De Duimberg

Zo ongeveer daar waar het terrein niet voor angsthazen is, waar elke oneven maand een wrede, föhnachtige wind zand en stof over de vlakte laat zwiepen, waar men zich toch altijd weer even afvraagt of het niet gaat regenen als de lucht van donkerblauw plotseling via goudgeel naar glanzend groen kleurt, hier niet ver vandaan, bevond zich in vroeger tijden een zompig, moerasachtig gebied. Precies in het midden daarvan moet, nu nog steeds, de zogenaamde Duimberg liggen, maar niemand weet precies waar. Het is een berg in de vorm van een duim; feitelijk is het gewoon een duim die uit de grond steekt, waar door de eeuwen heen zand tegenaan gewaaid is en mos op gegroeid is en wat dies meer zij. En hoe dat zo is gekomen, zal ik, zonder te lang van stof te zijn, uit de doeken doen.
Lang geleden was er een ridder die de hoeken van de ronde tafel zocht. Bij de tafel zelf kon hij die hoeken niet vinden. En dus ging hij kijken of hij ergens in de wereld met een door willekeur gestuurde zoektocht een antwoord op zijn vraag kon krijgen. Voor hij op zijn paard sprong, sprong hij enthousiast enkele malen op de grond; het was zijn eerste echte avontuur. Hij besloot eerst linksaf te slaan, daarna rechtsaf, dan weer linksaf, dan weer rechtsaf, ad infinitum als het moest, en zo kwam hij door het oerwoud waarboven de morgenster een plekje warm hield voor de avondster (et vice versa). Ook kwam hij langs het hol van het zowel luie als narcoleptische monster, de open plek met de altijd ongeïnteresseerde kloosterlingen, de rivier met het onhandig geknoopte water en zelfs langs de tuin met onmogelijke bloemen in de kleuren wit en crème. Maar hoe romantisch en/of tragisch het allemaal was wat hij onderweg tegenkwam, de hoeken die hij probeerde te vinden liep hij maar niet tegen het lijf.
Op een dag, het was bijna nacht, kwam de dolende ridder twee evenwijdige paden vlak naast elkaar tegen.
‘Als ik die nou volg, kom ik vanzelf bij een hoek uit, volgens mij,’ zei hij zachtjes en tevreden tegen zichzelf, en hij voegde de daad bij het woord, waarbij hij niet moeilijk deed over de keuze van welk woord precies.
Maar na twaalf uur rijden, inclusief pauze, hielden de paden op en was hij nog steeds niet naar een hoek geleid. Wel was hij terechtgekomen in een verraderlijk en sponsachtig drasland, merkte hij op. Even dacht hij dat de bomen om hem heen aan het groeien waren, maar toen begreep hij dat hij aan het wegzakken was in de bodem. Met het tempo op een betrekkelijk laag pitje, maar met een toch zeker vloeiend te noemen beweging werd de ridder dieper en dieper het moeras in getrokken.
‘Kan ik u misschien helpen?’ riep een toevallig passerende jager van een afstand.
‘Welnee, alles is prima in orde hier,’ riep de ridder zo koelbloedig mogelijk terug. ‘Ik geniet hier gewoon even van de omgeving.’
Par hasard volgde het komende uur een hele rits van voorbijgangers die allen de in het moeras wegzakkende ridder vroegen of ze hem wellicht een helpende hand konden bieden of van een levensreddende tip konden voorzien. Maar de dappere harnasdrager op zijn paard wilde zich niet laten kennen. Hij raakte geenszins in paniek en wees uiterst beheerst alle ongetwijfeld erg goedbedoelde assistentie vanaf de kant af.
‘Maakt u zich om mij maar geen zorgen. Ik doe dit vaker,’ zei hij bijvoorbeeld, kalm en glimlachend, en synoniemen daarvan.
En op het laatst was alleen zijn goedkeurende duim nog zichtbaar. Vanaf toen wist men tevens hoe diep het moeras daar was.

