Ei-eigenschappen #6

Bijgeloof klinkt als iets wat je naast een religieus hoofdgerecht kan opscheppen. Nou heb ik in een restaurant weleens het vergeefse vermoeden dat er nog een bak heilige boontjes of zo aankomt, maar daar heeft bijgeloof dus niets mee te maken.
Jaren terug liep ik met mijn enige broer over de hei toen er opeens een badkuip op hem viel; ik had die dag rode sokken aan. Het is altijd een mysterie gebleven hoe er een badkuip zomaar uit de lucht naar beneden kwam, maar ik heb sindsdien af en toe nog steeds onverschrokken rode sokken aan, puur om overtuigingen die nergens op gebaseerd zijn een poepie te laten ruiken, en er is nooit meer een badkuip op een broer van me gevallen.
Bijgeloof is daarom niet aan mij besteed. Mijn broer was er aan de andere kant niet vies van. Wat dat betreft was hij echt een onnozele. Zo moest hij een gebakken ei altijd bestrooien met zout alvorens hij het at. Anders zou het hem niet bekomen, zei hij.
Als hij een eiergerecht maakte (denk bijvoorbeeld aan een omelet of een soufflé), zorgde hij er met enige paniek steevast voor dat de eierschalen in kleine stukjes in de afvalbak verdwenen. Intacte eierschalen zouden immers door heksen gepakt kunnen worden om daarmee de zee op te gaan en dan vreselijke stormen te veroorzaken. At hij een gekookt eitje dan brak hij om te beginnen al zijn lepel door de lege schaal heen. Dit om de duivel buiten te laten, die graag in eieren huist omdat de toch ietwat zwavelachtige geur hem aan zijn thuis doet denken.
Doorgaans gooide mijn broer de eierschalen trouwens niet in de afvalemmer, maar juist in zijn moestuin. Volgens hem zou die daad een overvloedige oogst garanderen (in zijn geval van frambozen, uiterst geschikt om jam van te maken of weg te geven). Eieren staan immers ook symbool voor vruchtbaarheid. Twee dooiers in een ei vond mijn broer derhalve helemaal geweldig. Voor hem zou het eten daarvan hem zegenen met het krijgen van veel kinderen. Tegelijkertijd dacht hij dat als je totaal niks eet de kans op een nageslacht aanzienlijk kleiner wordt. In die gedachte konden we elkaar weer vinden.
Ooit bakten we samen een cake, mijn broer en ik. Speciaal op zijn verzoek moest dat gebeuren terwijl de zon opkwam, en de eierschalen mochten toen pas weggegooid worden nadat het baksel geheel en al klaar was. De hond vond de cake overigens heel lekker.
Mijn huisarts doet ook aan bijgeloof. Volgens hem kun je van met salmonella besmette eieren ziek worden. Hem kennende kan dat ook een truc van hem zijn om aan de kookkunst van zijn vrouw te ontsnappen.
Mijn broer vond het onzin om eieren de schuld te geven van een eventuele besmetting. Als hij tijdens het eten van een ei wat salmonella tegenkwam, dan schoof hij dat gewoon naar de kant van zijn bord. Artsen zouden, om hun klandizie te vergroten, appels met salmonella moeten besmetten, zei hij altijd.
Maar mijn broer was sowieso nooit ziek. Ik ook niet. Mijn moeder waste ons vroeger namelijk elk jaar met het water waar ze het eerste paasei mee geverfd had. En daarna liet ze ons water drinken uit de schaal van dat ei. Volgens de plaatselijke waarzegster zouden we daarmee altijd vrij zijn van zieke geesten en groot, sterk en gezond worden. We konden bij wijze van spreken alleen maar doodgaan als er een badkuip op ons zou vallen, zei ze grappend.
Ik weet nog dat we allemaal heel uitbundig moesten lachen toen.

