelde dus een oude man in die film, terwijl hij toen zelf nog relatief jong was (al zeg ik het zelf). En hij deed het met verve. Wat oudere mensen oud maakt is niet altijd even goed te vangen. Mijn opa had bijvoorbeeld op latere leeftijd een overdreven grote partij wc-papier aangeschaft. Hij was bang dat hij het in zijn leven niet meer op zou maken, dus hij nodigde continu iedereen die hij kende uit om bij hem naar de wc te gaan. Brando zelf werd met het optellen van zijn leeftijd op zijn eigen manier excentrieker. Zo wilde hij – is mij verteld – ooit de Utrechtse Oudwijkerdwarsstraat, om maar eens een dwarsstraat te noemen, in z’n geheel kopen om die te verhuizen naar zijn privéeiland. Een aantal bouwkundigen heeft dit toen wegens gewetensbezwaren of iets met de lading daarvan tegen weten te houden.
Veruit de meeste mensen die ik ken vinden The Godfather (of Kummisetä, zoals de film in Finland genoemd wordt) overigens een haast onovertrefbaar meesterlijke film. Die mensen zijn blijkbaar (of immers) nogal gecharmeerd van de verheerlijking van georganiseerde misdaad. Mijn hond, een man en paard noemende en tegelijkertijd de kool en de geit sparende bedlingtonterriër, niet; die kan die film niet aanzien. Bovendien is hij als pup gebeten door een Spanjaard, en lui van dat soort zijn volgens hem niet te onderscheiden van Italianen.
Ze zeggen weleens dat Brando de eerste hipster was. (Vooral als je alle hipsters die voor hem kwamen even buiten beschouwing laat.) En dat hij de eerste baarddager was zonder zelfs een baard te dragen. Hij vertelde ooit in een interview dat hij die non-baard in een reeks van drie dromen had ontdekt (of ‘vorm had gegeven’, zoals hij het zelf liever noemde). De eerste nacht was het een voorspellende droom, de tweede nacht een verklarende, en de derde nacht was hij opgebleven om iets van Dickens op zijn dicteerapparaat te zetten.

— — —
welkomthuispagina.nl

Helder

Vergeet Superman, vergeet Batman. Vergeet zelfs Stan Lee! Mijn hondje, een niet van zijn zonnebril te scheiden cane corso, heeft een ultieme moderne superheld bedacht: Goldman, wiens speciale superheldenkracht het is dat hij zowel rechten als economie heeft gestudeerd, maar dat hij toch een hart van goud heeft; en dat hij sinds de tweede week van zijn superheldzijn een stuk van zijn voorhuid mist, maar dit terzijde. Mijn hond en ik communiceren hierover middels een vorm van telepathie, en bij die slingeringen van de geest laat ik geen foneem ongehoord; mijn viervoeter is namelijk misschien wel de meest interessante paranormale gesprekspartner die ik ken. Wat in zijn binnenste sluimert, ach… Wellicht dat de kwantummechanica ons daar ooit wat meer over leert.
Ik zie dat u terugdeinst voor zaken over clairvoyance, o lezer. En ik voel uw veronderstelling dat een vast punt het ultieme doel van het menselijk bestaan zou moeten zijn. Maar ik kan u vertellen dat de verstandhouding tussen mij en mijn hond zo ver gevorderd is dat ik zonder te spreken met een trap van mijn voet tegen zijn ribbenkast kan overbrengen dat hij een stuk aan de kant moet. (Ik dol natuurlijk maar wat; mijn hond heeft helemaal geen ribbenkast, en ik heb helemaal geen voet. Bovendien voelt hij al voordat ik zijn ribben toucheer dat hij moet uitwijken.) Er is dus toch echt meer tussen hemel en aarde. Daarenboven: tussen de aarde en halverwege de hemel alleen al bestaat reeds een hele hoop! Geef mijn hond en zijn gezweef daarom nog een kans.
In de laatste episode van Goldman waarvan mijn hond gewag maakte, was de superheld zoals gewoonlijk een crisis aan het voorbereiden toen hij ineens in zijn bezigheden werd gehinderd door nieuwe wetgeving. Kennis van terminologie kon hem niet meer helpen. Maar gelukkig was hij heel bedreven in het verwarren van rijkdom met intelligentie, dus alles kwam weer goed.
Als mijn hond ergens een hekel aan heeft dan is het wel aan plotwendingen en pointes (en achthonderd andere dingen), dus voor hem was de lol er eigenlijk wel af, maar Goldman kon zijn snode plannetjes, in ieder geval tijdelijk, op zijn buik schrijven; wel met de nodige taalfouten uiteraard, want daar was tijdens zijn studie rechten en economie uitvoerig tijd aan besteed.

