Lauenburger-principe

Bij de jaarlijkse Classic Car Rally van ons durpke onlangs werd de 1e plaats gedeeld door een donkerblauwe auto, die gesponsord werd door een bedrijf dat de monitoring doet voor adviseurs van cursussen over het regelen van trainingen, en een beige auto, die gesponsord werd door een bedrijf dat trainingen verzorgt voor het geven van cursussen in het coachen van monitoring. De bestuurder van de beige oldtimer zei na afloop: ‘Gaaf dat er zo veel aandacht voor deze sport is, en zo’n verscheidenheid aan sponsors!’
Zijn bijrijder voegde er nog aan toe: ‘En precies toen we finishten, ging de zon ineens schijnen. Dat kan geen toeval zijn!’
Is, mogen we hopen, bedoeld als grapje, dat laatste. Maar humor voortkomende uit zelfspot is wel grappiger dan die die uit een vorm van hoogmoedswaanzin is gegroeid. Natuurlijk kan het wel toeval zijn dat de zon gaat schijnen als je over een of andere streep rijdt. Sterker nog: het ís toeval. (Wetende dat de finish van de rally zich niet aan het einde van een donkere tunnel bevond.)
Dat je naar beneden valt als je met je klassieke autootje uit een vliegtuig springt, dat is wel een voorbeeld van geen toeval. Dat de deurbel bij je thuis gaat op het moment dat op televisie ook de deurbel klinkt niet. De zwaartekracht heeft ons nog nooit in de steek gelaten – de programmering op tv wel, maar dat is een andere kwestie.
Maar als twee gebeurtenissen tegelijk of vlak na elkaar plaatsvinden hoeft dat dus zeker geen oorzakelijk verband tussen die twee te betekenen. Ze kunnen par hasard samenvallen, of er zou ook nog een derde gebeurtenis kunnen zijn die de trigger van het geheel is. Als twee kegels vallen kan de een de ander om hebben gestoten, maar er kan ook tegen beide kegels een bal gerold zijn. En het kan zelfs zo zijn dat oorzaak en gevolg zo dicht bij elkaar liggen dat de volgorde verkeerd wordt gezien. De kans dat de onbaatzuchtige jongen bij de bank die jouw beleggingsportefeuille regelt bepaalde causale verbanden misinterpreteert, is dan ook groter waarschijnlijk dan je (eigenlijke) winstmarge. (Met een auto gaan toeren is voor zo’n piepeltje overigens wel een logisch gevolg – op een gegeven moment is zijn verzameling manchetknopen namelijk compleet.)
Toch is het goed haarkloverij soms fijn in het daarvoor bestemde vakje te laten liggen. Iemands taaluitingen hoeven niet altijd onder een loep te worden gelegd. Dat leren we van het Lauenburger-principe: natuurlijke, ongedwongen communicatie gaat nu eenmaal gepaard met ‘onvolkomenheden’.
Het heeft wel iets moois dat mensen niet te veel vooraf afwegen en op voorhand corrigeren wat ze gaan zeggen. Communicatie mag juist – behalve wellicht in bepaalde professionele sferen – een heel natuurlijk karakter hebben, met alle onhandige uitingen van dien.
De meesten van ons praten het prettigst door het gewoon onbezonnen en onbelemmerd te doen, maar vormen van verwachte maatschappelijke correctheid door uitgebreide instructie, planning en manipulatie zorgen er soms jammer genoeg voor dat enkelen hun motivatie voor spontaniteit verliezen.
Om elkaars taalstruikelingen heen manoeuvreren houdt de puurheid van communicatie in stand. En het is ook niet handig om op elke slak zout te willen leggen. Er komt namelijk een dag dat je een slak tegenkomt en dat je toevallig geen zout bij je hebt.

