Manneke Janneke

In de tijd dat hertogen doorgaans Jan heetten, heetten veel mensen Jan, waaronder de Jan van dit verhaal, wiens wieg lag waar de jeneverbesstruwelen al eeuwen welig tieren, hier niet ver vandaan, en waar het kalkrijke rivierwater al even lang de hooilanden bevloeit. Alleen werd onze Jan geen Jan genoemd, maar Janneke, omdat hij zo klein was. Kleiner dan een voet was hij, en dan bedoelde men een Bossche of een Antwerpse voet, niet een van zijn eigen voeten, want van surrealisme was men toen nog niet gediend. Nee, Janneke was slechts iets van een turf hoog. Een gangbare kerktoren had dus ongeveer tweehonderd keer de hoogte van Janneke. En dan hebben we het dus over een aantal Jannekes op elkaar, niet over Jannekes naast elkaar, want daarmee meet je de breedte, en die is bij een toren doorgaans gelijk aan de lengte. Maar voordat het te verwarrend wordt, gaan we door met het verhaal.
Jannekes ouders vonden het niet erg dat hij zo klein was. Ze waren juist zo blij als een kind dat de kermis hoort met hem. Als ze bijvoorbeeld in een echt huis hadden gewoond en ze hadden zich per ongeluk buitengesloten, dan hadden ze Janneke door het wc-raampje kunnen laten kruipen om van binnen de deur open te doen. Of als ze zwaar en haast onverplaatsbaar meubilair hadden gehad en er was een cent of zo onder de kast gerold, dan had Janneke dat eenvoudig weer even kunnen pakken. Het had dus tal van voordelen zo’n miniatuurzoon.
Qua kleding was Janneke geen kostenpost. Elke ochtend zette zijn moeder met liefde, eikenbladeren, spinnenwebben, appelschillen en muizenvellen een nieuw tenuetje voor hem in elkaar. En Janneke was gelukkig absoluut niet modebewust. Wel was hij erg kieskeurig wat voedsel betreft. Als ze erwten aten moest zijn moeder bijvoorbeeld altijd een stuk of vijf erwten iets eerder uit de pan halen, omdat Janneke nogal van een bite hield.
Verder was Janneke een normale jongen. Hij maakte graag huiswerk, maar wilde daarnaast ook niets liever dan zijn ouders helpen met hun dagelijkse werkzaamheden.
‘Ik hou heel veel van jullie,’ zei Janneke vaak tegen zijn ouders.
‘Wij houden relatief gezien nog meer van jou,’ was dan altijd het antwoord in koor.
Op een dag begeleidde Janneke zijn moeder naar het veld om de koeien te melken. De zon scheen fel, dus hij besloot onder een distel te gaan schuilen, en het duurde niet lang voor hij daar in slaap viel. Toen hij wakker werd zat hij in een koeienmaag. De bezitter van de maag had hem tijdens het grazen opgeslokt. Van binnenuit kon Janneke niet goed zien of hij nou in de boekmaag of in de lebmaag zat, maar hij begreep dat er eigenlijk niets anders opzat dan te wachten tot de natuur hem weer aan het zonlicht bloot zou stellen.
Na een dag of twee viel Janneke inderdaad in het weidegras, omringd door de te verwachten koeienvlaai. Zo goed als het kon veegde hij de drek van zijn lijf en hij trok met opgeheven hoofd naar zijn ouderlijk huis. Hij had immers wel ergere dingen meegemaakt.
Thuis bleken zijn ouders hem nog niet gemist te hebben. Ze waren hem wel vaker kwijt. Bovendien was hun bestaan zo ingericht dat ze zich niet om alle kleine dingen druk konden maken. Toch waren ze blij dat hij er weer was, want een van vaders tanden was in de wc gevallen.
En Janneke waste zich twee keer die maand!

