Fischer-thesis

Een van de meer incoherente pensionado’s in ons dorp, een man die min of meer per ongeluk in de jaren ’80 een fortuin vergaarde met trainingen aan adviseurs over de coaching tijdens monitorwerkzaamheden, liet ons onlangs een houterige ingezonden brief lezen over de geneugten van het pre-colatijdperk. Überhaupt is de fizzy drink tegenwoordig vaak genoeg al reden genoeg voor een supermarktbezoek. Maar mayonaise zit ook in die hoek; vaker dan men denkt is men op zoek naar een excuus om mayonaise te kunnen eten, bijvoorbeeld ter begeleiding van een frikadel. Suiker en vet laten de moderne wereld draaien. Nu is vet wellicht makkelijk uit de ons omringende natuur te onttrekken, maar het produceren van suiker is voor de huis-tuin-en-keuken-doe-het-zelver nogal lastig. Met andere woorden: om suiker thuis in je voorraadkast te krijgen moet je meer overlaten aan het delegeren dan om vet op je aanrecht te toveren. Onze briefschrijvende babyboomer liet dit punt – begrijpelijk – liggen, maar hij bracht wel naar voren dat, volgens hem, zijn vrienden en hij een goede smaakontwikkeling hebben, omdat, volgens hem, zijn vrienden en hij geen zoete rotzooi als cola drinken en, volgens hem, mensen die wel zoete rotzooi als cola drinken geen goede smaakontwikkeling hebben.
Klinkt best logisch, dat laatste. Als je niet te veel oplet, tenminste, en als je tegelijkertijd naar het vrolijke geluid van koolzuurbubbeltjes aan het luisteren bent.
Maar het enige dat, volgens mij, uit deze woorden zou kunnen worden afgeleid, is dat er mogelijk coladrinkende mensen in ons midden zijn met een smaakontwikkeling die nogal te wensen overlaat – en dat onze gepensioneerde vriend waarschijnlijk vrienden heeft.
De conclusie van de senior komt voort uit twee negatief verpakte vooronderstellingen. Maar de gevolgtrekking is juist positief: bepaalde mensen hebben een goede smaakontwikkeling. En met negatieve uitgangspunten (zoals ‘geen x is y’ of ‘sommige x-en zijn niet y’) is dat gewoonweg niet jofel. Hier geldt eenmaal niet dat negatief maal negatief positief maakt.
Toevallig sprak ik die zeventiger gisteren over zijn soortement van essay, en het viel me op dat geen enkele van zijn toevoegingen aan de conversatie werkelijk voortborduurde op het bedoelde gesprek. Dan had de sociolinguïst Fischer dus toch gelijk (en gelukkig maar)! Dat moest ik het hele babbeltje denken. Wellicht had dat er vooral mee te maken dat ik die ochtend had zitten lezen over de Fischer-thesis.
Fischers gedachte was dat de uitingen van mensen een dialoog sturen en niet andersom. Dit lijkt een wat flauwe, zelfs voor de hand liggende hypothese, maar in Fischers tijd was de gangbare aanname dat de dialoog zelf juist de deelnemers ervan aan de hand neemt en hun uitspraken in het verdere verloop bepaalt. Veel academische takken waren destijds vol van dit idee van de opgelegde psychologie, en Fischer besteedde het grootste deel van zijn carrière aan de strijd tegen deze school – de lijvigste uiteenzetting van deze visie is te vinden in zijn The Conversational Theory of Shared Individualism, waarin hij de functie van de eigen inbreng (qua discours) en de daaruit voortvloeiende alomtegenwoordigheid in zo goed als alle wetenschappelijke literatuur tot die tijd onderzoekt.

