Stelling van Barelli

Op de kermis hier onlangs won ik bij het touwtjetrekken een unieke, door onze minister-president gesigneerde pop van Al Jolson, en bij de schiettent nog een. Huppelende over de vanwege de crowd control getekende looplijnen van het spookhuis naar de biertent kwam ik langs een waarzegster. Dat de kosten van een sessie – zo stond er te lezen – na afloop berekend zouden worden intrigeerde me, en dus ging ik naar binnen. De handlezeres vertelde me onder andere dat ik een sterrenbeeld had, en daarna gaf ze me een kaartje waarop stond dat ze tevens mediator en trouwfotografe was en dat ze daarnaast cursussen gaf in het coachen van de monitoring van adviseurs. Ik kocht nog een van haar zelfgebakken taarten en vroeg waar ze toch de tijd vandaan haalde om al die taken van haar te verrichten. ‘Ach, in drukkere tijden beperk ik me gewoon tot het voorspellen van halve waarheden,’ was haar antwoord.
Maar nog steeds was ik danig onder de indruk. Halve waarheden zijn al heel wat. Het blijft knap om te kunnen zeggen dat, noem maar wat, PSV met ½ tegen 0 van Ajax gaat winnen, en dat soort dingen. En ik pleit er trouwens voor dat je minstens half open moet staan voor het onbevattelijke. Zo heb ik bijvoorbeeld nog nooit overtuigend bewijs gezien dat economen niet kunnen prognosticeren of er een crisis op komst is. En dus ga ik er maar van uit dat economen die macht wel hebben. (Al is inmiddels zeker duidelijk dat het kunnen verklaren van een crisis niet voor die snuiters is weggelegd.)
Vroeger op de lagere school had ik een onderwijzer die bovennatuurlijk begaafd was. Hij zei na het speelkwartier bijvoorbeeld: ‘En dan pakken we nu allemaal ons rekenschrift.’ En inderdaad, iedereen in de klas pakte dan zijn of haar rekenschriftje! Ik vond dat altijd zo fascinerend. Hoe wist die man dat?
Bij de biertent precies het omgekeerde verhaal. ‘Wat mag het zijn?’ kreeg ik toegeworpen. Dus ik moest gaan vertellen wat er ging gebeuren en ik moest er nog voor betalen ook? Dat was bij die tarotlegster totaal anders. (Nou ja, half anders.) En ik wilde eigenlijk een bijzonder eigenwijs en scherp antwoord retourneren – al ligt dat uiteraard helemaal niet in mijn karakter –, maar toen werd ik, waarschijnlijk door de oorwarmers van de barman, herinnerd aan mijn favoriete docent Dr. A.E. Evers, die maar liefst drie volledige colleges wijdde aan de stelling van Barelli.
Barelli bestudeerde communicatie vanuit de basispatronen van interpersoonlijke relaties en de transformaties van deze patronen in de interne wereld van het individu. En met dat perspectief moet je ook zijn beroemde stelling begrijpen. Communicatie, volgens Barelli, is het proces van het ontwikkelen van een mens in relatie tot anderen. Behoefte aan gehechtheid is een belangrijke pijler hiervan, en – om het oververeenvoudigd te zeggen – vriendelijkheid is een meer dan handig hulpmiddel daarbij. Als de deelnemers van een gesprek elkaar niet kwetsen of in verlegenheid brengen komt dat dat gesprek in het algemeen ten goede. En zo is het ook zinvol om te beseffen dat anderen graag jouw veel te slimme opmerkingen hadden willen maken. Dus die moet je uit een vorm van fatsoen (of, zoals je moeder altijd zei: savoir-vivre) af en toe voor je houden, om jaloezie bij de ander niet te prikkelen. Less is more, in zekere zin. Half is whole, soms.

