Johannes Aarssens

Schaatslegende Johannes Aarssens (1888-1963) werd geboren als jongste in een eenvoudig, katholiek gezin in Den Bosch – met acht oudere zussen. Aarssens’ vader was schoenmaker, maar vanwege wat frauduleuze praktijken die hij er tevens op nahield, was het jonge gezin gedwongen ieder jaar wel te verhuizen. Via verschillende plaatsen in Zuid-Nederland kwam het huishouden in 1895 in Waalre terecht, wat uiteindelijk ook hun vaste stek werd. In Waalre ging de moeder van Aarssens als dienstbode bij een gegoede familie werken. Mede hierdoor kon het gezin Aarssens wat rustiger leven en zich ontplooien.
Al van heel jongs af aan was Aarssens gefascineerd door de schaatssport. Tamelijk bijzonder, omdat dat dat in zijn omgeving door niemand gedaan werd. Hoe hij aan zijn eerste schaatsen kwam, is ook altijd als een raadsel gezien. Zelf zei Aarssens, in een interview uit 1961, dat hij deze had gekregen van een van de medewerkers van een rondtrekkend circus, waar hij een korte tijd als achtjarige wat hand-en-spandiensten had verricht.
Omdat er geen echte clubs in de buurt waren om zich bij aan te sluiten en ook geen oefening daardoor in snelheid of op de kortebaan, ontwikkelde Aarssens zich tot langeafstandsschaatsster. Als het goed gevroren had, deed hij niets liever dan het maken van lange tochten. Hij schaatste dan waar het maar kon, en terug. Nieuws over schaatsperikelen in andere gebieden in Nederland en Vlaanderen hield hij nauwgezet bij, zo goed als het kon. En zo kreeg hij in 1908 lucht van een grote tocht – die we nu de Elfstedentocht noemen – die georganiseerd zou worden in Friesland.
Het duurde hem twee dagen om met het openbaar vervoer en de goedheid van allerlei weggebruikers in Leeuwarden te geraken. Toen hij aankwam (op 1 januari 1909) bleek echter dat de tocht vervroegd was en dat hij zich niet meer in kon schrijven. Hij reed onofficieel mee, maar reed de tocht niet uit. Zijn hartstocht was sowieso geboren. Hij beloofde zichzelf hier voortaan elke Elfstedentocht mee te schaatsen.
Het thuisfront was minder enthousiast. Toen Aarssens op 5 januari 1909 weer in Waalre kwam, had zijn vader al de toevoeging “& Zn” van het uithangbord van de schoenmakerij weggeschilderd. Aarssens vond alles best, als hij maar kon schaatsen. Hij ging werken als hovenier en richtte daarnaast de Eerste Waalrese Schaatsclub op. Bij voldoende ijs werd er geschaatst, en anders ging men fietsen. Als zijn vader weg was liet zijn moeder hem stiekem binnen in de schoenmakerswerkplaats, zodat hij aan zijn schaatsschoeisel kon werken. En altijd maar keek hij uit naar de volgende Elfstedentocht. Die van 1912 en 1917 reed hij met gemak uit. Bij de tocht van 1929 was het vreselijk koud en verloor hij ook nog eens zijn handschoenen, waardoor twee van zijn vingertoppen bevroren. Hier zou hij de rest van zijn leven last van blijven houden.
1933 werd zijn laatste tocht. Hij schaatste een tijdje met de kopploeg mee, maar zijn lichaam begon hem parten te spelen. Inmiddels was er heel wat media-aandacht voor de Elfstedentocht, maar Aarssens leverde dat toch niets op. Een van de weinige Nederlanders en de enige Brabander die de eerste vijf tochten der tochten schaatste werd nooit geëerd in zijn eigen woonplaats. In 1963 werd de Elfstedentocht (de 12e) voor de eerste keer op tv uitgezonden. Aarssens kon deze niet zien omdat er die dag toevallig een storing van het signaal was in Waalre. Niet lang daarna stierf hij.