Stelling van Kastein

Sigaretten en andere rookwaar zijn onlangs, na een vurige demonstratie, compleet uit onze gemeente verbannen. Een dorpsgenoot had ergens gehoord of gelezen dat je van roken doorgaans gaat hoesten en dat mensen die hoesten in de regel ziek zijn. Hij merkte tijdens een verkoudheid ineens op dat hij een sigaret aan het roken was – en zo kwam de bal aan het rollen. Roken zou ongezond zijn. (Later schreef die dorpsgenoot in zijn dagboek: ‘Ik was vanmiddag wat snotterig, maar toch professioneel online advies aan het geven over trainingen van de coaching tijdens het geven van cursussen. Plotseling werd ik overmeesterd door een geforceerde uitademing, waarbij mijn stembanden gewelddadig uiteen werden geduwd en ik getuige was van een soort knallend, krassend geluid. Van schrik liet ik mijn sjekkie vallen.’) Niet voor niets waren er tot voor kort geregeld op strategische plekken in onze gemeente spandoeken met teksten als ‘Hoesten gebeurt onder dwang van virussen en bacteriën, dus stop met roken!’ of ‘Roken los je niet op door besmettelijke aerosoldruppels in je elleboog te hoesten!’ te vinden. En van het een verdween het ander.
Wel hebben we hier te maken met een nogal rare doorgeefredenering, meen ik. Mensen die hoesten (x) zijn ziek (y). Rokers (z) hoesten (x). En dus zijn rokers (z) ziek (y). Dat het woord hoesten uit het ene argument precies past op het woord hoesten van het andere argument geeft niet per se aan dat die twee argumenten daarom met elkaar verbonden moeten worden. (Zelfs een beetje virus voelt zich te goed voor een dergelijke overhaaste connectie die alleen gestuurd wordt door wat rijmreceptoren.) Maar deze vorm van flikflakargumentatie buiten beschouwing latend is het ook niet correct om een algemene regel te pas en te onpas toe te passen. Meer nog dan dat zelfs: geen enkele regel is zo algemeen dat hij geen uitzondering toelaat – zeker in irrelevante situaties. Dat is toch wel als een vuistregel te beschouwen.
Het is te hopen dat het anti-rookwaarcomité wist dat ze hun uitingen deden vanuit statistische generalisaties – waarbij atypische gevallen dus voor het gemak buiten beschouwing werden gelaten. Sowieso moet de tekst bij hun ophef waarschijnlijk niet al te letterlijk geanalyseerd worden. In veel gevallen zegt de manier waarop een boodschap gebracht wordt beter iets over die boodschap dan de inhoud van die boodschap zelf.
‘Ah, de stelling van Kastein!’ hoor ik een enkeling van u nu zeggen. Thomas Kastein had hier inderdaad een mooie theorie over, en het is jammer voor hem dat de veel extravertere Marshall McLuhan stomtoevallig in dezelfde maand met precies dezelfde quote, namelijk The medium is the message, naar buiten kwam. Kastein werd zelfs nog beschuldigd van plagiaat. De kranten stonden er vol van, ruim een halve eeuw geleden.
Maar Kastein en McLuhan hadden het niet over hetzelfde. McLuhan bedoelde het veel breder, meer gericht op de media als artefacten – dat bijvoorbeeld een televisietoestel een heel andere invloed op de samenleving heeft dan een radioapparaat.
Kastein bedoelde het kleiner, persoonlijker – juist de intermenselijke taaloverdracht. Tegenwoordig zou hier de term non-verbale communicatie gebruikt worden. Dingen als mimiek, intonatie en lichaamshouding krijgen daar een rol. Maar Kastein zag dit dan weer breder: ook geschreven taal (bijv. gebruik van kapitalen of uitroeptekens) betrok hij bij zijn theorie.

