Vleesmaffia

Gisteren stierf Jakobus, mijn varken. Ik heb een paar jaar voedseltechnologie gestudeerd en Jakobus maakte deel uit van mijn afstudeerproject, mijn plan om het voedselprobleem in de wereld voor eens en voor altijd op te lossen. Centrale vraag was: waarom zou je een dier moeten doden om er vlees vanaf te halen?
Varkens bijvoorbeeld zijn slimme dieren en begrijpen echt wel dat een plakje schouderham op een wit broodje met boter niet te versmaden is, maar dat ze daarvoor eerst dood aan een haak moeten hangen, vinden ze minder grappig.
Ik kocht een varken (Jakobus), leerde hem praten en toog vol trots naar mijn afstudeerbegeleider.
‘Ik heb zin in een broodje schouderham. Mag ik een plakje van u afsnijden?’ zei ik (tegen het varken, niet tegen de afstudeerbegeleider).
‘Wat zegt u?’ zei Jakobus.
‘Mag ik alstublieft een plakje schouderham van u afsnijden?’ verbeterde ik mezelf.
‘Het magische woord!’ zei Jakobus. ‘Ga gerust uw gang!’

Ja, altijd beleefd zijn tegen varkens. Varkens zijn daar uiterst gevoelig voor!
Mijn afstudeerbegeleider vond het zichtbaar niks en schreeuwde naar me dat ik nooit zou afstuderen of voedseltechnoloog zou worden.
Jaren later kwam ik erachter dat mijn afstudeerbegeleider bij de vleesmaffia zat, maar toen was ik alweer veel te druk bezig om komkommers te leren klaverjassen.