Ei-eigenschappen #8

De wellicht meer besproken dan beluisterde avantgardistische componist Stockhausen (1928-2007; degenen die zijn voornaam kennen mogen hem Karlheinz noemen) wordt terecht vaak gezien als een elitairist, en enkele van zijn werken zullen volgens bepaalde ontoegankelijke kliekjes van kunstkenners ook vast wel in aanmerking komen als begeleidingsmuziek bij het neerdalen van het nieuwe Jeruzalem. Maar hij hield zich, tamelijk tegen het verwachtingspatroon dat men van hem had in, tevens veelvuldig bezig met juist heel aardse zaken; het moet ergens tussen zijn composities Punkte (1952) en Kontra-Punkte (1953) zijn geweest dat hij besloot om het geluid van een ei te gebruiken voor een van zijn muziekstukken.
Erg gecharmeerd was Karlheinz in die dagen blijkbaar van de kippenrassen uit ons kikkerlandje, want vooral eieren van de Barnevelder liet hij in aanmerking komen voor zijn muzikale speurtocht naar eieraudio, maar na verloop van tijd vielen zijn oog en oor op een exemplaar van de Nederlandse sabelpootkriel. Stockhausen nam het ei op, zette het geluidsfragment minstens tien keer achter elkaar, spiegelde het stuk, vertraagde het, gooide het achterstevoren, en het wonderlijke was dat het steeds onweerlegbaar naar een ei bleef klinken. Hij herhaalde het experiment, waarbij hij, volgens insiders, het ei in kwestie mee liet beslissen over de te wijzigen variabelen. Uiteindelijk nam hij genoegen met het geluid van een precies 10 minuten in balsamicoazijn gekookt ei dat afgekoeld was tot 6,3 graden Celsius. Daarna liet hij de opname los en stortte hij zich op een compleet nieuwe uitdaging.
Pas jaren later, na een toevallige en voor hem dodelijk vermoeiende ontmoeting met de grondlegger van een tegenwoordig alom bekende geheime kipbereiding, Colonel Sanders (1890-1900), kreeg hij ineens de behoefte om weer iets met het eigeluid te gaan doen. Dat resulteerde in de compositie Ich bin das Walroß (1966), waarin hij onder andere gretig gebruikmaakte van een keur aan gelijktijdige tonen, precies een octaaf uit elkaar, verdeeld over het hoorbare spectrum. Hij liet dit opus aan genie en beroepscynicus John Lennon horen, maar die vond er echt helemaal niks aan en hij lachte er Stockhausen zelfs in allerlei toonaarden om uit. Stockhausen sloot hiermee beteuterd zijn project voorgoed af, en muziek met, voor of door eieren is er na die datum niet meer officieel gemaakt, vooral uit angst voor Lennons reactie (ofschoon de man zich inmiddels niet meer onder de levenden begeeft). In een verloren geraakt interview schijnt genie en multi-instrumentalist Paul McCartney nog wel te hebben aangegeven dat hij voor zijn Wings-album Back to the Egg (1979) als uitgangspunt een sample van Stockhausens eigeluidentrack heeft gebruikt, maar dat dit later toch tot op de milliseconde uit de betreffende sessie geknipt is.
Uit een soort respect voor Stockhausen en zijn gedachtegoed improviseer ik nog regelmatig met het geluid van eieren als basis. Soms is het niks, soms is het echt heel mooi. Laatst werd ik wakker, en gedurende de volledige voorafgaande slaapperiode had ik helemaal niets gegeten. Deze energie gebruikte ik om me al douchend voor te bereiden op het uiten van allerlei van elkaar afzonderlijke klanken zonder na te denken wat ik eigenlijk aan het doen was. Tegelijkertijd demonstreerde ik de opponeerbaarheid van mijn duimen. Bladmuziek heb ik er jammer genoeg niet van. (Ik heb het Ei-compositie #8 genoemd.)