— — —
welkomthuispagina.nl

Lee Rex

Kortelings zag ik bewegende beelden van een tyrannosaurus – volgens mij was het een reconstructie – en dat beest kon blijkbaar niet op z’n rug krabben. De stumperd! Als hij, zeg maar, jeuk had in de buurt van zijn wervelkolom, dan kon hij er niet eens met zijn nagels over krassen.
Op zich zou mijn favoriete in Shropshire geboren komiek Stewart Lee zijn hand er niet voor omdraaien om hier een fijne grap over te maken, maar wellicht zou hij deze hij deze toch te flauw voor formulering vinden, dat men hier eerst zijn arm voor om moest draaien. De humor van Lee is vooral interessant omdat hij uitgebreid gebruikmaakt van deconstructie en callback. (Een callback is een running gag die slechts een keer herhaald wordt.) Maar daarover later meer. Belangrijker vind ik het om te preciseren dat bij de overgang van de wereldheerschappij der dinosauriërs naar die van de mensen meer dan alleen de kleur van onze schubben veranderd is.
In de evolutie gaat alles langzaam, dus ik stel me zo voor dat genoemde transitie ook geleidelijk is gegaan. Gaandeweg zijn de leden van de twee groepen een voor een omgeruild – er wisselde dus steeds een dinootje met een piepeltje – totdat ze weer de oorspronkelijke waren. Na afloop bleek dat de onderdrukkende cultuur van het collectief van wereldheersers niet gewijzigd was; eerst bestond die clique uit enkel dinosaurussen en gradueel veranderde de samenstelling ervan dus in die van alleen maar mensen. Bij de andere groep trad een dito verschijnsel op, alleen in een soort gespiegelde vorm.
Er zijn natuurlijk ook andere vormingsgeschiedenissen denkbaar, maar dit lijkt me toch wel de meest voor de hand liggende. En al met al is het uiteraard het meest van betekenis dat tegenwoordig de mens de baas is van al wat leeft op aarde. Mijn hond, een ooit vijf keer achter elkaar door een zondebok gebeten epagneul picard, onderwerpt zich hier zonder problemen aan en hij laat zich het dan ook rustig welgevallen als ik mijn dominantie kenbaar maak door hem minstens dagelijks stevig tussen zijn schouderbladen te krabbelen – en samen lachen wij dan om de tamelijk recente ontdekking dat dinosaurussen niet eens met tien vingers konden typen, laat staan met twee woorden spreken; elke nieuwe kennis geeft ons immers de mogelijkheid om nog rationeler te zijn.

— — —
welkomthuispagina.nl

Gebrekkigheid

Voor mijn bijbaan als beatschrijver ben ik nogal veel onderweg; ik ga graag op zoek naar dingen die anders zijn om daarna over dat verschil te klagen. En zo is het niet ongebruikelijk dat ik een nacht niet thuis doorbreng. Onlangs sliep ik weer een derde etmaal in een hotel waar de badjassen zo dik en zacht waren dat ik mijn koffer bijna niet dicht kreeg. Wat mij betreft hoeft het milieu niet onder zo’n enkelvoudige overnachting te lijden, dus de zes handdoeken die ik bij mijn reinigingsritueel in de dageraad had gebruikt, hing ik weer netjes op, zodat een volgende gast zich hier ook nog gerust mee zou kunnen afdrogen.
’s Ochtends eet ik nooit; ik kan geen voedsel verdragen op een lege maag. Maar ik ga altijd wel naar de ontbijtzaal om andere hotelgasten te zien eten en er voor mijn bijbaan als kunstfotograaf eventueel stiekem kiekjes van te maken. Etende mensen zien er namelijk bijna standaard ongemakkelijk en kolderiek uit. Misschien wel omdat ze bij deze bezigheid het meest weer op een dier lijken; de primaire gevoelens ontwaken. Mijn hondje, een al minstens vier jaar met de postcodebingo meespelende groenendaeler, ziet er altijd als een dier uit en nooit als een mens; als hij eet oogt hij compleet normaal.
(Er is wellicht een uitzondering: als dieren in de stromende regen twee kwartier lang hun soep proberen op te eten, zien ze er minstens even grappig uit als mensen die hetzelfde pogen.)
En toch vreemd dat zien eten zo vreemd kan zijn. Want je bent wat je eet, volgens atheïst Ludwig Feuerbach sowieso, en in feite ben je ook àls je eet. Eten is immers een elementair onderdeel van een goed voedselpatroon; wie niet eet gaat dood. Maar hoe ongemakkelijk het ook is om anderen te zien eten, de angst voor de eenzaamheid van het helemaal alleen moeten eten wint het in dezen bijna altijd en bijna bij iedereen. Vandaar dat we bij elkaar gaan hangen als we ons lichaam aanvullen met een precursor van dopamine of andere bioactieve substanties van vergelijkbaar belang voor onze overleving.
Uiteraard zou je eigenlijk alle essentiële voedingsstoffen ook al rokend en snuivend, rectaal en intraveneus tot je kunnen nemen, maar tegenwoordig stellen de meeste horecagelegenheden daar geen prijs meer op, aangezien dat door veel aanwezigen als storend wordt ervaren.