Wet van Neigert

Twee kuchen nadat ik voor de ingang van gemeenschapscentrum Het Klooster aan de wijkagent een lening van acht euro zestig had geweigerd, onlangs, kwam ik een ex-roeigenoot tegen. Hij was uitgezonden door een bedrijf dat cursussen geeft over het monitoren van de coaching van adviseurs, en moest als spreker iets komen navertellen die dag op een anti-oplichtingsdemonstratie; de mondiale golf van protest had inmiddels ons dorp bereikt. Maar hij was, bleek, de weg min of meer kwijt.
De bijeenkomst moest of om de hoek zijn of ging om een of andere reden niet door, zei hij. En als het gebeuren dan niet doorging, hadden ze of zijn nummer niet of er was een storing in het telefoonnetwerk, zei hij. En als ze zijn nummer niet hadden, waren ze het of kwijtgeraakt of ze hadden het verkeerd genoteerd, zei hij. Ik vroeg of hij toevallig ook vond dat iemand of stil en bedachtzaam was of spraakzaam en dommig, waarop hij me bête en zwijgend aankeek – maar dat was van korte duur. Zijn stem pakte zijn geratel weer snel op.
Ongeveer net zo leuk als het inruimen van de afwasmachine vind ik het om in een argumentatie een set van twee in mijn ogen willekeurige mogelijkheden gepresenteerd te krijgen; al is dat uiteraard beter dan één. Alles van het besprokene en het bedoelde kan onmogelijk onderdeel van zo’n set zijn. Bij een ofwel-p-ofwel-q-situatie kan bij het wegvallen van p alleen q het geval zijn, of bij het moeten afwijzen van q alleen p. Maar er is sowieso haast altijd een derde, vierde, vijfde optie. Want beide mogelijkheden kunnen niet gebeuren, of beide wel, en er kan ook vaak een neutrale situatie bestaan. Er is zelden één enkel alternatief beschikbaar. Bij de vraag of je koffie of thee wilt, is het een volkomen legale reactie om voor allebei te passen. En zelfs hier zijn er tinten grijs (hoe ongebruikelijk ook): je zou een mix van beide drankjes kunnen bestellen.
Hoe dan ook, mijn maatje had geen boodschap aan mijn gedachten en hij bleef ongestoord, onafgebroken en zich allerminst richtend op zijn toehoorder zijn spraakorgaan gebruiken. Gelukkig benutte ik al mijn oorspieren om hem niet op de voorgrond te horen, want het interesseerde me precies drie keer niks wat hij zei. Of iemand moet mij zinvolle informatie leveren, of ik mag beslissen om intensief niet naar diegene te luisteren, vind ik, en deze persoon gaf mij een vrijbrief voor het laatste. Toch moet je je in zo’n situatie afvragen bij wie de desinteresse nou (het meest) ligt – waarbij desinteresse zich, dat moet gezegd, streng en puriteins, maar ook breed en ruimdenkend kan openbaren.
En zo herinnerde ik me ineens de wet van Neigert. Neigert was een psycholoog, en in die branche zijn wetten allicht meer dan vuurvast. Volgens Neigert vindt er bij elke communicatie ook een innerlijke conversatie plaats. Nu ging het hem hierbij om de balans tussen die innerlijke en die daadwerkelijke conversatie. Degene die het minst aan de communicatie toevoegt, zal in een later stadium – en ergens anders – zijn innerlijke conversatie moeten spuien (getuige deze tekst). Degene die het meeste aan het woord is, heeft daar juist veel minder behoefte aan. In zekere zin is het dus goed om de ander te laten praten; zo houd je, zou je kunnen stellen, op een preventieve manier geroddel enigszins tegen.

Zinnecker-axioma

Uit de hoeveelheid rode broeken in de brasserie tegenover het gemeentehuis maakte ik onlangs op dat het borrelseizoen weer volop is begonnen. De mannen die deze broeken vullen staan doorgaans op minimaal anderhalve meter afstand van hun vrouwen en zijn door de jaren heen het synchroon drinken verleerd. Twee van hen herkende ik afgelopen sessie – tot hun pensionering runden die een bedrijf dat adviezen gaf over de coaching van het monitoren tijdens trainingen, kon ik me herinneren.
Ze speelden, luidruchtig slempend, uitbundig met misverstanden, die twee. In een setting als een kroeg is er ook niks mis mee om de dubbelzinnigheid van taal te gebruiken en een woord verderop in het gesprek in een van zijn andere betekenissen aan te halen, puur om de luchtigheid in een flauwekulconversatie te houden.
Een gangbaar voorbeeld van meerduidigheid in de taal is het homoniem. Het ligt er meestentijds voor elke bij de communicatie betrokkene zo dik bovenop dat de andere beoogde betekenis eigenlijk een afwijkende context vereist, dat hier niet al te problematisch door iedereen wel humor mee te bedrijven valt. Gevorderde grappenmakers kunnen een eigenschap van de ene betekenis gebruiken in de alternatieve context, om het ongerijmde zo minder voor de hand te laten liggen en de uiting daardoor interessanter en vaak leuker te laten zijn. Een dergelijke vordering kan ik bij mijn observaties van les pantalons rouges nooit ontdekken – maar de twee van hierboven liepen sowieso al helemaal vast in wederzijds begrip toen de een de ander naar het waarom van een bepaalde gebeurtenis vroeg.
Bij een waaromvraag kan om een reden (of, vooral in spreektaal, een oorzaak) worden verzocht, maar ook om een doel. Dezelfde interpretatie is dan zeer wenselijk. En was daarvoor de ambiguïteit nog vermakelijk, temeer omdat die door beide rode broeken om en om bedoeld en herkend werd, hier leidde de afwijkende invulling van de woordwaarde, onopzettelijk maar toch, tot ondeugdelijke reacties van de ander. De discours veranderde snel van amicale naar neutrale toon, en een goeie slok later gingen beide heren ieder op zoek naar een nieuwe gesprekspartner met een qua kleur matchende broek.
Typisch geval van Zinnecker, dacht ik toen. Zinnecker zegt, in zijn vaak aangehaalde axioma (dat ik overigens meer als een losse overweging zie), dat communicatie er in wezen op is gericht zichzelf te ‘vernietigen’ – een van de doelen van communicatie is altijd het einde van die communicatie. In onze moderne tijd met appjes is dat soms te tragisch zichtbaar. Er komt een moment dat er geen reactie meer gegeven wordt. Vaak is dat onbevredigend – voor de zender van het laatste bericht, maar ook voor de niets meer terugsturende ontvanger. Die laatste krijgt namelijk ook geen reactie meer op zijn of haar niet verstuurde bericht.
De verklaring van deze annihilatiedrang zit ’m, volgens Zinnecker, waarschijnlijk in het feit dat de ware aard van de communicatie altijd wordt vervormd, omdat elke toevoeging door de verschillende deelnemers ervan veel te veel als opzichzelfstaand wordt geponeerd, in plaats van te worden gesitueerd in termen van een gewezen opmerking waaruit zij voortkomt, en een nog te ontstane uitlating waarnaar zij hoopt te reiken.

