De geurige deerne

Toen de vrijgezelle boerin Marietje op haar met bramen omgeven akker, hier niet ver vandaan, tijdens het schoffelen een gouden dukaat vond, kwam er toevallig een marskramer voorbij, en de parfum uit zowel Parijs als Keulen die hij bij zich had, kostte toevallig die dag precies één gouden dukaat, dus die kocht ze. De koopman had gezegd dat ze onweerstaanbaar zou worden met het luchtje, en Marietje had het goed verstaan.
Sinds de dood van haar ouders, ruim een jaar geleden, kon de boerin eigenlijk wel wat hulp en aanspraak gebruiken op de boerderij. Als ze zou trouwen, zou er daarom sprake zijn van twee vliegen met één klap. Aandacht van mannen had Marietje echter nooit gehad; met haar nieuwe odeur veranderde dat à la minute. Als ze uitnodigend voor haar hoeve plaatsnam, nadat ze wat van het reukwater op haar en hals gesprenkeld had, kwamen er aan de lopende band gegadigden langslopen. Alsof ze het roken!
Marietje had dientengevolge volop keuze, en ze werd daarom tamelijk selectief.
‘Wat kun je allemaal voor me doen?’ vroeg ze bijvoorbeeld aan de boswachter, toen hij haar in zijn lente-uniform en met zijn zondagse snor ten huwelijk vroeg.
‘Ik weet alles van bossen,’ zei hij. ‘Alles over de bomen die er groeien en de dieren die er wonen. En ik heb veel geduld.’
‘Daar heb ik niks aan,’ repliceerde Marietje bits.
Dus de boswachter liep weer verder. Hetzelfde gebeurde met de veldwachter, en met de brugwachter, en met een hele rits mannen die op hun beurt aan het wachten waren.
Maar op vier kwart van de dag kwam er een rondtrekkende muzikant aanzetten. Ook hij rook Marietje en vroeg daarop of ze met hem wilde huwen.
‘Dat is allemaal mooi en zo, maar wat heb je zoal in je mars?’ vroeg Marietje.
‘Ik kan jou en iedereen diverteren met zang en dans,’ zei de troubadour, schalks en nogal spannend. ‘En ik kan als de beste het Hooglied plagiëren, om daar keer op keer je hart mee te veroveren.’
Marietje kon niet helemaal volgen wat hij zei, maar het klonk in ieder geval bijzonder en mysterieus, en dus trouwde ze met hem.
Al snel bleek dat de muzikant niet veel kaas had gegeten van het werk op de boerderij, maar de afleiding die hij bezorgde, maakte voor Marietje de hele homp van het alledaagse goed.
Na een paar weken zei Marietje tegen de zanger en danser: ‘Ik ben even naar het dorp om op de markt onze kaas te verkopen, maar maak je geen zorgen. Ik kom morgen weer terug.’
Ze namen met veel theater en poeha afscheid, want zo doen artiesten dat. De danser en zanger bleef midden op het pad voor de boerderij salueren en salto’s maken, terwijl zijn vrouw steeds kleiner werd. Hij riep haar bijvoorbeeld ‘mon amour!’ en ‘mein Blümschen!’ toe, en ook andere lieflijkheden die ze niet verstond, onder andere vanwege de grote afstand. En toen ze geheel en al uit het zicht verdwenen was, haalde hij de ganse hoeve overhoop tot hij ten slotte het flesje met de geurstof vond. Hij stopte dit in zijn binnenzak, pakte zijn viool, en trok als de wiedeweerga verder de wijde wereld in. En bij tijd en wijle, als de wind goed staat, hoor je hem nog zingen.

Eén gedachte over “De geurige deerne”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *