Rojan-principe

Om de employés voldoende aan het werk te houden heeft het plaatselijke casino hier onlangs opdracht gegeven om voor elke dorpsgenoot een taxatierapport op te laten maken. Wat er precies in dat verslag komt te staan is vooralsnog onduidelijk, maar de aangewezen taxateur (toevallig uit hetzelfde rotaryclubje als de portier) heeft al wel aangegeven dat hij sowieso vermogensschade, inkomensschade, bijkomende schade en deskundigenkosten als componenten zal onderzoeken. Het project zal enkele jaren in beslag nemen, daar de man taxaties slechts als nevenfunctie verricht en in het echte leven trainingen verzorgt voor het geven van cursussen aan adviseurs inzake monitoring.
Degenen van de dorpsbevolking die al benaderd zijn, hebben laten blijken nogal moeite te hebben met de communicatie van de waardebepaler. Op vragen over het hoe en waarom van de opzet, werd hooguit een afwijkend antwoord gegeven met de strekking: ‘Dit is een goede manier van werken, omdat het in orde is.’ Zoals wij zien wordt het uitgangspunt bij deze feedback simpelweg ongegeneerd met een herformulering ook als conclusie gebruikt. Beetje vervelend natuurlijk, dat soort reacties. Beetje vervelend, omdat het niet bepaald aangenaam is.
Let wel: ik heb het hier niet over een herformulering die wellicht nog enige zin zou kunnen hebben omdat daarmee een term wordt ontrafeld die in menig van koers geraakte discussie over politieke correctheid ter tafel komt, zoals de substitutie van ‘dood’ voor ‘metabolisch niet meer actief’. Nee, het gaat over een gevolgtrekking die in wezen niet meer dan een flauwe herhaling is van een eerder genoemd argument, puur in de hoop om van het gedoe af te zijn. Een onnozele x-dus-x-constructie is dan nog goed te overzien, maar het kan veel geniepiger. Het standpunt dat als besluit geëchood wordt, kan namelijk ook deel zijn van een set stellingen die parallel of serieel met elkaar verbonden zijn.
Zo’n cirkelredenatie – en het wordt zo genoemd omdat het een cirkelredenering betreft – is moeilijker te detecteren met dergelijke complexe argumenten. Vaak genoeg wordt het geheel daarbij nog extra verhuld door het bedrieglijke gebruik van non-verbale communicatie: de schouders naar achteren, de borst naar voren, het hoofd rechtop, gepaard gaande met enthousiaste, niet-twijfelachtige bewegingen. De moeite voor de ontwarring van de belabberde argumentatie wordt dan vaak niet genomen.
Al met al heeft zo’n ‘galmreactie’ trouwens wel iets weg van het tegen jezelf praten. Daar is niks mis mee, overigens, tegen jezelf praten – hardop, of als felle gedachtestroom. Dat is zeer gezond zelfs, als we de neuroloog en psychoanalyticus S.V. Rojan mogen geloven. Vroeger, voordat psychiaters voornamelijk bezig waren met het naar bed gaan met patiënten of met het voorschrijven van kalmerende middelen om in ieder geval de omgeving van die patiënten minder last te laten hebben van hun afwijking, spanden behandelaars van deze ‘ziektebeelden’ zich nog echt in om verklaringen en oplossingen aan het licht te brengen. Rojan is daar een tekenend voorbeeld van.
Zijn beroemde principe stelt dat je met tegen jezelf praten je bewustzijn van tot welke groep(en) je meent te behoren creëert en vergroot. (Rojan heeft het over klassen.) Daarnaast ziet hij de uitspraken die je aan jezelf richt als de meest pure vorm van ironie die bestaat.

Meise-theorema

Onlangs, in een minstens veertien meter lange file voor de plaatselijke ijssalon, had een hobbydeskundige – vooral, naar eigen zeggen, op het gebied van infrastructuur en ruimtelijke kwaliteit –, die normaliter adviezen geeft over de coaching van cursussen betreffende het geven van trainingen, weer een opvallende dooddoener te melden over de niet-autosnelweg die door ons dorp loopt, namelijk dat meer wegen uiteindelijk gewoon meer auto’s opleveren. Voor en achter hem stonden ook mensen die zich met het onderwerp bemoeiden, bijvoorbeeld over meer samenhang van vormgeving, materialisatie en kleurgebruik die de weg nodig zou hebben, maar híj had toch, binnen een straal van zes keer anderhalve meter, duidelijk hoorbaar de grootste opening in zijn hoofd waarmee gesproken en gegeten wordt.
Wachtende op hun hoorntje pepermuntijs of een bolletje met een andere, minder verfijnde smaak fluisterden de mensen her en der in de rij een over het algemeen verre van vleiende boodschap over de betreffende schreeuwlelijk. En nou is het wellicht een wat zonderlinge stelling dat meer wegen juist meer auto’s opleveren, maar om daar nou op te reageren met het ter discussie stellen van het karakter van de aandrager ervan, of diens intenties, dat lijkt mij niet te komen uit de verzameling van nobele en tevens kiese uitingen. Wat maakt het bijvoorbeeld uit dat de man geen stratenmaker is? Dat hoeft nog geen invloed te hebben op de verdienste van zijn uitlating. En wat zou het ertoe moeten doen dat hij vorig jaar door roekeloos gedrag jegens een rijksambtenaar zijn rijbewijs kwijt is geraakt? De integriteit van zijn uitspraken met betrekking tot autoverkeer hoeft hier uiteraard helemaal geen last van te hebben, toch?
Het is helemaal niet erg om iemand tegen te spreken op wat hij daadwerkelijk zegt, op wat het onderwerp waarachtig behelst. Mocht het gezegde niet duidelijk zijn, dan is het ook compleet legaal om om extra opheldering te vragen. Als je niet weet hoe meteen te reageren, is het volkomen toegestaan de ander te vragen wat die eigenlijk bedoelt met zijn uiting. Die ander is er allicht niet op uit om tegengesproken te worden, maar hij wil gegarandeerd begrijpelijk genoeg zijn om te kunnen overtuigen. En zodra je dan werkelijk met de inhoud van elkaars spraak bezig bent, ben je een echt gesprek aan het voeren. Dat je het daarbij niet (altijd) met elkaar eens bent, is dan misschien juist van belang. Dat weten we ook van het Meise-theorema, dat (wat poëtisch gesteld) luidt: ‘Communicatie is het openen en sluiten van compromissen.’
Het is voornamelijk door verschil van mening dat er communicatieve vooruitgang kan worden geboekt, stelt Meise. Wil je iets bij een dialoog invlechten, dan moet je wel overtuigd zijn van de originaliteit ervan en in zekere zin ook een overwicht eraan toedichten ten opzichte van het voorafgaande. Toevoegingen aan een conversatie worden volgens die gedachte gestimuleerd door de onenigheid en de twijfel die het weerwoord naar voren brengt. En door die ‘verbale excursie’ van het gesprek aan te gaan, leer je tevens je eigen kletspraat kennen. Gaandeweg verandert elke opmerking zo de communicatie ten gunste van een volgende opmerking; en een volgende en een volgende, enzovoort, totdat er een duurzame overlap bereikt wordt – het punt waarop het onderscheid tussen overeenstemming en de afwezigheid van overeenstemming verdwijnt.