Principes van Weisheit

In de nieuwe lunchroom (voorheen een winkel voor textiel met een op lichaamsbedekking gerichte vormgeving) van het noordelijkste winkelcentrum van het dorp hier mocht ik onlangs deelgenoot zijn van de helft van een telefoongesprek van een van een maatpak voorziene pief, werkzaam – bleek achteraf – bij een onderneming die voorziet in trainingen voor de coaching van cursussen inzake monitoring.
Dat hij zijn primaire stopwoordje – en ik zal het hier mede uit privacyoverwegingen onvermeld laten – werkelijk waar in elke zin moest gebruiken, kon ik nog net tolereren, maar dat hij in zijn betoog als bevestiging van een argument aanhaalde dat hij het in een boek had gelezen, zorgde dat ik me verslikte in mijn optimaal gekoelde johannesbessensap. In ‘een’ boek! En het uitblijven van vragen van de andere kant van de lijn fascineerde me enorm.
Uit de vage zinnen van de telefoneerder (of, zo u liever heeft, onze beller) kon ik niet goed opmaken waar de kwestie in kwestie exact over ging. Maar als er deskundig advies beschikbaar was, waarom dan niet schrijver en titel van het boek noemen? En betrof het inderdaad een boek van een autoriteit? Een die betrouwbaar en onbevooroordeeld was? En was de mening van die expert ook representatief voor het aan de orde zijnde thema? Serieuze argumentatie moet je allicht niet verwarren met een lukraak gekozen Nederlandse talkshow, waar elke ex-gevangene iets mag komen vertellen over voetbal, en elke oud-jazzzangeres iets over politiek. Dat een zekere ziel x op een of andere manier y vindt van z, wil niet zonder meer zeggen dat y z is.
De overdreven dramatische gebaren die onze telefonist (die gespreksvoerder, zeg maar) bij zijn geblaat maakte, voegden vanzelfsprekend niets aan zijn verhandeling toe, aangezien de toehoorder ze toch niet kon zien, maar deze brachten mij wel tot de associatie met de eerste twee principes van Weisheit. Het eerste luidt dat mensen doorgaans communiceren alsof ze over ongelooflijke hoeveelheden informatie beschikken (in het bijzonder over het onderwerp dat aan de gang is), terwijl dat maar al te vaak allerminst het geval is. Deskundigheid en intelligentie op het ene gebied lijken daarbij voor velen simpel overdraagbaar naar een niet-verwant gebied.
Het tweede principe zegt dat alle mensen van elkaar verschillen, en dat daarom een gelijke communicatieve behandeling juist moet worden bereikt door een ongelijkheid in informatieoverdracht. Waar de een dus, voor hetzelfde resultaat in begrip, heel veel toelichting verlangt, kan de ander uit de voeten met een enkele kreet.
En het is daarnaast best zo dat ieder zich wel bewust is van deze twee principes, alleen verdoezelt het tweede principe af en toe het eerste – als de ontvanger van een boodschap de uitleg niet echt begrijpt, denkt deze soms dat dat juist aan hemzelf ligt en is dan schaamteloos bereid te accepteren dat de zender van de boodschap wel gelijk zal hebben.
Met die uitspraken van Weisheit heb ik nooit echt feeling kunnen krijgen, moet ik toegeven. Toch wil ik er best in meegaan dat mensen die over het algemeen niet onwetend zijn, wel onwetend kunnen zijn over specifieke onderwerpen, maar dat je slechts in weinige gevallen (of misschien wel nooit) weet wanneer die onwetendheid precies toeslaat. En sowieso is hier sprake van een glijdende schaal, waarbij de trots van de ander in de dialoog nooit mag worden onderschat.
Ik werd uit mijn mijmeringen opgeschrikt toen de serveerster mijn met lunch bedekte bord voor mijn neus zette. En meteen zag ik dat die telefoonbeantwoorder en ik hetzelfde broodje hadden besteld. Mijn honger was op slag weg – hij kon immers onmogelijk dezelfde smaak hebben als ik.

Stelling van Kaselowsky

Door de afsluiting van de Burgemeester Uijenstraat en de Hoogstraat kwam ik bijna op tijd op de vergadering waarvoor ik onlangs uitgenodigd was van een bedrijf dat zich bezighoudt met het coachen van trainingen bij het geven van cursussen over advisering.
Het grootste deel van deze bijeenkomst, die de voorzitter interessant genoeg een paar inwendige kneuzingen opleverde, werd gevuld met het op verschillende manieren vertellen van dezelfde technische trucjes om gebrek aan begrip uit te buiten, maar op een gegeven moment kwam er een gesprek op gang, waarbij zelfs argumenten elkaar kruisten. Het behang in de kamer had een bijzonder aangename regelmaat – desondanks was de ontstane woordenwisseling een welkome afleiding. Het viel me op dat de deelnemers van de discussie voornamelijk bezig waren met het karikaturiseren van elkaars antwoorden en een verkeerde voorstelling neerzetten van elkaars standpunten. Het is natuurlijk heel makkelijk om andermans uit z’n verband gehaalde en opgeblazen argumenten onderuit te halen, maar het is tegelijkertijd een teken van zwakte.
Extreem gemaakte beweringen zijn simpelweg moeilijker te verdedigen, omdat ze minder of geen rekening houden met uitzonderingen, of met tegenstellingen. Om universele proposities als ‘alle p’s zijn q’ of ‘geen p is q’ te weerleggen, is immers slechts één tegenvoorbeeld nodig. Ontzenuwen van een stellingname dat accountants alleen maar een beetje getallen bij elkaar optellen, kan heel eenvoudig door aan te geven dat ze ook af en toe getallen van elkaar aftrekken.
En nou kan het best vermakelijk zijn om mee te maken hoe anderen elkaar proberen te verleiden om het meer belachelijke argument te verdedigen in plaats van het oorspronkelijke argument; op deze vergadering liep het jammer genoeg uit op een botte scheldpartij.
De meest nare dingen over elkaars manchetknopen vlogen over tafel, en ondanks het feit dat het natuurlijk onzin is dat er in de regel een sfeer van harmonie zou moeten zijn op de werkplek, moest ik aan de stelling van Kaselowsky denken. Deze zegt dat communicatie is geslaagd als anderen er geen (overdreven, blijvende) last van hebben. (Een wat engere definitie stelt dat ook de deelnemers aan de conversatie zelf er geen hinder van mogen ondervinden.)
Dit lijkt een naïeve kijk op communicatie – Kaselowsky was van huis uit rechtsgeleerde –, en je zou zeggen dat deze alleen over positieve communicatie kan gaan. Maar de stelling doelt in eerste instantie toch echt op eventueel financieel, lichamelijk of psychisch letsel. Dat betekent dat twee ruziënde mensen best een geslaagde communicatie kunnen hebben, zolang anderen maar geen werkelijk kwaad berokkend wordt, volgens Kaselowsky – wat succesvolle informatieuitwisseling is, is niet zomaar gebaseerd op de morele consensus van het volk.
Na afloop van de opmerkelijke vergadering sprak ik de voorzitter. Vanwege zijn bloedneus stond hij met zijn hoofd in zijn nek (en met zijn twee oren in zijn rechterhand) tegen de muur geleund. Ik zei dat hij wellicht beter een arts kon raadplegen, waarop hij antwoordde dat er niets aan de hand was. Aanvankelijk wilde ik aandringen en hem uitleggen dat communicatie in ieder geval niet is bedoeld om problemen te verbergen, ik besloot evenwel mijn verder te besteden tijd hieraan tot precies nul te reduceren.