Rudi van Ginneken

Wat vooral veel in biografisch materiaal over Rudi (Rudolphus) van Ginneken (1908-1972) naar voren komt, is dat hij een erg opgewekte, uiterst vriendelijke en sociale man was (tot ongeveer zijn 56ste). Ook in zijn stem moet dat doorgeklonken hebben, wat deels zijn succes als eerste Nederlandse radio-kok verklaart.
Toen Van Ginnekens moeder, Geertruij Lotgering, met de arme akkerbouwer Jacobus van Ginneken trouwde, was zij al zwanger. Er gaat een verhaal dat ze een romance met een rondreizende koopman had gehad, maar er waren er ook die anders beweerden. Geertruij werkte in die dagen als keukenmeid bij burgemeester (van toen nog Aalst) Jan van Vorstenbosch. In 1916 nam Gerardus van Dommelen de burgemeesterspost over (eerst in alleen Aalst en later, vanaf 1923, in de samengevoegde gemeente Waalre). Geertruij bleef al deze tijd in de keuken van de ambtswoning werken.
Van Ginneken was een moederskindje. Hij was altijd bij zijn moeder, wilde niet naar school, en leerde zo al heel vroeg het reilen en zeilen van de kookkunst. Van Ginnekens vader vond de kleffe moeder-zoonrelatie maar niets en stuurde er al vroeg op aan dat zoonlief voor zichzelf moesten kunnen zorgen. En zo belandde de zeventienjarige jongen – via een oom die iemand uit Amsterdam kende – als voorlichter in dienst bij de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen. Zijn opdracht was de huisvrouw te leren goed en goedkoop te koken. En hij moest hiervoor grote delen van het land doorreizen. Zijn vrolijkheid en luchtige excentriciteit maakten van hem een opvallende, graag geziene propagandist, wat ook bij het hoofdkantoor op ging vallen. Het duurde daarna niet lang voor de gloednieuwe omroep KRO ontdekte dat zo goed als alle kwaliteiten die nodig waren om een radioprogramma te presenteren binnen het bereik van Van Ginneken lagen. Van Ginneken gaf hier graag gehoor aan, en het wekelijkse radio-item Wat de pot schaft, waar een vaste schare luisteraars van 1927 tot 1940 op getrakteerd werd, was geboren. Tijdens de Duitse bezetting zette Van Ginneken zijn programma niet voort.
In zijn tijd als radio-kok schreef Van Ginneken vele kookboeken; van basistechnieken tot originele recepten. Zeer bekend en vaak gegeten aan het einde van de jaren ’30 was Rudi’s veel geprezen gerecht Poulet au beurre (gemalen kip, gemengd met in melk gedompelde stukjes brood, ei en boter tot schijfjes kneden, met paneermeel bestrooien en in de koekenpan gaar bakken). Toen Van Ginneken na de oorlog weer bij de radio aan het werk wilde gaan, kwam echter aan het licht dat dit recept helemaal niet een creatie van Van Ginneken zelf was. Veruit de meeste van zijn recepten had hij geplagieerd – met behulp van een oud Russisch kookboek en een Russisch-Nederlands woordenboek.
Vooral door andere koks uit de omroepwereld werd Rudi zijn plagiaat flink aangewreven. De rel werd breed uitgemeten in de landelijke pers, en de KRO zag zich genoodzaakt de samenwerking met Van Ginneken stop te zetten. Ook de verschillende damesbladen waar Van Ginneken een rits aan feuilletons voor had geschreven, trokken zich terug.
Tot halverwege de jaren ’60 probeerde hij via ontelbare demonstraties en lezingen door het hele land een comeback te maken of in ieder geval de kost te verdienen. Met zijn ziel onder zijn arm en totaal verbitterd verhuisde Van Ginneken in 1966 weer naar Waalre, waar nog een enkel familielid van hem woonde. Hier kon hij echter ook niet aarden. Zijn verleden kleefde te veel aan hem. Begin mei 1972 trok hij naar Lommel, om daar een week later te sterven.