Het tsarenbezoek

Er was een tijd waarin het hip was voor koningen, keizers, sultans en wat dies meer zij om op werkbezoek te gaan in andere landen, en precies in die tijd bracht een tsaar, waarschijnlijk uit Rusland, een excursie naar onze streek, en zo kwam hij ook in een gemeenschap op de grens van zand en klei, hier niet ver vandaan, waar de populieren op dat moment op hun fierst waren.
Hij luisterde hier onder andere naar een lang en veel te theoretisch verhaal van een onder zenuwtrekjes bedolven magistraat, waarin hem alles haarfijn werd uitgelegd over het belastingsysteem van het gebied.
‘Ik noem het graag het Robin-Sok-systeem,’ zei de betreffende magistraat, terwijl hij tergend langzaam zijn handen waste. ‘We verdelen het tolgeld hier voornamelijk onder de rijken. En dat stelt hen dan in staat om kansen te creëren voor de minder bedeelden. De gelden sijpelen daarmee als het ware als vanzelf naar beneden. Eerlijker dan via de welgestelden gaat dat eigenlijk niet.’
Onder de indruk van het economische stelsel dat wel een vrucht van altruïsme en empathie moest zijn, en omdat hij afgeleid was door de machtige zomereiken die zijn ogen streelden, raakte de tsaar later die dag de weg kwijt. Het deerde hem niet. Te veel was hij bezig al lopende zijn aantekeningen van die dag door te nemen. Maar toen het begon te regenen, ontdekte hij dat het land niet overdekt was. Hij stopte zijn schrift weg en zocht aan de horizon naar een schuilplaats.
De regen kreeg een serieus karakter en binnen iets meer dan een mum van tijd hadden alle kledingstukken van de tsaar – zelfs zijn ondersokken – het maximum bereikt aan wat ze aan vocht op konden nemen. Toch vond hij het nog de volledige moeite waard om onderdak te zoeken. Ergens tussen alle waterstralen door zag hij even later een zacht schijnsel, en om uit te vissen of daar misschien een plek was waar hij droog kon zitten, liep hij, armen en kin vooruit, die kant op.
Het licht kwam inderdaad van een klein huisje, meer een hutje, waar een moeder en haar twee mooie, jonge dochters bleken te wonen. De vrouwen nodigden de doorweekte vreemdeling uit om comfortabel aan de centrale tafel te komen zitten.
‘Rust maar even lekker uit,’ zei een van de dochters. ‘Hier heb ik gekookte zoete wijn en een geroosterde appel voor u.’
En terwijl de tsaar een hap en een slok nam, viel de moeder onsmakelijk snurkend in slaap, en kwam de andere dochter met een grote doek aanlopen. Sensueel maar grondig knepen de twee juffers het water uit het druipende haar van de tsaar. Ook droogden ze, al even behaaglijk, zijn gezicht en nek. De wangen van de tsaar waren opnieuw rooskleurig. Maar de dochters hielden ineens resoluut op met hun verzorgende handeling en ze borgen de doek op in de kast naast het tuingereedschap.
‘En de rest van mijn lichaam dan?’ vroeg de tsaar verbaasd en ietwat gegriefd.
‘O, maar dat ontwatert vanzelf. De initiële accumulatie van droogte wordt immers van boven naar beneden doorgegeven. Zo leren wij dat hier van onze magistraat,’ zeiden de meiden in koor.
De tsaar legde zijn schriftje bij het oud papier en ging braafjes naast de moeder zitten om met dezelfde frequentie, maar een terts lager, mee te kunnen snurken.

De klompenmannen

Ergens halverwege de jaren stillekes reisde een koopman door deze streek, waarbij hij een nachtelijke tussenstop maakte in herberg Het Mottige Hert, net voorbij de hei met de halve heuvels, hier niet ver vandaan. De koopman was de enige gast die avond, en toen de waard van de herberg hem vroeg even op de zaak te passen, kwam zijn wantrouwen jegens mensen buiten de stad hem daarbij allerminst van pas.
‘Van de vierendertig pasteitjes die ik gisteren gegeten heb, was er waarschijnlijk een bedorven,’ zei de herbergier. ‘Neem het me dus niet kwalijk dat ik even langdurig de kakdoos ga inspecteren. Mocht er in mijn afwezigheid iemand aankloppen, vraag dan eerst wie het is, voor je de deur ontgrendelt.’
En weg was de waard. De koopman bleef verward achter. Hoe moest hij weten wanneer hij de deur absoluut niet open zou moeten doen? Men wist immers nooit wat er in deze achtergestelde gebieden voor rouwdouwers rondliepen. Hij besloot bij het vuur te gaan zitten, met duidelijk zicht op de deur, waar de wind dreigend tegenaan bonkte.
Niet lang daarna werd er geklopt. Voorzichtig schuifelde de koopman naar de deur.
‘Wie is daar?’ vroeg hij, nadat hij zijn keel geschraapt had.
Korte tijd was het stil.
‘Ik ben een man met drie klompen,’ klonk het toen.
De koopman vond het een raadselachtig antwoord, maar hij gaf de vreemdeling het voordeel van de twijfel en opende de deur. Een man met een klomp in zijn hand en twee klompen aan zijn voeten liep met gebogen hoofd binnen en ging zwijgend bij het vuur zitten. Hij zag er tamelijk onschuldig uit. Wat hij met die extra klomp moest, was de koopman een mysterie, maar dorpelingen hielden er volgens hem wel vaker curieuze gebruiken op na. De koopman ging evenwel in een hoek van het lokaal zitten om zowel de klompenman als de deur optimaal in de gaten te kunnen houden. Enige tijd later werd er opnieuw geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg de koopman, met een kleine kraak in zijn stem.
‘Ik ben een man met twee klompen,’ klonk het, na enig aarzelen.
Een klomp minder kon nog minder kwaad, dacht de koopman, en hij opende de deur. Een man met inderdaad twee klompen, aan zijn voeten, sjokte binnen en ging zwijgend naast de man met drie klompen zitten. De koopman nam zijn plek in de hoek weer in. Met plattelanders kon je niet voorzichtig genoeg zijn, vond hij, het zijn brute wezens die zelfs zichzelf niet kunnen vertrouwen. Na een lange stilte werd er wederom op de deur geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg de koopman, inmiddels redelijk nerveus.
‘Een man met maar één klomp,’ was het antwoord.
Voorzichtig, maar toch enigszins nieuwsgierig opende de koopman de deur. Tegelijkertijd stonden de twee mannen bij het vuur op en liepen naar de koopman toe.
‘Ah, daar ben je eindelijk, Jan,’ zei de man met de twee klompen. ‘Piet hier heeft je klomp gevonden. Kom, we gaan naar huis. We zijn allemaal moe en het is al laat.’
En toen de klompenmannen net waren vertrokken, kwam de herbergier weer van achteren binnen.
‘Ik was nog vergeten je te vertellen over de klompenbende,’ zei hij. ‘Maar ik wilde je niet verontrusten. En zo te zien is er niks gebeurd.’