Wet van Maatz

De driejaarlijkse ondernemersprijs van onze gemeente is onlangs uitgereikt aan een vennootschap die zich met blijkbaar veel succes de afgelopen jaren beziggehouden heeft met het coachen van de monitoring tijdens trainingen over het geven van cursussen. Het toekennen van deze overwegend op bedrijfskwaliteit gerichte prijs werd voor een allerminst onbelangrijk deel beïnvloed door de bekendheid van de betreffende ondernemer. Hij is namelijk niet alleen lid van de biljartvereniging, het toneelgenootschap en de yogagroep alhier, maar ook van de kaartclub, de fietsclub, de dartclub, de filmclub, de kaatsclub, de ijsclub, de schaakclub, de kookclub, de golfclub, en het ornithologisch gezelschap. Bovendien gebruikt hij in elk gesprek dat hij voert wel het woord ‘zelfreflectie’, waarmee hij altijd haast ontelbaar hoge ogen gooit bij de niet al te kritische, maar wel stemgerechtigde bevolking. In het juryrapport stond dan ook dat de beste man met zijn reputatie ongetwijfeld eveneens de monitoring van andere zaken goed zou kunnen coachen en dat hij zelfs bedreven zou zijn in het coachen van activiteiten die niet eens met monitoring van doen hebben.
Populariteit is, dat weten we allemaal, een prima meet- en keuzemiddel. Zo is ongeveer tachtig procent van de auto’s in ons dorp van het merk waarvan de televisiereclames hebben uitgewezen dat alleen coole mensen daarin rijden. En in alle horecagelegenheden hier wordt alleen maar de priklimonade met colasmaak besteld waarvan een bekende Hollywoodacteur in verschillende commercials duidelijk aangeeft dat dat toch echt wel de lekkerste is. Want als een aanzienlijk aantal mensen ergens voorstander van is, dan kan het niet anders dan dat dat waar moet zijn.
Maar het zou misschien ook kunnen zijn het lokken van mensen om dat wat populair is te zien als de juiste keuze een (vaak) misleidende methode van (vooral) marketeers is – je weet wel, die lieden die de politiek in de wereld van de reclame hebben getrokken. Het verleidelijke aanbod om met een simpele transactie de schijn te hebben dat je bij de groep van mooie, gelukkige mensen hoort, doet, als je het nog eens goed bekijkt, eigenlijk niets ter ondersteuning van een dwingende noodzaak dat je de, zeg, geadverteerde hamburger daadwerkelijk moet kopen. Al keurt een overgrote meerderheid een product of persoon juichend goed, dan is dat op zich nog steeds geen reden om klakkeloos mee te gaan doen.
Uiteraard is het meegaan in een dergelijke misleiding wel ieders recht. Je hoeft daar anderen niet op aan te spreken. Mensen mogen immers zoeken naar het eigen geluk daar waar ‘alle anderen’ het ook doen. En bovendien is er al confrontatie genoeg in de wereld. Zelfs in een triviaal huis-, tuin- en keukengesprek ligt disharmonie op de loer. De wet van Maatz zegt per slot van rekening dat elk gesprek slechts drie reacties verwijderd is van een ruzie. (Met reactie wordt hier elke toevoeging – over en weer – aan de dialoog bedoeld.) Bekender is Maatz wellicht van zijn veel geciteerde uitspraak: ‘Sommige zinnen vertellen slechts een woord, en sommige woorden vertellen hele zinnen.’ Maar die quote maakt de naar hem genoemde wet eigenlijk alleen maar benauwender.
Toch is het niet de bedoeling van deze wet dat we in conversaties steeds met voorspellingen bezig zijn. De les die we kunnen trekken is wel dat je met een gezonde hoeveelheid fatsoen in je doen minder op je hoede hoeft te zijn.

Mihaescu-matrix

Een plaatselijk bedrijf hier dat de monitoring verricht bij trainingen voor het coachen van adviseurs heeft onlangs een regionaal record gebroken door maar liefst elf uur aan één stuk door te vergaderen. Wat een daadkracht! Wat een volharding! Dat er uiteindelijk niets besloten is, doet natuurlijk niets af aan de intensieve arbeid die door alle deelnemers aan de assemblee werd toegevoegd.
Nu is verslingerdheid aan vergaderen niet voor iedereen weggelegd. In veruit de meeste gevallen komt dit voort uit een aaneenschakeling van gebeurtenissen, waarvan alle overgangen – uiteraard – onvermijdelijk zijn. Het begint vaak met op een avond een keer of tien per ongeluk over een hond heen rijden, en dan is de volgende stap ongetwijfeld vandalisme, waarna je gaat roken, wat weer resulteert in het missen van de zondagsmissen, en de neerwaartse spiraal stevent dan onherroepelijk af, via geregeld vloeken, op een liefde voor zinloosheid en dus vergaderen.
Nou is het oorspronkelijke idee achter een overleg niet verkeerd, maar het komt in de praktijk maar al te vaak voor dat in zo’n bijeenkomst het hoogste woord wordt gevoerd door lieden die iets vinden terwijl ze niet eens weten wat ze aan het zoeken zijn. En, ja, je mag dingen vinden – het kan alleen doorslaan naar arrogantie als je dat vinden van je ook nog eens te pas en te onpas onmisbaar belangrijk vindt. Sowieso zijn zij die lang van stof zijn in de meeste gevallen simpelweg informatie aan het herhalen en/of van predicaten aan het voorzien die niet werkelijk ter zake doen en tevens niet per se van toegevoegde waarde zijn voor degenen aan wie de spraakuiting gericht is. Versierd taalgebruik kan beslist heel fraai zijn, maar het rijmt niet met het doel van een vergadering.
De wending naar het lange vergaderen (en dus het potsierlijke, inhoudsloze praten) is lastig te verklaren en wellicht zelfs een onbewuste revolutie te noemen. Er is namelijk in de jaren ’20 van de vorige eeuw een internationaal project in gang gezet met een focus op het gestructureerder maken van de communicatie (met name de spreektaal – voorheen sprak men veel meer in metaforen dan nu). Dit plan was gegroeid vanuit het militaire apparaat en zou de mondiale samenwerking tegemoet moeten komen. Het project werd geleid door de oorspronkelijk uit Moldavië afkomstige Amerikaan Mihaescu, en werd vooral (wat propagandistisch) naar buiten gebracht via de opkomende de media radio en – later – televisie.
Het manifest kent vijf standaardregels, de zogenaamde Mihaescu-matrix: 1. Communicatie moet ‘open’ aangeboden worden, wat min of meer betekent dat de onderliggende gedachte door de andere partij eenvoudig begrepen moet kunnen worden; 2. Er moet een mogelijkheid zijn iets aan de vorige uiting toe te voegen – elke uiting zou als het ware een platform moeten zijn voor een volgende; 3. ‘Verdichtingen’ moeten, waar het kan, worden vermeden – doelend op het gebruik van beeldspraak; 4. Het moet mogelijk zijn – in optimale gevallen – dat anderen overal kunnen inhaken in het gesprek; 5. Men moet praatgenoten niet lastigvallen met uitgebreide reflecties en evaluaties, maar men moet zich juist richten op hoofdlijnen.
En grappig genoeg lappen we tegenwoordig deze ‘werkinstructie’ juist bij niet-officiële, sociale gelegenheden een stuk minder aan onze laars.

Stelling van Brumbach

Pasolini had, als hij nog geleefd had, alle drama in de bestuurscrisis van ons dorp onlangs vast interessant genoeg gevonden om er een grootse, meeslepende film uit te persen. (En dan bedoel ik natuurlijk niet de politicus Giuseppe Pasolini, maar de cineast Pier Paolo Pasolini.) Ik zie de verteller van het stuk al voor me, een man die tijdens een cursus over de training van het monitoren van coaches een voorspelling toegeworpen krijgt en daarna zijn zeilen zet naar de burgemeesterswoning, waarbij hij eerst langs alle wethouders trekt om hun een tamelijk bloedeloos verhaal te ontfutselen. De film eindigt er waarschijnlijk mee dat zowel burgemeester als wethouders met al hun gemeentepolitieke ervaring en talenten ook in het buitenland hadden kunnen gaan werken voor een veel hoger salaris, en dat ze door hun nobele keuze om gewoon in Nederland te blijven uiteindelijk worden vrijgepleit.
De berichtgeving van de crisis zinspeelde op een haperen van het college, maar ook van de raad; er werd een decor gebouwd voor een kat-en-muisspel waar de honden geen brood van lusten. De journalistiek zal er in ieder geval altijd van smullen als aanklachten met aanklachten worden tegengegaan, met de bedoeling de aandacht af te leiden van het oorspronkelijke argument – en dat een werkelijke aanpak van het probleem achterwege blijft. Als een dergelijke bal wordt teruggekaatst, is het voor de waarheid van de oorspronkelijke kritiek irrelevant of de veroordeler schuldig is aan een soortgelijke, foutieve terechtwijzing. In een discussie is zo’n afleidingsmanoeuvre jammer genoeg nogal effectief, omdat de andere partij zich vaak gedwongen voelt om zich tegen de beschuldiging te verdedigen.
Een gemene vorm is de betichting die gesteld wordt in een vraag die in feite bestaat uit twee vragen. Bijvoorbeeld: ‘Wanneer bent u precies gestopt met het verstrekken van valse informatie?’ Een dergelijke vraag is bedoeld om de ander in de val te lokken, en het is dan ook van belang eerst goed na te denken voor men deze beantwoordt. Een reactie als ‘Helemaal nooit!’ kan de bedoeling hebben dat men allicht niet kan stoppen met iets wat men niet doet, maar de opponent zal die uiting simpelweg gebruiken om de interpretatie dat er valse informatie verstrekt is nog meer te bevestigen. En om er zeker van te zijn dat je je bij het beantwoorden van een vraag niet in je eigen voet schiet, is het zowaar wel listig om te reageren op de (schijnbare) hypocrisie van de belager.
Laat ze maar komen met iets als: ‘Waarom x je nog steeds y?’ Je moet dan braafjes terugtrappen met: ‘Nou, zullen we het anders eens over jouw z hebben?’ Zo’n tegenaanval is gegarandeerd onderdeel van elke opleiding tot bestuurder.
In een situatie waarin verwijten over en weer de boventoon voeren, moet ik altijd denken aan de werken die ik gelezen heb van de politicoloog en socioloog Brumbach. Iedereen die iets bestuurskundigs doet of wil gaan doen zou Brumbach moeten lezen. In zijn beroemde stelling geeft hij aan dat communicatie is gegroeid uit de onwil om onnodig lijden toe te brengen, en dat die ook vooral zo gebruikt moet worden. Dit lijkt wat simpel, en is het eigenlijk ook. Maar soms moet je juist dingen niet moeilijker maken dan ze zijn. En veel welwillende filosofieën verkondigen ruwweg hetzelfde: als je niets positiefs kunt zeggen, zeg dan niets.