Gilles Holst

Je zou in onze tijd van bedrijfs- en bestuurskundewildgroei helemaal kunnen vergeten dat er ook mensen zijn met serieuze kennis en capaciteiten, zoals natuurkundigen, de groep waartoe Gilles Holst (1886-1968) behoorde. Holst woonde het laatste deel van zijn leven in ons dorp Waalre en stond onder meer aan de wieg van wat we nu de Brainport Regio noemen. Tevens wordt hij geroemd als de uitvinder van de lagedruknatriumlamp, anno 1932. Wie in het holst van de nacht nog op zoek is naar het een of ander komt die lantaarns nog weleens tegen langs ons wegennet, met hun typisch felgele licht – al zijn de meeste ondertussen vervangen door ledverlichting (met een net iets beter energetisch rendement).
De vader van Holst was directeur van een scheepswerf en dat zal zeker meegespeeld hebben in de keuze van Holst om in 1904 werktuigbouwkunde te gaan studeren. Hij had zich hiervoor toegang weten te verschaffen tot de een van de beste universiteiten ter wereld: de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Een jaar later switchte hij naar wis- en natuurkunde, omdat hij, naar eigen zeggen, niet van gietijzer hield. Die studiejaren moeten uitermate interessant zijn geweest. Hij kreeg bijvoorbeeld colleges beschrijvende meetkunde van Marcel Grossmann en hij mocht zelfs enige tijd assistent zijn van professor Heinrich Weber, betreffende de leerstoelen algebra en getaltheorie. Diesel had net de dieselmotor uitgevonden, Röntgen de röntgenfoto, Marconi kwam met z’n radio, Von Pechman met polyethyleen en Jungner met oplaadbare batterijen; kortom er was heel wat aan de hand in wetenschapsland; er was echt wat loos en mensen deden toen nog dingen vanuit een roeping.
In 1914 promoveerde hij in Zürich – en daarom hebben we nu een hele rits aan data over isothermen en dampspanningskrommen van ammoniak en chloormethyl –, maar toen was hij in feite al ruim een jaar terug in Nederland, om te werken onder de hoede van Nobelprijswinnaar Kamerlingh Onnes in Leiden. De grap die die dagen circuleerde was dat Leiden de koudste stad ter wereld was. K.O. had het namelijk voor elkaar gekregen om bij een temperatuur van 0,9 kelvin helium vloeibaar te maken (1908). Holst deed in zijn Leidse periode veel metingen betreffende de elektrische weerstand van metalen bij zeer lage temperaturen en hij moet zo waarschijnlijk de eerste getuige zijn geweest van het verschijnsel supergeleiding. Ook mocht hij in deze tijd experimenten uitvoeren in opdracht van tweevoudig Nobelprijswinnares Madame Curie aangaande radioactiviteit bij vrieskou.
Veel grote namen uit de wetenschap is Holst in zijn carrière tegengekomen. Zo bracht Albert Einstein hem in 1923 een bezoek in Eindhoven. Holst was toen al negen jaar in dienst bij de N.V. Philips’ Gloeilampenfabrieken en tevens directeur van het NatLab.
In zijn Eindhoven-era (1914-1946) gaf Holst leiding aan een keur van schrandere wetenschappers, die baanbrekend onderzoek deden voor de vooruitgang van de technologie. Zo werkte samen met Balthasar van der Pol (zie Van der Pol-oscillator) en Frans Penning (zie Penning-ionisatie en Penning-mengsel). Ook de ontwikkeling van de televisie had hij onder zijn hoede; de eerste landelijke uitzending kwam vanaf het NatLab. Maar een systeem met omroepen en uitzendingen van allerlei (praat)programmaatjes leek hem eigenlijk niks. Hij zag wel wat in een thuisbioscoop – een soort Netflix dus.
Na zijn pensionering was Holst een van de stichters van een Technische Hogeschool in Eindhoven – wat nu de TU/e is.

Frans van Stiphout

Frans van Stiphout (1948-2006) heeft helaas korter huisarts mogen zijn in ons dorp dan hij had gewild, maar hij heeft in deze periode wel heel veel sympathie kunnen kweken bij onze dorpelingen. Door velen wordt hij gezien als de laatste arts die zich nog werkelijk met zijn patiënten bemoeide. (Al moet dit toch ook wel enigszins worden toegeschreven aan het feit dat het huidige systeem zo in elkaar zit dat de daadwerkelijke zorg welhaast secundair is geworden; Van Stiphout had zich in deze bureaucratische werkwijze zo goed als zeker allerminst kunnen vinden.) De vele interesses van Van Stiphout buiten de wereld van de geneeskunde hebben ongetwijfeld tot een verbetering van de uitoefening van zijn beroep geleid, waarmee hij de levens van degenen die het geluk hadden door hem geraakt te zijn, heeft verrijkt.
De altijd goedlachse Van Stiphout werd in 1948 op 14 januari geboren in het Brabantse, aan de Peelrand gelegen Uden; hij deelde daarmee een verjaardag met de arts en filosoof Albert Schweitzer (1875). Van Stiphout was allesbehalve een treuzelaar. Met zijn gymnasiumdiploma op zak begon hij op achttienjarige leeftijd aan zijn medicijnenstudie in Nijmegen. Zeker in die tijd bereikten de Waalstad voornamelijk grote golflengtes, maar Van Stiphout liet zich daar niet door afleiden en plukte er alleen de goede dingen van. In 1974 studeerde hij – volledig van echtgenote voorzien – af, en nog geen jaar later startte hij zijn huisartsenpraktijk in Aalst-Waalre, eerst nog aan de Arembergstraat, maar vier jaar later verhuisde hij – het gezin was met drie kinderen ook inmiddels compleet – naar de langgevelboerderij aan de Ekenrooisestraat (thans tevens gemeentelijk monument).
Hoewel Van Stiphout een nuchtere en praktische kijk had op het artsenvak zagen de meeste van zijn patiënten en collega’s hem als een uitermate charismatische en inspirerende man. Van de medische vooruitgang raakte hij zelden lyrisch en zijn houding als arts was dat je wellicht soms kan genezen, vaak kan verlichten, maar in ieder geval altijd kan troosten.
In alle dimensies was hij een sporter. Elke dag maakte hij daar tijd voor. Tennis, hardlopen, wielrennen, surfen, en later ook golf. Maar voornamelijk hockey. Zowel in Uden als in Nijmegen als in Waalre (bij Oranje-Zwart) speelde Van Stiphout in het eerste team. Zijn lijfspreuk – een tekst van de Romeinse dichter Juvenalis – sloot hier subliem op aan: ‘Mens sana in corpore sano.’ (Vertaling: een gezonde geest in een gezond lichaam.)
De kracht van Van Stiphout was onder andere dat hij van zijn metier niet meer wilde maken dan het was. Het realisme waarmee hij te werk ging en de aandacht die hij gaf werden alom geprezen. En hij stelde zich daarnaast niet elitair op. De zogenaamde verfijning die de upper ten zich zou moeten toe-eigenen, vond hij eerder lachwekkend dan adequaat. Applaus was sowieso niet aan hem besteed. In een film was Van Stiphout de held geweest die met een witte hoed op geruisloos het dorp uit reed als de zaken weer op orde waren. En misschien deed hij dat ook wel, in zekere zin. Toen in 1999 voor iedereen in zijn omgeving het verhaal nog in volle gang was, werd Van Stiphout getroffen door een ongeneeslijke ziekte. Zijn goede conditie hield hem nog een tijd op de been, maar op 9 juli 2006 liet hij het leven achter zich. Hij is 58 jaar geworden.