Ei-eigenschappen #5

Taal verandert. En dan bedoel ik niet zozeer dat er door taal iets wijzigt buiten die taal zelf – na het uitspreken van één enkele zin kan het leven samen in een relatie nooit meer hetzelfde zijn –, nee, ik bedoel dat de taal an sich aan een soort mutaties onderhevig is; in de loop van de tijd gaan woorden iets anders betekenen of worden ze anders geschreven of uitgesproken. Tja, ’t is nie anders.
Sprookjesverzamelaar Jacob Ludwig Grimm (1785–1863) ontdekte in 1822 een naar hem vernoemde wet betreffende een klankverschuiving die in alle Germaanse talen plaatsvond en ergens in de tweede eeuw voor Christus was voltooid. De stemloze plofklanken (zoals de p en k) werden bijvoorbeeld vervangen door stemloze wrijfklanken (zoals de f en de ch). Zo ging dus (in veel gevallen) de p in een woord klinken als een f. Het Latijnse woord pater is in het gereconstrueerd Germaans fadar (wat later vader werd, en weer later: ouwe).
Een andere aanpassing betrof de Noordzee-Germaanse talen, waarvan door de benaming het gebruikersgebied redelijk goed aan te wijzen is. Een van de veranderende klankverschijnselen hieromtrent staat bekend als de Ersatzdehnung en duidt op het wegvallen van een neusklank (m, n of ng) en het rekken van de klinker vóór een wrijfklank (bijv. f, v, s en z), in datzelfde woorddeel. Een voorbeeld van deze zogeheten nasaalspirantenwet is het Duitse woord fünf, dat in het Nederlands vijf werd. De nasaal n viel weg en de ü-klank werd verlengd tot een ij. Kijk en luister hier ook naar het Engelse five en het Friese fiif.
Een klankverschuiving die zich ook langs de Noordzee voordeed was de ontronding: de u (van put) werd door de kustsprekers meer als een i (van pit) of als een e (van pet) uitgesproken. Waar Duitsers en Nederlanders respectievelijk Brücke en brug zeiden, gingen Engelsen en West-Friezen bridge en breg zeggen.
Van een of andere verandering in de uitspraak van onze taal hoeven we dus niet per se wakker te liggen, tenzij dat gebeurt in een korte, hete periode die tevens een grote muggenplaag met zich meebrengt.
Een recente ontwikkeling, die toch al aan het eind van het vorige millennium door taalkundige Jan Stroop opgemerkt en beschreven werd, is de uitspraak van enkele tweeklanken (bijv. de ei) met een meer open mond door een lagere kaakstand. Poldernederlands wordt dit genoemd, en dit verwijst niet naar de plek waar de heldhaftige grutto haar eieren legt, maar naar het model van de economische vooruitgang die ook de vrouwenemancipatie volop liet bloeien. Want vooral wat hoger opgeleide vrouwen zeggen onder andere heil in plaats van heel, luik in plaats van leuk en maaisje in plaats van meisje. Juist de dragers van het ei verbasteren de ei door de klank te ver voorin de mond met de kaak te veel omlaag te laten klinken. Girl power heeft ervoor gezorgd dat vrouwen wijn uitspreken als iets tussen het Duitse Wein en het Engelse wine. Stroop denkt dat dit vooral een vrouwelijke nonchalance ten opzichte van de norm, het ABN, is. Dat sommige vrouwen zich vrij hebben gevochten van het verzorgd spreken.
Volgens mijn tante is het simpelweg meer een gevolg van overdreven en verkeerd uitpakkende articulatie door het gehoord willen worden. Soort bewijs dat goed articuleren niet hoeft te betekenen dat je je mond gewoon bij elke klinker verder open moet doen.
Ik luister echter niet goed genoeg naar anderen om het verschil te kunnen horen.