Beginsel van Endres

Een drietal krachtdadige ondernemers uit ons dorp heeft de ontsprongen dip in de markt van bedrijven die advies verstrekken betreffende het geven van cursussen over de coaching bij trainingen handig weten te ontvluchten door een nieuw verdienmodel te vinden in het afvoeren (en omsmelten) van standbeelden in onze gemeente van oud-burgemeesters en andere bestuurders die in het verleden uitspraken hebben gedaan en acties hebben ondernomen zonder ook maar enige rekening te houden met het politieke klimaat van hun toekomst.
Met het oog op een gezonde winstmaximalisatie en om de voortgang van hun werkzaamheden daarbij zo min mogelijk te belemmeren, gebruiken ze voor de doorslag om een standbeeld wel of niet te verwijderen een steekproef van de Nederlandse populatie die bestaat uit alleen hun drieën, begreep ik uit een van hun werkbesprekingen via Twitter.
Nou is het heel nobel om als drietal het sentiment van een hele bevolking te willen vertolken, maar naar mijn weten wordt het uitsluiten van anderen voor het nemen van een lastig genoemde beslissing nog steeds niet alom gezien als een vorm van institutionele beleefdheid. En een groep mensen is ook niet bepaald een pan hutspot, waarvan je met een klein lepeltje kunt bepalen hoe de smaak van de bulk is.
Mensen hebben juist de neiging om vrij verdeeld te zijn in hun opvattingen. (Eigenlijk is het aantal meningen natuurlijk altijd twee – men is voor of tegen iets – maar mensen kunnen de reikwijdte van het bijbehorende onderwerp over het algemeen soepeltjes naar eigen goedkeuren aanpassen.) En de steekproefgrootte is voor een representatieve uitkomst rechtstreeks afhankelijk van de variabiliteit van de te meten verzameling: hoe heterogener het geheel, hoe groter het vereiste aantal monstertrekkingen.
Toch werkt het in de praktijk meestal anders; zeker in een eigenwijs land als het onze. Ons volkje staat er immers om bekend nogal homogeen te zijn in de drang om tot een zogenaamde consensus te komen, als het aantal aanwezige individuen groter is dan één – waarbij het gemakkelijk kunnen afglijden naar cynisme en hypocrisie haast een voorwaarde lijkt. Als lieden van een selectie Hollanders met elkaar in contact staan, zal er daarom gemekkerd worden tot er een of ander compromis is bereikt; statistici kunnen dan rustig even een taart gaan bakken. Dat spel van het bakkeleien kent uiteraard een eigen structuur, en een onvermijdelijke tactiek daarin is het beginsel van Endres (dat, al is het inmiddels zijn doel voorbijgeschoten, sinds ongeveer 1986 een vast onderdeel is van het curriculum van onze middelbare scholen): als je weet dat een gesprek een soort onderhandeling gaat worden, is het niet vreemd, maar juist zinvol, om extreme standpunten aan te dragen.
Zou je al met al genoegen nemen met een achtste deel van de taart, dan is het bij het pingelen strategischer om om een kwart te vragen dan om een punt van twee vijftiende deel.
Een ietwat naar kenmerk van dit beginsel is natuurlijk dat – omdat men ervan uit moet en kan gaan dat er uiteindelijk toch grofweg gemiddeld zal worden – geschreeuw naar de ene kant toe noodgedwongen geschreeuw naar de andere kant toe oplevert. Maar als men daarbij in ogenschouw neemt dat geen enkele maaltijd (of het nou een homogeen bouillonnetje is of iets van heterogenere aard) zo heet wordt gegeten als die wordt opgediend, is het, om het eigen gemoed tegemoet te komen, een kwestie van selectief negeren.