Wet van Schmidt

Een van de vele politieke ambtsdragers die onze gemeente rijk is, werd onlangs, geheel volgens de gang van het spelletje, weggestuurd – toevallig juist diegene die heel bedreven is in recepties. (Gelukkig kon hij meteen weer terugvallen op zijn oude vakgebied, te weten het monitoren van de coaching tijdens cursussen over het geven van trainingen.) En dat waarschijnlijk alleen maar omdat er een meningsverschil was over de betekenis van het woord ‘liberaal’. De denotatie ‘volksgezind’ overlapt blijkbaar niet voor iedereen met de omschrijving ‘een cocktail van kapitalisme en elitarisme tot in den treure minnend, op het racistische af’.
Nu kan ‘liberaal’ beide dingen inhouden, zonder daarbij het woord opzettelijk qua beduidenis volledig te kapen of te belasten met een lading die er in hoge mate enkel is om een emotionele reactie op te wekken. De ene aanduiding is simpelweg wat ouderwetser dan de andere, en de huidige betekenis hoeft niet noodzakelijkerwijs gelijk te zijn aan de historische betekenis ervan. Er is wat dat betreft ook niet een ‘ware betekenis’ van een woord – iets waar sommige oude Grieken, op Lesbos wellicht, weleens over mijmerden, terwijl ze aan elkaar ongetwijfeld een amfoor met wijn doorgaven. Semantische verandering is hoe dan ook in veruit de meeste gevallen een vloeiend proces, met een omslagpunt dat net zo lastig aan te wijzen is als dat bij de transformatie van jong naar oud – en de verschillende ladingen van een woord zullen ook heus wel, in meer of mindere mate, naast elkaar blijven gelden, volgens een verdeling die, in ieder geval in een bipolaire situatie, waarschijnlijk erg fraai visueel weergegeven kan worden met een Gausscurve.
Maar welke waarde een woord nou precies waar en wanneer en hoe en waarom heeft, is in een communicatie feitelijk niet het thema. Als het doel is om te communiceren, dan is de ‘geldende’ of ‘ware’ betekenis van een woord de huidige, meest gebruikte betekenis ervan. Dat is toch wel de ongeschreven regel die dan van kracht is. Een misschien nog wel belangrijkere regel is dat men elkaar in een communicatie niet dirk-poep-in-’t-handje moet noemen ter introductie van een wedstrijdje koppig zijn. En nutteloos lijkt het me niet als in dezen de betrokkenen te rade gaan bij de taal- en cultuurfilosoof Rufus Detlev Schmidt – uiteindelijk gaat het immers om een begrip dat wordt overgebracht, niet om een correcte set van formaliteitjes.
De wet van Schmidt is misschien wel de herkenbaarste uit de communicatiekunde, althans de westerse variant van dat vakgebied, en dat komt wellicht omdat de strekking duidelijk in de lijn van de christelijke traditie ligt: voor men anderen op diens fouten wijst, is het goed de hand in eigen boezem te steken. Schmidt formuleerde zijn wet op de voor hem typerende zinspreukerige manier: roepen dat andermans shirt besmeurd is, maakt onterecht populairder dan verklaren dat eigenlijk ieders shirt wel voorzien is van minstens één vlek.
Zelfs in de positief-negatieve uitleg, zoals Schmidt het noemde, geldt dit nog. Volgens hem moet je jezelf iets wat goed genoeg is niet ontzeggen door een drang naar het perfecte.
Gelukkig biedt Schmidt ook een oplossing. Namelijk oefenen. Je kunt beter (effectiever, zinvoller) worden in communicatie door te oefenen. Leren praten stopt niet bij het zeggen van ‘mama’, en eigenlijk nooit.

Paradox van Krämer

Er was onlangs nogal wat ophef in ons dorp over een jongerenontmoetingsplek vlak bij een van de gemeentegrenzen. Vooral de wijk die op een steenworp (maar dan wel een worp van een goed getrainde jongeling) afstand van de plek begint, meent kabaal te moeten maken. Een zelfbenoemde woordvoerder hiervan, een man die bedrijfsmatig de coaching verzorgt van adviseurs die zich richten op de monitoring tijdens trainingen en die volgens enkele buurtgenoten ook een expert is in het dingen zeggen, had het volgende te melden: ‘Ja, wij gunnen de jeugd natuurlijk alles, maar wij dachten dat het bij ‘ontmoeting’ dus om de specifieke definitie ‘elkaar treffen’ ging, en niet dat het de bedoeling was dat men daar dus apathisch en hinderlijk bleef plakken.’
En ergens hebben deze omwonenden ook wel dubbel en dwars gelijk. Naast de legio voordelen van een jongerenontmoetingsplek heeft ze bovendien een nadeel: ze trekt namelijk jongeren aan. Maar argumentatie van de buurtbewoners dat de bewuste zithoek de lelijkste is die ze ooit gezien hebben, valt daarbij gevoelsmatig toch wel in het niet. De kans is ongeveer de helft van nihil dat men een gedegen esthetisch onderzoek heeft gepleegd naar verschillende jongerenontmoetingsplekken in ons land of eventueel de rest van de wereld.
Context blijkt maar weer een lastig iets. Het verlies ervan laat de natuurlijke ambiguïteit van woorden gelden. Met een uitleg kan bijvoorbeeld ineens duidelijk worden dat het voorgaande eerder ironisch dan letterlijk bedoeld was. Andersom kan het verwijderen (lees: niet vermelden) van een omringende passage juist een venijnige tactiek zijn om de strekking van een uiting te vertekenen. Als we van onze bovengenoemde spokesperson enkel de soundbite ‘wij gunnen de jeugd natuurlijk alles’ citeren, en verder niets dus, dan doen we uiteraard geen recht aan zijn feitelijke uitspraak. Het is daarom goed om te beseffen dat we, gevoed vanuit onze welwillendheid, altijd voldoende context aan moeten bieden om de betekenis van het gezegde niet verkeerd voor te stellen.
Niet iedereen heeft standaard hetzelfde begripskader, immers, en proactief gaat men zelden op zoek naar elkaars perspectief. Sterker nog: men heeft over het algemeen weinig behoefte aan andermans context en blijft het liefste bij zijn eigen vertrouwde web van denotaties en connotaties. Toch moeten we ons hier, om een communicatie effectief te maken, overheen zetten – zo predikt de veelgeprezen psycholinguïst Krämer in ieder geval in zijn wat cynische discourstheorie.
Even – wellicht overbodig – de paradox (die niet echt een paradox is) van Krämer in herinnering brengen: het verkrijgen van nieuwe kennis doet ons pijn, maar we hebben haar nodig om onze macht te vergroten.
We voelen ons veel te veel op ons gemak met wat we al wisten en vonden om dat waar we (nog) niet aan hadden gedacht, wat we niet hadden verwacht, zomaar aan te nemen. Dat is wat Krämer met het eerste deel van de paradox aan wil geven. Maar – en hier komt het cynisme om de hoek kijken – Krämer is daarnaast stellig van mening dat macht een van de weinige herkenbare doelen is geworden in een communicatie. En macht wordt nou eenmaal meer en meer levensvatbaard met de input van nieuwe informatie.