Ei-eigenschappen #4

Schilders die met tempera werken zijn minder lui dan hun olieverfequivalenten. Niet alleen moet je de tempera (meestal op basis van eidooier) steeds opnieuw zelf vers maken, maar ook is de olieverfwinkel van Leo van Zwieten een stuk dichterbij dan de eierhandel van zijn broer Theo. Een voordeel is dan weer wel dat in de straat van de eierhandel volop lood- en kwikverbindingen te vinden zijn, die uiteraard prima gebruikt kunnen worden als pigmenten om allerlei kleuren verf te fabriceren.
Ervaring leert overigens dat tantes en andere mensen tegenwoordig helemaal niet meer zo goed weten hoe ze tempera moeten maken. Terwijl het op zich helemaal niet zo moeilijk is: je begint met het zoeken van een ei. Hoe verser het ei hoe beter. Je hebt eigenlijk alleen de dooier nodig minus de dooierzak. Eitje breken dus, eiwit van dooier scheiden, dooier lekprikken en eigeel in een bakje laten lopen. Je verdunt de ei-emulsie met een paar theelepels water en dan is het, na even goed mengen, tijd om een gedeelte ervan toe te voegen aan wat pigment dat je al klaar hebt liggen (van het drogen en malen van wat besjes of kevertjes of ander moois dat onze natuur te bieden heeft).
Een groot aanhanger van het gebruiken van tempera was de Italiaanse schilder Cennino d’Andrea Cennini, die leefde rond 1400 en vooral bekend is om het schrijven van een kunstenaarshandboek: Il Libro dell’Arte. Dat boek bevat allerlei trucs en technieken voor onder andere het hanteren van kwastjes en het schilderen op panelen, vooral gericht op de kunstopvatting van de middeleeuwen en de vroege renaissance; het postmodernisme komt bijvoorbeeld helemaal niet aan bod. Cennino moet net als andere temperaverwerkers enorm geduldig zijn geweest (of juist uitermate zenuwachtig). Tempera droogt namelijk heel erg snel. Is het water uit de olie-in-water-emulsie eenmaal verdampt, dan denatureren ook de eiwitten en ontstaat er een zeer sterke, niet meer oplosbare verflaag.
Het is dus zaak de tempera vlot op te brengen, waardoor schilderwerk met die methode meestal wat streperig overkomt. Er valt ook niet nat-in-nat te penselen, zoals met olieverf; graduele overgangen van licht naar donker of van kleur naar kleur zijn daarom haast niet mogelijk. Om dit toch nog enigszins voor elkaar te krijgen zijn met tempera tergend veel arceringen nodig.
Alleen al om het verschil in subtiliteit van het resultaat bij het gebruik van tempera of olieverf moet geconcludeerd worden dat Rembrandts De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp met laatstgenoemde verfsoort moet zijn geschilderd. Van Rijn zet hier een prachtig en zeer verfijnd schouwspel neer, dat misschien qua opstelling niet helemaal klopte met een soortgelijke situatie (zonder tussenkomst van een schilder), maar dat toch heel natuurgetrouw overkomt.
Rembrandt was zeker niet lui (zie eerste regel). Omdat het schilderij van Dr. Tulp echter in opdracht gemaakt werd, leek het hem uiteraard geen goed plan om de met blosjes op de wangen geschilderde geldschieters te lang boven het decomposterende (en uiteindelijk naar rotte eieren ruikende) lijk van crimineel Aris Kindt te laten hangen. Had hij het schilderstuk met eenzelfde uitkomst met tempera willen bewerkstelligen, dan had dat zo lang geduurd dat het geduld van zijn mecenassen in dezen halverwege toch wel op was geraakt. Onze grootste Hollandse meester koos hier dus geen eieren voor zijn geld.

Ei-eigenschappen #3

Het BBC-programma Saturday Kitchen is alleen al de moeite waard omdat elke week een oude opname van Keith Floyd voorbijkomt. Het is hartverwarmend om Keith een omeletje te zien maken in een of andere smoezelige keuken met zijn vlinderdasje en verder een pan, wat olijfolie, knoflook, garnalen, bonen, ham en eieren, en om hem dan na een flinke slok rode wijn te horen zeggen: ‘And there you have a little bit of fresh, friendly, sunny Andalucia on a plate.’ Maar het anderhalf uur durende kookprogramma is zeker ook erg onderhoudend vanwege het zelfspotitem The Omelette Challenge. Elke aflevering strijden twee chefkoks tegen elkaar met het bakken van een drie-eieren-omelet. De omelet moet gaar zijn en moet sowieso een omelet genoemd kunnen worden, maar het gaat wel om snelheid in deze krachtmeting. Onder de minuut kom je niet eens op het scorebord. Op 2 mei 2015 werd hier onder het toeziend oog van de toenmalige presentator en kok James Martin een door Guinness (ja, tevens het biermerk) erkend wereldrecord gevestigd met een tijd van veertien komma zesenzeventig seconden, op naam van Michelinsterrenkok Theo Randall en drie anonieme eieren. Dit record staat nog steeds overeind. Het eten van de eieren wordt overigens niet geklokt.
Fransen vinden Engelsen maar raar et vice versa. In enkele Franse dorpen neemt men jaarlijks met Pasen rustig de tijd om een omelet te bakken. Ze maken dan wel meteen een heel erg grote. Tienduizend eieren is voor zo’n gerecht helemaal niet overdreven. Het verhaal gaat dat de traditie wortels heeft in de tijd van Napoleon. Blijkbaar wilde men de kleine dictator imponeren met een riante versie van een van zijn lievelingsmaaltjes. Door de jaren heen werd het eibaksel groter en groter. En tegenwoordig – er is immers geen weg terug – komt er heel wat bij kijken voor het festival van de Omelet Géante aan de gang kan. Ten eerste heb je een enorm ruime keukenkast nodig waar de te gebruiken pan in opgeborgen kan worden. Het leeuwendeel van het jaar ligt dat ding anders namelijk alleen maar in de weg. En dan heb je natuurlijk een spatel nodig die qua grootte in verhouding staat tot de pan; je wil per slot van rekening niet voor gek staan. Eieren allemaal breken, mengen, klutsen. Tachtig pakjes boter in de pan. Honderd kilo uien en knoflook, gesneden en al bij het eimengsel. Ook honderd kilo spekjes erbij. De boel een beetje op smaak brengen met een kilo of acht peper en zout, en hopla de eipap in de pan en af en toe roeren tot het klaar is.
Het feestje van de overdreven omelet zou uit het dorpje Bessières stammen, maar is in de jaren tachtig uitgewaaierd naar verschillende (vooral Franstalige) gebieden op de hele wereld. En om het spannend te houden en op een vreemde manier zinvol te laten blijven konden recordpogingen hier natuurlijk niet achterblijven. De tot nu toe omvangrijkste omelet die ooit gebakken is, woog zesduizend vierhonderdzesenzestig kilogram, het gewicht van een forse savanneolifant. De dis werd bereid in het Portugese Santarém op 11 augustus 2012 door een groep van vijfenvijftig man en het kostte hen zeker zes uur om de klus te klaren. De pan had een straal van ruim vijf meter, en voor het grapje werden maar liefst honderdvijfenveertigduizend genderneutrale eieren een koppie kleiner gemaakt. Een van de deelnemers kreeg ei in zijn ogen en kon daarna geen ei meer zien, zeggen ze.