Ei-eigenschappen #7

Als het gesprek bij het thema architectuur belandt, ga ik altijd enigszins nogal op eieren lopen. Ik weet daar immers verbliksemd weinig van. Is de verwachting dat ik ook iets meld over de esthetiek van de bouwkunde aangekomen, dan zeg ik meestal iets als ‘Alle dissonantie is onbegrepen harmonie!’, in de hoop dat mijn conversatiepartners niet meteen doorhebben dat dat best een loze uitspraak is.
Bouwmateriaal laat ik dus in de regel beleefd aan de al dan niet kundige ordening van anderen over, maar onlangs leerde ik van oud-dorpsgenoot en architectonisch specialist Simon Braess iets aardigs over een bijzonder bouwtechnisch fenomeen, namelijk de koepel. Voorbeelden van koepels in bouwwerken zijn er voldoende. Wie Florence (Firenze) een beetje kent, weet dat vlakbij de Cattedrale di Santa Maria del Fiore (ook wel de Duome genoemd) in het huis van Rocco en Francesca Andolini prachtige lichtkoepels in de tuinkamer geplaatst zijn. De Duome zelf heeft trouwens ook een leuke koepel, en wel eentje die gemetseld is en daarom bouwkundig gezien interessanter dan die in huize Andolini.
Met vallen, opstaan en het sturen van vele facturen hebben aannemers door de eeuwen heen ontdekt dat een simpele halve bol als koepelvorm niet de ideale constructie is. Deze duwt namelijk de muren waarop hij rust uit elkaar; grote, zware koepels zullen zo onder hun eigen gewicht instorten. Een meer eivormige koepel verdeelt de krachten veel beter. (Dan hebben we het natuurlijk over spanningskrachten en buigkrachten en wat dies meer zij, die allemaal met behulp van onder andere de cijfers nul tot en met negen te berekenen zijn.) De vorm van (de bovenzijde van) een ei zorgt dat de koepel zijn gewicht omlaag drukt en niet naar buiten toe. Op die Dom van Florence, die ook zo’n ei is, kun je dus gewoon zitten; de kans dat je er vanaf valt, is echt oneindig keer groter dan de kans dat dat ding instort.
Een ei is inderdaad heel wat sterker dan je zou denken. Toegegeven, die Arnold Schwarzenegger kon in zijn goeie dagen een aantal kilootjes meer gewicht tillen dan waar een gemiddeld kippenei voor tekent, maar we moeten zo’n kuikencouveuse zeker niet onderschatten.
Kijk, van binnenuit is het blijkbaar een eitje om zo’n ding open te prikken, als je het juiste gereedschap bij je hebt in ieder geval. Als het die continu omvallende vogelbaby’s lukt, dan is er volgens mij niet echt vaardigheid of talent voor nodig. Maar van buitenaf een vers ei in de lengterichting tussen je handpalmen kapot drukken, dat is een heel ander verhaal. De krachten worden verdeeld over het geheel. Kwestie van absorptie, kan elke kip je vertellen. Dus met alleen wat druk aan de buitenkant barst zo’n schaal niet. Paniekerig je net gekochte eieren als laatste helemaal bovenop in je boodschappentas leggen is daarom absoluut niet nodig. Op een plateautje eieren zou je zelfs (voorzichtig) een krat bier kunnen zetten zonder iets van dat eten of die drank te verspillen. Ik heb zowaar ooit iemand op een traytje eieren zien staan, en er brak niets.
Maar je moet wel goed uitkijken met dit soort experimenten. Afgelopen week was ik bij Simon Braess thuis en na een krat bier probeerde hij op een gebakken ei te gaan staan. Hij wist zijn gasten hiermee prima te vermaken, maar hij gleed ook lelijk uit, en met zijn (inmiddels met kalk omhulde) verbrijzelde heup zal het nog wel een tijdje duren voor hij de Duome in Florence weer kan beklimmen.