De bakkerszoons kat

Daar waar de zon de kleurrijkste vreugde over de aarde strijkt, hier niet ver vandaan, leefde eens een uitzinnig krenterige bakker. Niet dat hij zuinige broodjes bakte, nee, zijn klandizie had niets te klagen over alle luxueuze lekkernijen die hij altijd te bieden had. Maar voor zichzelf en zijn gezin was de bakker uiterst vrekkig. Hij gaf nog geen kwart van een tinnen munt uit om hun inmiddels vervallen huisje enigszins op te kalefateren, en ook voor nieuwe kleding vond hij elke cent er een te veel. Om geld te besparen at de bakker zelfs amper. Als er al voedsel in huis kwam dan was het het oude brood van de bakkerij. Dat werd dan eerst even natgemaakt, want de bakker wilde niet dat zijn naasten droog brood aten.
De slechte hygiëne en het povere dieet gingen de meelverwerker op den duur parten spelen, en op een voor hem en zijn familie niet zo’n goede dag ging hij dood.
De bakkerszoon plande altijd alles goed in zijn leven, en daarmee was hij zijn tijd ver vooruit, maar het sterven van zijn vader zat gek genoeg niet in zijn planning die week. Sterker nog: het verscheiden van zijn oude heer veranderde heel wat in zijn toekomstige activiteiten, want de bakker had door zijn zuinige, gierige aard een redelijk fortuin achtergelaten. Na drie dagen tellen kwamen de bakkerszoon en zijn moeder tot de ontdekking dat ze genoeg geld hadden om de rest van hun leven rustig luierend uit te zingen.
Die nacht kreeg de bakkerszoon – nadat hij zijn honger gestild had met wat paddenstoelen uit het bos – een rare droom. In die droom werd hem verteld dat hij het kapitaal van zijn vader aan de armen moet geven, omdat anders zijn moeder ook snel dood zou gaan. Wat hij, na het weggeven, op zijn pad zou vinden, zou hij dan mogen houden.
Met pittige twijfel en minstens het dubbele aan wantrouwen werd hij de volgende ochtend wakker, maar toch besloot hij zijn visioen te volgen en elke penning aan de Kerk te doneren, want hij hield toch wel erg veel van zijn moedertje.
Op de terugweg naar huis kwam hij een kat tegen. Om zijn droom niet tekort te doen, nam hij deze kat onder zijn arm. Thuis wilde hij toch nog enigszins trots de kat aan zijn moeder laten zien, maar deze was helaas tijdens zijn afwezigheid over een stuk brood uitgegleden en gestorven.
Gedesillusioneerd trok de bakkerszoon hierop de wereld in, en de kat trippelde achter hem aan.
Al zwervend ondersteunde hij zichzelf met allerlei baantjes, niet altijd even plezant, maar na een paar maanden kreeg hij de kans om in de keuken van de hertog te komen werken als koksknecht. De kat was nog altijd aan zijn zijde. En terwijl de bakkerszoon in zijn hoedanigheid als koksknecht aan het sjouwen, schillen, kneden en schrobben was, ving de kat alle ratten in het kasteel.
Het ratloze slot viel de hertog op een gegeven moment op, en toen hij erachter kwam dat de kat verantwoordelijk was voor die prettige orde, liet hij de bakkerszoon alias koksknecht bij zich komen.
‘Ik wil graag je kat kopen,’ zei de hertog, daarbij zelfverzekerd wijzend op zijn trouwrijpe dochters en op een grote zak geld. ‘Noem je prijs.’
De bakkerszoon keek rond en dacht lang en diep na, of gaf in ieder geval die indruk.
‘Nou, als je het zo stelt,’ zei hij triomfantelijk. ‘Dan wil ik mijn kat wel ruilen tegen die hond daar.’
In de hoek lag een stinkende, schele, van het vele ademhalen vermoeide hond, en onze bakkerszoon had altijd al een hond willen hebben, dus hij kon zijn geluk niet op.