Ei-eigenschappen #2

Er is een taal denkbaar waarin Shakespeare ei betekent. Shakespeare zou daar zelf allerminst door gevleid zijn geweest, aangezien hij het symbool ei in enkele van zijn toneelstukken aanhaalde als metafoor om mensen en zaken van een niet mis te verstane mate van onbeduidendheid of onvolwassenheid te voorzien.
In de vroege komedie Love’s Labour’s Lost krijgt een acteur van een collega naar zijn hoofd geslingerd dat hij een duivenei is. Jong en onverstandig wordt hier bedoeld. Kleiner dan een kippenei! Troilus and Cressida brengt zelfs als gescheld een vinkenei ten tonele, evenals eieren die bedorven of half uitgebroed zijn. Het stuk Macbeth laat een moordenaar zijn slachtoffer beledigen door hem vlak voor het doodsteken nog snel even een ei te noemen. Literatoren zien het ei hier ook als tekenend voor Macbeths angst voor enig nageslacht. Coriolanus heeft het in de naar hem genoemde tragedie over een dingetje dat nog niet eens de waarde van een ei heeft. En in As You Like It zegt een acteur tegen een medespeler: ‘Truly, thou art dammed, like an ill-roasted egg, all on one side.’ Een ei roosteren is wellicht niet de handigste manier om het klaar te maken, maar als men het doet moet men uiteraard zorgen dat het niet aan één kant verbrand is en aan de andere nog zacht. Maar de meest bekende toepassing van een ei in het oeuvre van de schrijver der schrijvers is in het drama King Lear. Een als nar uitgedoste toneelspeler vertelt hier zijn als koning verklede vakgenoot dat hij van een ei twee kronen kan maken door het doormidden te snijden en het binnenste eruit te lepelen. De twee schaalhelften kunnen vervolgens prima als koninklijke hoofddeksels dienen. En volgens menig literatuurwetenschapper toont de nar (het eitje van de hofhouding) hier meteen mee aan hoe bijzonder slim het toch van koning Lear was om zijn rijk in tweeën te delen en weg te geven.
In de tijd van onze bard van Avon waren eieren overvloedig voorhanden. Volgens de wet van vraag en aanbod, en de veertiende-eeuwse Syrische geleerde Ibn Taymiyyah schreef daar al over ver voor Adam Smith met de eer ging strijken, waren eieren dus nogal spotgoedkoop. Het is dan ook niet voor niets dat in A Winter’s Tale het personage dat Leontes speelt aan het personage dat zijn zoon Mamilius speelt onderwijzend vraagt of hij eieren voor zijn geld wil.
Verwijzingen naar ondeugden zijn er ook. Brutus benoemt Julius Ceasar met het begrip slangenei. En in All’s Well That Ends Well wordt van iemand van het toneelgezelschap gezegd dat hij zowaar een ei uit een klooster zou jatten. Degene zou dus zelfs een waardeloos item als een ei uit een min of meer heilige plek stelen. Als voedsel komen eieren voorbij in Henry IV, Part I, maar wel als een onbenullige, snelle hap. En dan vindt Shakespeare het heerlijk om in hetzelfde stuk een speler de belediging op de lippen te leggen dat een ploegmaat van hem nog niet de waardigheid heeft om als een voorafje te dienen voor een maaltijd van ei met boter. Maar gelukkig laat Shakespeare het ei ook iets goeds brengen. In King Lear wordt geroepen om het wit van eieren om een bloederig gezicht te verzachten, geheel volgens de richtlijnen van de door de medicus John Banister ergens in 1575 geschreven Treatise of chyrurgerie.
Voor de vraag of Shakespeare zijn fijne haardos waste met eishampoo hebben uitgevers biografen vooralsnog geen ruimte gegund.