Effect van Bossle

Het was onlangs warm in onze gemeente. Zeg maar gerust heet. En dat haalde zowaar het landelijke nieuws. Zelfs de uiterst populaire maandelijkse training in het gemeenschapshuis betreffende de monitoring van cursussen voor adviseurs werd vanwege de extreme hitte afgelast. En de mussen, die namen niet eens de moeite om op het dak te gaan zitten.
Zoals altijd werd er vanuit het hele land jaloers naar ons dorp gekeken, en het duurde dan ook niet lang of er werden elders ook temperatuurmetingen gedaan die records braken. Omdat het warm is, geeft een thermometer bijvoorbeeld 35,6 graden Celsius aan; de vloeistof in de glazen buis zet immers uit bij stijgende temperatuur. Toch levert de beleving van zo’n instrument en van temperatuuraanduidingen in het algemeen bij tijden een verkeerde gevolgtrekking op: het is (bijvoorbeeld) 36,4 graden Celsius en dús is het warm. Het klopt an sich wel, maar de volgorde deugt niet echt.
Dat lijkt op iets uit het boekje van ‘de straat is nat en daarom regent het’, maar dan met sneeuw. Straten kunnen doorgaans heel goed nat zijn omdat net alle huisvrouwen in de buurt hun schoonmaaksopje naar buiten hebben gegooid. Sneeuw verandert de zaak. Als het sneeuwt worden straten bedekt met sneeuw. Dat is de volgorde. Maar als de straten bedekt zijn met sneeuw is het toevallig ook een geldige conclusie dat het dan wel moet sneeuwen of hebben gesneeuwd; in de normale wereld is sneeuw gekoppeld aan sneeuwval. Een andere gangbare verklaring voor de aanwezigheid van sneeuw op straat is er niet. (Filmsets van kerstfilms et cetera laten we hier even buiten beschouwing.)
Een onoverkomelijke fout is het in de gesprekken van het dagelijkse leven niet te noemen, en de meesten onder ons zal het niet eens als zodanig opvallen. Een ‘groter als ik’-voorval wordt veel eerder als een valse noot gezien, en ook veel vaker en uitgebreider besproken. Maar zelfs daar hoeft er in wezen geen stront aan de knikker te worden gedetecteerd. Tenminste, als je het communicatiewetenschapper Thomas Bossle zou vragen.
In zijn theorie, waarin het Bossle-effect een prominente plek heeft, zet hij uiteen dat versprekingen en verschrijvingen juist iets toevoegen aan de communicatie. Op verschillende niveaus zelfs: bewust, omdat er juist meer aandacht wordt gegeven aan wat er oorspronkelijk (in plaats van de fout) bedoeld werd, en onbewust, omdat er nieuwe, onverwachte informatie wordt aangeboden.
En daarom moeten deze ‘defecten’ juist omarmd worden en niet verguisd, vindt Bossle. Want wat doorgaans als een remedie wordt beschouwd, het botweg verbeteren van de ander dus, is eigenlijk een proces dat bestaat uit het aanzetten van de gesprekspartner om zich te conformeren aan een consensusvisie op de taalvaardigheid die door hun nonchalante, foutieve uitingen dreigt te worden ondermijnd. Het resultaat van te veel corrigerende bemoeienis is, volgens Bossle, dat de gecorrigeerde alleen maar verder vervreemdt, zowel van zijn taal als van anderen – terwijl communicatiemisslagen juist als een zeer rationele reactie moeten worden gezien op een door de mens ingerichte wereld die in best wat opzichten niet bepaald volmaakt is.

Sperlich-Oll-principe

Door een kolossale internetstoring in onze gemeente onlangs konden miljarden mensen ongeveer vijf lange uren niet bereikt worden; ook het geplande webminar van een plaatselijke ondernemer kon geen doorgang vinden, waardoor alle drie de deelnemers de nuttige informatie over de advisering van het monitoren tijdens het coachen van cursussen moesten mislopen.
Als vanzelfsprekend sukkelde de communicatie in ouderwetse vormen gewoon door, en een groot deel daarvan werd gebruikt om de verantwoordelijken van het netwerk in diskrediet te brengen. Een veel gebezigd commentaar was dat het internetbereik in ons dorpeke nog miserabeler zou zijn dan dat in de dichtstbeboste gebieden van het voormalige Oostblok, en dat ons huidige communicatiecircuit daarom ronduit onacceptabel zou zijn.
Mocht deze vergelijking waar zijn, dan zou de reactie erop ook wel een zekere geldigheid hebben. Maar, interessant genoeg, of de bewuste stelling al dan niet waar is, wordt sowieso overschaduwd door de negatieve conclusie. Door in de argumentatie een misleiding te verwerken, kan een gevolgtrekking min of meer worden opgedrongen. Wat algemener en houterig geformuleerd ziet dat er zo uit: als je aanreikt dat hetgeen je wilt bekritiseren een bepaalde eigenschap deelt met iets wat zonder veel moeite door anderen als ‘slecht’ kan worden ervaren, dan is datgene wat je aanvalt daarom al ineens een stuk gesmeerder af te keuren. Dus ook als je bijvoorbeeld zegt dat Spanjaarden (en iedereen kan zich de Tachtigjarige Oorlog nog wel herinneren) graag paella maken en dat bijgevolg paella natuurlijk nooit lekker kan zijn, is er zo’n dwaling in het spel.
Het verdraaien of aandikken van woorden is iets wat vaker gebeurt in een communicatie, en niet altijd om moedwillig en cynisch dingen op scherp te zetten. De spreker kan zich ook gewoon gladweg vergissen – of hij kan juist bewust een soort grap willen maken. Als iemand bijvoorbeeld middels een retorische overdrijving aangeeft dat hij zonder zijn internetverbinding helemaal dood is, dan bedoelt hij deze disharmonie niet letterlijk of bedrieglijk.
In een conversatie moeten afwijkingen en tegenstellingen geaccepteerd worden. Dat is algemeen bekend; om te kunnen praten moet men kunnen slikken, is een dikwijls gehoord gezegde. De sociaal-antropologen Carl Sperlich en David Oll gaan nog een stap verder – zij stellen dat communicatie zelfs afhankelijk is van deze contrasten. (Zelf noemden ze dit simpelweg het conversationele afhankelijkheidsprincipe, maar in de wetenschappelijke volksmond heeft men het altijd over het Sperlich-Oll-principe, waarvan akte.) De dialoog aangaande bewegingen die een voortgang van de conversatie proberen te bewerkstelligen, hebben een strategie nodig die de democratische concepten van de communicatie uitdaagt, zo zeggen Sperlich en Oll. Verschillen in dingen als politieke voorkeur, gender, ras en klasse moeten daarbij juist aantoonbaar worden gemaakt om te kunnen worden heronderhandeld, en zo een zekere consensus te kunnen bereiken.
Het betreft een tamelijk complexe theorie, die tevens nogal omstreden is en volgens velen nog niet geheel uitgekristalliseerd, maar men kan zich voorstellen – om het even heel basaal uit te drukken – dat twee mensen die het volledig met elkaar eens zijn elkaar eigenlijk ook geen barst of moer meer te zeggen hebben.