Huppertz-effect

Het werkbezoek onlangs van Arthur van Amerongen en Henk Westbroek aan onze gemeente verliep wonderbaarlijk goed, op de continue interrupties na van een plaatselijke ondernemer – zijn bedrijf verzorgt cursussen aan adviseurs over de monitoring van coaching – die aan iedereen duidelijk moest maken dat hij niet wist wie die Arthur Westbroek en die andere gozer waren.
Toen Van Amerongen op een gegeven moment aangaf dat er in ons katholieke gewest helemaal geen aparte dodenherdenking hoeft plaats te vinden, omdat we immers ieder jaar met Allerzielen onze rouwlusten al bot kunnen vieren, kwam er een discussietje op gang. Westbroek kon zich hier niet in mengen, omdat hij toevallig net de hele tijd drank aan het halen was, maar hij was het wel met elke geponeerde stelling feestelijk oneens.
Uiteindelijk ging de laatste bus.
En omdat men te veel bezig was geweest met het sorteren van pek en veren had men geen tijd gehad om overtuigende argumentatie te bezigen. Men had onder andere kunnen zeggen: ‘Hela, luister eens, Arthur, sommige eigenschappen zijn zodanig dat, als een hele groep zo’n eigenschap heeft, de verschillende delen van die groep niet per se die eigenschap hoeven hebben. Dat bijvoorbeeld het universum miljarden jaren bestaat, wil nog niet zeggen dat alles in dat universum net zo oud is. Dus dat in de westerse rooms-katholieke traditie op 2 november alle doden worden herdacht, houdt nog niet in wij in ons eigenzinnige bolwerkje dat eveneens moeten doen.’ En men had kunnen aanvullen met: ‘Ja, want wij eisen ook niet van de mensheid dat ze de bevrijding vieren gerekend vanaf een datum waarop elders in het land nog volop honger en ellende heerste en het nog wel een jaartje zou duren voor de Amerikanen met het vermoorden van meer dan honderdduizend mensen in twee klappen een beslissend einde maakten aan die bewuste wereldoorlog.’
Westbroek was het hier allemaal waarschijnlijk lustig niet mee geweest, en Van Amerongen had niet eens de moeite genomen om te responderen en was gegarandeerd op de dj van die avond afgestapt om te vragen of hij/zij iets van France Gall op kon zetten of een ander lied van Serge Gainsbourg. Maar goed, zo werd de discussie dus niet gespeeld. En dat hoefde ook niet. Als één (denkbaar) exemplaar van de mensheid op een bepaalde manier reageren zou, dan betekent dat nog niet dat het hele mensenras op gelijke wijze moet reageren.
Maar de boel maar op zijn beloop laten is niettemin niet altijd gewenst. Sowieso kan het hebben van een weerwoord in veel gevallen leerzamer zijn dan zwijgen. Ik denk hierbij vooral aan het wellicht tegenwoordig wat minder gekende Huppertz-effect, dat aangeeft dat je je eigen argumenten pas (echt) leert kennen, als je ze uitspreekt, als je ze hardop zegt. Andersom: als je je mond houdt, kun je je gedachtegang uiteraard niet horen.
Je zou zeggen dat Huppertz hiermee de school van Freud volgt, maar hij komt uit een heel andere hoek, namelijk de politiek. Van hem is ook de zienswijze dat het simpele beschrijven van de realiteit het meest vooruitstrevende is dat een politicus kan doen. En als hij niet op veertigjarige leeftijd doof was geworden, had hij het naar hem genoemde effect vermoedelijk grondiger kracht kunnen bijzetten.