De afweerwolf

De dauw glinsterde haast hoorbaar op de weiden en in de bomen, en de eerste zonnestraal drong zoetsappig door de struiken, toen de rossige dochter van boer Van den Hoed stopte in het veld aan de voet van het ’s nachts erg donkere beukenbos, hier niet ver vandaan, om een stuk of achttien bloemen te plukken. Ze was op weg naar haar oma, die wat bedlegerig was, en ze had een mand met lekkernijen voor haar bij zich. Opeens hoorde ze iemand hard niesen.
‘Gezondheid!’ zei Rosa, want zo heette het meisje, om zich heen kijkend.
‘O, dankjewel,’ zei een tevoorschijn komende wolf. ‘Die pollen, weet je.’
‘Dit zijn toch niet uw bloemen, hoop ik.’
‘Welnee, zoals ik net al enigszins aangaf, ben ik allergisch voor die ondingen. Ik moet ook niet dat sap op mijn huid krijgen, want dan heb ik ineens allemaal blaasjes.’
‘Wat vervelend voor u. Kan ik u misschien een slok wijn aanbieden om uw keel even te smeren?’
‘Wijn? Nee, bedankt, maar nee. Geen alcohol voor mij. Eén glas, en dan kun je mij naar huis dragen. Tenminste, als je honderd kilo kan tillen.’
Terwijl de twee zo aan het keuvelen waren, kroop er een keur aan vrolijke insecten uit hun holletjes en andere schuilplaatsen om samen de ringdans te dansen, maar verder hielden ze zich heel rustig en afzijdig, omdat ze met het verhaal feitelijk niets te maken hadden.
‘Ik ga mijn oma bezoeken,’ zei Rosa. ‘Ze is heel erg sjiek.’
‘Bedankt voor de ongevraagde informatie,’ zei de wolf. ‘Omdat ik toevallig in mijn manische periode zit, heb ik heel veel aan dat soort kennisgeving.’
‘Ik heb ongelooflijk lekkere koekjes voor haar gemaakt! Wilt u er eentje proeven?’
‘Nee, nee, koekjes zijn aan mij niet besteed. Daar zit vast veel boter in, en ik kan zuivel niet goed verwerken.’
‘U heeft geluk. Ze zijn met zonnebloemolie gemaakt. Hier, pak er maar een,’ zei Rosa, terwijl ze een van de baksels in een onhandige beweging tegen de lippen van de wolf aanduwde.
‘Om eerlijk te zijn ben ik aan het lijnen. Er moet nog minstens vijfduizend gram af. De meeste nachtjaponnen kan ik al niet meer aan.’
‘Waarom loopt u dan niet met me mee naar mijn oma? Dat is een tocht van dik vijftien kilometer, en die lichaamsbeweging kunt u blijkbaar goed gebruiken.’
‘Ik weet het niet. Volgens mij gaat dat veel tijd kosten. En ik moet vanavond op tijd terug zijn, want ik zou op een paar geitjes passen.’
‘Ach, het is nog vroeg. Als we kordaat doorstappen, zijn we er over een uur of twee. En we gaan er blijmoedig bij zingen, want dan lijkt het zelfs niet meer dan een kwart van die tijd.’
‘Maar mijn enkel…’ zei de wolf, met zijn rechterachterpoot hinkend en over de knie van zijn linkerachterpoot wrijvend.
‘Kom op. Wees een wolf!’ zei Rosa streng.
Maar de wolf was er al vandoor. Mensen die hij niet kende, daar moest hij niks van weten. Zeker niet als ze overdreven amicaal deden. Zo snel hij kon, rende hij weg van die Rosa, en alleen de wind die zijn haastige afscheidsgroet droeg, hield nog een spoortje van hem vast, althans volgens de rossige boerendochter.