Jäger-effect

Tijdens het bestuderen van een rivier- en boslandschap van de Dordrechtse schilder Albert Cuyp op de rookschadeafdeling van een internationale kunst- en antiekbeurs onlangs raakte ik in gesprek met twee dames van een bedrijf dat de monitoring doet bij de advisering van trainingen in het geven van cursussen.
Ik proefde namelijk dat het, zonder dat ze het zelf doorhadden, niet helemaal vlotte met hun communicatie – in ieder geval wat betreft de wederzijdse interpretatie. Een van de twee werkte waarschijnlijk nog niet zo lang bij het kantoor, want op de bewering van haar collega dat iemand die niet een bepaalde powerpointpresentatie x had gevolgd, niet gekwalificeerd was om een bepaalde taak y uit te oefenen, gaf zij als respons dat het volgen van powerpointpresentatie x dus een kwalificatie voor taak y opleverde. Die verkeerde omzetting liet ik wijselijk maar ongemoeid, vooral met in mijn achterhoofd dat ‘als je iemand verbetert, dan is diegene je dankbaar’ niet zonder meer betekent ‘als je iemand niet verbetert, dan is diegene je niet dankbaar’. Bovendien zijn de fouten die niet gemaakt worden altijd veel interessanter dan die die dat wel worden.
Bij de lunch – ik nam de iets te lang gestoofde vis met net niet beetgare aardappels – bleek evenwel dat de miscommunicatie geen incident was. Het kwam meerdere keren voor dat de voorwaardelijkheid die een van de dames aangaf in haar uitingen een afwijkende reikwijdte had dan die van de andere. En ook bij de wandeling achteraf, parallel aan het plaatselijke stroompje – het was zacht aan het regenen en dus werd de kade zacht –, was het zo dat ze wat betreft de logica langs elkaar heen aan het praten waren, maar wat betreft de pragmatiek elkaar prima aanvulden. De claims over en weer waren eigenlijk steeds vergelijkbaar genoeg, waardoor de meeste mensen de discrepantie niet zouden opmerken, en waardoor de dames zelf zich de afwezigheid van een werkelijke aansluiting ook niet realiseerden. Toch ging het gesprek ongehinderd en schijnbaar vlekkeloos door. Hier was sprake van wat ze ook wel het Jäger-effect noemen.
Volgens Jäger zijn de rede en de rationele eensgezindheid in het optimale geval met name wapens tegen bijgeloof, leugenachtigheid en onderdrukking. De bureaucratische indeling van onze moderne samenleving heeft het denken echter gereduceerd tot een stukje gereedschap met een vaste functie. En omdat logische aanvullingen en gevolgtrekkingen daardoor ook van minder belang zijn, kunnen deze in veel communicatie ook opgeofferd worden: het Jäger-effect. Wat men zegt hoeft niet exact op elkaar aan te sluiten om elkaar te begrijpen, blijkbaar.
Uiteindelijk is haast altijd wel uit een paar woorden en woordgroepen van iemands uitingen te filteren wat die eigenlijk wil toevoegen aan de stilte. En daar valt dan weer dusdanig op te reageren dat de toehoorder er genoeg chocola van kan maken om door te gaan met de conversatie.
Het fijne van dit besef is dat volgorde er kennelijk ook niet zo toe doet. Zogenaamd onsamenhangend praten blijkt helemaal niet zo’n probleem voor de uiteindelijke communicatie. En geef toe, om de strekking van een of andere powerpointpresentatie in grote lijnen tot je te nemen, is het juist soms beter deze van achter naar voor door te bladeren.