Rojan-principe

Om de employés voldoende aan het werk te houden heeft het plaatselijke casino hier onlangs opdracht gegeven om voor elke dorpsgenoot een taxatierapport op te laten maken. Wat er precies in dat verslag komt te staan is vooralsnog onduidelijk, maar de aangewezen taxateur (toevallig uit hetzelfde rotaryclubje als de portier) heeft al wel aangegeven dat hij sowieso vermogensschade, inkomensschade, bijkomende schade en deskundigenkosten als componenten zal onderzoeken. Het project zal enkele jaren in beslag nemen, daar de man taxaties slechts als nevenfunctie verricht en in het echte leven trainingen verzorgt voor het geven van cursussen aan adviseurs inzake monitoring.
Degenen van de dorpsbevolking die al benaderd zijn, hebben laten blijken nogal moeite te hebben met de communicatie van de waardebepaler. Op vragen over het hoe en waarom van de opzet, werd hooguit een afwijkend antwoord gegeven met de strekking: ‘Dit is een goede manier van werken, omdat het in orde is.’ Zoals wij zien wordt het uitgangspunt bij deze feedback simpelweg ongegeneerd met een herformulering ook als conclusie gebruikt. Beetje vervelend natuurlijk, dat soort reacties. Beetje vervelend, omdat het niet bepaald aangenaam is.
Let wel: ik heb het hier niet over een herformulering die wellicht nog enige zin zou kunnen hebben omdat daarmee een term wordt ontrafeld die in menig van koers geraakte discussie over politieke correctheid ter tafel komt, zoals de substitutie van ‘dood’ voor ‘metabolisch niet meer actief’. Nee, het gaat over een gevolgtrekking die in wezen niet meer dan een flauwe herhaling is van een eerder genoemd argument, puur in de hoop om van het gedoe af te zijn. Een onnozele x-dus-x-constructie is dan nog goed te overzien, maar het kan veel geniepiger. Het standpunt dat als besluit geëchood wordt, kan namelijk ook deel zijn van een set stellingen die parallel of serieel met elkaar verbonden zijn.
Zo’n cirkelredenatie – en het wordt zo genoemd omdat het een cirkelredenering betreft – is moeilijker te detecteren met dergelijke complexe argumenten. Vaak genoeg wordt het geheel daarbij nog extra verhuld door het bedrieglijke gebruik van non-verbale communicatie: de schouders naar achteren, de borst naar voren, het hoofd rechtop, gepaard gaande met enthousiaste, niet-twijfelachtige bewegingen. De moeite voor de ontwarring van de belabberde argumentatie wordt dan vaak niet genomen.
Al met al heeft zo’n ‘galmreactie’ trouwens wel iets weg van het tegen jezelf praten. Daar is niks mis mee, overigens, tegen jezelf praten – hardop, of als felle gedachtestroom. Dat is zeer gezond zelfs, als we de neuroloog en psychoanalyticus S.V. Rojan mogen geloven. Vroeger, voordat psychiaters voornamelijk bezig waren met het naar bed gaan met patiënten of met het voorschrijven van kalmerende middelen om in ieder geval de omgeving van die patiënten minder last te laten hebben van hun afwijking, spanden behandelaars van deze ‘ziektebeelden’ zich nog echt in om verklaringen en oplossingen aan het licht te brengen. Rojan is daar een tekenend voorbeeld van.
Zijn beroemde principe stelt dat je met tegen jezelf praten je bewustzijn van tot welke groep(en) je meent te behoren creëert en vergroot. (Rojan heeft het over klassen.) Daarnaast ziet hij de uitspraken die je aan jezelf richt als de meest pure vorm van ironie die bestaat.