Köllner-effect

Op het Regionale Congres voor Iatrogenese onlangs mocht ik, omdat de spreker die iets zou uitleggen over het coachen van de monitoring tijdens trainingen aan adviseurs een betere schnabbel had gevonden, de groep van huisartsen zonder taalachterstand toespreken. Het publiek bleek erg nieuwsgierig en stelde om en om vragen over het buffet na afloop.
Ik vertelde onder andere, allerminst schuimbekkend, dat het bij een diagnose niet bon ton is om de patiënt naar de mond te praten. Zo’n zieke komt al vaak op bezoek zonder het besef dat de verbetering van de volksgezondheid de laatste honderd jaar voor het allergrootste deel bewerkstelligd is door een ruimer bewustzijn van het belang van hygiëne, de beschikbaarheid van voedsel van meer verantwoorde kwaliteit, vooruitgang op het gebied van huisvesting en sanitaire voorzieningen, en meer van dat soort zaken. Zo’n zieke denkt meestal dat juist de medische wetenschap die sprong voorwaarts heeft gemaakt. En daarom is het over het algemeen heel makkelijk voor artsen om patiënten te overtuigen. Dat de te overtuigen partij zich te veel laat leiden door emotie (te weten een vorm van ontzag) is iets waar een dokter wellicht weinig aan kan doen. Tenzij hij/zij actief meedeelt aan haar/zijn patiënten dat de inbreng van een medicus ook maar beperkt is. Maar dit kan men uiteraard niet zomaar van iemand verwachten; haast niemand heeft zo veel karakter. Andermans gevoel gebruiken als retorische techniek om die ander te motiveren tot een goed handelen is overigens nog wel als redelijk te beschouwen, maar als het gebruikt wordt om diens overtuigingen te beïnvloeden, dan is het ronduit misleidend. Patiënten dienen dus, voor de zuiverheid, zo veel als mogelijk is rationeel benaderd te worden, vertelde ik.
Een blik die een zich continu dezelfde goocheltruc voorstellende minister van Niezen & Hoesten eigenlijk altijd heeft, vulde de ogen van de huisartsen in de zaal – toen ik echter afsloot met de woorden ‘Maar jullie hebben mooie kleren aan en dus begrijpen jullie heel goed wat ik precies bedoel!’, barstten beide heelmeesters los in een immens applaus.
In de pauze ging het gesprek, netjes afgewisseld, over zowel auto’s als voetbal, hoorde ik op gepaste afstand. En dat is interessant; auto’s gaan immers over individuele smaak, voetbal gaat over algemene smaak. Toch zijn het allebei thema’s die terug te voeren zijn naar de grondvormen van Köllner.
(Kaspar Köllner was de favoriete sociale denker van John Lennon. Een plekje op de hoes van het album Sgt. Pepper heeft hij echter net niet gehaald, mede omdat hij nooit geportretteerd is – dit terzijde.)
Die grondvormen van een conversatie komen volgens Köllner voort uit een netwerk van herinneringen, ideeën en intuïties, die alle mensen in alle omstandigheden gemeen hebben, uit een soort reservoir dat gemeenschappelijk eigendom is. En dat mensen hier steeds maar weer op terugvallen wordt ook wel het Köllner-effect genoemd.
Men is domweg te dikwijls niet in staat is om de dingen over te brengen die men echt belangrijk vindt, of men gaat expres bepaalde opvattingen uit de weg waarvan men weet dat anderen die ontoelaatbaar vinden. En zo ‘cirkelt’ een gesprek in de regel naar een herkenbaar patroon toe (als een soort opening bij schaken, zei Köllner vaak, maar niet te vaak).

Lauenburger-principe

Bij de jaarlijkse Classic Car Rally van ons durpke onlangs werd de 1e plaats gedeeld door een donkerblauwe auto, die gesponsord werd door een bedrijf dat de monitoring doet voor adviseurs van cursussen over het regelen van trainingen, en een beige auto, die gesponsord werd door een bedrijf dat trainingen verzorgt voor het geven van cursussen in het coachen van monitoring. De bestuurder van de beige oldtimer zei na afloop: ‘Gaaf dat er zo veel aandacht voor deze sport is, en zo’n verscheidenheid aan sponsors!’
Zijn bijrijder voegde er nog aan toe: ‘En precies toen we finishten, ging de zon ineens schijnen. Dat kan geen toeval zijn!’
Is, mogen we hopen, bedoeld als grapje, dat laatste. Maar humor voortkomende uit zelfspot is wel grappiger dan die die uit een vorm van hoogmoedswaanzin is gegroeid. Natuurlijk kan het wel toeval zijn dat de zon gaat schijnen als je over een of andere streep rijdt. Sterker nog: het ís toeval. (Wetende dat de finish van de rally zich niet aan het einde van een donkere tunnel bevond.)
Dat je naar beneden valt als je met je klassieke autootje uit een vliegtuig springt, dat is wel een voorbeeld van geen toeval. Dat de deurbel bij je thuis gaat op het moment dat op televisie ook de deurbel klinkt niet. De zwaartekracht heeft ons nog nooit in de steek gelaten – de programmering op tv wel, maar dat is een andere kwestie.
Maar als twee gebeurtenissen tegelijk of vlak na elkaar plaatsvinden hoeft dat dus zeker geen oorzakelijk verband tussen die twee te betekenen. Ze kunnen par hasard samenvallen, of er zou ook nog een derde gebeurtenis kunnen zijn die de trigger van het geheel is. Als twee kegels vallen kan de een de ander om hebben gestoten, maar er kan ook tegen beide kegels een bal gerold zijn. En het kan zelfs zo zijn dat oorzaak en gevolg zo dicht bij elkaar liggen dat de volgorde verkeerd wordt gezien. De kans dat de onbaatzuchtige jongen bij de bank die jouw beleggingsportefeuille regelt bepaalde causale verbanden misinterpreteert, is dan ook groter waarschijnlijk dan je (eigenlijke) winstmarge. (Met een auto gaan toeren is voor zo’n piepeltje overigens wel een logisch gevolg – op een gegeven moment is zijn verzameling manchetknopen namelijk compleet.)
Toch is het goed haarkloverij soms fijn in het daarvoor bestemde vakje te laten liggen. Iemands taaluitingen hoeven niet altijd onder een loep te worden gelegd. Dat leren we van het Lauenburger-principe: natuurlijke, ongedwongen communicatie gaat nu eenmaal gepaard met ‘onvolkomenheden’.
Het heeft wel iets moois dat mensen niet te veel vooraf afwegen en op voorhand corrigeren wat ze gaan zeggen. Communicatie mag juist – behalve wellicht in bepaalde professionele sferen – een heel natuurlijk karakter hebben, met alle onhandige uitingen van dien.
De meesten van ons praten het prettigst door het gewoon onbezonnen en onbelemmerd te doen, maar vormen van verwachte maatschappelijke correctheid door uitgebreide instructie, planning en manipulatie zorgen er soms jammer genoeg voor dat enkelen hun motivatie voor spontaniteit verliezen.
Om elkaars taalstruikelingen heen manoeuvreren houdt de puurheid van communicatie in stand. En het is ook niet handig om op elke slak zout te willen leggen. Er komt namelijk een dag dat je een slak tegenkomt en dat je toevallig geen zout bij je hebt.