Ei-eigenschappen #6

Bijgeloof klinkt als iets wat je naast een religieus hoofdgerecht kan opscheppen. Nou heb ik in een restaurant weleens het vergeefse vermoeden dat er nog een bak heilige boontjes of zo aankomt, maar daar heeft bijgeloof dus niets mee te maken.
Jaren terug liep ik met mijn enige broer over de hei toen er opeens een badkuip op hem viel; ik had die dag rode sokken aan. Het is altijd een mysterie gebleven hoe er een badkuip zomaar uit de lucht naar beneden kwam, maar ik heb sindsdien af en toe nog steeds onverschrokken rode sokken aan, puur om overtuigingen die nergens op gebaseerd zijn een poepie te laten ruiken, en er is nooit meer een badkuip op een broer van me gevallen.
Bijgeloof is daarom niet aan mij besteed. Mijn broer was er aan de andere kant niet vies van. Wat dat betreft was hij echt een onnozele. Zo moest hij een gebakken ei altijd bestrooien met zout alvorens hij het at. Anders zou het hem niet bekomen, zei hij.
Als hij een eiergerecht maakte (denk bijvoorbeeld aan een omelet of een soufflé), zorgde hij er met enige paniek steevast voor dat de eierschalen in kleine stukjes in de afvalbak verdwenen. Intacte eierschalen zouden immers door heksen gepakt kunnen worden om daarmee de zee op te gaan en dan vreselijke stormen te veroorzaken. At hij een gekookt eitje dan brak hij om te beginnen al zijn lepel door de lege schaal heen. Dit om de duivel buiten te laten, die graag in eieren huist omdat de toch ietwat zwavelachtige geur hem aan zijn thuis doet denken.
Doorgaans gooide mijn broer de eierschalen trouwens niet in de afvalemmer, maar juist in zijn moestuin. Volgens hem zou die daad een overvloedige oogst garanderen (in zijn geval van frambozen, uiterst geschikt om jam van te maken of weg te geven). Eieren staan immers ook symbool voor vruchtbaarheid. Twee dooiers in een ei vond mijn broer derhalve helemaal geweldig. Voor hem zou het eten daarvan hem zegenen met het krijgen van veel kinderen. Tegelijkertijd dacht hij dat als je totaal niks eet de kans op een nageslacht aanzienlijk kleiner wordt. In die gedachte konden we elkaar weer vinden.
Ooit bakten we samen een cake, mijn broer en ik. Speciaal op zijn verzoek moest dat gebeuren terwijl de zon opkwam, en de eierschalen mochten toen pas weggegooid worden nadat het baksel geheel en al klaar was. De hond vond de cake overigens heel lekker.
Mijn huisarts doet ook aan bijgeloof. Volgens hem kun je van met salmonella besmette eieren ziek worden. Hem kennende kan dat ook een truc van hem zijn om aan de kookkunst van zijn vrouw te ontsnappen.
Mijn broer vond het onzin om eieren de schuld te geven van een eventuele besmetting. Als hij tijdens het eten van een ei wat salmonella tegenkwam, dan schoof hij dat gewoon naar de kant van zijn bord. Artsen zouden, om hun klandizie te vergroten, appels met salmonella moeten besmetten, zei hij altijd.
Maar mijn broer was sowieso nooit ziek. Ik ook niet. Mijn moeder waste ons vroeger namelijk elk jaar met het water waar ze het eerste paasei mee geverfd had. En daarna liet ze ons water drinken uit de schaal van dat ei. Volgens de plaatselijke waarzegster zouden we daarmee altijd vrij zijn van zieke geesten en groot, sterk en gezond worden. We konden bij wijze van spreken alleen maar doodgaan als er een badkuip op ons zou vallen, zei ze grappend.
Ik weet nog dat we allemaal heel uitbundig moesten lachen toen.