Meise-theorema

Onlangs, in een minstens veertien meter lange file voor de plaatselijke ijssalon, had een hobbydeskundige – vooral, naar eigen zeggen, op het gebied van infrastructuur en ruimtelijke kwaliteit –, die normaliter adviezen geeft over de coaching van cursussen betreffende het geven van trainingen, weer een opvallende dooddoener te melden over de niet-autosnelweg die door ons dorp loopt, namelijk dat meer wegen uiteindelijk gewoon meer auto’s opleveren. Voor en achter hem stonden ook mensen die zich met het onderwerp bemoeiden, bijvoorbeeld over meer samenhang van vormgeving, materialisatie en kleurgebruik die de weg nodig zou hebben, maar híj had toch, binnen een straal van zes keer anderhalve meter, duidelijk hoorbaar de grootste opening in zijn hoofd waarmee gesproken en gegeten wordt.
Wachtende op hun hoorntje pepermuntijs of een bolletje met een andere, minder verfijnde smaak fluisterden de mensen her en der in de rij een over het algemeen verre van vleiende boodschap over de betreffende schreeuwlelijk. En nou is het wellicht een wat zonderlinge stelling dat meer wegen juist meer auto’s opleveren, maar om daar nou op te reageren met het ter discussie stellen van het karakter van de aandrager ervan, of diens intenties, dat lijkt mij niet te komen uit de verzameling van nobele en tevens kiese uitingen. Wat maakt het bijvoorbeeld uit dat de man geen stratenmaker is? Dat hoeft nog geen invloed te hebben op de verdienste van zijn uitlating. En wat zou het ertoe moeten doen dat hij vorig jaar door roekeloos gedrag jegens een rijksambtenaar zijn rijbewijs kwijt is geraakt? De integriteit van zijn uitspraken met betrekking tot autoverkeer hoeft hier uiteraard helemaal geen last van te hebben, toch?
Het is helemaal niet erg om iemand tegen te spreken op wat hij daadwerkelijk zegt, op wat het onderwerp waarachtig behelst. Mocht het gezegde niet duidelijk zijn, dan is het ook compleet legaal om om extra opheldering te vragen. Als je niet weet hoe meteen te reageren, is het volkomen toegestaan de ander te vragen wat die eigenlijk bedoelt met zijn uiting. Die ander is er allicht niet op uit om tegengesproken te worden, maar hij wil gegarandeerd begrijpelijk genoeg zijn om te kunnen overtuigen. En zodra je dan werkelijk met de inhoud van elkaars spraak bezig bent, ben je een echt gesprek aan het voeren. Dat je het daarbij niet (altijd) met elkaar eens bent, is dan misschien juist van belang. Dat weten we ook van het Meise-theorema, dat (wat poëtisch gesteld) luidt: ‘Communicatie is het openen en sluiten van compromissen.’
Het is voornamelijk door verschil van mening dat er communicatieve vooruitgang kan worden geboekt, stelt Meise. Wil je iets bij een dialoog invlechten, dan moet je wel overtuigd zijn van de originaliteit ervan en in zekere zin ook een overwicht eraan toedichten ten opzichte van het voorafgaande. Toevoegingen aan een conversatie worden volgens die gedachte gestimuleerd door de onenigheid en de twijfel die het weerwoord naar voren brengt. En door die ‘verbale excursie’ van het gesprek aan te gaan, leer je tevens je eigen kletspraat kennen. Gaandeweg verandert elke opmerking zo de communicatie ten gunste van een volgende opmerking; en een volgende en een volgende, enzovoort, totdat er een duurzame overlap bereikt wordt – het punt waarop het onderscheid tussen overeenstemming en de afwezigheid van overeenstemming verdwijnt.

Wet van Maatz

De driejaarlijkse ondernemersprijs van onze gemeente is onlangs uitgereikt aan een vennootschap die zich met blijkbaar veel succes de afgelopen jaren beziggehouden heeft met het coachen van de monitoring tijdens trainingen over het geven van cursussen. Het toekennen van deze overwegend op bedrijfskwaliteit gerichte prijs werd voor een allerminst onbelangrijk deel beïnvloed door de bekendheid van de betreffende ondernemer. Hij is namelijk niet alleen lid van de biljartvereniging, het toneelgenootschap en de yogagroep alhier, maar ook van de kaartclub, de fietsclub, de dartclub, de filmclub, de kaatsclub, de ijsclub, de schaakclub, de kookclub, de golfclub, en het ornithologisch gezelschap. Bovendien gebruikt hij in elk gesprek dat hij voert wel het woord ‘zelfreflectie’, waarmee hij altijd haast ontelbaar hoge ogen gooit bij de niet al te kritische, maar wel stemgerechtigde bevolking. In het juryrapport stond dan ook dat de beste man met zijn reputatie ongetwijfeld eveneens de monitoring van andere zaken goed zou kunnen coachen en dat hij zelfs bedreven zou zijn in het coachen van activiteiten die niet eens met monitoring van doen hebben.
Populariteit is, dat weten we allemaal, een prima meet- en keuzemiddel. Zo is ongeveer tachtig procent van de auto’s in ons dorp van het merk waarvan de televisiereclames hebben uitgewezen dat alleen coole mensen daarin rijden. En in alle horecagelegenheden hier wordt alleen maar de priklimonade met colasmaak besteld waarvan een bekende Hollywoodacteur in verschillende commercials duidelijk aangeeft dat dat toch echt wel de lekkerste is. Want als een aanzienlijk aantal mensen ergens voorstander van is, dan kan het niet anders dan dat dat waar moet zijn.
Maar het zou misschien ook kunnen zijn het lokken van mensen om dat wat populair is te zien als de juiste keuze een (vaak) misleidende methode van (vooral) marketeers is – je weet wel, die lieden die de politiek in de wereld van de reclame hebben getrokken. Het verleidelijke aanbod om met een simpele transactie de schijn te hebben dat je bij de groep van mooie, gelukkige mensen hoort, doet, als je het nog eens goed bekijkt, eigenlijk niets ter ondersteuning van een dwingende noodzaak dat je de, zeg, geadverteerde hamburger daadwerkelijk moet kopen. Al keurt een overgrote meerderheid een product of persoon juichend goed, dan is dat op zich nog steeds geen reden om klakkeloos mee te gaan doen.
Uiteraard is het meegaan in een dergelijke misleiding wel ieders recht. Je hoeft daar anderen niet op aan te spreken. Mensen mogen immers zoeken naar het eigen geluk daar waar ‘alle anderen’ het ook doen. En bovendien is er al confrontatie genoeg in de wereld. Zelfs in een triviaal huis-, tuin- en keukengesprek ligt disharmonie op de loer. De wet van Maatz zegt per slot van rekening dat elk gesprek slechts drie reacties verwijderd is van een ruzie. (Met reactie wordt hier elke toevoeging – over en weer – aan de dialoog bedoeld.) Bekender is Maatz wellicht van zijn veel geciteerde uitspraak: ‘Sommige zinnen vertellen slechts een woord, en sommige woorden vertellen hele zinnen.’ Maar die quote maakt de naar hem genoemde wet eigenlijk alleen maar benauwender.
Toch is het niet de bedoeling van deze wet dat we in conversaties steeds met voorspellingen bezig zijn. De les die we kunnen trekken is wel dat je met een gezonde hoeveelheid fatsoen in je doen minder op je hoede hoeft te zijn.