De steenzitter

Daar waar alles wat groeit zingt van vrede en stilte, waar de geest in tegenwoordigheid van Gods schepping de loden sluier van de maatschappij wegwerpt en met hernieuwde frisheid weer opstaat, hier niet ver vandaan, liep eens een groepje van minstens zeven klessebessende boerendeernen door het heideveld. Ze bespraken Frits en Sjaak en Johannes, en af en toe kneep een van hen in haar vrolijk gekleurde, geplooide rok.
Ineens viel het stil, want precies op hetzelfde moment zagen ze allemaal, een twintig meter verderop, een jongeman in de schaduw van een paar beuken stijf op een grote kei zitten, leunend op een lange herdersstaf. Het was een onverbiddelijk stoere, breedkakige, mooie man. En hij kwam niet uit de buurt, dat merkten de meisjes met z’n allen meteen op.
En alsof er een teken werd gegeven begonnen de meiden tegelijk wat zenuwachtig en competitief te dansen en anderszins te bewegen. De jongeman verroerde zich niet. Hij bleef rustig met neus naar de meisjes gericht op zijn steen zitten. Hierop gingen de dametjes zich nog beweeglijker gedragen en zich nog meer aanstellen. Sommigen gingen schraperig tot nasaal zingen, anderen haalden een fluit tevoorschijn en gingen er wat harkerig op blazen.
‘Hij kijkt naar ons,’ zei een van de meisjes kirrend.
‘Naar mij volgens mij,’ zei een andere kirrender.
‘Nee, ik denk toch naar mij, hoor,’ zei weer een andere, twee keer zelfs, de laatste keer met overslaande stem.
De meisjes dansten en hupsten met hun heupen. Enkels werden aan het daglicht getoond en een enkele keer was zelfs een koppeltje rode, tegen de melkwitte benen afstekende knieën zichtbaar.
De jongeman bleef roerloos op zijn steen zitten, leunend op zijn herdersstaf, als een toonbeeld van onverstoorde mannelijkheid.
De boerendochters gingen hierdoor nog wilder tekeer, en al hun kleding leek door al de drukte zelfs te glanzen en te glinsteren in de late lentezon.
Toen na deze golf van commotie reactie van de knaap nog steeds uitbleef, liepen de meiden, inmiddels toch wel wat verbolgen, naar hem toe.
‘We blijven niet bezig, zeg. Wie van ons vind je de leukste?’ zeiden ze in koor, met herstelde trots in hun stemmen.
‘Niemand. Ik heb geen interesse, dames,’ zei de jongen kalm, met zijn voorhoofd tegen zijn staf hangend.
‘Maar je bent wel blijven zitten, toen we ons voor je aan het uitsloven waren. En dat was vast niet voor niets!’
‘Natuurlijk ben ik blijven zitten! Ik ben doodop! Ik heb net uren achter elkaar gelopen. En ik ga voor een stel aanstellerige meisjes echt niet opstaan om ergens anders een steen te gaan zoeken om wat te rusten!’
‘Ha, je zat anders wel de hele tijd verlekkerd onze kant op te kijken, hoor!’ zeiden de grieten, nu wel wat uit de hoogte, vanwege de onheuse wijze waarop ze volgens hun eigen mening behandeld werden.
Toen pas zagen de meiden de doffe ogen van de jongen.
‘Sinds ik door de zonde van het vlees blind ben geworden, zie ik alleen nog maar leegte. Ik richt enkel mijn beide oren zo optimaal als kan naar mogelijk gevaar,’ zei de knul zachtjes.
De boerendeernen verdwenen als de wiedeweerga uit het heideveld en lieten slechts een weggeblazen spinnenweb op de vlakte achter.