Antoon Coolen

Toen Antoon Coolen (1897-1961) voor de allerlaatste keer de wereld zijn katholieke adem liet voelen – een paar weken nadat hij uit de trein van Amsterdam naar Eindhoven was gevallen –, was hij nog maar amper bekomen van het volgens hem slappe studiowerk van de verfilming van zijn roman Dorp aan de rivier. Wellicht viel hem de film tegen omdat die wederom een voorbeeld was van de modernisering waar hij nogal wars van was.
De als een innemende, onberispelijke man met een gestippelde flodderdas bekendstaande Coolen werd in Wijlre (spreek uit: wiel-ree) geboren en hij bracht zijn jeugd door in Deurne. Wat het schrijverschap in zou kunnen houden, ontdekte hij in de imposante bibliotheek van buurman en schoolmeester H.N. Ouwerling aldaar. Gretig las Coolen in zijn jonge jaren het werk van onder andere de gebroeders Snieders en Stijn Streuvels. Na zijn gymnasium maakte hij als journalist wat omzwervingen door het land en werkte hij een decennium als redacteur bij De Gooische Post te Hilversum, maar in 1932 kwam hij terug naar Deurne om zich geheel aan de letterkunde te wijden. In 1937 liet Coolen door de architect H.W. Valk (die ook het Oude Willibrorduskerkje zou helpen restaureren) een huis in Waalre bouwen (Huize de Kempen), waar hij tot zijn dood bleef wonen. Hij rust naast zijn vrouw Gerda op het Willibrorduskerkhof daar; grafnr. 1081.
In de Tweede Wereldoorlog kreeg Coolen door zijn weigering lid te worden van de Kulturkammer een publicatieverbod. Hij ging zich deze jaren verdiepen in de verbeeldingswereld van sprookjes en volksverhalen. Na de oorlog ondervond hij ook flinke tegenwerking, omdat hij de oprichter en directeur van de DAF-fabrieken, Huub van Doorne, durfde aan te klagen wegens economische collaboratie met de Duitse bezetter. Later zou hij deze informatie als een handige acrobaat gebruiken voor een van zijn romans.
Interessant voor ons dorpsgenoten is het uiteraard om te weten welke werken Coolen schreef toen hij in Waalre verbleef. Naast (bewerkingen van) sprookjes, legenden en toneelstukken bestaat zijn Waalrese oeuvre uit: Herberg in ’t Misverstand (1938), De vrouw met de zes slapers (1953), De grote voltige (1957) en Stad aan de Maas (1960). Ook schreef hij in 1947 het boekenweekgeschenk, De ontmoeting. Het kan haast niet anders dan dat de postbodes, de notarissen, de kosters en de begrafenisondernemers uit deze verhalen trekjes hebben van de mensen die hij op straat tegenkwam.
Coolen wordt gezien als belangrijkste vertegenwoordiger van de regionale roman, al wordt daar dikwijls tevens wat denigrerend over gedaan. Feit is wel dat hij tijdens zijn leven simpelweg een bestsellerauteur was. Zijn werk is in meerdere talen vertaald, vooral in het Duits en het Tsjechisch.
In zijn boeken schrijft hij vaak anekdotisch en met aandacht voor de leesbaarheid over een levenslustige, goedhartige plattelandsbevolking die te kampen heeft met een onverbiddelijke natuur en een opdringende industriële stadsbeschaving. De spanning zit doorgaans in een vermenging van het onbekende met het bekende, het vluchtige met het blijvende. Maar ondanks de verlokking van het avontuur, de vooruitgang en soms zelfs de misdaad, blijft het thuishonk en het vertrouwde toch het belangrijkst. Zo laat hij het personage Nolda in zijn roman De man met het Jan Klaassenspel (1933) prachtig zeggen dat ze een wieg harder nodig heeft dan een fiets.