Ei-eigenschappen #1

Het ei is eivormig, en daarom een ovaal. Een ovaal is immers niet alleen een met twee evenwijdige lijnen verlengde cirkel, nee, een ovaal kan ook op elk punt een kromme lijn zijn. Maar niet alle ovalen zijn dus eivormig, zoals ook niet alle dieren die eieren leggen tot de klasse der vogels behoren. Ellipsen zijn eveneens ovalen, en een ellips bestaat, net als een ei, nergens uit een rechte lijn, in tegenstelling tot het ‘atletiekbaanovaal’. Waar het ei zich uiteindelijk wellicht het meest mee onderscheidt van de andere twee varianten is dat het maar één symmetrieas heeft in plaats van twee; alleen als je een ei in de lengte doorsnijdt, krijg je twee evenredige helften.
Het tekenen van ovalen is een grotere uitdaging te noemen dan het tekenen van driehoeken. Een willekeurige driehoek kan zelfs een gemiddelde econoom met zijn creditcard en zijn altijd in bloed gedoopte pen binnen de tijd dat het kost om een ei zacht te koken op papier krijgen. De ovalen zijn zich echter allerminst geschikt voor broddelarij. Bij de tamelijk eenvoudige vorm van het ‘uitgerektecirkelovaal’ zijn de te volgen stappen misschien nog wel redelijk snel uit te vogelen, en voor het tekenen van een ellips kunnen we een touwtje en twee spijkers van ome Leo lenen of beter misschien gewoon meteen zijn ellipspasser, maar bij het construeren van de eivorm wordt het beslist een sprong lastiger. Toch zal het altijd fijn blijven om aan het verzoek van onze medemensen om even een ei te tekenen te kunnen voldoen. Het volgende moet men voor die gelegenheid voorhanden hebben: een vel papier (of een tafelblad), een passer, een geodriehoek, een potlood, een gum, en iemand die met deze materialen fatsoenlijk uit de voeten kan. Uiteraard moet men ook ter plekke een werkwijze tevoorschijn kunnen halen. Die die hieronder staat is gratis.
Buig je over een stuk papier en trek een perfect ronde cirkel, eventueel gebruikmakend van de passer. Noem een punt op die cirkel A en een punt aan de andere kant van die cirkel, op de vanaf A getrokken middellijn, B. Een punt op de cirkel dat op de middellijn loodrecht op lijnstuk AB ligt noemen we C. (Als je de wortel van twee keer het kwadraat van de straal van de cirkel makkelijk uit kunt rekenen, heb je hier niet per se een geodriehoek voor nodig; een simpele liniaal kan dan volstaan.) Trek nu lijnen vanaf A en B door C, en trek deze lijnen een stuk (ongeveer de helft van afstand AB) door. Teken nu bogen (met de passer dus) vanaf A en B met een straal AB, beginnend bij respectievelijk B en A, en laat deze stoppen waar deze bogen de verlengde lijnstukken AC en BC raken. Noem deze raakpunten E en F. Trek vervolgens de laatste boog van het dessin, van E tot F, met als middelpunt C en als straal CE (of CF, uiteraard).
Het ei staat nu op papier. De kromme kan met het potlood extra aangezet worden en de hulplijnen (bijvoorbeeld verbinding AB) kunnen worden weggegumd. Gebruik voor dat laatste de gum.
Waarschijnlijk is het overbodig om te vermelden dat dit slechts één van de hoedanigheden van het ei is. Alleen als een ei intact is (eventueel gekookt) ziet het er zo uit, qua tweedimensionale weergave. Bij een gebakken ei is het een heel ander verhaal. Volgens de huidige opvattingen binnen de goniometrie kan dat het beste met potlood en papier afgebeeld worden via de omtrekken van een aselecte aardappel en een daarbij wat verhouding betreft passend muntstuk.