Het seizoenoffer

Daar waar Marieke haar ring verloren is ergens tussen de rododendrons – iedereen kent wel zo’n Marieke –, daar waar de acacia’s de zwarte dennen complementeren, waar volumeknoppen in de nacht ontluiken en spiegels nutteloos zijn omdat ze niets meer toevoegen, hier niet ver vandaan, was ooit een winter kouder nog dan ieders allereerste afwijzing. In die winter liep ene Johannes zonder jas van hier naar daar.
‘Waarom heb je geen jas aan, Johannes?’ zeiden de mensen.
‘Ik hoef geen jas aan,’ zei Johannes. ‘Als het goed is, is het zomer en zal het ook voortaan altijd alleen maar zomer blijven.’
‘Het is helemaal geen zomer. Het is midwinter! En het is zo koud als een tierelier die op de tocht staat met extra ijsklontjes!’
‘Ik dacht het toch van niet,’ zei Johannes lacherig. ‘Ik kwam vanochtend een heks tegen en die was nogal stellig in het feit dat zij de winter ging verbannen. Volgens haar zou ze zorgen dat de vrieskou nooit meer terug zou komen. En het was geen vrouw van half werk. Dat zag je zo. Ze had ook iets dwingends in haar toon. Mij overtuigde ze in ieder geval. Vandaar dat ik ook lekker zomers gekleed ben. Luchtig en fleurig. Ik dacht het wel, ja!’
‘Je bent dwaas,’ zeiden de mensen, met hun armen over elkaar, ‘maar over welke heks heb je het eigenlijk? Toch niet over de jongste van die drie weefsters die naast die bron wonen waarvan men zegt dat er zwanen geboren worden?’
‘Die ja.’
‘Maar dat is een oplichtster, een charlatanneke. Een van de ergste soort! Erger nog dan de schout en alle schepenen bij elkaar.’
‘Nou, ze toonde anders veel expertise met haar bewoordingen,’ zei Johannes, zijn buik ongegeneerd naar voren duwend, ‘en ze kon zelfs de wolk aanwijzen waarachter ze de winter aan het verbergen was! Als iemand zoiets doet en daarnaast ook nog eens zégt dat ze vakkennis heeft en zo, nou dan kan het niet anders zijn dan dat je met een professioneel iemand te maken hebt. Technische termen kan immers niet zomaar iedereen bezigen!’
‘Welja, wij kunnen ook vaktermen in de mond nemen, hoor!’ zeiden de mensen. ‘Het woord “poêleren” gebruiken we onder andere vaak. Vooral als we vlees in het eigen vocht aan het garen zijn. Maar dat betekent nog niet dat we kunnen toveren.’
‘Of het met magie te maken heeft, weet ik niet. Misschien wel meer met pure aandacht. Die heks heeft bijvoorbeeld maar mooi de boom op de markt jaren in leven gehouden door witte leem op het almaar rottende hout te smeren!’
‘Die witte leem smeerde ze daar alleen maar om te verbergen dat het hout eronder helemaal niet rot was. Heb je dat toen niet meegekregen?’
‘Oké, maar dat is maar één klein dingetje. En dat wil nog niet zeggen dat al het andere niet waar is!’
‘Weet je, Johannes, je bent gewoon weer rare dingen aan het roken. Die walm uit je mond verklaart een hoop!’
‘Nee, dat is geen rook die uit mijn mond komt. Dat is gewoon uitgeademde lucht die condenseert. Kijk, de absolute vochtigheid van warme lucht is groter dan die van koude lucht. En wat ik uitadem bevat meer waterdamp dan de relatieve vochtigheid van de buitenlucht toelaat. Dus er vormen zich allerlei kleine waterdruppeltjes en die zie je. Omdat het buiten zo godsgruwelijk koud is dus. Ik weet heus van wanten!’

De waargokster

Waar, als je heel goed en met de nodige fantasie en nonchalance kijkt, de witte kleur in het landschap puurheid en eerlijkheid symboliseert en de rode kleur hartelijkheid en wederzijdse liefde, waar de roofdieren met hun prooien samen het spel van gezondheid en geluk spelen, hier niet ver vandaan, woonde eens een zwangere vrouw die zo arm was dat ze haar man moest verkopen.
Toen het kind, een jongen, vijftien jaar oud was wilde het een souvenir van zijn vader hebben, om hem op een of andere manier toch te kunnen herinneren. Maar de moeder had door de jaren heen alles wat van haar man was geweest verkocht om geld te hebben voor de opvoeding van zoonlief.
‘Op het dak ligt volgens mij heel misschien nog een verroest zwaard van hem,’ zei de moeder, na bijzonder lang nadenken.
De knul klom het dak op, vond het zwaard, maakte het schoon en glimmend, en stak het links door zijn riem.
‘Ik ga toch maar eens de wijde wereld in nu, mam,’ zei hij lichtelijk naar zijn linkerkant gebogen, en hij voegde, zijn beenspieren gebruikende, de daad bij het woord.
Later die dag, niet lang na de lunch, kwam hij bij een zevensprong. Aan de kant van de weg zat een mystiek oud vrouwtje.
‘Welke weg zal ik nemen, mevrouw?’ vroeg de jongen, met zijn kin fier omhoog en zijn rechterarm in zijn rechterzij.
‘O, ik weet precies welke weg je gaat nemen,’ zei het vrouwtje. ‘Ik ben namelijk een waarzegster. Ik kan de toekomst voorspellen.’
‘Vertel!’
‘Nou, je gaat hier eerst rechtdoor. Dat is een eenrichtingsweg. Nooit is daar ook maar iemand van teruggekomen! Dan kom je een leeftijdgenoot tegen en jullie worden vrienden. Samen verder reizend komen jullie een derde leeftijdgenoot tegen, en jullie zweren trouw aan elkaar met veel poeha en zo. Dan komen jullie komen bij een kasteel. Daar is iets loos. Wie over de gracht kan springen mag met de prinses trouwen. Als het niet lukt, wordt je hoofd eraf gehakt. Jullie springen met z’n drieën tegelijk en het lukt! Een van jullie drieën gaat, na wat gekibbel, trouwen, een tweede blijft ook in het kasteel. Maar jij trekt verder. Bij het afscheid zeggen jullie om en om nog even de anderen te zullen helpen als die in gevaar zijn. Een tijdje later komen ze jou ook inderdaad helpen. Jij bent ondertussen getrouwd met de mooiste vrouw van het land. Daarvoor moest je eerst wat monsters en zo doden, en inmiddels word je continu belaagd door allerlei ridderfiguren. Iedereen wil immers wel een mooie vrouw hebben. Met je zwaard weet je echter al je concurrenten op afstand te houden. En ook je vrienden helpen je daarbij. Maar ik – want ik heb ook een duistere kant – kom er dan achter dat je zwaard je superkracht is, en ik gooi het in de zee. Je vrienden duiken het dan weer op en alles komt min of meer weer op z’n pootjes terecht. Maar dan beseffen jullie ineens dat jullie derde vriend nog geen vrouw heeft, en dan begint er een tergend lange en saaie zoektocht, waarin…’
‘Ja, stop maar, ho maar. Ik hoor het al. Daar heb ik allemaal geen donder zin in. Ik ga als ik het zo zie liever terug naar mijn moeder. Dan trouw ik wel met zo’n meiske uit het dorp.’
‘Kan ook,’ zei de waarzegster.
‘Maar wacht even, je hebt toch net mijn toekomst voorspeld?’
‘Nou ja, zo goed ben ik daar blijkbaar ook weer niet in.’