Het plan van de smid

Smid Smit stond in de wijde omtrek bekend om zijn ijzeren wil, en precies in het midden daarvan, hier niet ver vandaan, stond zijn smederij, waar hij onder andere niet van echt te onderscheiden authentieke koperen ketels maakte.
Het leven van de smid was goed, tot hij op een dag een akkefietje kreeg met de rijke grootgrondbezitter om de hoek, en eigenlijk was het zelfs een akkefiet. Sommigen zeggen dat het te maken had met het wassen van een varken, en anderen zeggen dat het van doen had met het schillen van een appel, maar hoe dan ook was het een heet ijzer om aan te tasten.
De grootgrondbezitter was een moderne man. Hij geloofde niet in het afhandelen van een geschil met een duel of een iets minder aan voorschriften gebonden blotevuistgevecht. Hij wilde de boel regelen via het gerecht. De smid raapte deze handschoen met rechte rug op, en hij nam zelfs een raadsman in de overmatig gespierde arm.
‘Let op tegen wie je de strijd aangaat en laat gaan, Smit,’ zeiden zijn vrienden.
‘Pas op met wie je vecht en pas je aan, smid,’ zeiden zijn klanten.
Maar de smid was buigzaam als een ijzeren hek. Hij moest en zou zijn gelijk krijgen. Dat men genoemd wordt wat men is, daar is namelijk niet iedereen zomaar van gediend, en de smid hoorde in dezen bij de groep van iedereen.
‘Ik zal meneer de landjesmelker eens een knap staaltje laten zien!’ zei hij, terwijl de grashalm in zijn mond op en neer bewoog.
En toen gebeurde er iets wat hij tot wel drie keer toe tussen neus en lippen door en niet eens zo best articulerend aan de Heilige Maria had gevraagd, maar wat hij ondanks dat toch niet helemaal had verwacht: de rechter gaf hem volop gelijk. Voor de smid was de vreugde echter maar tijdelijk, want zijn winst had er voornamelijk toe geleid dat de tegenpartij in haar eer gekrenkt was. En zo stonden ze, om een totaal ander wissewasje – of in feite was het meer een wissewas – enige tijd later opnieuw voor de rechter. Wederom won de smid. En wederom was de opponent tot op het bot in zijn trots beledigd. Weldra zou een nieuwe bonje (of, om preciezer te zijn, een nieuwe bon) zich aankondigen.
Onderhand was de geldbuidel van de smid aardig leeggeraakt. Raadsmannen doen namelijk niets voor niets. Sterker nog, meestal doen ze niets voor iets, maar dit terzijde. Gelukkigerwijs had de smid alle middelen in huis om edelmetaal te verontreinigen met waardelozer materiaal. Zijn advocaat betaalde hij daarom voortaan met lood om oud ijzer en daar weer een flinterdun laagje zilver omheen. Wie niet rijk is moet smid zijn, immers. Maar liefst drie processen won hij zo van zijn trouwe tegenstander, die er overigens niet bepaald vrolijker op werd.
Gedaan was het bij lange na nog niet, want toen op een gegeven moment de smid geen geld meer had voor rechtsbijstand, en ook geen niet van echt te onderscheiden authentieke koperen ketels meer om de rechter gunstig mee te stemmen, keerde de zaak als een vastbesloten deserteur om.
Ineens verscheen er een glans aan de horizon en de roep van twee ezels steeg op van de velden. De wrokkige landeigenaar strekte zich uit, liet zijn mooie tanden zien, en stortte de smid in een faillissement dat eindigde aan een touw om een dikke wilgentak.