— — —
welkomthuispagina.nl

Herstellen, schikken

Een, misschien dé jeugdzonde moet ik maar eens bekennen: ook ík heb vroeger een tijdje sociologie gestudeerd. In Amsterdam, aan de UvA – en ik heb zelfs nog les gehad van de grote Johan Goudsblom. Het eerste college al had ik met hem een discussie over tijd; hij vond dat tijd door iedereen anders beleefd wordt, ik vond dat beleving niet voor iedereen hetzelfde is, en na wat voor hem vier jaar duurde en voor mij slechts een, stopte ik met die studie. Sindsdien ben ik gelouterd.
Maar ik heb er wel een onwillekeurige spiersamentrekking van meegekregen. Ik geloof namelijk dat de omstandigheden waarin we iets leren – zeker wat betreft onze culturele bagage – van ondergewaardeerd belang zijn in onze vorming. Het lijstje boeken dat je gelezen hebt, is vooral van betekenis als je het neerlegt bij de omgeving waarin je verkeerde toen je die informatie verwerkte. En met wie was je bijvoorbeeld toen je een bepaalde film voor het eerst keek? In welke setting dat was heeft absoluut invloed op je interpretatie.
Onze manier van opvoeden staat echter werkelijke duiding in de weg met het te ferm onze neus drukken op het invullen van een algemene verwachting. Dat converseert natuurlijk wel een stuk gemakkelijker (op cocktailparty’s en zo); je weet na een paar fonemen al welke mening je gesprekspartner wil gaan spelen.
Op het eerste gezicht (en het vermoeden is dat mensen maar een gezicht hebben) lijkt dat nog niet zo verkeerd, maar die aangeleerde hang naar het gangbare heeft wel als resultaat dat de advocaat speelt dat hij advocaat is, dat de burgemeester speelt dat hij burgemeester is, en dat de clown speelt dat hij clown is; hetzelfde geldt voor alle andere hoedanigheden van de mens die met een letter uit het alfabet beginnen.
En daarom ben ik blij, zo blij dat ze in ons gebiedje binnenkort ontwikkelingshulp komen brengen. Als alle workshops goed gaan, als alle schema’s en verbeterpunten van de kinderen die ons komen helpen lukken, als alle steentjes die worden bijgedragen aan het project ook werkelijk steentjes blijken te zijn, is ook de rest van Nederland aan de beurt; er is per slot heel wat te winnen!
Mijn hondje, een volgens de fokker van Max Weber gewezen poedel, gaat straks voor de eerste keer in zijn leven Bertolucci’s Novecento kijken – met mij, nota bene, de gelukspoeperd.