De vinnige vis

Daar waar als je de velden zag het doorgaans ging regenen, en als het regende je de velden doorgaans niet zag, hier niet ver vandaan, bouwden eens drie werklieden een brug over een best ondiep, maar toch betrekkelijk stil riviertje. Althans, dat probeerde ze. Het bouwwerk stortte keer op keer in, en de arbeiders begonnen het steeds lastiger te vinden om het glas halfvol te blijven zien.
Toen hun constructie het voor de drieëndertigste keer had begeven, liep er toevallig een sjamaan langs de bouwplaats, die zo wijs was dat hij door al die bagage bijna dood was.
‘Als jullie iemand aan het water offeren, zal de brug blijven staan,’ zei de oude wijze, in feite niet eens speciaal tegen de werklui.
De drie bouwers keken elkaar na het horen van deze woorden om en om met nieuw enthousiasme aan, en de twee sterksten pakten hun zwakkere collega en gooiden hem in de rivier.
Meteen verscheen er een grote vis aan de oppervlakte, die de arme drenkeling met één enkele grote hap opslokte.
‘Bedankt voor het lekkere tussendoortje,’ zei de vis. ‘En nu ik jullie toch spreek, wil ik even zeggen dat ik het zeer op prijs zou stellen als jullie die brug van jullie een meter of vijftig verderop gaan bouwen. Als jullie dat voor mij doen zal ik voor de rest van deze dag al jullie wensen in vervulling brengen. Met plezier zelfs!’
De twee mannen moesten wat zenuwachtig lachen.
‘Is prima,’ zei de kaalste na wat momenten van stilte, iets te triomfantelijk, ‘dan wens ik dat alle stenen die in het water zijn gevallen hier netjes aan de kant staan opgestapeld.’
Hij had zijn zin nog niet uitgesproken of de stenen lagen inderdaad – vijftig meter verderop, dat wel – keurig in stapels gerangschikt op de oever. De mannen waren stupéfait, en ze stonden nog versteld ook. Die vis deed blijkbaar boter bij zichzelf.
‘Nou, als het zo is,’ zei de iets meer behaarde van de twee, met grote ogen, ‘dan wens ik een mooie blauwe pet!’
En nog geen tel later droeg hij een charmante korenbloemblauwe pet op zijn hoofd; eigenlijk had hij er eentje iets meer richting turquoise in gedachten gehad, maar hij nam er in deze toestand toch tot de laatste vezel genoegen mee.
‘Een petje? Ik weet wel iets beters!’ zei de petloze met een ongeduldig zwaaiende vinger in de lucht. ‘Ik wens dat ik de burgemeester hier ben!’
En zo geschiedde. (De vis lag er namelijk in beginsel totaal niet wakker van dat hij met het veranderen van één persoon in een burgemeester de geschiedenis en het zijn van flink wat andere mensen ook redelijk rigoureus moest wijzigen.)
Toen, beste lezers, begon het overbieden. Omdat de een nu burgemeester was, wilde de ander hertog worden, en daarop wilde de een weer landvoogd worden en de ander weer wereldheerser.
‘Oké!’ schreeuwde degene die daarna aan de beurt was. ‘Als jij wereldheerser bent, wens ik de vrouw van de wereldheerser te worden. Want luisteren naar me, dat zul je!’
Op dat moment vond de vis het blijkbaar welletjes, want hij schudde zijn schubben en pakte alle wensen weer af. Het bouwterrein was teruggekeerd tot een chaos.
‘Leer eerst maar eens fatsoenlijk een brug te bouwen zonder daarbij jullie tijd te verdoen met het praten met een of andere rare goudvis,’ zei hij, terwijl hij zijn lippen perfect o-vormig hield, en hij zwom weg.