Mihaescu-matrix

Een plaatselijk bedrijf hier dat de monitoring verricht bij trainingen voor het coachen van adviseurs heeft onlangs een regionaal record gebroken door maar liefst elf uur aan één stuk door te vergaderen. Wat een daadkracht! Wat een volharding! Dat er uiteindelijk niets besloten is, doet natuurlijk niets af aan de intensieve arbeid die door alle deelnemers aan de assemblee werd toegevoegd.
Nu is verslingerdheid aan vergaderen niet voor iedereen weggelegd. In veruit de meeste gevallen komt dit voort uit een aaneenschakeling van gebeurtenissen, waarvan alle overgangen – uiteraard – onvermijdelijk zijn. Het begint vaak met op een avond een keer of tien per ongeluk over een hond heen rijden, en dan is de volgende stap ongetwijfeld vandalisme, waarna je gaat roken, wat weer resulteert in het missen van de zondagsmissen, en de neerwaartse spiraal stevent dan onherroepelijk af, via geregeld vloeken, op een liefde voor zinloosheid en dus vergaderen.
Nou is het oorspronkelijke idee achter een overleg niet verkeerd, maar het komt in de praktijk maar al te vaak voor dat in zo’n bijeenkomst het hoogste woord wordt gevoerd door lieden die iets vinden terwijl ze niet eens weten wat ze aan het zoeken zijn. En, ja, je mag dingen vinden – het kan alleen doorslaan naar arrogantie als je dat vinden van je ook nog eens te pas en te onpas onmisbaar belangrijk vindt. Sowieso zijn zij die lang van stof zijn in de meeste gevallen simpelweg informatie aan het herhalen en/of van predicaten aan het voorzien die niet werkelijk ter zake doen en tevens niet per se van toegevoegde waarde zijn voor degenen aan wie de spraakuiting gericht is. Versierd taalgebruik kan beslist heel fraai zijn, maar het rijmt niet met het doel van een vergadering.
De wending naar het lange vergaderen (en dus het potsierlijke, inhoudsloze praten) is lastig te verklaren en wellicht zelfs een onbewuste revolutie te noemen. Er is namelijk in de jaren ’20 van de vorige eeuw een internationaal project in gang gezet met een focus op het gestructureerder maken van de communicatie (met name de spreektaal – voorheen sprak men veel meer in metaforen dan nu). Dit plan was gegroeid vanuit het militaire apparaat en zou de mondiale samenwerking tegemoet moeten komen. Het project werd geleid door de oorspronkelijk uit Moldavië afkomstige Amerikaan Mihaescu, en werd vooral (wat propagandistisch) naar buiten gebracht via de opkomende de media radio en – later – televisie.
Het manifest kent vijf standaardregels, de zogenaamde Mihaescu-matrix: 1. Communicatie moet ‘open’ aangeboden worden, wat min of meer betekent dat de onderliggende gedachte door de andere partij eenvoudig begrepen moet kunnen worden; 2. Er moet een mogelijkheid zijn iets aan de vorige uiting toe te voegen – elke uiting zou als het ware een platform moeten zijn voor een volgende; 3. ‘Verdichtingen’ moeten, waar het kan, worden vermeden – doelend op het gebruik van beeldspraak; 4. Het moet mogelijk zijn – in optimale gevallen – dat anderen overal kunnen inhaken in het gesprek; 5. Men moet praatgenoten niet lastigvallen met uitgebreide reflecties en evaluaties, maar men moet zich juist richten op hoofdlijnen.
En grappig genoeg lappen we tegenwoordig deze ‘werkinstructie’ juist bij niet-officiële, sociale gelegenheden een stuk minder aan onze laars.