Ei-eigenschappen #52

Eerst was Manzoni er, daarna ik. En pas later leerde ik het werk van de zo romantisch op zijn negenentwintigste aan een hartaanval gestorven Piero Manzoni kennen. Vooral zijn witte periode. (Allebei wilden we blijkbaar, al dan niet onbewust, de maaksels van Yves Klein kopiëren.) Het ging mij om de textuur; ik mengde as en tabak door mijn verf – haast altijd olieverf, af en toe alleen gesso. In de nacht schilderde ik het liefst. Bij kaarslicht. De schaduwen van mijn verf waren dan beter te zien, en om de kleur was het mij toch niet te doen. Sowieso gebruikte ik (meestal) maar één kleur. Volgens een bevriend kunstenaar lieten mijn monochrome schilderijen vooral zien dat het vervormbare van het materiaal an sich eigenschappen deelde met de essentiële psychologische aard, wat vandaaruit weer belangrijke gevolgen aansneed voor de kwestie van de menselijke vrijheid. Maar ik was welbeschouwd gewoon te lui om meerdere kleuren aan te schaffen, omdat ik dan tevens meerdere schildersmessen en kwasten moest kopen en/of schoonmaken. En hoewel ik in die dagen nog hoofdzakelijk bezig was met oefenen, voorzag ik mijn eindproducten doorgaans wel van een naam. Zo moeten er kunstwerken van mij met titels als Ei achter twee schuttingen en Op een aardappel lijkend ei in de vorm van een marmot nog ergens op een vuilnisbelt rondslingeren, denk ik.
Maar na verloop van tijd had ik me voldoende bekwaamd, vond ik, en kon ik met wat menens was aan de slag. Voor de mensheid zou ik Madonna met ei gaan maken. Mijn verf was kauwgom, mijn doek was de muur aan het eind van de Pieter Breughelstraat, op de hoek met de Rembrandtkade – mijn route naar het Wilhelminapark. Een paar keer per dag liep ik hier wel om mijn hond uit te laten. En ik had natuurlijk ook – met een prima verhaal achteraf over een conceptueel kunstproject – mijn gekauwde goedje botweg op de grond kunnen mieteren, maar ik wilde niet te boek staan als die jongen die het park bevuilde met zowel hondenpoep als afgedankt snoeprubber. Niet voor niets was ik immers door mijn moeder, buurmeisjes, en ex-verloofden netjes opgevoed. Op het verticale, bakstenen oppervlak van de muur rondom de kerktuin zou niemand last kunnen hebben van de keurig door mij gerangschikte gom. Het kunstwerk was daarmee in feite op voorhand al een groot succes. In de minimale planning van mijn toch expressionistisch bedoelde onderneming stond dat ik met het ei zou beginnen. Van binnen naar buiten. En elke keer als ik langsliep zou ik in één beweging de kauwgom uit mijn mond pakken en op de muur plakken, om uiteindelijk een compositie te krijgen van de Madonna die liefelijk een ei vasthield. Geen hulplijnen, geen schets! Elke keer moest ik vanuit mijn gedachten gulden rechthoeken (middelpunt O op lijnstuk CD van vierkant ABCD geeft met straal OB punt E voor rechthoek ADEF), voor zowel het ei als het geheel, op het steen projecteren. Het was niet minder dan topsport. En al na drie maanden begon mijn schepping een vorm aan te nemen die, zoals dat soms bij het creëren gebeurt, een wederzijdse liefde tussen materiaal en kunstenaar opleverde. Lang zou het niet meer duren voor mijn kunstwerk af zou zijn, wist ik toen.
Maar niet veel later, op de dag dat ik de rechtertepel toe zou voegen, was alle kauwgom ineens weg. Zomaar van de muur gehaald. Vandalen! Cultuurbarbaren! Rekels!

Ei-eigenschappen #51

Eieren zijn zo in onze cultuur ingebakken, dat je hun aanwezigheid daar niet zomaar in een paar generaties uit kunt tikken. Al op jonge leeftijd worden onze kinderen blootgesteld aan eierspelletjes, die allemaal als opvoedkundige factor het streven naar gezamenlijk profijt en het stellen van prioriteiten omklemmen. Tijdverdrijf met eieren heeft daarbovenop nog in zich dat het een manier van denken stimuleert die betrekking heeft op meerdere levensfacetten die elkaar aanroepen om tegelijkertijd vanuit twee kanten een probleem te onderzoeken. (Ik heb hier zelf vroeger nog boeken over volgeschreven, waarna ik mijn bibliotheekkaart kwijtraakte.)
De wat ouderen onder ons krijgen waarschijnlijk warme gevoelens bij het horen van termen als eilopen, eihappen en eiertje leggen. Maar ook deze vorm van educatieve verstrooiing gaat natuurlijk met z’n tijd mee.
Een hip spel tegenwoordig is eierdopamine-mutte. Bij eierdopamine-mutte gooit men een gekookt ei – recht uit de pan, heet dus – over. Maar men mag pas gooien als men een voorbeeld kan geven van waar de psychotherapie een lezing van de Bijbel misbruikt. Het moge duidelijk zijn dat dit spel voortkomt uit de running gag van onze jeugd dat psychiaters en soortgelijken niet in staat zijn een fatsoenlijke eigen taal van symboliek te ontwerpen.
Een ander modern kinderspel, haasje vangen genaamd, is terug te voeren op de aanname dat de mens maar 10% van zijn kniegewricht gebruikt. Ieder kind krijgt een touwtje en bindt daar stevig een ei aan vast. Vervolgens gaan de jongelui rondrennen, het ei achter zich aan slepend, en proberen ze elkaars ei kapot te trappen – wat alleen mag als onderbeen en bovenbeen eerst een hoek van minstens negentig graden hebben gemaakt (om het even welke kant op).
Dikke pret allemaal, dat lijdt geen twijfel, en het komt soms bijna tot het punt dat het genoegen van de ene handeling naadloos overgaat in de vreugde van de daaropvolgende manoeuvre. Maar veruit het meest gespeelde spel uit het pretspectrum van onze prille jongeren is vooralsnog naamloos en kent een verplichte deelname van de ouders. De regels, en vooral de voorbereidingen, zijn wellicht wat omslachtig, maar het plezier dat het uiteindelijk oplevert, is met geen bestsellerauteur te beschrijven.
Welnu, eerst pakken de kinderen een mand met een stuk of twaalf eieren, met een marge van één. Deze worden minstens anderhalve meter van elkaar verstopt – een maximumafstand tussen de eieren is er echter niet bij dit spel. Enkele andere kinderen zetten ondertussen op een tafeltje aan de straatkant een mixer, een watervaste stift, een muntje van vijf cent, een doosje lucifers, en een tobbe vol verf die nooit meer uit je kleren gaat klaar. Dan wordt de timer gezet, en de ouders mogen op pad, gewapend met een kompas en een verrekijker. Belangrijk daarbij is ook dat niemand zijn eigen jas mag dragen. Het zoeken kan best een tijd duren, krijgen de ouders te horen, en ze mogen pas terugkeren als ze alle elf, twaalf, of dertien eieren gevonden hebben. Om het geheel te kunnen blijven overzien, volgen daarna pas verdere instructies.
Het uitgebreide uitzwaaien is altijd een leuk, bijna aandoenlijk onderdeel van dit spel.
En dan, als de ouders weg zijn, doen de kinderen de huisdeur op slot, zetten ze de eieren in de koelkast, en gaan ze met hun videogame verder, uiteraard met de nodige voedzame chips en fitnesscola binnen handbereik.

