Archibaldo de woordgoochelaar

Zijn toch al in het slop geraakte goochelaarscarrière zat Archibaldo dwars. Je ouders noemen je niet Amazing Archibaldo (roepnaam Archibaldo) als ze willen dat je boekhouder wordt. En als je vader goochelaar was, je opa goochelaar was, je overgrootvader goochelaar was en tientallen overgrootvaders daarvoor waren ook goochelaar dan is de keuze voor jouw carrière impliciet al voor je gemaakt. Archibaldo wilde niets lievers dan een baan als magazijnmedewerker; het liefst op de emballage. Hij had wat met verpakking.

Maar hij werd goochelaar. En hij werd een slechte goochelaar. Zijn trucs waren totaal ongeïnspireerd, slecht opgezet en navenant uitgevoerd. In het begin had hij nog wel eens een klusje hier en daar maar dat werd snel minder. De enige vaste gig was de donderdagavond in het tehuis voor Alzheimerpatienten. Vanwege een krap budget (de voltallige staf was maar liefst vier keer op zakenreis naar exotische oorden gegaan) moest het wekelijkse entertainment vooral goedkoop zijn. Afwisseling was gezien de samenstelling van de patiëntenpopulatie geen vereiste. Dus iedere week deed Archibaldo dezelfde waardeloze act onder zijn artiestennaam Jos de Goochelaar.

Gelachen werd er niet. Archibaldo dacht zelf dat zijn publiek vooral gefocust was op beweging dus op goede dagen maakte hij altijd net iets wijdere armbewegingen. En zo, dacht Archibaldo, is het ook wel goed. Hij was tenminste goochelaar en daarmee zette hij, zo vond hij zelf tenminste, de familietraditie voort. En wat hem betreft zou het daarbij blijven. Archibaldo had het nog niemand in zijn familie verteld maar hij viel op onvruchtbare vrouwen. Kinderen krijgen zat er dus niet in.

Week in, week uit dezelfde act. Maar alles veranderde op de zoveelste donderdag dat hij zijn verplichte riedel weer moest uitvoeren. Archibaldo had niet eens gemerkt dat er de week daarvoor een nieuwe patient was gekomen die van schrik niet binnen een week te overlijden was gekomen (zoals vissen ook wel eens doen als je ze in een nieuw aquarium flikkert). Toen Archibaldo (voor zijn publiek Jos de Goochelaar) zijn act op dezelfde futloze wijze aan het afwerken was, kwam er vanuit de zaal “Hee Jos, bokkelul. Lekker makkelijk hè!? Twee keer dezelfde kutact met die Alzheimerpatientjes hier. Nou, ik herinner me vorige week nog hoor! Ik vond het kut, en ik vind het nu helemaal kut, Jos. Je kan er niks van, bloedhond!” Archibaldo schrok. Hij handelde snel de rest van zijn act af en droop af. Het goede nieuws was dat niemand zich het voorval de week daarop zou kunnen herinneren. Het slechte nieuws… Hij voelde zich kut.

De week daarop zat de oude man er weer. “Hee pislul! Ga je weer je kunstje doen? Nou ik kan niet wachten.” Archibaldo was het helemaal vergeten. Inderdaad, nu kwam het weer terug, de week daarvoor was dat voorval met die man. Hij voelde zich nog zo kut nadien. Maar daarna is hij gaan drinken in de kroeg en hij kan zich verder weinig herinneren. Het goede plan om een geheel nieuwe act op te zetten was er in ieder geval niet meer van gekomen. Wederom werd hij daarom afgebrand door de oude man. Wederom ging Archibaldo achteraf naar de kroeg. Wederom werd hij pislam. Wederom vergat hij zijn act aan te passen.

Dat ging weken zo door. Archibaldo raakte meer en meer gewend aan het geschreeuw van de oude (nog helemaal niet zo demente) man die op zijn beurt iedere week weer harder ging schreeuwen. De staf van het tehuis was het tumult tijdens de ontspanningsavonden ook niet onopgemerkt gebleven. Er werd echter niet ingegrepen. De demente bejaarden schenen zich namelijk wel te vermaken en dat had een positieve invloed op hun gemoed wat voor de staf van het tehuis weer een mogelijkheid was om zonder al te veel gemopper de wasfrequentie van de bejaarden te verlagen. Goed, ze stonken iets meer maar het scheelde enorm in de kosten.

Met Archibaldo ging het ongeveer ook zo. Zijn kroegbezoeken beperkten zich eerst nog alleen tot de donderdagavonden. Al snel werd dat spectrum uitgebreid naar alle andere dagen van de week. De frequentie waarmee hij zich waste nam naarmate hij meer dronk juist af. En ook Archibaldo ging meer stinken.

Op een gegeven moment ging hij op donderdagavonden gewoon niet meer naar het tehuis. Al werd hij nog maanden, zo niet jaren, gewoon doorbetaald.

Zoals dat gaat als je ergens vaak komt, leer je ook in de kroeg de stamgasten om je heen kennen. Ook Archibaldo werd een bekend gezicht en, naarmate ze hem leerden kennen, een graag geziene gast. Hij stond vooral bekend om zijn taalhumor. Zijn woordgrappen waren ook best goed. Hij hoefde maar in te zetten met “Een werkwoord, een zelfstandig naamwoord en een voorzetsel zitten in de kroeg…” en de mensen hingen al aan zijn lippen, voorgenietend van de pret die zou komen gaan. Later op de avond kwamen de vieze grappen over lidwoorden. Zo eindigde het altijd. Maar de grappen werden wel grappiger én geavanceerder. Al snel was Archibaldo een heuse woordgoochelaar die van nomina verba maakte en omgekeerd. Hij riep dan over de toog “Kom maar op, noem een zelfstandig naamwoord. Ik maak er een werkwoord van!”

– “Bier!” was dan meestal de eerste reactie.
– “Bieren!” Riep Archibaldo dan gevolgd door luid gejuich van de stamgasten in de kroeg. “Wacht, nu verander ik het werkwoord bieren weer terug in een zelfstandig naamwoord,” riep Archibaldo. Hoe hij het deed snapte niemand maar na even concentreren kwam er toch een duidelijk verstaanbaar “Bier!” uit zijn mond. Het moment suprême leek meer op tovenarij dan goochelarij. Archibaldo wist met een prefix van  een adjectief een werkwoord te maken en iedereen in de kroeg wist dat zoiets grammaticaal helemaal niet mogelijk is.
“Geef me een adjectief!”
“Kut!” Archibaldo nam het adjectief en toen hij aan de linkerzijde ervan het prefix “ver” plaatste, stopte hij ook heel snel, zonder dat iemand het zag aan de rechterzijde een leeg element. Dus, zoals iedereen in de kroeg op zijn vingers kon natellen (mocht men het geheim achter deze truc kennen) en zonder de regels van de Nederlandse grammatica te schenden kwam daar “Verkutten!”

Dan was het even stil. Archibaldo kreeg op zulke avonden zelfs rondjes van zijn kroegvrienden! Hij voelde zich dan een echte goochelaar. Als zijn vader recent geen zelfmoord had gepleegd, omdat hij niet kon leven met de schande van een alcholistische, niet-goochelende, infertiliteitsfetisjistische zoon, en hij Archibaldo daar kon zien, dacht Archibaldo, zou hij dan ook zo trots zijn?

Eén antwoord op “Archibaldo de woordgoochelaar”

Reacties zijn gesloten.