Ei-eigenschappen #5

Taal verandert. En dan bedoel ik niet zozeer dat er door taal iets wijzigt buiten die taal zelf – na het uitspreken van één enkele zin kan het leven samen in een relatie nooit meer hetzelfde zijn –, nee, ik bedoel dat de taal an sich aan een soort mutaties onderhevig is; in de loop van de tijd gaan woorden iets anders betekenen of worden ze anders geschreven of uitgesproken. Tja, ’t is nie anders.
Sprookjesverzamelaar Jacob Ludwig Grimm (1785–1863) ontdekte in 1822 een naar hem vernoemde wet betreffende een klankverschuiving die in alle Germaanse talen plaatsvond en ergens in de tweede eeuw voor Christus was voltooid. De stemloze plofklanken (zoals de p en k) werden bijvoorbeeld vervangen door stemloze wrijfklanken (zoals de f en de ch). Zo ging dus (in veel gevallen) de p in een woord klinken als een f. Het Latijnse woord pater is in het gereconstrueerd Germaans fadar (wat later vader werd, en weer later: ouwe).
Een andere aanpassing betrof de Noordzee-Germaanse talen, waarvan door de benaming het gebruikersgebied redelijk goed aan te wijzen is. Een van de veranderende klankverschijnselen hieromtrent staat bekend als de Ersatzdehnung en duidt op het wegvallen van een neusklank (m, n of ng) en het rekken van de klinker vóór een wrijfklank (bijv. f, v, s en z), in datzelfde woorddeel. Een voorbeeld van deze zogeheten nasaalspirantenwet is het Duitse woord fünf, dat in het Nederlands vijf werd. De nasaal n viel weg en de ü-klank werd verlengd tot een ij. Kijk en luister hier ook naar het Engelse five en het Friese fiif.
Een klankverschuiving die zich ook langs de Noordzee voordeed was de ontronding: de u (van put) werd door de kustsprekers meer als een i (van pit) of als een e (van pet) uitgesproken. Waar Duitsers en Nederlanders respectievelijk Brücke en brug zeiden, gingen Engelsen en West-Friezen bridge en breg zeggen.
Van een of andere verandering in de uitspraak van onze taal hoeven we dus niet per se wakker te liggen, tenzij dat gebeurt in een korte, hete periode die tevens een grote muggenplaag met zich meebrengt.
Een recente ontwikkeling, die toch al aan het eind van het vorige millennium door taalkundige Jan Stroop opgemerkt en beschreven werd, is de uitspraak van enkele tweeklanken (bijv. de ei) met een meer open mond door een lagere kaakstand. Poldernederlands wordt dit genoemd, en dit verwijst niet naar de plek waar de heldhaftige grutto haar eieren legt, maar naar het model van de economische vooruitgang die ook de vrouwenemancipatie volop liet bloeien. Want vooral wat hoger opgeleide vrouwen zeggen onder andere heil in plaats van heel, luik in plaats van leuk en maaisje in plaats van meisje. Juist de dragers van het ei verbasteren de ei door de klank te ver voorin de mond met de kaak te veel omlaag te laten klinken. Girl power heeft ervoor gezorgd dat vrouwen wijn uitspreken als iets tussen het Duitse Wein en het Engelse wine. Stroop denkt dat dit vooral een vrouwelijke nonchalance ten opzichte van de norm, het ABN, is. Dat sommige vrouwen zich vrij hebben gevochten van het verzorgd spreken.
Volgens mijn tante is het simpelweg meer een gevolg van overdreven en verkeerd uitpakkende articulatie door het gehoord willen worden. Soort bewijs dat goed articuleren niet hoeft te betekenen dat je je mond gewoon bij elke klinker verder open moet doen.
Ik luister echter niet goed genoeg naar anderen om het verschil te kunnen horen.

Ei-eigenschappen #4

Schilders die met tempera werken zijn minder lui dan hun olieverfequivalenten. Niet alleen moet je de tempera (meestal op basis van eidooier) steeds opnieuw zelf vers maken, maar ook is de olieverfwinkel van Leo van Zwieten een stuk dichterbij dan de eierhandel van zijn broer Theo. Een voordeel is dan weer wel dat in de straat van de eierhandel volop lood- en kwikverbindingen te vinden zijn, die uiteraard prima gebruikt kunnen worden als pigmenten om allerlei kleuren verf te fabriceren.
Ervaring leert overigens dat tantes en andere mensen tegenwoordig helemaal niet meer zo goed weten hoe ze tempera moeten maken. Terwijl het op zich helemaal niet zo moeilijk is: je begint met het zoeken van een ei. Hoe verser het ei hoe beter. Je hebt eigenlijk alleen de dooier nodig minus de dooierzak. Eitje breken dus, eiwit van dooier scheiden, dooier lekprikken en eigeel in een bakje laten lopen. Je verdunt de ei-emulsie met een paar theelepels water en dan is het, na even goed mengen, tijd om een gedeelte ervan toe te voegen aan wat pigment dat je al klaar hebt liggen (van het drogen en malen van wat besjes of kevertjes of ander moois dat onze natuur te bieden heeft).
Een groot aanhanger van het gebruiken van tempera was de Italiaanse schilder Cennino d’Andrea Cennini, die leefde rond 1400 en vooral bekend is om het schrijven van een kunstenaarshandboek: Il Libro dell’Arte. Dat boek bevat allerlei trucs en technieken voor onder andere het hanteren van kwastjes en het schilderen op panelen, vooral gericht op de kunstopvatting van de middeleeuwen en de vroege renaissance; het postmodernisme komt bijvoorbeeld helemaal niet aan bod. Cennino moet net als andere temperaverwerkers enorm geduldig zijn geweest (of juist uitermate zenuwachtig). Tempera droogt namelijk heel erg snel. Is het water uit de olie-in-water-emulsie eenmaal verdampt, dan denatureren ook de eiwitten en ontstaat er een zeer sterke, niet meer oplosbare verflaag.
Het is dus zaak de tempera vlot op te brengen, waardoor schilderwerk met die methode meestal wat streperig overkomt. Er valt ook niet nat-in-nat te penselen, zoals met olieverf; graduele overgangen van licht naar donker of van kleur naar kleur zijn daarom haast niet mogelijk. Om dit toch nog enigszins voor elkaar te krijgen zijn met tempera tergend veel arceringen nodig.
Alleen al om het verschil in subtiliteit van het resultaat bij het gebruik van tempera of olieverf moet geconcludeerd worden dat Rembrandts De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp met laatstgenoemde verfsoort moet zijn geschilderd. Van Rijn zet hier een prachtig en zeer verfijnd schouwspel neer, dat misschien qua opstelling niet helemaal klopte met een soortgelijke situatie (zonder tussenkomst van een schilder), maar dat toch heel natuurgetrouw overkomt.
Rembrandt was zeker niet lui (zie eerste regel). Omdat het schilderij van Dr. Tulp echter in opdracht gemaakt werd, leek het hem uiteraard geen goed plan om de met blosjes op de wangen geschilderde geldschieters te lang boven het decomposterende (en uiteindelijk naar rotte eieren ruikende) lijk van crimineel Aris Kindt te laten hangen. Had hij het schilderstuk met eenzelfde uitkomst met tempera willen bewerkstelligen, dan had dat zo lang geduurd dat het geduld van zijn mecenassen in dezen halverwege toch wel op was geraakt. Onze grootste Hollandse meester koos hier dus geen eieren voor zijn geld.