De wisseltruc

Eens was er, daar waar al tijden niets nieuws onder de zon is, op het aller-, allerhoogste punt van ons gewest, hier niet ver vandaan, een goochelaar die zo arm was dat hij elke speelkaart drie keer om moest draaien. De man was verliefd op de verloofde van de hertog en hij kreeg allerlei zoete signalen dat het niet anders dan wederzijds kon zijn.
Tijdens de altijd gezellig meifeesten dat jaar gaf de hertog, omdat hij die maand ook jarig was, een groot feest op zijn kasteel, waarbij hij onder andere de goochelaar uitnodigde om een van zijn fantastische magische shows ten uitvoer te brengen. De kleinkunstenaar leek dit een uitgelezen kans om zich met de aanstaande van de hertog uit de voeten te maken. Samen spraken ze daarom heimelijk een en ander af over hoe ze tijdens de performance hun ontsnapping zouden effectueren.
De avond van het optreden brak aan. In het kasteel was de balzaal gevuld met publiek van allerlei soorten boven een bepaalde standing, en de goochelaar maakte zijn entree en ging aan de slag met het zogenaamd een vinger afsnijden en dergelijke.
‘En dan nu voor het pièce de résistance! Waar moet ik de tere verloofde van de hertog in veranderen? Roept u maar!’ gooide hij de zaal in, nadat hij eerst wat uiterst saaie kaarttrucs had gedaan.
‘Een wolf!’ riep een flink benevelde baron van links.
‘Nee, dat kan niet,’ lachte de goochelaar. ‘Te veel tanden.’
‘Een grijze wolf dan?’ riep een baard- en snorloze graaf van rechts.
‘Een oranje wolf!’ riep een markies met lage meisjesstem vanaf een onzichtbare plek ergens in de echorijke hal.
‘Nee, ik zal haar veranderen in een citroen,’ zei de goochelaar toen. ‘Dat is echt veel moeilijker. Ik zal haar veranderen in een citroen die zo groot is als een ijsberg die zo groot is als een vuist.’
Lang treuzelde de man met de toverstaf daarna niet meer. Hij was immers dirk-poep-in-’t-handje niet! Met behulp van een aantal spiegels, een heel erg grote lap en een bezwerende spreuk leidde hij het publiek af, en weldra lag er op de stoel waar de toekomstige vrouw van de hertog eerst zat een glimmende, kanariegele citroen.
Alle aanwezigen applaudisseerden heftig, behalve de onverschillige eenarmige ridder. (In werkelijkheid was de verloofde natuurlijk helemaal niet in een citroen veranderd, maar was ze stiekem weggeslopen om buiten in een koets op de goochelaar te wachten.) En nu moest de dame in kwestie weer teruggetoverd worden, vond de menigte. Maar dat was een stuk moeilijker, volgens de goochelaar, en een paar keer achter elkaar mislukte het dan ook.
‘O, ik weet het weer,’ zei de magiër ineens quasi-oningestudeerd. ‘Ik heb een grote zak met goudstukken nodig om mijn toverstaf van extra energie te kunnen voorzien. Dat heeft van doen met psychometrie en magnetisme en zo.’
Enigszins geïrriteerd liet de hertog een zak goud aanrukken. En toen de toverstaf opgeladen was, moest iedereen zijn ogen sluiten en pas weer openen als ze de verloofde hoorden lachen.
De goochelaar vluchtte uiteraard in het gegiechel van de anticipatie weg. Buiten bij zijn lief aangekomen gooide hij de zak met goud in de koets. Maar net toen hij in wil stappen, ging het rijtuig er als een haas met wel zes poten vandoor.
‘Eindelijk kunnen we aan onze toekomst gaan bouwen, liefste,’ zei de verloofde van de hertog tegen de koetsier en ze gaf hem een lange, vurige kus.

De genezen neeschudder

Hier, precies waar je nu bent, nou ja, misschien iets meer naar links, echt hooguit tien meter, en dan nog een klein stukje zeewaarts, pak ’m beet een sprongetje of twee, maar in ieder geval hier niet ver vandaan, leefde eens een geneesheer met een reputatie die zelfs reikte tot het gebied na de vierde rivier. Hij kon genezen dat het een aard had. Met één hand op zijn rug en met een vinger in zijn neus genas hij elke dag aan de lopende band zijn patiënten. Scheurbuik leverde hem nog niet het minste struikelblok op. Halitose wuifde hij proestend weg. En voor een verkoudheid kwam hij amper zijn bed uit, zo gemakkelijk genas hij die. Er heerste dan ook een gezondheid van heb ik jou daar in die tijd in deze contreien.
Maar natuurlijk kon dat niet blijven duren. Op een dag ontving de dokter een aardappelboer in zijn spreekkamer wiens ziekte hij met de beste wil van de wereld niet kende.
‘Neemt u plaats,’ zei hij, naar een lege stoel wijzend, tegen de boer – zijn kwaal kon hij daarentegen absoluut niet plaatsen.
Van alles probeerde de arts om een diagnose te stellen. Zelfs liet hij de patiënt met een paar kaarsen achter een wit laken staan om zo zijn schaduw te bestuderen. Maar niets van deze vakkundige probeersels mocht baten. Ten einde raad ging de dokter bidden. Hij beloofde begeesterd en met enige pijn in zijn hart zijn leven te beteren, als de boer maar zou genezen.
De volgende dag kwam de boer vrolijk een variant van de horlepiep fluitend de spreekkamer binnen. Hij was weer helemaal de oude. En de geneesheer hield zich aan zijn belofte; hij dronk vanaf die dag één glaasje wijn minder in de week.
Nog geen acht dagen later echter kreeg de dokter een schaapsherder op bezoek, en bij hem hadden de getoonde knobbels en wratten en zweren heel andere kleuren en geuren dan bij de aardappelboer. Opnieuw wist de heelmeester zich geen raad, en wederom begon hij een potje te bidden. Ook deze keer beloofde hij degene tot wie hij zijn gebed richtte, dat hij zijn leven zou beteren, als de schaapshoeder maar van zijn ziekte zou herstellen.
De dag erna, precies om vijf over elf, je kon er de klok op gelijkstellen, belde de herder vief en vrij van ontstekingen aan bij het huis van de medicus, die maar al te goed wist toen dat hij voortaan één sigaretje per dag minder moest roken.
En bij die twee gevallen, die van de aardappelboer en de schaapsherder, bleef het niet. Elke week kwam er ineens een zieke aanschuiven met een aandoening die de dokter niet kende. Een chronische stroom van mysterieuze krankheden liep door zijn praktijk. En elke week betekende dat dat de arts moest bidden en beloven zijn leven te beteren. Hij had immers een reputatie hoog te houden. Gaandeweg kon hij steeds minder wijntjes drinken en steeds minder sigaretjes roken, en na verloop van tijd was hij zelfs een onmiskenbare geheelonthouder geworden.
Maar toen sloeg het noodlot toe: de geneesheer werd zelf ziek, en zijn ziekte zei hem niks. Bovendien was doofheid een van de symptomen van de onbegrijpelijke kwaal. Bidden had geen zin meer. De dokter dronk niet meer en rookte niet meer, dus zijn leven kon hij ook niet meer beteren. Wat er vervolgens gebeurde is een heus wonder te noemen: de arme stakker werd vanzelf beter!
En zelfs voor moderne artsen is dit verhaal tot op de dag van vandaag een compleet raadsel.