Zimmermann-maxime

Terwijl, onlangs, elders, binnen een straal van vijf kilometer, een bijeenkomst werd gehouden waar met afstand de belangrijkste bestuurlijke handeling van onze ambtenarij plaatsvond, namelijk het overhandigen en in ontvangst nemen van een bos bloemen, sprak ik met een bioloog, thans werkzaam bij het regionale waterschap, die als een tiener met een auto zo trots was op het speldje dat hij bij een training voor het coachen tijdens cursussen over het geven van advies had verdiend.
De bioloog was een rasechte Nederlander en daarom had hij uiteraard overal verstand van, onder andere van communicatie, zo bleek. Hij stelde bijvoorbeeld ineens, waarschijnlijk uit alle macht een recente presentatie van zijn afdeling proberende te parafraseren, dat in een communicatie slechts 20% verbaal wordt overgedragen en dus 80% non-verbaal. Ik sloeg mezelf tegen mijn voorhoofd, hierbij mijn ogen bedekkende. Onzin! Van de hardnekkigste orde nog wel! Deze kletskoek is een misinterpretatie van een flauwekulonderzoekje van de Amerikaanse psycholoog Mehrabian, dat volgens mij in eerste instantie was bedoeld om ‘iets’ over het favoriete onderwerpje ‘dubbele binding’ van zijn vakgebied te weten te komen. Zijn percentuele indeling was zelfs nog preciezer en daarmee ongeloofwaardiger dan het globale 80/20, waarbij hij tevens de groep non-verbaal nog onderverdeelde in uitspraakeigenschappen en lichaamstaal (visuele boodschappen). Maar überhaupt ging het om een specifieke setting en niet om álle communicatie in álle situaties. De bioloog wilde daar niets van weten. De 80/20-regel klopte volgens hem. Gewoon omdat dat alom bekend was, was zijn argument.
Nu geloof ik meteen dat het in sommige gevallen wenselijker is om iemand persoonlijk te spreken dan om de bijbehorende communicatie schriftelijk af te handelen. Maar niet omdat je via e-mail allerlei non-verbale signalen zou missen. Nee, botweg omdat je iemand die tegenover je zit beter kan manipuleren en overrompelen. Om voor de overtuigingskracht bij het proberen in te plannen van zo’n ontmoeting een of andere psychologische theorie te misbruiken is derhalve wat een neoliberaal slim (en noodzakelijk) zou noemen.
‘Indrukwekkende informatie,’ zei ik tegen de bioloog, ‘maar ken jij dan toevallig ook het Zimmermann-maxime?’ Het antwoord was nee. ‘Nou,’ zei ik, ‘voor jou als bioloog is dat heel interessant. Het houdt in dat dieren met een oneven aantal poten harder kunnen lopen dan dieren met een even aantal poten. Drie poten hebben per slot van rekening meer spieren dan twee, en één poot heeft meer spieren dan nul poten. En vijf meer dan vier, en ga zo maar door. Steeds blijkt dat een oneven aantal poten gespierder is dan een even aantal. En dus kunnen die harder rennen.’
Verdwaasd keek de bioloog me aan; ik kan goed acteren. Tja, belangrijker dan alle verbale en non-verbale communicatie bij elkaar is weten hoe die te moeten decoderen. Hoe beter je iemand kent, hoe makkelijker je elkaar begrijpt. En daarom vermijden mensen in zakelijke communicatie een dubbele binding. Schriftelijk kan dat even goed als face-to-face. Dit is wat we de onthulling van Bruijnen noemen. (Nu wordt die onthulling van Bruijnen regelmatig verward met het Zimmermann-maxime. Hoe dat komt zou fascinerend zijn om eens uit te zoeken.)