De geurige deerne

Toen de vrijgezelle boerin Marietje op haar met bramen omgeven akker, hier niet ver vandaan, tijdens het schoffelen een gouden dukaat vond, kwam er toevallig een marskramer voorbij, en de parfum uit zowel Parijs als Keulen die hij bij zich had, kostte toevallig die dag precies één gouden dukaat, dus die kocht ze. De koopman had gezegd dat ze onweerstaanbaar zou worden met het luchtje, en Marietje had het goed verstaan.
Sinds de dood van haar ouders, ruim een jaar geleden, kon de boerin eigenlijk wel wat hulp en aanspraak gebruiken op de boerderij. Als ze zou trouwen, zou er daarom sprake zijn van twee vliegen met één klap. Aandacht van mannen had Marietje echter nooit gehad; met haar nieuwe odeur veranderde dat à la minute. Als ze uitnodigend voor haar hoeve plaatsnam, nadat ze wat van het reukwater op haar en hals gesprenkeld had, kwamen er aan de lopende band gegadigden langslopen. Alsof ze het roken!
Marietje had dientengevolge volop keuze, en ze werd daarom tamelijk selectief.
‘Wat kun je allemaal voor me doen?’ vroeg ze bijvoorbeeld aan de boswachter, toen hij haar in zijn lente-uniform en met zijn zondagse snor ten huwelijk vroeg.
‘Ik weet alles van bossen,’ zei hij. ‘Alles over de bomen die er groeien en de dieren die er wonen. En ik heb veel geduld.’
‘Daar heb ik niks aan,’ repliceerde Marietje bits.
Dus de boswachter liep weer verder. Hetzelfde gebeurde met de veldwachter, en met de brugwachter, en met een hele rits mannen die op hun beurt aan het wachten waren.
Maar op vier kwart van de dag kwam er een rondtrekkende muzikant aanzetten. Ook hij rook Marietje en vroeg daarop of ze met hem wilde huwen.
‘Dat is allemaal mooi en zo, maar wat heb je zoal in je mars?’ vroeg Marietje.
‘Ik kan jou en iedereen diverteren met zang en dans,’ zei de troubadour, schalks en nogal spannend. ‘En ik kan als de beste het Hooglied plagiëren, om daar keer op keer je hart mee te veroveren.’
Marietje kon niet helemaal volgen wat hij zei, maar het klonk in ieder geval bijzonder en mysterieus, en dus trouwde ze met hem.
Al snel bleek dat de muzikant niet veel kaas had gegeten van het werk op de boerderij, maar de afleiding die hij bezorgde, maakte voor Marietje de hele homp van het alledaagse goed.
Na een paar weken zei Marietje tegen de zanger en danser: ‘Ik ben even naar het dorp om op de markt onze kaas te verkopen, maar maak je geen zorgen. Ik kom morgen weer terug.’
Ze namen met veel theater en poeha afscheid, want zo doen artiesten dat. De danser en zanger bleef midden op het pad voor de boerderij salueren en salto’s maken, terwijl zijn vrouw steeds kleiner werd. Hij riep haar bijvoorbeeld ‘mon amour!’ en ‘mein Blümschen!’ toe, en ook andere lieflijkheden die ze niet verstond, onder andere vanwege de grote afstand. En toen ze geheel en al uit het zicht verdwenen was, haalde hij de ganse hoeve overhoop tot hij ten slotte het flesje met de geurstof vond. Hij stopte dit in zijn binnenzak, pakte zijn viool, en trok als de wiedeweerga verder de wijde wereld in. En bij tijd en wijle, als de wind goed staat, hoor je hem nog zingen.

De knorrende pastoor

De burgemeester was die ochtend met drie dagen onweer op zijn gezicht thuisgekomen en had daarna in zijn studeerkamer opgezocht wat dat eigenlijk betekende.
De jonge boer en karottentrekker Frits had de burgervader weer eens een poets gebakken door hem te vertellen dat het hele dorp op de eerste dag van de herfst naar de open plek tussen de drassige vennen, hier niet ver vandaan, zou gaan om daar de komende paasprocessie alvast te repeteren. En de deftige bestuurder was zowel in de grap als in twee van de heideplassen getrapt.
Die avond werd Frits in de ambtswoning van de burgemeester ontboden om zich te verantwoorden. Het was namelijk niet de bedoeling om wie dan ook van het gemeentebestuur, maar vooral de belangrijkste van allemaal, op het verkeerde been te zetten en al helemaal niet om dat been dan in een of ander drasland te laten stappen.
Toen Frits op zijn afspraak verscheen, trof hij de burgemeester in gezelschap van de pastoor zittend aan de eettafel. Ze waren volop aan het dineren, en op de rijkelijk gevulde tafel stond maar weinig dat nog niet aangetast was. In het midden van alle dissen, als pièce de résistance, bevond zich een grote schaal met daarop een geroosterde en met een appel getrooste big.
‘Zo, Frits,’ sprak de burgemeester. ‘Vertel meneer pastoor hier maar eens wat er vanochtend op de open plek tussen die moerassen te doen was.’
Frits draaide wat met zijn voet, stak zijn handen diep in zijn zakken en zei toen: ‘Ja, ziet u, excellentie en eminentie, ik moet het waarschijnlijk verkeerd gehoord hebben van die processierepetitie.’
De burgemeester moest minachtend lachen.
‘Is er dan iets mis je je oren, mijn zoon?’ zei de pastoor.
‘Ja,’ zei Frits. ‘Ik hoor bijvoorbeeld “nee” als mensen “nee” zeggen.’
‘Maar “nee” is toch ook “nee”? zei de pastoor confuus.
‘Voor mij klinkt dat inderdaad hetzelfde,’ zei Frits.
‘Ik geloof er geen sikkepit van,’ zei de burgemeester. ‘Nee, je praatjes zullen je niet meer redden.’
‘Maar iets of iemand anders dan?’ zei Frits. ‘Het varken misschien? Als het varken op tafel gaat knorren, laat u me dan vrijuit gaan?’
De burgemeester en de pastoor stemden schaterlachend in met zijn verzoek. Maar ineens ontsnapte er bij de pastoor wat darmgas met bijpassend geluid. Meteen ging hij rechtop zitten en volijverig onderzoekend keek hij om zich heen. Toen zijn blik die van de burgemeester kruiste, haalde hij schouders en wenkbrauwen op. Prompt liet hij weer een prot. De dienstmeid, die in een hoek van de kamer stond, moest haar best doen om haar lach in te houden.
‘Dat was het varken!’ probeerde de pastoor voorzichtig. ‘Het varken knorde!’
En weer rommelden zijn darmen. Boos wilde de burgemeester iets zeggen, maar zijn ingewanden waren hem voor; zijn hoofd kleurde appelrood.
‘Inderdaad!’ riep hij snel, terwijl de pastoor en hij er tegelijk nog een lieten vliegen. ‘Een wonder is het!’
En voor Frits vrij, blij en fluitend de woning verliet, liep hij nog even langs de keuken om de kok te bedanken, aan wie hij de dag daarvoor nog een grote zak kool en bonen had gegeven.