De watermolenaar

Waar je geen prachtige stranden kunt vinden, ook geen koraalriffen of bergplateaus of diepe valleien, waar vulkanen of kalksteengrotten het landschap niet bepalen, waar geen eeuwige sneeuw, nog geen vlok, een kalme rustplaats heeft, hier niet ver vandaan, stond eens een fiere en altijd minstens ruisende watermolen waarin een oude man woonde van wie werd gezegd dat er regelmatig wat bloed zat in het meel dat hij had gemalen. Ooit had de man ook nog een broer, een jongere broer, en samen deden ze toen het molenaarswerk, met vlijt en lust. Maar een trieste geschiedenis had een einde gemaakt aan dit noeste duo.
Er was een tijd dat de twee broers na hun vruchtbare arbeid dagelijks de negen pauwen gingen bespieden die elke vooravond in het veld naast hun watermolen neerstreken. De negende pauw veranderde na een prachtige dans elke schemer weer in een mooi zigeunermeisje. Vooral de oudste broer was keer op keer erg van haar onder de indruk, en op een zwoele avond besloot hij haar de benaderen. Die nacht trouwden ze met elkaar.
Maar de volgende dag kwamen de pauwen niet meer terug. En ook het zigeunermeisje was ineens nergens meer te vinden.
Rouwend en mokkend trok de oudere mulder zijn jas aan en hij ging op zoek naar zijn geliefde. Al gauw belandde hij bij het plaatselijke kasteel, waar volgens de meest recente pamfletten die circuleerden doorlopend veel te doen was. De kasteelbewoners wisten echter niets van negen pauwen. In de achtertuin zaten wel soms acht eekhoorns, vertelden ze, maar daar had de molenaar natuurlijk geen lor of sikkepit aan, en hij vervolgde zijn zoektocht elders. Een kluizenaar leidde hem, dagen later, naar een ander kasteel. Hier mocht hij rondkijken en zoeken naar de pauwen, als hij maar niet in de zevende kelder kwam. Dus dat deed hij ook niet. Maar geen vogels hier, van welke soort dan ook, en teleurgesteld trok hij verder. Een visser vertelde hem, een weekje lopen verderop, niks van pauwen te weten, maar dat hij wel die dag zes vissen gevangen had. De graanmaler keek de hengelaar na deze boodschap lang en vol misprijzen aan. Dat hij niet geholpen werd, vond hij al vervelend, maar dat hij daarbij zelfs bespot moest worden, krenkte hem op een manier die hij nog niet had gekend. En daarom besloot hij maar onverrichter zake huiswaarts te keren. Hij had om de drommel geen zin om nog vijf kevers, vier klaprozen, drie tamelijk diepe kuilen, twee banketbakkers, en een hond te moeten tellen, zonder daarbij zijn bevallige zigeunerinnetje terug te vinden.
Toen zijn vertrouwde watermolen weer in zicht was, kraakte en piepte het rad hem vrolijk tegemoet. Hij had zijn broer ook best wel gemist, besefte hij bij de voordeur, en hij rende naar binnen.
Daar schrok hij zich ongans.
Hij zag zijn vrouwlief en zijn bloedeigen broer terwijl ze lieflijk elkaars hand vasthielden en elkaar teder in de ogen keken, klaar om de ranzige actie te ondernemen van het elkaar een zoentje geven.
De oudere broer voelde zijn hart breken, pakte een mes van de muur en stak de twee overspelplegers maar liefst veertien uur lang in hun lichamen, tot ze helemaal dood waren.
Het mes was door het vele gebruik helemaal waardeloos geworden, maar toch bewaarde de spaarzame, sentimentele molenaar het zorgvuldig, als leuk en leerzaam aandenken.