Wet van Skreinig

Onlangs gebeurde er helemaal niets in ons dorp en naar aanleiding daarvan trokken alle inwoners naar het centrale plein om erover te babbelen. Ik was er uiteraard ook, want ik doe nou eenmaal braaf met al het sociale gebeuren mee, en ik trof daar een dorpsgenoot die ik nog kende van een keer dat ik per ongeluk verzeild raakte in de monitoring van een training van de coaching bij cursussen. Omdat ik mijn voet op drie plaatsen gekneusd had – bij de tandarts, in de supermarkt en thuis op zolder – kon ik niet zo snel wegkomen en moest ik wel met hem praten. Het gesprek ging eerst vijf minuten over een voetbalwedstrijd die ik niet had gezien en daarna vijf minuten over een televisieprogramma dat ik eveneens niet had gezien. Dat was allemaal nog wel te behappen. Bij dergelijke onderwerpen kan men heel goed met enkel wat tussenwerpsels als repliek uit de voeten.
Maar vanuit het niets begon de goede man ineens filosofisch te worden. Hij zei dat het helemaal niet kon zijn dat er niets gebeurd was. Want niets bestond niet, meende hij. Want, zo stelde hij, als je over iets kan praten dan moet datgene ook bestaan. En ik sprak hem natuurlijk tegen.
Het is heel goed mogelijk om het te hebben over dingen die niet bestaan. In enorm veel gevallen is het wel zo dat woorden verwijzen naar dingen uit de werkelijkheid. ‘Auto’ is hier een voorbeeld van. Dat is een ding waar je mensen mee dood kan rijden. Heel tastbaar dus. Maar dat ergens een woord voor is wil zeker niet zomaar zeggen dat datgene dan ook bestaat. Neem ‘zeemeermin’. Je zult er nergens in onze wereld eentje kunnen vinden, maar iedereen begrijpt wel wat je bedoelt als je het erover hebt. Uit de verzameling van woorden die verwijzen naar fictieve entiteiten is prima te vissen naar gespreksonderwerpen.
En we kunnen nog een stap verder zetten. We kunnen de woorden die naar dingen verwijzen in onze taal zelfs verfijnen met de toevoeging van een of meerdere andere woorden en daarmee een toestand of een eigenschap aangeven. En dat proces kan het oorspronkelijk naar iets uit de werkelijkheid verwijzende woord omtoveren in een niet bestaands iets, zoals ‘blauwe zwaan’ of ‘betrouwbare accountant’.
Verder kwam ik niet. Want mijn gesprekspartner was er plots vandoor. Waarschijnlijk omdat ik het niet over gemiste doelpunten had.
Maar ik treurde allerminst om het gemis, en het vreemde conversatietje leverde me zelfs een herinnering aan een interessante lezing op en daarmee bovendien een uitstekende glimlach op mijn gezicht. Het betrof een lezing die ik in mijn jonge jaren had meegemaakt van de filosoof Pjotr Skreinig. Skreinig staat niet bekend om zijn positieve kijk op het leven, en volgens hem wordt bijvoorbeeld de alledaagse communicatie nogal overschat. De door hem hierover opgestelde wet zegt dat van elke eenentwintig woorden die we zeggen er slechts één zinvol is. Minder dan vijf procent van wat we elkaar melden is blijkbaar werkelijk van waarde.
Het kan heel zinvol zijn om over denkbeeldige dingen te praten. Daar zal Skreinig het wel mee eens zijn. Maar hij gelooft vast niet dat onzinnige uitingen ook zinvol kunnen zijn. Grappen leiden regelmatig tot plezier, en dat is toch zeker nuttig te noemen. Maar Skreinig heeft, helaas voor hem, een hekel aan humor.