— — —
welkomthuispagina.nl

Plezierreizen

Men hoort wel zeggen dat thuiskomen het fijnste onderdeel van de vakantiereis is. Maar misschien komt dat wel omdat veruit de meeste mensen die na hun vakantie niet meer zijn thuisgekomen daar geen uitspraken over konden doen; en dat geeft uiteraard een vertekend beeld. Het meemaken van andere culturen, daarvoor hoef je overigens echt niet naar het buitenland. Je zou bijvoorbeeld ook in de vakantieweken een baantje bij een bank kunnen nemen om gewaar te worden dat niet alle mensen uit een en dezelfde mal komen. Het verschil zit ’m wellicht in de neiging om steeds de handen te wassen; toch is het onzin om dergelijke E. coli-angst voornamelijk aan kredietinstellingen te koppelen.
Mijn hondje, een de slappe lach van de architectuur van Frank Gehry krijgende weimaraner (korthaar), kent E. coli en mag zelfs de naam Escherichia gebruiken; hij weet uit betrouwbare bron dat de microbe zich door de factor reinheid laat beïnvloeden.
Als je op reis bij een wegrestaurant of zo een wc-bezoek aflegt, heb je alle bacteriën voor de komende twee weken al gevonden; wat er daarna gebeurt, komt dus niet door het uitheemse eten, maar door je verplicht onhygiënische tussenstop. Al te vaak levert een bezoedeling met de verkeerde bacteriën een desorganisatie in het evenwicht van gelijkmoedigheid op. Een verstoring van de conditie die zich kenmerkt door bijvoorbeeld onbekommerdheid en emotionele bedaardheid dus; in veel gevallen gepaard met een nogal dunne en waterige ontlasting, en een bijster energieke tred bij de gang naar het toilet. Om zeker te zijn dat het om zogeheten diarree gaat, is het cruciaal de viscositeit van de ontlasting te controleren. Dit kan door eenvoudig met de vinger erdoorheen te roeren. Voelt het aan als appelstroop, dan hoeft men zich geen zorgen te maken, maar dunner dan ketchup moet het niet worden.
Ik las tijdens mijn verlof een hilarisch kolderiek boek dat achteraf over kwaliteitsmanagement bleek te gaan. Hierin stond ook een methode beschreven om met het vijf keer stellen van de waaromvraag tot de hoofdoorzaak van een probleem te komen. Ik heb hier al flink op geoefend, maar ik vind het nog steeds moeilijk om de vier tussenliggende antwoorden te formuleren. De sprongetjes in de verklaring van voorafgaande laat ik dus even in het midden.

— — —
welkomthuispagina.nl

Verzen

Als een dichter het heeft over een vers, dan bedoelt hij een regel. Verzen zijn regels dus. Regels zijn ook regels, maar bij het aan elkaar gelijkstellen van twee vormen van een rijk rijm is dat onoverkomelijk. Hetzelfde zien we in de volgende voorbeelden: bakstenen zijn bakstenen, draaideuren zijn draaideuren, schoenveters zijn schoenveters, en appels en peren zijn appels en peren. En er bestaan nog wel een paar meer woorden die in deze constructie passen. Luisvliegen zijn luisvliegen, bijvoorbeeld; mijn hondje, een tot de stam der chordadieren en de klasse der zoogdieren behorende canaänhond, kan erover meepraten (bij een nette prijsafspraak uiteraard).
Nou houden dichters zich nauw aan de filosofie in bredere zin, en ze beseffen maar al te goed dat alle regels de facto regels zijn. Voor mensen die de regel ‘regels zijn regels’ in niet-poëtische, bureaucratische zin gebruiken, zijn juist niet alle regels regels. Voor hen zijn alleen de regels uit de eigen cultuur regels, en zijn regels uit veel andere gebieden van de wereld niet meer dan gevaarlijke ideeën die stuk voor stuk vernietigd moeten worden. De regel die ze daar zonder meer bij hanteren is dat dat niets met westerse arrogantie te maken heeft.
Het bijzondere aan luisvliegen is dat de meeste vleugelloos zijn. Toch zijn het vliegen en behoren ze tot de orde der tweevleugeligen. Maar ja, vliegen vliegen, en daarom heten ze ook vliegen, toch? Je zou denken dat er welbeschouwd een regel moet bestaan dat alle tweevleugeligen gewoon twee vleugels hebben. Want als tweevleugeligen niet tweevleugelig hoeven zijn, en als sommige exemplaren daarvan zelfs in Nederland voorkomen, dan komt de gedachtewereld van veel van onze door de gedragswetenschappen aangetaste muggenzifters mooi op losse schroeven te staan. Stel je voor dat je je bij elke regel moet afvragen of het eigenlijk wel een regel is! Wat moet je dan wel niet allemaal regelen?
Voor luisvliegen is dit overigens geen probleem; die hebben iets in hun DNA dat mensen niet hebben. Er was een tijd dat ik dergelijke dingen bijhield; ik knipte niet alleen een en ander uit de krant, maar registreerde ook precies wanneer ik dat deed, in ongeveer nul tot twee holle frasen.