De wensgans

Op de rand van de heide, waar de eiken naar de berken buigen, hier niet ver vandaan, reed eens een uitgebluste molenaar met een niet overdreven van zakken graan voorziene kar naar zijn ridderschuwe molen toe.
‘Pas op!’ hoorde hij eensklaps. ‘Je rijdt bijna over mijn schaduw heen!’
De molenaar liet zijn paard halt houden en keek om zich heen om te ontdekken waar de stem zijn oorsprong had. Hij zag niets, behalve een of andere gans van een niet direct definieerbare soort, rechts van het zandpaadje.
‘Goeiedag,’ sprak de gans.
‘Insgelijks,’ zei de molenaar. ‘Rare gans ben jij. Ben je soms zo’n rietgans?’
‘Nee,’ zei de gans. ‘Maar dat doet er ook niet toe. Je hebt me in al je slimmigheid ontdekt, en daarom mag ik je drie wensen aanbieden!’
‘Een kolgans? Ben je een kolgans? Of zo’n witbuik? En wat doe je hier eigenlijk deze tijd van het jaar?’
‘Hoorde je me niet? Je krijgt drie wensen van mij. Wat hindert het je dan nog dat je niet weet wat voor gans ik ben?’
Maar de molenaar liet het er niet zomaar bij zitten. Hij was een man van precisie; in zijn meel zaten ook nooit klontjes of verdwaalde graanstukjes. Na nog wat gekibbel van ongeveer een kwartier gaf de gans met redelijke tegenzin aan dat hij in feite geënt was op een boerengans, maar dat zijn veren ooit voor een groot deel uitgevallen waren en dat de veren die naderhand aangroeiden wat donker uitgevallen waren. De molenaar nam genoegen met deze wazige uitleg, en de gans kon over tot de orde van de dag.
Drie wensen mocht de gans de molenaar dus aanbieden.
‘Dan hoef ik niet lang na te denken,’ zei de molenaar, over zijn lippen likkend. ‘Als eerste wens wil ik dat ik al het graan van de wereld al gemalen heb.’
En onder het suizen van de wind veranderde ineens het graan op de kar van de molenaar in meel. Maar er kwamen nog meer zakken bij. En nog meer. En de zakken barstten open. En rondom de kar groeide er op de grond een laag meel, alsof het sneeuwde. Het meelniveau bleef stijgen en stijgen. Nog nooit had de molenaar zo veel meel bij elkaar gezien. De helft ook niet, en zelfs de wortel daarvan niet. Hij besefte bij de aanblik van deze gruwelijke overdaad de onhandigheid van zijn gekozen wens, en toen hij nog maar net met zijn hoofd boven de witte berg uitstak, wenste hij snel dat alles weer zou worden als het was vóór hij zijn eerste wens deed.
Nog geen seconde later zat de molenaar weer uitgezakt op zijn matig met zakken graan gevulde kar.
‘En wat is je derde wens?’ zei de gans, wat verveeld.
‘Een pratende gans?’ zei de molenaar verbaasd. ‘Raar beest ben jij. Ben je soms zo’n rietgans?’
Door zijn tweede wens kon de molenaar zich wat er zich zojuist zoal had afgespeeld uiteraard niet meer herinneren; de gans verstond zijn vak goed.
‘Ja, een rietgans! En bovendien mag je van mij nog een wens doen,’ zei de gans, best ongeduldig.
De molenaar lachte en ging iets meer rechtop zitten.
‘Een wens? Ik weet het, ik weet het! Ik wens dat ik al het graan van de wereld al gemalen heb!’ zei de molenaar, en hij stelde zich al in op een leven nooit meer werken.