Wet van Neigert

Twee kuchen nadat ik voor de ingang van gemeenschapscentrum Het Klooster aan de wijkagent een lening van acht euro zestig had geweigerd, onlangs, kwam ik een ex-roeigenoot tegen. Hij was uitgezonden door een bedrijf dat cursussen geeft over het monitoren van de coaching van adviseurs, en moest als spreker iets komen navertellen die dag op een anti-oplichtingsdemonstratie; de mondiale golf van protest had inmiddels ons dorp bereikt. Maar hij was, bleek, de weg min of meer kwijt.
De bijeenkomst moest of om de hoek zijn of ging om een of andere reden niet door, zei hij. En als het gebeuren dan niet doorging, hadden ze of zijn nummer niet of er was een storing in het telefoonnetwerk, zei hij. En als ze zijn nummer niet hadden, waren ze het of kwijtgeraakt of ze hadden het verkeerd genoteerd, zei hij. Ik vroeg of hij toevallig ook vond dat iemand of stil en bedachtzaam was of spraakzaam en dommig, waarop hij me bête en zwijgend aankeek – maar dat was van korte duur. Zijn stem pakte zijn geratel weer snel op.
Ongeveer net zo leuk als het inruimen van de afwasmachine vind ik het om in een argumentatie een set van twee in mijn ogen willekeurige mogelijkheden gepresenteerd te krijgen; al is dat uiteraard beter dan één. Alles van het besprokene en het bedoelde kan onmogelijk onderdeel van zo’n set zijn. Bij een ofwel-p-ofwel-q-situatie kan bij het wegvallen van p alleen q het geval zijn, of bij het moeten afwijzen van q alleen p. Maar er is sowieso haast altijd een derde, vierde, vijfde optie. Want beide mogelijkheden kunnen niet gebeuren, of beide wel, en er kan ook vaak een neutrale situatie bestaan. Er is zelden één enkel alternatief beschikbaar. Bij de vraag of je koffie of thee wilt, is het een volkomen legale reactie om voor allebei te passen. En zelfs hier zijn er tinten grijs (hoe ongebruikelijk ook): je zou een mix van beide drankjes kunnen bestellen.
Hoe dan ook, mijn maatje had geen boodschap aan mijn gedachten en hij bleef ongestoord, onafgebroken en zich allerminst richtend op zijn toehoorder zijn spraakorgaan gebruiken. Gelukkig benutte ik al mijn oorspieren om hem niet op de voorgrond te horen, want het interesseerde me precies drie keer niks wat hij zei. Of iemand moet mij zinvolle informatie leveren, of ik mag beslissen om intensief niet naar diegene te luisteren, vind ik, en deze persoon gaf mij een vrijbrief voor het laatste. Toch moet je je in zo’n situatie afvragen bij wie de desinteresse nou (het meest) ligt – waarbij desinteresse zich, dat moet gezegd, streng en puriteins, maar ook breed en ruimdenkend kan openbaren.
En zo herinnerde ik me ineens de wet van Neigert. Neigert was een psycholoog, en in die branche zijn wetten allicht meer dan vuurvast. Volgens Neigert vindt er bij elke communicatie ook een innerlijke conversatie plaats. Nu ging het hem hierbij om de balans tussen die innerlijke en die daadwerkelijke conversatie. Degene die het minst aan de communicatie toevoegt, zal in een later stadium – en ergens anders – zijn innerlijke conversatie moeten spuien (getuige deze tekst). Degene die het meeste aan het woord is, heeft daar juist veel minder behoefte aan. In zekere zin is het dus goed om de ander te laten praten; zo houd je, zou je kunnen stellen, op een preventieve manier geroddel enigszins tegen.