Stelling van Surbeck

Niet lang geleden, zeg maar gerust onlangs, dus ver, ver, ver na de tijd dat Youp van ’t Hek nog grappig was, ontdekten we in ons dorp dat onze burgemeester bedreven is in het maken van slagzinnen. Daarmee is hij best bijdetijds te noemen. Je hoeft tegenwoordig maar een willekeurige adviseur van de monitoring tijdens cursussen over coaching aan te spreken of je krijgt binnen een halve minuut al een soundbite voor je kiezen. Meestal met een rijm erin of zelfs een soort herhaling. Want wat rijmt is tenslotte waar. Wat ook hip is vandaag de dag is praten over je vak in plaats van dat vak uit te oefenen. En dan vooral zeggen dat het een heel moeilijk vak is. Dat kan niet in elke branche. Als de dakdekker na een dag lang rondlopen op de bovenkant van je huis naar beneden komt om te vertellen dat er nog helemaal niets verholpen is maar dat het vak van dakdekker wel heel moeilijk is, dan krijgt hij in exact alle gevallen precies nul seconden applaus. Laat ik het zo zeggen: mensen van wie min of meer geaccepteerd wordt dat ze het uitblijven van resultaat proberen goed te maken met klagen over de zwaarte van hun vak hebben natuurlijk simpelweg een onzinvak, of ze zijn incapabel.
Kritiek op het nonchalante strooien van hapklare kreten kon natuurlijk niet uitblijven, en dus voegde de burgervader in een diepte-interview nog toe dat er volgens hem toch ook goede ontwikkelingen waren; het aanbod van entertainment via de verschillende media was sinds zijn aantreden immers gestegen, en dat had hij dus maar mooi geregeld. Maar een dergelijke uitspraak levert allicht alleen een geruststelling op voor de unhappy few die niet begrijpt dat als twee ontwikkelingen tegelijk of vlak na elkaar plaatsvinden dit nog niet hoeft te betekenen dat de een de oorzaak van de ander is. En gelukkig is er voor die unhappy few daarnaast volop verstrooiing te vinden om de vrolijkheid wat op te krikken met het enorme aanbod van entertainment via de verschillende media, dat sinds het aantreden van onze burgemeester zelfs aanzienlijk gestegen is.
Interessant blijft waarom zo’n bestuurder zou kiezen om liever een in alle waarschijnlijkheid grappig bedoelde, slordige conclusie over een oorzakelijk verband op grond van een of andere correlatie tussen twee gebeurtenissen te maken dan om bij gebrek aan zinvolle toevoeging gewoon maar te zwijgen. Het kan goed zijn dat de sociolinguïst (en theoloog) Surbeck hier een verklaring voor heeft. Volgens Surbeck prefereren mensen vaak het zeggen van iets stom of iets geks boven het helemaal niets zeggen, puur om de macht over de communicatie niet kwijt te raken. Hij verwoordt dit onder andere als volgt in zijn (toch best omstreden) stelling van Surbeck: het grootste probleem van een gesprek tussen mensen vloeit voort uit de eis van het individu om de autonomie en de individualiteit van zijn uitingen te bewaren tegenover de sociale krachten van de communicatie als geheel.
Wat psychologischer zegt Surbeck daarover: ‘Aangezien wij de opvatting van een interpersoonlijke eenheid moeten vormen met behulp van de fragmenten van ons die we in een gesprek voor elkaar toegankelijk maken, hangt de aldus gevormde eenheid noodzakelijkerwijs deels af van onze eigen inbreng; en uitsluitend op díe inbreng hebben we echt invloed.’

Utzinger-principe

Een kwart van de parttime ambtenaren van onze gemeente is onlangs in gesprek getreden met plaatselijke wetenschappers over het vergaren van kennis over een eventuele pandemie door het opsporen van virussen in het riool. Een van deze wetenschappers, die eveneens coach van adviseurs betreffende het trainen van monitoring is, gaf hierbij aan dat virussen niet met het blote oog kunnen worden gezien, maar dat het aankleden van zo’n oog niets aan de zichtbaarheid van een virus toevoegt. Daarmee was het detectieplan ter ondersteuning van een eventuele pandemiestrategie voor de ambtenaren zomaar pardoes van de baan.
Conclusie y zou dus niet goed kunnen zijn omdat argument x voor conclusie y niet deugt. Dat ruikt meer naar gemakzucht dan naar een logische gevolgtrekking. Het is altijd wel mogelijk om een slecht argument te geven voor een ware stelling, maar dat betekent niet dat er geen goed argument voor gevonden kan worden. Het kan op de keper beschouwd niet de bedoeling zijn dat men een beetje gaat concluderen dat een standpunt onjuist is alleen omdat één argument ervoor slecht is. Hier geldt uiteraard wel een uitzondering, namelijk als het argument in kwestie het enige mogelijke argument is.
Er is best iets van een verklaring voor die beslissing van die parttimers te geven trouwens. Aangezien de conclusie van een goed argument waar moet zijn, is het verleidelijk om te denken dat de relatie tussen de ondeugdelijkheid van een argument en de onwaarheid van de conclusie in zekere zin parallel daaraan is, dus dat de conclusie van een ondeugdelijk argument dan ook onwaar zou moeten zijn. Maar zo’n conclusie van zo’n ondeugdelijk argument kan natuurlijk zowel waar als onwaar zijn. Het verkeerd begrijpen van deze asymmetrie tussen jofele en mesjogge argumenten is waarschijnlijk een psychologische bron van deze denkfout, wat nog versterkt wordt door de wetenschap dat onwaarheid nou eenmaal vaker voorkomt dan waarheid.
Ja, leugens komen vaker voor dan men zou hopen, en dit gegeven is ook nauwkeurig bestudeerd door de Luxemburgse socioloog en econoom Utzinger. Utzinger was er heilig van overtuigd dat de deugdelijkheid en zuiverheid in onze wereld is ondergesneeuwd door bedrog en onechtheid. De op pure kansberekening gestoelde soort van wetmatigheid die hij hiervoor opstelde, wordt ook wel het zekerheidsprincipe van Utzinger genoemd en luidt als volgt: als je twijfelt of iemand liegt, kun je er het beste van uitgaan dat er inderdaad gelogen wordt. Volgens Utzinger is het zelfs onmogelijk om niet te liegen. De mens is namelijk niet in staat om de pure waarheid te formuleren. Telkens als men iets zegt zal men een nuance – hoe licht en goedbedoeld ook – aanbrengen aan zijn uiting, om dingen mooier of leuker of interessanter of spannender te maken, waardoor de zuiverheid van de boodschap in enige mate wordt geschaad.
Utzinger zag onwaarheid weliswaar in zeer brede zin: als alles wat niet exact op de waarheid past. Over het algemeen hebben mensen daar een andere opvatting met wat speelruimte over; bij luttele afwijkingen van de waarheid mag deze doorgaans best ‘afgerond’ worden tot een hele waarheid. Houd bij communicatie met de overheid het principe van Utzinger wel altijd binnen handbereik!