Hypothese van Baruk

De gemeenteambtenarij alhier schrok zich onlangs, waarschijnlijk in de nachtdienst of vlak daarna, precies zes keer, met welverdiende tussenpozen, zestig graden in de rondte dat er ook huurders te vinden zijn in ons dorp. Dat werd in de vorige raadsvergadering, die eigenlijk over het aantrekken van een coach voor de advisering bij het geven van cursussen over trainingen had moeten gaan, bekend. Gelukkig hadden ze nog bijna een half kwartier de tijd om met een stemming het plan om binnen onze gemeentegrenzen nooit meer ook maar één enkele steen te laten plaatsen voor een gebouw dat de goedkeuring van figuren als Rossi, De Meuron, Van der Rohe of anderen uit die peergroup zou kunnen ontvangen doorgang te geven. Om de besluitvorming hiervoor optimaal te vertragen waren kosten noch moeite gespaard en had de burgemeester persoonlijk een oneven aantal consultants ingehuurd – die daarmee in ieder geval hun eigen cv konden aanvullen. Na een onafgebroken strijd, compleet met saaie borrels en langdradige recepties, werd er juichend en voldaan gekozen om alleen nog maar huizen te laten bouwen die zo lelijk zijn dat niemand ze zou willen huren.
Hoe men nou precies tot die conclusie is gekomen, is vooralsnog onbekend. We mogen hopelijk wel aannemen dat onze bestuurders zich altijd laten leiden door argumenten en niet door een evaluatie van de persoon die zo’n getuigenis aandraagt. Voor de vraag of een motivering deugdelijk is, is het gegeven dan iemand die toevallig de waarheid graag omzeilt in veel gevallen de waarheid graag omzeilt, niet bepaald relevant. Want zelfs de meest waarheidsgetrouwe persoon maakt soms een foute redenering. Informatie over de persoon die een argument uit zou daarom niet meegenomen moeten worden bij de betrachting van dat argument. Dat iemand uit Brabant komt, zegt niets over diens kennis over varkens. Evenmin moet je er bij de stellingen van een wethouder van uitgaan dat die wel het beste met de gemeente voor zal hebben, puur en alleen omdat hij/zij in die gemeente woont. Een argument moet staan of vallen op zijn eigen merites en niet op die van de bron of stijl ervan. Bij bewijsvoering is het medium niet de boodschap; een scheiding van die twee is lastig, maar noodzakelijk.
Dus ook door de zelfverzekerdheid waarmee iemand praat, moet je je niet laten leiden. Buiten het feit dat het vaker dan gewenst voorkomt dat gesprekspartners ongeremd ratelen over waar ze weinig weet van hebben, is er nog iets anders aan de hand, iets wezenlijkers. Het is namelijk zo dat – en daarom horen stiltes onlosmakelijk bij elke oprechte dialoog –, als het om communicatie gaat, het verlangen om iets te zeggen doorgaans groter is dan de behoefte ernaar. Dit is wat we de hypothese van Baruk noemen.
Maar wat bedoelde Baruk daarmee? Nou, men wil best iets meedelen, maar tegelijkertijd is men er zich van bewust dat het zo goed als onmogelijk is om exact dat over te brengen wat men over wil brengen. Men heeft immers geen vat op andermans connotaties. En de verwijzing van begrippen naar andere begrippen is niet alleen voor elk mens anders, maar ook voor eenieder een haast oneindige reeks – en hierdoor zullen deelnemers aan een conversatie nooit tot dezelfde betekenis komen van hetgeen gezegd (of geschreven) wordt.

Wet van Tränkler

De politie heeft onlangs, zonder te veel nadruk te leggen op normatieve feiten, een inval gedaan op het woonwagenkamp hier aan de rand van de gemeente; er was aan het licht gekomen dat er een bedrijf gevestigd zou zijn dat illegaal de monitoring regelt van trainingen voor het geven van cursussen aan adviseurs. Twee whiteboards, drie flip-overs en een zevental ringmappen werden er buitgemaakt, maar met sluitend bewijs kon men niet op de proppen komen.
Naderhand legde een woordvoerder in dichte, zware taal, gelardeerd met woordspelingen en toespelingen, voorzien van een ietwat apocalyptische stijl, op duizelingwekkende wijze uit wat er zich tijdens de razzia zoal voor zinvols had plaatsgevonden. Terwijl de spreker zijn (waarschijnlijk goedaardige) aandacht structureel verslapte, ging zijn verklaring nergens heen en kostte het hem ellendig veel tijd om daar te komen. Dit wordt waarschijnlijk ook van hem verlangd in zijn functieomschrijving – en daarom kon ik me daar nog wel overheen zetten. Maar het overdreven gebruik (zowel qua aantal als qua uitspraak) van het predicaat ‘echt’ bij zijn bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden schoot bij mij gaandeweg in het verkeerde keelgat.
Want wat zou het verschil moeten zijn tussen ‘goede journalistiek’ en ‘echt goede journalistiek’? Een uitdrukking als ‘echt recherchewerk’ is niet inhoudelijker dan het vermelden van enkel ‘recherchewerk’. Sterker nog: op mij komt het averechts over, omdat de geldigheid van het beweerde met zo’n puur om een soort herdefiniëring toegevoegd element op het spel wordt gezet ten koste van een soort extra informatieverstrekking. De aanvulling van ‘recherchewerk’ met ‘echt’ zegt meer iets over de manier waarop de gebruiker die woorden zelf ervaart.
De echte journalisten in het gezelschap probeerden hier nog vragen over te stellen, maar hun belangstelling werd of genegeerd of afgekapt. En zo werkt het nou eenmaal in een persconferentie – onderwerpen volgen elkaar abrupt op. In communicatie die natuurlijk verloopt, gaat dat wel anders, zoals de socioloog Tränkler toont in wat misschien wel zijn bekendste gedachtegang is.
De wet van Tränkler beschrijft het verloop van een conversatie – de overgang van het ene onderwerp in het andere, om iets specifieker te zijn. In een ‘normaal’ gesprek zullen bij de aanreiking van een (eventueel) nieuw thema in de meeste gevallen eerst welbewust toevoegingen behorende bij het lopende thema systematisch worden aangevoerd; in sommige gevallen zelfs met een expliciet vermelde terugverwijzing, tot dat gespreksonderwerp zijn bestaansreden duidelijk verloren heeft aan het nieuwe item, dat daarmee het lopende thema is geworden en geen onregelmatigheden van de vorige kwestie meer duldt. Een enkele keer keert het oude thema helemaal terug (de zogenaamde bounce), maar het verloop van deze omkering kent precies eenzelfde fase als een gewone onderwerpswissel. Volgens Tränkler bestaat dit proces uit vijf stadia – die indeling stuit echter in de wetenschappelijke wereld op nogal wat kritiek. Wat wel alom aanvaard wordt, is dat bij zo’n gespreksstofsovergang door alle deelnemers van de discours in gelijke mate aanpassingen worden verricht – in veel van zijn artikelen maakt Tränkler hier de vergelijking met een onbewuste samenwerking bij het oplossen van een puzzel.