— — —
welkomthuispagina.nl

Pleisters

De eerste keer dat ik zelf pleisters kocht, weet ik nog goed – ik was een laatbloeier. Dinsdag 19 april 1988, bij Drogisterij Banninck Cocq en Van Ruytenburgh, op de Keizersgracht in Amsterdam. (Dit is een soort functioneel anachronisme; mij is bekend dat de betreffende drogisterij toen nog Drogiquick heette, maar omwille van de herkenning, en daardoor het begrip, gebruik ik hier de recentere naam.) Het was een zonnig dagje met een gevoelstemperatuur van soms wel vierentwintig komma drie graden Celsius, waarbij vermeld mag worden dat mijn gevoel in dezen meestal overeenkomt met wat er in De Bilt gemeten wordt. Blijkbaar was er die dag helemaal niets van enig belang in de wereld gebeurd, want het staat me nog goed voor de geest dat niemand om mij heen op zijn mobiele telefoon aan het kijken was.
Bekend verondersteld mag worden dat pleisters er zijn in verschillende soorten en maten; zetten we de eerste variabele uit langs de x-as en de tweede langs de y-as, dan krijgen we een mooi regelmatig patroon waar zowel pleisterliefhebbers als bepaalde neuroten van smullen. En het is ook logisch dat bij een speldenprik andere eisen aan pleister worden gesteld dan bij een beenamputatie. Op een ronde wond plakt men het beste een ronde pleister, en bij een wond met de vorm van een trapezium geldt een vergelijkbare procedure. Er zijn huidkleurige pleisters voor mensen met een pleisterkleurige huid. En er bestaan pleisters waarmee je onder water kunt. (Maar hoe vaak ga je met je duikboot weg?) Zelf gebruik ik het liefste pleisters die je zelf moet knippen; voorgevormde pleisters zijn feitelijk voor amateurs. Het voordeel van nog te knippen pleisters is sowieso dat je tijdens het bewuste proces eenvoudig een (extra) reden kan creëren om een pleister nodig te hebben.
Soms krijgt een pleister het etiket plakband; of andersom eigenlijk. We zitten dan in een van de volgende scenario’s: de protagonist is te billig om deugdelijke pleisters te kopen, hij is door zijn voorraad heen, of hij heeft ze niet binnen handbereik. Zelfs ik val soms in een van die categorieën.
Ik besefte pas dat ik echt verslaafd was toen ik mijn hondje, een stellig niet in de kleurenleer van Goethe gelovende bullmastiff, ook met een aantal pleisters zag lopen. En toen ben ik maar gestopt met bloeden.

— — —
welkomthuispagina.nl

Presenteren

Wellicht de grootste misvatting over hypotheken is dat de hypotheekverstrekker geïnteresseerd is in zijn producten en zijn afnemers. Voor een goede vriend van mij heeft dit er feitelijk nooit echt wat toe gedaan. Die had namelijk te veel talent om zich met een ding als huizenhandel bezig te houden. Na verloop van tijd had hij echter genoeg van zijn talent en hij besloot het te ruilen tegen een ziel. Ook daarna heeft hij nooit meer iets kunnen doen met hypotheken en/of verstrekkende gevolgen daarvan. Het hebben van een ziel, die blijkbaar ongetraind was, zat hem sowieso op allerlei vlakken dwars.
Waar hij uiteindelijk heel bedreven in werd, was zichzelf postsenteren. Dat is een goed woordje voor jezelf doen als het feitelijk al te laat is. Iets waar je niet per definitie dood aan gaat dus, al zou het wel in een dergelijk proces toegepast kunnen worden. Misschien is het nuttig dit even goed tot je door te laten dringen en er een gedegen voorstelling van te maken. Hiervoor hoef je geen toneelschool te hebben gehad; het helpt echter als je weet wie Larry Olivier is.
Waar je bijvoorbeeld wel dood aan gaat is suiker. Want vroeger toen er nog geen suiker was, werden de mensen een stuk ouder, en bovendien bleven ze langer leven. (Terugblikken in de geschiedenis van de mens is overigens niet het nuttigste hulpmiddel om deze propositie te bewijzen, maar mijn hondje, een zeer bedreven in het imiteren van een mogelijke rol van Sir Larry zijnde otterhound, eet sinds een jaar ook suiker, en hij is inderdaad een stuk korter gaan leven; dit echter terzijde.)
Het beste kun je trouwens doodgaan zonder ergens aan dood te gaan. Dus geen suiker in je koffie doen, en ook geen koffie. En geen alcohol drinken, geen drop eten, geen tabak roken, geen nootmuskaat snuiven, geen vet- en zoutstel op tafel – onder andere. En vooral niet liegen.
Buiten dat, als je, zeg maar, uit een vliegtuig valt, dan heb je helemaal niks aan een huis of een lening daarvoor. En dus ook als je suiker eet.
Het komt voor. Afgelopen jaar viel een goede vriend van mij uit een vliegtuig terwijl hij suiker at. En toevallig was hij de beste hypothecaire financier die ooit geleefd heeft. Nou ja, beste… Eigenlijk gewoon een belegger die ooit geleefd heeft.

— — —
welkomthuispagina.nl