Zinnecker-axioma

Uit de hoeveelheid rode broeken in de brasserie tegenover het gemeentehuis maakte ik onlangs op dat het borrelseizoen weer volop is begonnen. De mannen die deze broeken vullen staan doorgaans op minimaal anderhalve meter afstand van hun vrouwen en zijn door de jaren heen het synchroon drinken verleerd. Twee van hen herkende ik afgelopen sessie – tot hun pensionering runden die een bedrijf dat adviezen gaf over de coaching van het monitoren tijdens trainingen, kon ik me herinneren.
Ze speelden, luidruchtig slempend, uitbundig met misverstanden, die twee. In een setting als een kroeg is er ook niks mis mee om de dubbelzinnigheid van taal te gebruiken en een woord verderop in het gesprek in een van zijn andere betekenissen aan te halen, puur om de luchtigheid in een flauwekulconversatie te houden.
Een gangbaar voorbeeld van meerduidigheid in de taal is het homoniem. Het ligt er meestentijds voor elke bij de communicatie betrokkene zo dik bovenop dat de andere beoogde betekenis eigenlijk een afwijkende context vereist, dat hier niet al te problematisch door iedereen wel humor mee te bedrijven valt. Gevorderde grappenmakers kunnen een eigenschap van de ene betekenis gebruiken in de alternatieve context, om het ongerijmde zo minder voor de hand te laten liggen en de uiting daardoor interessanter en vaak leuker te laten zijn. Een dergelijke vordering kan ik bij mijn observaties van les pantalons rouges nooit ontdekken – maar de twee van hierboven liepen sowieso al helemaal vast in wederzijds begrip toen de een de ander naar het waarom van een bepaalde gebeurtenis vroeg.
Bij een waaromvraag kan om een reden (of, vooral in spreektaal, een oorzaak) worden verzocht, maar ook om een doel. Dezelfde interpretatie is dan zeer wenselijk. En was daarvoor de ambiguïteit nog vermakelijk, temeer omdat die door beide rode broeken om en om bedoeld en herkend werd, hier leidde de afwijkende invulling van de woordwaarde, onopzettelijk maar toch, tot ondeugdelijke reacties van de ander. De discours veranderde snel van amicale naar neutrale toon, en een goeie slok later gingen beide heren ieder op zoek naar een nieuwe gesprekspartner met een qua kleur matchende broek.
Typisch geval van Zinnecker, dacht ik toen. Zinnecker zegt, in zijn vaak aangehaalde axioma (dat ik overigens meer als een losse overweging zie), dat communicatie er in wezen op is gericht zichzelf te ‘vernietigen’ – een van de doelen van communicatie is altijd het einde van die communicatie. In onze moderne tijd met appjes is dat soms te tragisch zichtbaar. Er komt een moment dat er geen reactie meer gegeven wordt. Vaak is dat onbevredigend – voor de zender van het laatste bericht, maar ook voor de niets meer terugsturende ontvanger. Die laatste krijgt namelijk ook geen reactie meer op zijn of haar niet verstuurde bericht.
De verklaring van deze annihilatiedrang zit ’m, volgens Zinnecker, waarschijnlijk in het feit dat de ware aard van de communicatie altijd wordt vervormd, omdat elke toevoeging door de verschillende deelnemers ervan veel te veel als opzichzelfstaand wordt geponeerd, in plaats van te worden gesitueerd in termen van een gewezen opmerking waaruit zij voortkomt, en een nog te ontstane uitlating waarnaar zij hoopt te reiken.