De hertogsdochter

Op Zonnekesdag trokken alle jonge mannen, zoals gebruikelijk, naar taveerne De Ruwe Maagdentong, niet ver hier vandaan. Het was een mooi jaargetijde geweest en iedereen had volop reden tot feesten. Toch ligt er bij elk gelag wel een smet op de loer en zo werd, toen de maan op z’n hoogst stond, de broer van de hertog in zijn gat gebeten door Peer, een jonge varkensboer uit een van de omliggende gehuchten.
De hertog zou het er niet bij laten zitten. Met kaakslagen en andere krenkingen jegens zijn familie maakte hij in de regel korte metten. Peer wist dat ook wel, dus toen hij de volgende dag ontwaakte, toog hij subiet naar De Ruwe Maagdentong om te peilen wat de schade eigenlijk was waar hij mee te maken had.
Buiten de taveerne stond Gertrudis, de onooglijke dochter van de hertog, onze jonge boer op te wachten. Peer herkende haar meteen; alleen al om haar scheelheid was ze in de wijde omtrek bekend.
‘Ik heb gehoord over je twist met mijn oom,’ zei Gertrudis tegen Peer. ‘Het zal je duur komen te staan.’
‘Ach, het was een misverstand,’ zei Peer. ‘Ik denk dat het wel met een sisser af zal lopen.’
Maar Gertrudis deelde Peers geruststelling niet, en ze vertelde hem dat ze haar oom en haar vader die ochtend over het voorval had horen praten en dat de beide mannen werkelijk furieus waren. Er zou de jonge boer een flinke straf te wachten staan.
Toch wist Gertrudis ook nog wel een manier om hem van zijn ellende te redden. Als hij met haar zou trouwen, zou hij bij de familie horen, en dan zouden de hertog en diens broer hem moeten vergeven; dat was nou eenmaal de code in die tijd.
Peer dacht eens diep na, en daarna nog een keer. Hij had toch niet echt trek om met deze lelijke hertogsdochter te huwen. Echte status zou hij er niet door krijgen. Gertrudis had vijf oudere broers, dus serieuze bezittingen en een fatsoenlijke titel zaten er voor Peer niet in. Maar ja, hij had nog minder zin om verbannen te worden of de rest van zijn kerstmissen in een kerker te vieren. En dus besloot hij maar op Gertrudis’ voorstel in te gaan.
Peer beloofde Gertrudis met haar te trouwen, en samen trokken ze naar het kasteel van de hertog om het goede nieuws te verkondigen. Toen ze bij de centrale hal van het kasteel aankwamen, liep de broer van de hertog het tweetal tegemoet.
‘Zand erover,’ zei hij, terwijl hij Peer een hand gaf. ‘Ik lokte het eigenlijk uit gisteren.’
Peer was enigszins opgelucht, maar die belofte aan Gertrudis hing ook nog in de lucht, en toen hij daarover vertelde aan de hertog vond die dat hij zich daar als rechtschapen man ook aan moest houden.
Wat zwaarmoedig ging Peer naar huis om nog wat spullen op te halen en dingen te regelen voor de trouwerij. Onderweg kwam hij langs De Ruwe Maagdentong. Binnen vertelde hij de herbergier over zijn tragiek.
‘Drink dit toverdrankje maar,’ zei de herbergier glimlachend, toen hij het verhaal aangehoord had. ‘En betalen hoef je pas als je straks aangetrouwde familie van de hertog bent.’
Peer bedankte de man, dronk een glas, en al snel werd hij glunderend warm.
Na twee flessen van de toverdrank kwam Gertrudis de taveerne binnen om haar aanstaande man te zoeken. Peer viel voor haar op z’n knieën.
‘Daar is ze,’ riep Peer. ‘Mijn hemel, wat is ze mooi. De betovering is gebroken. Ze is een prinses geworden!’