De uitmunter

Waar hutten huizen werden genoemd en huizen kastelen, waar de luchtdruk sinds mensenheugenis schommelt rond de zevenhonderdzestig millimeter kwikkolom en waar de zwaartekracht al die tijd al gemiddeld negen komma eenentachtig meter per vierkante seconde is, waar het nu nog steeds wemelt van de atomen, hier niet ver vandaan, leefde eens een held die het voorvoegsel ‘super’ toebedeeld had gekregen van de destijds in de regio wonende mensenpopulatie.
Dat was allemaal niet zonder slag of stoot gegaan. Nee, er ging een heel verhaal aan vooraf. Ooit was onze held geboren als boerenzoon, maar toen zijn vader van een drietal waarzegsters had gehoord dat zijn zoon hem later zou gaan vervangen, liet hij hem voorzichtig, met een tedere slag en een bijna onmerkbare stoot, midden in een diep bos achter om zich van hem te ontdoen.
Volgens de legende, en ook volgens Sjakie de dorpsgek, werd onze boerenzoon in het bos gevonden door een groep wilde koeien, die zijn opvoeding op zich namen. Omdat hij zonder uitzondering drie maal daags de melk van een van de koeien dronk, verwierf hij uitzonderlijke krachten, krachten die hem later als vrijheidsstrijder en allround klusjesman goed van pas kwamen. Hij groeide op tot een flinke, sterke man met een zwarte snor zo groot als een lammetje van zes maanden oud. Hij droeg een kap van wolfshuid en een mantel van ruwharige rattenvacht.
‘Het wordt tijd dat je terugkeert naar je eigen soort,’ zeiden de koeien toen de held oud genoeg was om borsthaar en kapsones te hebben. ‘Hier heb je een paard als vervoermiddel. Het bijzondere aan dit paard is dat het geen poten maar benen heeft. Dat past dus erg goed bij een excentriek iemand als jij.’
En de held vertrok en reed van A naar B, helemaal via C en D, en onderweg kwam hij langs allerlei heuvels, valleien, kliffen, grotten, rivieren, vennen en bosjes, waar hij iets gedenkwaardigs deed. Hij redde de aarde van bevingen en vulkanen van uitbarstingen, zonder ook maar enige vorm van zelfverheerlijking. En geen taak vond hij te min: hij behoedde bijvoorbeeld een jongeling voor het min of meer per ongeluk in brand steken van het hele dorp, en een andere jongeling, die niet kon zwemmen, maakte hij duidelijk dat hij beter niet in de rivier kon springen.
Onze beschermer maakte de samenleving mooier en beter en leefbaarder en rechtvaardiger. Hij opende de wereld voor de dimensie van het mysterie, dat ten grondslag ligt aan alle vormen. Met zijn daden gaf hij de kosmologische functie terug aan het leven. Door hem beseften de mensen dat ze een vals bewustzijn hadden dat onderdeel was van hoe ze hun verleden herinnerden, en ze waren hem daar dankbaar voor.
Op een dag waren er weer problemen in een dorp op ongeveer een halve week ouderwetse reisafstand van hier. Een boodschapper die de betreffende ramp maar ternauwernood overleefd had kwam half dood op een zelfs driekwart dode ezel onze redder in nood om hulp vragen.
‘Nee, het regent,’ was het antwoord, besluitvaardig en zelfverzekerd. ‘En ik ga mijn prachtige hoedje van wolfshuid niet nat laten worden!’
En terwijl onze held zich weer in zijn kussens liet zakken en door zijn wimpers de inkepingen in de bergen verderop probeerde te tellen, huilde de boodschapper de ezel in slaap, die uiteindelijke, welverdiende slaap, tot minstens morgen.