Principes van Weisheit

In de nieuwe lunchroom (voorheen een winkel voor textiel met een op lichaamsbedekking gerichte vormgeving) van het noordelijkste winkelcentrum van het dorp hier mocht ik onlangs deelgenoot zijn van de helft van een telefoongesprek van een van een maatpak voorziene pief, werkzaam – bleek achteraf – bij een onderneming die voorziet in trainingen voor de coaching van cursussen inzake monitoring.
Dat hij zijn primaire stopwoordje – en ik zal het hier mede uit privacyoverwegingen onvermeld laten – werkelijk waar in elke zin moest gebruiken, kon ik nog net tolereren, maar dat hij in zijn betoog als bevestiging van een argument aanhaalde dat hij het in een boek had gelezen, zorgde dat ik me verslikte in mijn optimaal gekoelde johannesbessensap. In ‘een’ boek! En het uitblijven van vragen van de andere kant van de lijn fascineerde me enorm.
Uit de vage zinnen van de telefoneerder (of, zo u liever heeft, onze beller) kon ik niet goed opmaken waar de kwestie in kwestie exact over ging. Maar als er deskundig advies beschikbaar was, waarom dan niet schrijver en titel van het boek noemen? En betrof het inderdaad een boek van een autoriteit? Een die betrouwbaar en onbevooroordeeld was? En was de mening van die expert ook representatief voor het aan de orde zijnde thema? Serieuze argumentatie moet je allicht niet verwarren met een lukraak gekozen Nederlandse talkshow, waar elke ex-gevangene iets mag komen vertellen over voetbal, en elke oud-jazzzangeres iets over politiek. Dat een zekere ziel x op een of andere manier y vindt van z, wil niet zonder meer zeggen dat y z is.
De overdreven dramatische gebaren die onze telefonist (die gespreksvoerder, zeg maar) bij zijn geblaat maakte, voegden vanzelfsprekend niets aan zijn verhandeling toe, aangezien de toehoorder ze toch niet kon zien, maar deze brachten mij wel tot de associatie met de eerste twee principes van Weisheit. Het eerste luidt dat mensen doorgaans communiceren alsof ze over ongelooflijke hoeveelheden informatie beschikken (in het bijzonder over het onderwerp dat aan de gang is), terwijl dat maar al te vaak allerminst het geval is. Deskundigheid en intelligentie op het ene gebied lijken daarbij voor velen simpel overdraagbaar naar een niet-verwant gebied.
Het tweede principe zegt dat alle mensen van elkaar verschillen, en dat daarom een gelijke communicatieve behandeling juist moet worden bereikt door een ongelijkheid in informatieoverdracht. Waar de een dus, voor hetzelfde resultaat in begrip, heel veel toelichting verlangt, kan de ander uit de voeten met een enkele kreet.
En het is daarnaast best zo dat ieder zich wel bewust is van deze twee principes, alleen verdoezelt het tweede principe af en toe het eerste – als de ontvanger van een boodschap de uitleg niet echt begrijpt, denkt deze soms dat dat juist aan hemzelf ligt en is dan schaamteloos bereid te accepteren dat de zender van de boodschap wel gelijk zal hebben.
Met die uitspraken van Weisheit heb ik nooit echt feeling kunnen krijgen, moet ik toegeven. Toch wil ik er best in meegaan dat mensen die over het algemeen niet onwetend zijn, wel onwetend kunnen zijn over specifieke onderwerpen, maar dat je slechts in weinige gevallen (of misschien wel nooit) weet wanneer die onwetendheid precies toeslaat. En sowieso is hier sprake van een glijdende schaal, waarbij de trots van de ander in de dialoog nooit mag worden onderschat.
Ik werd uit mijn mijmeringen opgeschrikt toen de serveerster mijn met lunch bedekte bord voor mijn neus zette. En meteen zag ik dat die telefoonbeantwoorder en ik hetzelfde broodje hadden besteld. Mijn honger was op slag weg – hij kon immers onmogelijk dezelfde smaak hebben als ik.