De Duimberg

Zo ongeveer daar waar het terrein niet voor angsthazen is, waar elke oneven maand een wrede, föhnachtige wind zand en stof over de vlakte laat zwiepen, waar men zich toch altijd weer even afvraagt of het niet gaat regenen als de lucht van donkerblauw plotseling via goudgeel naar glanzend groen kleurt, hier niet ver vandaan, bevond zich in vroeger tijden een zompig, moerasachtig gebied. Precies in het midden daarvan moet, nu nog steeds, de zogenaamde Duimberg liggen, maar niemand weet precies waar. Het is een berg in de vorm van een duim; feitelijk is het gewoon een duim die uit de grond steekt, waar door de eeuwen heen zand tegenaan gewaaid is en mos op gegroeid is en wat dies meer zij. En hoe dat zo is gekomen, zal ik, zonder te lang van stof te zijn, uit de doeken doen.
Lang geleden was er een ridder die de hoeken van de ronde tafel zocht. Bij de tafel zelf kon hij die hoeken niet vinden. En dus ging hij kijken of hij ergens in de wereld met een door willekeur gestuurde zoektocht een antwoord op zijn vraag kon krijgen. Voor hij op zijn paard sprong, sprong hij enthousiast enkele malen op de grond; het was zijn eerste echte avontuur. Hij besloot eerst linksaf te slaan, daarna rechtsaf, dan weer linksaf, dan weer rechtsaf, ad infinitum als het moest, en zo kwam hij door het oerwoud waarboven de morgenster een plekje warm hield voor de avondster (et vice versa). Ook kwam hij langs het hol van het zowel luie als narcoleptische monster, de open plek met de altijd ongeïnteresseerde kloosterlingen, de rivier met het onhandig geknoopte water en zelfs langs de tuin met onmogelijke bloemen in de kleuren wit en crème. Maar hoe romantisch en/of tragisch het allemaal was wat hij onderweg tegenkwam, de hoeken die hij probeerde te vinden liep hij maar niet tegen het lijf.
Op een dag, het was bijna nacht, kwam de dolende ridder twee evenwijdige paden vlak naast elkaar tegen.
‘Als ik die nou volg, kom ik vanzelf bij een hoek uit, volgens mij,’ zei hij zachtjes en tevreden tegen zichzelf, en hij voegde de daad bij het woord, waarbij hij niet moeilijk deed over de keuze van welk woord precies.
Maar na twaalf uur rijden, inclusief pauze, hielden de paden op en was hij nog steeds niet naar een hoek geleid. Wel was hij terechtgekomen in een verraderlijk en sponsachtig drasland, merkte hij op. Even dacht hij dat de bomen om hem heen aan het groeien waren, maar toen begreep hij dat hij aan het wegzakken was in de bodem. Met het tempo op een betrekkelijk laag pitje, maar met een toch zeker vloeiend te noemen beweging werd de ridder dieper en dieper het moeras in getrokken.
‘Kan ik u misschien helpen?’ riep een toevallig passerende jager van een afstand.
‘Welnee, alles is prima in orde hier,’ riep de ridder zo koelbloedig mogelijk terug. ‘Ik geniet hier gewoon even van de omgeving.’
Par hasard volgde het komende uur een hele rits van voorbijgangers die allen de in het moeras wegzakkende ridder vroegen of ze hem wellicht een helpende hand konden bieden of van een levensreddende tip konden voorzien. Maar de dappere harnasdrager op zijn paard wilde zich niet laten kennen. Hij raakte geenszins in paniek en wees uiterst beheerst alle ongetwijfeld erg goedbedoelde assistentie vanaf de kant af.
‘Maakt u zich om mij maar geen zorgen. Ik doe dit vaker,’ zei hij bijvoorbeeld, kalm en glimlachend, en synoniemen daarvan.
En op het laatst was alleen zijn goedkeurende duim nog zichtbaar. Vanaf toen wist men tevens hoe diep het moeras daar was.