Ei-eigenschappen #50

Kippen hebben niet het alleenrecht op eieren. Nou is het hier niet zoals in de politiek of in de sport dat zij die niet bedreven zijn in voetballen of zelfpromotie ook mee mogen praten over wat er op het veld zou moeten gebeuren, met net zo veel recht als zij die tegen een bal kunnen trappen of de juiste mensen kennen. En keuvelen over eieren is om de drommel niet verboden, maar er zijn ook wezens, naast kippen, die eieren daadwerkelijk tastbaar kunnen maken. In wezen zijn dat alle vrouwelijke wezens, als ik de betreffende taxonomie tenminste goed begrepen heb, maar de eieren waar we met z’n allen, stuk voor stuk, het eerst aan denken komen toch wel van vogels. Vrouwelijke vogels, uiteraard. Te herkennen aan hun make-up – die geeft een extra impuls aan het leven als een manier om de evolutie in al haar gevarieerde verschijningsvormen ten toon te spreiden.
Het juiste ei bij de juiste vogel plaatsen is wat lastiger. Maar gelukkig zijn er altijd Attenboroughachtigen die ons op weg willen helpen. Om drie eieren met drie vogels te combineren voldoen in feite twee zinvolle aanwijzingen, maar met vijf vermoeiende stukjes informatie kan het ook: 1. De eieren van de kwartel zijn lichtgrijs met donkere spikkels. 2. De vaalgele tot blauwgroene eieren wegen niet 25 gram. 3. De eend of de fazant legt eieren van 30 gram. 4. De eieren van 100 gram zijn bleekgroen. En 5. Als de eieren van de eend niet lichtgrijs en gespikkeld zijn, wegen ze meer dan 30 gram.
Met deze inlichtingen kunnen we nu kleur en gewicht achterhalen van wat kwartels, fazanten en eenden zoal leggen. Sommigen gebruiken hier een waarheidstabel voor. Anderen gaan aan de slag met een of ander diagram. En weer anderen geven het meteen op.
Welnu, uitgaande van alleen al de eerste zin kunnen we een fijne krul invullen bij de verbinding kwartel en lichtgrijze, donkergespikkelde eieren. En dan kunnen we meteen noteren dat de eieren van de eend en de fazant niet lichtgrijs met donkere spikkeltjes zijn, en dat de kwartel geen bleekgroene of vaalgele tot blauwgroene eieren heeft. Vier gratis negatietekens om aan onze tabel toe te voegen.
En de tweede zin levert er nog eentje op voor de mogelijkheid dat de vaalgele tot blauwgroene eieren 25 gram wegen. Met het lezen van de derde zin kunnen we in ons diagrammetje krabbelen dat kwarteleieren zwaarder of lichter dan 30 gram zijn.
Zin 4 geeft groen licht voor de koppeling bleekgroen en 100 gram – en tegelijkertijd levert dat vier minnen op voor de andere combinaties. Nu weten we dat de vaalgele tot blauwgroene eieren geen 25 gram en geen 100 gram wegen. Zo blijft er als gewicht voor deze tint eieren nog maar één over, namelijk 30 gram. Daar kunnen we dus een nette plus in het schema voor zetten, en ook leert dat ons dat vier van die gespikkelde eieren bij elkaar een gewicht van 100 gram hebben.
Omdat de eieren van de kwartel lichtgrijs zijn met van die donkere spikkels en eieren met dit kleurenspel 25 gram wegen, kunnen we concluderen dat de kwarteleieren 25 gram wegen. Alweer een aanvulling voor onze matrix. Alleen de laatste zin nog, en dat is zowaar een logische implicatie. We weten onderhand maar al te goed dat de eieren van de eend geen spikkels hebben; derhalve moeten ze 100 gram zijn. En – om het rond te maken – als de eendeneieren 100 gram wegen en de eieren van 100 gram bleekgroen zijn, behoren die bleekgroene toe aan onze eend.