De toevalpartij

Waar het groen genade toont aan de onvruchtbare grond, waar het gevoel van schaduwrijke bossen toch dringend door de lucht zweeft, waar de mais het uitzicht dicteert en de muizen altijd dansen zonder tafels, hier niet ver vandaan, reden eens drie broers, zoons van een marskramer, op een kar met paard over misschien wel het zanderigste pad uit de regio.
De jongens waren door hun vader de wereld ingestuurd om elders, in een ander territorium, hun geluk te beproeven betreffende hun opgedane handelstechnieken. Maar de oudste twee broers hadden al lang gezien dat de kansen niet gelijk waren, omdat hun jongste broer de mooiste en de slimste van hen was. En daarom besloten ze de concurrentie uit de weg te ruimen en hun broertje de keel door te snijden. Maar net toen ze, bij de theepauze, hun slachtoffer van achteren wilden belagen, struikelden ze respectievelijk over een eekhoorn en een plag mos, waardoor ze enkel wat houterig tegen hun broer tuimelden, die dientengevolge viel, van de heuvel afrolde en in de rivier beneden terechtkwam.
De twee schavuiten zochten nog even naar een teken van leven, maar meenden al snel dat hun klus geklaard was, en ze trokken min of meer voldaan verder.
Een paar kilometer verder kwam de jongste broer, hangend en drijvend op een grote tak, weer bij bewustzijn in de rivier. Hij klom op de kant en doolde nog wat verdwaasd een paar dagen doelloos rond, tot hij het zanderige pad meende te herkennen, en hij volgde de weg richting horizon. Niet lang daarna werd de weg versperd door een grote, zwarte gedaante, een heksachtig wezen dat angstaanjagend met haar cape stond te zwaaien. Maar precies toen de duistere feeks haar lelijkste vinger opstak met de duidelijke bedoeling om iets te gaan krijsen, viel er een boom op haar.
De jongeman zag, toen hij zuchtend over de boom heen stapte, tot zijn geluk in de verte een kasteel. Hier kon hij wellicht om hulp vragen.
Wat hij niet wist was dat zijn broers ook in het kasteel waren en bij de hertog die er woonde in de gunst waren gekomen.
Bij het arriveren van de jongste broer schrokken de twee oudste broers op van hun avondmaal, en ze vertelden de hertog, die ook aan tafel zat, dat ze de vreemdeling kenden en dat deze de hertogsdochter wilde ontvoeren.
De kasteelheer beval zijn bewakers hierop meteen dat ze de jongen moesten grijpen, maar omdat ze eigenlijk nooit in actie kwamen deden ze dat zo onhandig dat ze per ongelijk elkaar verwondden met hun lansen.
Het jongste nestgenoot kreeg zo de kans om zijn zegje te doen.
‘Ik wil helemaal niemand ontvoeren,’ zei hij. ‘Ik kan duizend vrouwen krijgen, dus wat moet ik met die dochter van u doen?’
De hertog knikte instemmend.
‘Ik kom hier om mijn diensten aan te bieden. Als financieel adviseur kan ik u heel rijk maken!’
‘Ja, maar ik heb die post al aan deze twee heren beloofd,’ zei de hertog.
Toen verslikte de oudste broer zich ineens in een kippenbotje. Hij stond op, strompelde door het vertrek, en viel door zijn onhandige bewegingen uit het raam.
De andere broer volgde hem van tafel.
‘Die is dood,’ zei hij, uit het raam naar beneden kijkend, terwijl de hond van de hertog tegen hem op sprong om de kippenbout die hij vast had af te pakken.
De hond slaagde in zijn actie, maar de broer viel daardoor ook door het raam te pletter.
‘Het lijkt erop dat ik toch een nieuwe financiële adviseur kan gebruiken,’ zei de hertog kalm.
‘En ik zal u meteen geld besparen,’ zei de jonge adviseur wijs. ‘Als u mij driekwart betaalt van wat u hen beiden betaalde, ben ik al meer dan half tevreden.’

Over geiten en wolven

Achter de rij met behaagzieke struiken, waar het landschap bij vlagen teer en naakt lijkt, hier niet ver vandaan, waar de lucht altijd gepolijst de boomtoppen raakt, en waar de dieren ooit konden praten, vertelden moeders vroeger het volgende verhaal aan hun kinderen om hen een les te leren: op een sussende lentedag wilde een geitenmoeder boodschappen gaan doen, maar ze ging niet weg voor ze haar drie geitenkinderen goede instructies had gegeven.
‘Luister, jullie zijn straks alleen met z’n drietjes thuis,’ zei ze, streng maar moederlijk. ‘Dat betekent dat jullie rustig binnen moeten blijven en ook voor niemand de deur open mogen doen. Hebben jullie dat begrepen?’
De drie kleine geitjes mekkerden een beetje, maar gaven toen toch maar luid en duidelijk een bevestigend antwoord. Moeder geit was gerustgesteld, zoals moeders dat altijd zijn als hun kinderen aangeven een belangrijk gebod begrepen te hebben, en ze ging tamelijk onbezorgd op weg naar de kruidenier.
Nog geen vijf minuten later werd er op de deur van het geitenhuisje geklopt. De geitenkindekes raakten enigszins in paniek.
‘Wie is daar?’ riep de oudste tegen de amper tochtwerende deur.
‘O, wees maar niet bang,’ klonk het antwoord. ‘Ik ben de nieuwe buurman. Ik kom even kennismaken.’
‘Ja, maar we kennen u helemaal niet,’ zei het middelste geitje, dat nu ook bij de deur was komen staan.
‘Maar daarom kom ik ook even kennismaken,’ zei de nog anonieme deurklopper. ‘En misschien kunnen we samen verstoppertje of tikkertje spelen.’
Wat de geitjes niet wisten, was dat de nieuwe buurman een wolf was. Wat de geitjes ook niet wisten, was dat de nieuwe buurman een heel erg vriendelijke en goedaardige wolf was. Hij had nog nooit in zijn leven ook maar een vlieg kwaad gedaan en hij had absoluut niet de intentie om in zijn verdere leven een ander wezen of ding te schaden. Maar de geitjes hoefden dat uiteraard allemaal niet te weten. Moeder had hen opgedragen de deur voor niemand open te maken, en dat betekende dat er geen ruimte was voor uitzonderingen in deze kwestie.
Maar ondertussen was het jongste geitje bijzonder nieuwsgierig geworden, en zonder dat de andere twee er nog iets aan konden verhinderen gooide het met een begerige zwaai de voordeur open.
Daar stonden de drie geitjes oog in oog met de wolf. Het jongste geitje kon zich van angst niet verroeren, maar de oudste twee draaiden zich om en renden zo snel ze konden weg. Omdat ze hun sokken aanhadden gleden ze echter uit op de gladde tegelvloer en ze braken allebei hun nek.
‘Eh, ik zie dat dit misschien niet de gelegenheid is om even te socializen,’ zei de vriendelijke, goedaardige wolf toen hij de geitjes dood op de grond zag liggen, en hij verontschuldigde zich en vertrok.
Niet veel later kwam moedergeit thuis. Ze zag haar twee oudste kinderen levenloos op de grond liggen en tegen haar jongste telg, die beteuterd naar het tweetal stond te kijken, zei ze: ‘Ik heb het waarschijnlijk al honderd keer verteld. Nooit met sokken rennen op de gladde tegelvloer! Laat deze les nu definitief goed tot je doordringen. Laat ik dat deze keer eens niet voor niets gezegd hebben!’
En met dit verhaal waarschuwden moeders vroeger dus hun kroost voor het gevaar van uitglijden, hier niet ver vandaan.