De steenzitter

Daar waar alles wat groeit zingt van vrede en stilte, waar de geest in tegenwoordigheid van Gods schepping de loden sluier van de maatschappij wegwerpt en met hernieuwde frisheid weer opstaat, hier niet ver vandaan, liep eens een groepje van minstens zeven klessebessende boerendeernen door het heideveld. Ze bespraken Frits en Sjaak en Johannes, en af en toe kneep een van hen in haar vrolijk gekleurde, geplooide rok.
Ineens viel het stil, want precies op hetzelfde moment zagen ze allemaal, een twintig meter verderop, een jongeman in de schaduw van een paar beuken stijf op een grote kei zitten, leunend op een lange herdersstaf. Het was een onverbiddelijk stoere, breedkakige, mooie man. En hij kwam niet uit de buurt, dat merkten de meisjes met z’n allen meteen op.
En alsof er een teken werd gegeven begonnen de meiden tegelijk wat zenuwachtig en competitief te dansen en anderszins te bewegen. De jongeman verroerde zich niet. Hij bleef rustig met neus naar de meisjes gericht op zijn steen zitten. Hierop gingen de dametjes zich nog beweeglijker gedragen en zich nog meer aanstellen. Sommigen gingen schraperig tot nasaal zingen, anderen haalden een fluit tevoorschijn en gingen er wat harkerig op blazen.
‘Hij kijkt naar ons,’ zei een van de meisjes kirrend.
‘Naar mij volgens mij,’ zei een andere kirrender.
‘Nee, ik denk toch naar mij, hoor,’ zei weer een andere, twee keer zelfs, de laatste keer met overslaande stem.
De meisjes dansten en hupsten met hun heupen. Enkels werden aan het daglicht getoond en een enkele keer was zelfs een koppeltje rode, tegen de melkwitte benen afstekende knieën zichtbaar.
De jongeman bleef roerloos op zijn steen zitten, leunend op zijn herdersstaf, als een toonbeeld van onverstoorde mannelijkheid.
De boerendochters gingen hierdoor nog wilder tekeer, en al hun kleding leek door al de drukte zelfs te glanzen en te glinsteren in de late lentezon.
Toen na deze golf van commotie reactie van de knaap nog steeds uitbleef, liepen de meiden, inmiddels toch wel wat verbolgen, naar hem toe.
‘We blijven niet bezig, zeg. Wie van ons vind je de leukste?’ zeiden ze in koor, met herstelde trots in hun stemmen.
‘Niemand. Ik heb geen interesse, dames,’ zei de jongen kalm, met zijn voorhoofd tegen zijn staf hangend.
‘Maar je bent wel blijven zitten, toen we ons voor je aan het uitsloven waren. En dat was vast niet voor niets!’
‘Natuurlijk ben ik blijven zitten! Ik ben doodop! Ik heb net uren achter elkaar gelopen. En ik ga voor een stel aanstellerige meisjes echt niet opstaan om ergens anders een steen te gaan zoeken om wat te rusten!’
‘Ha, je zat anders wel de hele tijd verlekkerd onze kant op te kijken, hoor!’ zeiden de grieten, nu wel wat uit de hoogte, vanwege de onheuse wijze waarop ze volgens hun eigen mening behandeld werden.
Toen pas zagen de meiden de doffe ogen van de jongen.
‘Sinds ik door de zonde van het vlees blind ben geworden, zie ik alleen nog maar leegte. Ik richt enkel mijn beide oren zo optimaal als kan naar mogelijk gevaar,’ zei de knul zachtjes.
De boerendeernen verdwenen als de wiedeweerga uit het heideveld en lieten slechts een weggeblazen spinnenweb op de vlakte achter.