Ei-eigenschappen #49

Dialectsprekers stralen met hun taaluitingen vaker wel dan niet een mix van een triomf van het gezonde verstand en een schattig bekrompen pretentie uit. Als een gebruiker van zo’n gewestelijke taalvariant (gekleed in maatpak met bijpassende schoenen) ‘spreek ik de ei zo goed uit?’ aan je vraagt, dan kan het goed zijn dat je niet eens begrijpt over welke klank hij nou precies informatie wil hebben.
De ei behoort tot de niet meer groeiende verzameling van tweeklanken. Tijdens het produceren van elementen uit deze groep verandert de stand van de mond – aan het eind is hij meer gesloten. En dat komt, uiteraard, omdat tweeklanken uit twee klanken, zeg klinkers, bestaan. Daarom noteert het International Phonetic Alphabet ze ook met twee symbooltjes; voor de ei-klank in het Standaardnederlands is dat [ɛi], een koppeling van de [ɛ] van mest en de [i] van pies – die laatste klank wat minder vurig uitgevoerd dan de eerste. Mensen die ‘tweeklank’ niet uit kunnen spreken zeggen ‘diftong’, en zij die interessant willen doen hebben het bij de ei-klank over een coronale tweeklank, waarbij het predicaat coronaal slaat op de plaats van articulatie in de mond, namelijk vlak achter de tanden.
In taalkundig onderzoek bestaat er een bijzonder experiment betreffende de ei-klank. Men laat hierbij proefpersonen nagaan of een ei wel of niet gekookt is, en men doet dit door hun een ei en een bakje aan te reiken, met de opdracht het ei te pellen. Druipt er een dunne massa in het bakje (of op de tafel) dan was het ei niet gekookt. Het moge voor zich spreken dat de opstelling met het ei slechts een afleiding is. Het echte onderzoek betreft de klanken, en dan vooral de ei-klank, die de proefpersonen uiten.
Bij zo’n ei moet de mond, zoals gezegd, eigenlijk min of meer tegelijkertijd open en gesloten zijn, en tevens moet de stand van de tong zowel in het midden als naar voren zijn. Dit zijn goede spieroefeningen, maar luie mensen hebben daar vrij gauw genoeg van. En het is juist die luiheid waar een dialectspreker zich maar al te vaak mee verraadt. Resultante is dat meestal wordt gekozen voor één van de klinkers die deel uitmaken van de tweeklank. Als je een stukje met je auto gaat toeren, merk je al gauw dat men in sommige streken – en ik zal geen namen noemen – in plaats van de ei de ie aanbiedt, en dat men in andere gebieden hier de korte e ten gehore brengt. Die sprekers kiezen dus voor één van de twee mondbewegingen die de ei-klank eigenlijk dicteert. Om de ei te ontwijken wordt ook nog wel de lange a, die naast de korte e ligt, gebruikt. En dan zijn er zelfs van die overachievers in ons land die bij de ei van de lange a toch helemaal naar de ie-klank gaan. Die denken daarmee wellicht nonchalant te doen, hoewel ze in feite de beweging van kaak en tong juist groter maken zo.
Maar mogelijk heeft dit ook weer z’n voordelen. Er heerst namelijk een hardnekkige opvatting dat iemands wereldbeeld en de manier waarop diegene denkt over de werkelijkheid beïnvloed worden door de taal die die persoon spreekt. Misschien is de wereld dus draaglijker of zo in een bepaald dialect, puur door de manier waarop je het woord ‘tijd’ dient uit te spreken.
Wat dat betreft kan ik er een kwistig stuk in meegaan dat humor en poëzie vaak hun lading toegewezen krijgen door een doorgaans onvertaalbare associatie (bijv. via rijm) van vormen (klanken). De kans is evenwel daar dat mijn taal mij dat domweg zo laat zien.