Cadonau-effect

Onlangs vroeg de plaatselijke insolventieadvocaat mij hem te begeleiden naar zijn bijscholing voor klassenjustitie (met extra veel studiepunten) en hem daarna in peppi-en-kokkitaal (die tegenwoordig ook heel populair is als voertaal bij cursussen voor het trainen van de monitoring tijdens het geven van advies) uit te leggen wat er precies gezegd was. Maar dat was nog lastiger dan ik had verwacht. Een dubbelzinnigheid blijft bij een uitleg ervan in makkelijke bewoordingen toch nog steeds een dubbelzinnigheid, immers.
Beschouw de volgende zin: niemand zal terechtstaan voor een financieel of anderszins gruwelijk misdrijf, behalve in gevallen die voorkomen bij de laagste of middelste klasse, of bij de elite, tenzij de economie van het land hierbij niet gebaat lijkt.
Het is niet absoluut duidelijk of de zinsnede ‘tenzij de economie van het land hierbij niet gebaat lijkt’ alleen betrekking heeft op de elite of op het geheel van de laagste klasse, de middelste klasse én de elite. Het kostte, terecht, nogal wat tijd om dit goed toe te lichten, maar omdat onze advocaat mij op den duur niet meer kon betalen, moest ik abrupt afronden, waarna rekenfouten (of oneffenheden in de significantie) voor lief genomen moesten worden. Een week later belde ik hem, in mijn vakantiehuis in Griekenland, om te vragen of alles goed was. (Wat hij precies in mijn vakantiehuis deed, is mij nog steeds een raadsel. Ik weet wel zeker dat hij het was, want ik zag hem die middag nog met mijn verrekijker. Hoe hij aan mijn verrekijker kwam, is mij eveneens onduidelijk.) Over mijn commentaar gaf hij aan dat hij met steeds minder tevreden was, waaruit ik kon opmaken dat hij óf meer informatie nodig meende te hebben óf minder. Er zat daarom niets anders op dan hem hierover door te vragen, wat uiteindelijk resulteerde in deze opmerking van hem: ‘Houd nou eens op met het veroorzaken van dat Cadonau-effect de hele tijd!’
Maar het had natuurlijk niks met het Cadonau-effect te maken. Waarschijnlijk was de beste man in de war met het Muntwyler-effect (vermoeidheid en/of irritatie die optreedt door het onderworpen worden aan herhaling van een talige boodschap – vorm en/of inhoud betreffend). Maar goed, dingen door elkaar halen is dan ook waar juristen voor gestudeerd hebben. Nee, het Cadonau-effect wordt juist gebruikt om de emotionele lading van een conversatie te sturen: het (de)escaleren van de sfeer van een gesprek door standvastig timbre, spreekvolume en andere karakteristieken van je stem aan te passen.
Want hoe kunnen we bijvoorbeeld boosheid ontwapenen? Misschien door zelf veel minder boos te zijn; misschien door de verleiding te weerstaan onze emoties te laten verworden tot oncontroleerbare gemakzucht; en misschien door zelfs onze onverschilligheid onder de loep te nemen om te zien of die niet kan worden omgebogen tot inlevingsvermogen.
Een communicatieve houding die vervulling zoekt in het puur en eenzijdig najagen van het eigen gemoed past niet in een efficiënte communicatie, volgens Cadonau, omdat deze zichzelf niet aan banden kan leggen, terwijl de omgeving waarin deze wordt geplaatst juist beperkt wordt door onbegrip. Cadonau zegt verder dat het besef daarvan veel breder en dieper gaat dan communicatie zelf, met wortels in het onderwijs – en tevens van belang is voor onafhankelijkheid en zelfredzaamheid.