Stelling van Barelli

Op de kermis hier onlangs won ik bij het touwtjetrekken een unieke, door onze minister-president gesigneerde pop van Al Jolson, en bij de schiettent nog een. Huppelende over de vanwege de crowd control getekende looplijnen van het spookhuis naar de biertent kwam ik langs een waarzegster. Dat de kosten van een sessie – zo stond er te lezen – na afloop berekend zouden worden intrigeerde me, en dus ging ik naar binnen. De handlezeres vertelde me onder andere dat ik een sterrenbeeld had, en daarna gaf ze me een kaartje waarop stond dat ze tevens mediator en trouwfotografe was en dat ze daarnaast cursussen gaf in het coachen van de monitoring van adviseurs. Ik kocht nog een van haar zelfgebakken taarten en vroeg waar ze toch de tijd vandaan haalde om al die taken van haar te verrichten. ‘Ach, in drukkere tijden beperk ik me gewoon tot het voorspellen van halve waarheden,’ was haar antwoord.
Maar nog steeds was ik danig onder de indruk. Halve waarheden zijn al heel wat. Het blijft knap om te kunnen zeggen dat, noem maar wat, PSV met ½ tegen 0 van Ajax gaat winnen, en dat soort dingen. En ik pleit er trouwens voor dat je minstens half open moet staan voor het onbevattelijke. Zo heb ik bijvoorbeeld nog nooit overtuigend bewijs gezien dat economen niet kunnen prognosticeren of er een crisis op komst is. En dus ga ik er maar van uit dat economen die macht wel hebben. (Al is inmiddels zeker duidelijk dat het kunnen verklaren van een crisis niet voor die snuiters is weggelegd.)
Vroeger op de lagere school had ik een onderwijzer die bovennatuurlijk begaafd was. Hij zei na het speelkwartier bijvoorbeeld: ‘En dan pakken we nu allemaal ons rekenschrift.’ En inderdaad, iedereen in de klas pakte dan zijn of haar rekenschriftje! Ik vond dat altijd zo fascinerend. Hoe wist die man dat?
Bij de biertent precies het omgekeerde verhaal. ‘Wat mag het zijn?’ kreeg ik toegeworpen. Dus ik moest gaan vertellen wat er ging gebeuren en ik moest er nog voor betalen ook? Dat was bij die tarotlegster totaal anders. (Nou ja, half anders.) En ik wilde eigenlijk een bijzonder eigenwijs en scherp antwoord retourneren – al ligt dat uiteraard helemaal niet in mijn karakter –, maar toen werd ik, waarschijnlijk door de oorwarmers van de barman, herinnerd aan mijn favoriete docent Dr. A.E. Evers, die maar liefst drie volledige colleges wijdde aan de stelling van Barelli.
Barelli bestudeerde communicatie vanuit de basispatronen van interpersoonlijke relaties en de transformaties van deze patronen in de interne wereld van het individu. En met dat perspectief moet je ook zijn beroemde stelling begrijpen. Communicatie, volgens Barelli, is het proces van het ontwikkelen van een mens in relatie tot anderen. Behoefte aan gehechtheid is een belangrijke pijler hiervan, en – om het oververeenvoudigd te zeggen – vriendelijkheid is een meer dan handig hulpmiddel daarbij. Als de deelnemers van een gesprek elkaar niet kwetsen of in verlegenheid brengen komt dat dat gesprek in het algemeen ten goede. En zo is het ook zinvol om te beseffen dat anderen graag jouw veel te slimme opmerkingen hadden willen maken. Dus die moet je uit een vorm van fatsoen (of, zoals je moeder altijd zei: savoir-vivre) af en toe voor je houden, om jaloezie bij de ander niet te prikkelen. Less is more, in zekere zin. Half is whole, soms.