Stelling van Brumbach

Pasolini had, als hij nog geleefd had, alle drama in de bestuurscrisis van ons dorp onlangs vast interessant genoeg gevonden om er een grootse, meeslepende film uit te persen. (En dan bedoel ik natuurlijk niet de politicus Giuseppe Pasolini, maar de cineast Pier Paolo Pasolini.) Ik zie de verteller van het stuk al voor me, een man die tijdens een cursus over de training van het monitoren van coaches een voorspelling toegeworpen krijgt en daarna zijn zeilen zet naar de burgemeesterswoning, waarbij hij eerst langs alle wethouders trekt om hun een tamelijk bloedeloos verhaal te ontfutselen. De film eindigt er waarschijnlijk mee dat zowel burgemeester als wethouders met al hun gemeentepolitieke ervaring en talenten ook in het buitenland hadden kunnen gaan werken voor een veel hoger salaris, en dat ze door hun nobele keuze om gewoon in Nederland te blijven uiteindelijk worden vrijgepleit.
De berichtgeving van de crisis zinspeelde op een haperen van het college, maar ook van de raad; er werd een decor gebouwd voor een kat-en-muisspel waar de honden geen brood van lusten. De journalistiek zal er in ieder geval altijd van smullen als aanklachten met aanklachten worden tegengegaan, met de bedoeling de aandacht af te leiden van het oorspronkelijke argument – en dat een werkelijke aanpak van het probleem achterwege blijft. Als een dergelijke bal wordt teruggekaatst, is het voor de waarheid van de oorspronkelijke kritiek irrelevant of de veroordeler schuldig is aan een soortgelijke, foutieve terechtwijzing. In een discussie is zo’n afleidingsmanoeuvre jammer genoeg nogal effectief, omdat de andere partij zich vaak gedwongen voelt om zich tegen de beschuldiging te verdedigen.
Een gemene vorm is de betichting die gesteld wordt in een vraag die in feite bestaat uit twee vragen. Bijvoorbeeld: ‘Wanneer bent u precies gestopt met het verstrekken van valse informatie?’ Een dergelijke vraag is bedoeld om de ander in de val te lokken, en het is dan ook van belang eerst goed na te denken voor men deze beantwoordt. Een reactie als ‘Helemaal nooit!’ kan de bedoeling hebben dat men allicht niet kan stoppen met iets wat men niet doet, maar de opponent zal die uiting simpelweg gebruiken om de interpretatie dat er valse informatie verstrekt is nog meer te bevestigen. En om er zeker van te zijn dat je je bij het beantwoorden van een vraag niet in je eigen voet schiet, is het zowaar wel listig om te reageren op de (schijnbare) hypocrisie van de belager.
Laat ze maar komen met iets als: ‘Waarom x je nog steeds y?’ Je moet dan braafjes terugtrappen met: ‘Nou, zullen we het anders eens over jouw z hebben?’ Zo’n tegenaanval is gegarandeerd onderdeel van elke opleiding tot bestuurder.
In een situatie waarin verwijten over en weer de boventoon voeren, moet ik altijd denken aan de werken die ik gelezen heb van de politicoloog en socioloog Brumbach. Iedereen die iets bestuurskundigs doet of wil gaan doen zou Brumbach moeten lezen. In zijn beroemde stelling geeft hij aan dat communicatie is gegroeid uit de onwil om onnodig lijden toe te brengen, en dat die ook vooral zo gebruikt moet worden. Dit lijkt wat simpel, en is het eigenlijk ook. Maar soms moet je juist dingen niet moeilijker maken dan ze zijn. En veel welwillende filosofieën verkondigen ruwweg hetzelfde: als je niets positiefs kunt zeggen, zeg dan niets.