De torenbouwer

Daar waar de bossen sterker en dikker zijn dan de bossen eromheen, waar de bodembegroeiing nergens een uitnodigende toegang lijkt te bieden, hier niet ver vandaan, waar alle schuilplaatsen een zacht en overweldigend netwerk vormen, liet ooit een edelman een toren bouwen, puur om met de esthetische en bombastische waarde ervan zijn vrienden de loef af te steken.
De eerste maanden, bijna het hele eerste jaar zelfs, wilde het helemaal niet vlotten met de constructie, en de bouwmeester die was aangesteld om het geheel tot een goed einde te breien werd hier ook flink chagrijnig door. Elke keer als de eerste laag op de fundering de hoogte van tien meter had bereikt, stortte deze weer helemaal in. En dat was niet de bedoeling. Zo had hij het nooit geleerd op school. Bovendien kreeg hij niet per uur betaald, dus rekken van het karwei was niet in zijn voordeel. De bouwstagnatie lag hem daarom als een steen op de maag. Maar die steen viel van zijn hart toen hij in een zweterige nacht in een profetische droom opgedragen kreeg dat hij de eerste de beste persoon die hij de volgende dag op zijn werkplek tegen zou komen in de muur moest inmetselen; de toren zou daarmee blijven staan, en zijn probleem was daarmee dus opgelost.
De volgende ochtend ging de bouwmeester, nog wat troebel van de droom van die nacht, op pad naar zijn werk. In zijn warhoofdigheid vergat hij zijn lunchpakket, maar zijn vrouw merkte dat op en rende achter hem aan om hem zijn twee boterhammen met hagelslag en drie boterhammen met komijnekaas te overhandigen. Pas op de werkplek kon ze hem inhalen, en zij was daardoor de eerste die de bouwmeester daar zag. Bijgelovig als hij was liet de bouwmeester zijn eigen vrouw in de torenbasis inmetselen.
De toren bleef staan. En nog geen jaar later was het hele bouwwerk grofweg af.
Dat was geen dag te vroeg, want de opdrachtgever vond het onderhand ook welletjes. Toen hij naar de toren kwam kijken in die week, vond hij ook dat die wel af was. De bouwmeester gaf niettemin aan dat er helemaal boven op de toren nog een kleinigheid aan afwerking gedaan moest worden. Lang zou het niet meer duren, had hij gezegd, voor hij via ladders en steigers het bouwwerk beklom voor de laatste werkzaamheden.
De edelman was echter nogal ongeduldig. Door de langzame start van het project had hij nu al erg lang moeten wachten. Wat er boven op de toren zat, kon hij toch niet zien, dus hij vond het geheel eigenlijk al goed genoeg.
Toen hoorde hij een stem vanuit de muur: ‘Haal die ladders en die steigers toch weg. Het is immers uw toren. Als het bouwsel volgens u klaar is, dan is het klaar. Dat is klaar!’
En de opdrachtgever beval de steigers en ladders weg te halen. Dat de bouwmeester nog boven op het monument bezig was en niet meer naar beneden zou kunnen, interesseerde hem niet of was hij inmiddels vergeten.
De bouwmeester rotte weg op de toren, maar de aristocraat maakte flink de blits met zijn pilaar bij zijn vrienden.
De arme kinderen van de bouwmeester hadden eerst hun moeder verloren, en nu waren ze ook hun vader kwijt.
‘Ach ja, dat kan de beste overkomen,’ zei het jongetje.
‘We zijn echt niet de eerste wezen op aarde, en zeker niet de laatste. Dus laten we niet te lang treuren en er het beste van maken!’ zei het meisje.
Drie weken later ging hun hond dood. De kinderen waren niet meer te troosten.