Stelling van Kaselowsky

Door de afsluiting van de Burgemeester Uijenstraat en de Hoogstraat kwam ik bijna op tijd op de vergadering waarvoor ik onlangs uitgenodigd was van een bedrijf dat zich bezighoudt met het coachen van trainingen bij het geven van cursussen over advisering.
Het grootste deel van deze bijeenkomst, die de voorzitter interessant genoeg een paar inwendige kneuzingen opleverde, werd gevuld met het op verschillende manieren vertellen van dezelfde technische trucjes om gebrek aan begrip uit te buiten, maar op een gegeven moment kwam er een gesprek op gang, waarbij zelfs argumenten elkaar kruisten. Het behang in de kamer had een bijzonder aangename regelmaat – desondanks was de ontstane woordenwisseling een welkome afleiding. Het viel me op dat de deelnemers van de discussie voornamelijk bezig waren met het karikaturiseren van elkaars antwoorden en een verkeerde voorstelling neerzetten van elkaars standpunten. Het is natuurlijk heel makkelijk om andermans uit z’n verband gehaalde en opgeblazen argumenten onderuit te halen, maar het is tegelijkertijd een teken van zwakte.
Extreem gemaakte beweringen zijn simpelweg moeilijker te verdedigen, omdat ze minder of geen rekening houden met uitzonderingen, of met tegenstellingen. Om universele proposities als ‘alle p’s zijn q’ of ‘geen p is q’ te weerleggen, is immers slechts één tegenvoorbeeld nodig. Ontzenuwen van een stellingname dat accountants alleen maar een beetje getallen bij elkaar optellen, kan heel eenvoudig door aan te geven dat ze ook af en toe getallen van elkaar aftrekken.
En nou kan het best vermakelijk zijn om mee te maken hoe anderen elkaar proberen te verleiden om het meer belachelijke argument te verdedigen in plaats van het oorspronkelijke argument; op deze vergadering liep het jammer genoeg uit op een botte scheldpartij.
De meest nare dingen over elkaars manchetknopen vlogen over tafel, en ondanks het feit dat het natuurlijk onzin is dat er in de regel een sfeer van harmonie zou moeten zijn op de werkplek, moest ik aan de stelling van Kaselowsky denken. Deze zegt dat communicatie is geslaagd als anderen er geen (overdreven, blijvende) last van hebben. (Een wat engere definitie stelt dat ook de deelnemers aan de conversatie zelf er geen hinder van mogen ondervinden.)
Dit lijkt een naïeve kijk op communicatie – Kaselowsky was van huis uit rechtsgeleerde –, en je zou zeggen dat deze alleen over positieve communicatie kan gaan. Maar de stelling doelt in eerste instantie toch echt op eventueel financieel, lichamelijk of psychisch letsel. Dat betekent dat twee ruziënde mensen best een geslaagde communicatie kunnen hebben, zolang anderen maar geen werkelijk kwaad berokkend wordt, volgens Kaselowsky – wat succesvolle informatieuitwisseling is, is niet zomaar gebaseerd op de morele consensus van het volk.
Na afloop van de opmerkelijke vergadering sprak ik de voorzitter. Vanwege zijn bloedneus stond hij met zijn hoofd in zijn nek (en met zijn twee oren in zijn rechterhand) tegen de muur geleund. Ik zei dat hij wellicht beter een arts kon raadplegen, waarop hij antwoordde dat er niets aan de hand was. Aanvankelijk wilde ik aandringen en hem uitleggen dat communicatie in ieder geval niet is bedoeld om problemen te verbergen, ik besloot evenwel mijn verder te besteden tijd hieraan tot precies nul te reduceren.

Jäger-effect

Tijdens het bestuderen van een rivier- en boslandschap van de Dordrechtse schilder Albert Cuyp op de rookschadeafdeling van een internationale kunst- en antiekbeurs onlangs raakte ik in gesprek met twee dames van een bedrijf dat de monitoring doet bij de advisering van trainingen in het geven van cursussen.
Ik proefde namelijk dat het, zonder dat ze het zelf doorhadden, niet helemaal vlotte met hun communicatie – in ieder geval wat betreft de wederzijdse interpretatie. Een van de twee werkte waarschijnlijk nog niet zo lang bij het kantoor, want op de bewering van haar collega dat iemand die niet een bepaalde powerpointpresentatie x had gevolgd, niet gekwalificeerd was om een bepaalde taak y uit te oefenen, gaf zij als respons dat het volgen van powerpointpresentatie x dus een kwalificatie voor taak y opleverde. Die verkeerde omzetting liet ik wijselijk maar ongemoeid, vooral met in mijn achterhoofd dat ‘als je iemand verbetert, dan is diegene je dankbaar’ niet zonder meer betekent ‘als je iemand niet verbetert, dan is diegene je niet dankbaar’. Bovendien zijn de fouten die niet gemaakt worden altijd veel interessanter dan die die dat wel worden.
Bij de lunch – ik nam de iets te lang gestoofde vis met net niet beetgare aardappels – bleek evenwel dat de miscommunicatie geen incident was. Het kwam meerdere keren voor dat de voorwaardelijkheid die een van de dames aangaf in haar uitingen een afwijkende reikwijdte had dan die van de andere. En ook bij de wandeling achteraf, parallel aan het plaatselijke stroompje – het was zacht aan het regenen en dus werd de kade zacht –, was het zo dat ze wat betreft de logica langs elkaar heen aan het praten waren, maar wat betreft de pragmatiek elkaar prima aanvulden. De claims over en weer waren eigenlijk steeds vergelijkbaar genoeg, waardoor de meeste mensen de discrepantie niet zouden opmerken, en waardoor de dames zelf zich de afwezigheid van een werkelijke aansluiting ook niet realiseerden. Toch ging het gesprek ongehinderd en schijnbaar vlekkeloos door. Hier was sprake van wat ze ook wel het Jäger-effect noemen.
Volgens Jäger zijn de rede en de rationele eensgezindheid in het optimale geval met name wapens tegen bijgeloof, leugenachtigheid en onderdrukking. De bureaucratische indeling van onze moderne samenleving heeft het denken echter gereduceerd tot een stukje gereedschap met een vaste functie. En omdat logische aanvullingen en gevolgtrekkingen daardoor ook van minder belang zijn, kunnen deze in veel communicatie ook opgeofferd worden: het Jäger-effect. Wat men zegt hoeft niet exact op elkaar aan te sluiten om elkaar te begrijpen, blijkbaar.
Uiteindelijk is haast altijd wel uit een paar woorden en woordgroepen van iemands uitingen te filteren wat die eigenlijk wil toevoegen aan de stilte. En daar valt dan weer dusdanig op te reageren dat de toehoorder er genoeg chocola van kan maken om door te gaan met de conversatie.
Het fijne van dit besef is dat volgorde er kennelijk ook niet zo toe doet. Zogenaamd onsamenhangend praten blijkt helemaal niet zo’n probleem voor de uiteindelijke communicatie. En geef toe, om de strekking van een of andere powerpointpresentatie in grote lijnen tot je te nemen, is het juist soms beter deze van achter naar voor door te bladeren.

Ei-eigenschappen #52

Eerst was Manzoni er, daarna ik. En pas later leerde ik het werk van de zo romantisch op zijn negenentwintigste aan een hartaanval gestorven Piero Manzoni kennen. Vooral zijn witte periode. (Allebei wilden we blijkbaar, al dan niet onbewust, de maaksels van Yves Klein kopiëren.) Het ging mij om de textuur; ik mengde as en tabak door mijn verf – haast altijd olieverf, af en toe alleen gesso. In de nacht schilderde ik het liefst. Bij kaarslicht. De schaduwen van mijn verf waren dan beter te zien, en om de kleur was het mij toch niet te doen. Sowieso gebruikte ik (meestal) maar één kleur. Volgens een bevriend kunstenaar lieten mijn monochrome schilderijen vooral zien dat het vervormbare van het materiaal an sich eigenschappen deelde met de essentiële psychologische aard, wat vandaaruit weer belangrijke gevolgen aansneed voor de kwestie van de menselijke vrijheid. Maar ik was welbeschouwd gewoon te lui om meerdere kleuren aan te schaffen, omdat ik dan tevens meerdere schildersmessen en kwasten moest kopen en/of schoonmaken. En hoewel ik in die dagen nog hoofdzakelijk bezig was met oefenen, voorzag ik mijn eindproducten doorgaans wel van een naam. Zo moeten er kunstwerken van mij met titels als Ei achter twee schuttingen en Op een aardappel lijkend ei in de vorm van een marmot nog ergens op een vuilnisbelt rondslingeren, denk ik.
Maar na verloop van tijd had ik me voldoende bekwaamd, vond ik, en kon ik met wat menens was aan de slag. Voor de mensheid zou ik Madonna met ei gaan maken. Mijn verf was kauwgom, mijn doek was de muur aan het eind van de Pieter Breughelstraat, op de hoek met de Rembrandtkade – mijn route naar het Wilhelminapark. Een paar keer per dag liep ik hier wel om mijn hond uit te laten. En ik had natuurlijk ook – met een prima verhaal achteraf over een conceptueel kunstproject – mijn gekauwde goedje botweg op de grond kunnen mieteren, maar ik wilde niet te boek staan als die jongen die het park bevuilde met zowel hondenpoep als afgedankt snoeprubber. Niet voor niets was ik immers door mijn moeder, buurmeisjes, en ex-verloofden netjes opgevoed. Op het verticale, bakstenen oppervlak van de muur rondom de kerktuin zou niemand last kunnen hebben van de keurig door mij gerangschikte gom. Het kunstwerk was daarmee in feite op voorhand al een groot succes. In de minimale planning van mijn toch expressionistisch bedoelde onderneming stond dat ik met het ei zou beginnen. Van binnen naar buiten. En elke keer als ik langsliep zou ik in één beweging de kauwgom uit mijn mond pakken en op de muur plakken, om uiteindelijk een compositie te krijgen van de Madonna die liefelijk een ei vasthield. Geen hulplijnen, geen schets! Elke keer moest ik vanuit mijn gedachten gulden rechthoeken (middelpunt O op lijnstuk CD van vierkant ABCD geeft met straal OB punt E voor rechthoek ADEF), voor zowel het ei als het geheel, op het steen projecteren. Het was niet minder dan topsport. En al na drie maanden begon mijn schepping een vorm aan te nemen die, zoals dat soms bij het creëren gebeurt, een wederzijdse liefde tussen materiaal en kunstenaar opleverde. Lang zou het niet meer duren voor mijn kunstwerk af zou zijn, wist ik toen.
Maar niet veel later, op de dag dat ik de rechtertepel toe zou voegen, was alle kauwgom ineens weg. Zomaar van de muur gehaald. Vandalen! Cultuurbarbaren! Rekels!