Ei-eigenschappen #3

Het BBC-programma Saturday Kitchen is alleen al de moeite waard omdat elke week een oude opname van Keith Floyd voorbijkomt. Het is hartverwarmend om Keith een omeletje te zien maken in een of andere smoezelige keuken met zijn vlinderdasje en verder een pan, wat olijfolie, knoflook, garnalen, bonen, ham en eieren, en om hem dan na een flinke slok rode wijn te horen zeggen: ‘And there you have a little bit of fresh, friendly, sunny Andalucia on a plate.’ Maar het anderhalf uur durende kookprogramma is zeker ook erg onderhoudend vanwege het zelfspotitem The Omelette Challenge. Elke aflevering strijden twee chefkoks tegen elkaar met het bakken van een drie-eieren-omelet. De omelet moet gaar zijn en moet sowieso een omelet genoemd kunnen worden, maar het gaat wel om snelheid in deze krachtmeting. Onder de minuut kom je niet eens op het scorebord. Op 2 mei 2015 werd hier onder het toeziend oog van de toenmalige presentator en kok James Martin een door Guinness (ja, tevens het biermerk) erkend wereldrecord gevestigd met een tijd van veertien komma zesenzeventig seconden, op naam van Michelinsterrenkok Theo Randall en drie anonieme eieren. Dit record staat nog steeds overeind. Het eten van de eieren wordt overigens niet geklokt.
Fransen vinden Engelsen maar raar et vice versa. In enkele Franse dorpen neemt men jaarlijks met Pasen rustig de tijd om een omelet te bakken. Ze maken dan wel meteen een heel erg grote. Tienduizend eieren is voor zo’n gerecht helemaal niet overdreven. Het verhaal gaat dat de traditie wortels heeft in de tijd van Napoleon. Blijkbaar wilde men de kleine dictator imponeren met een riante versie van een van zijn lievelingsmaaltjes. Door de jaren heen werd het eibaksel groter en groter. En tegenwoordig – er is immers geen weg terug – komt er heel wat bij kijken voor het festival van de Omelet Géante aan de gang kan. Ten eerste heb je een enorm ruime keukenkast nodig waar de te gebruiken pan in opgeborgen kan worden. Het leeuwendeel van het jaar ligt dat ding anders namelijk alleen maar in de weg. En dan heb je natuurlijk een spatel nodig die qua grootte in verhouding staat tot de pan; je wil per slot van rekening niet voor gek staan. Eieren allemaal breken, mengen, klutsen. Tachtig pakjes boter in de pan. Honderd kilo uien en knoflook, gesneden en al bij het eimengsel. Ook honderd kilo spekjes erbij. De boel een beetje op smaak brengen met een kilo of acht peper en zout, en hopla de eipap in de pan en af en toe roeren tot het klaar is.
Het feestje van de overdreven omelet zou uit het dorpje Bessières stammen, maar is in de jaren tachtig uitgewaaierd naar verschillende (vooral Franstalige) gebieden op de hele wereld. En om het spannend te houden en op een vreemde manier zinvol te laten blijven konden recordpogingen hier natuurlijk niet achterblijven. De tot nu toe omvangrijkste omelet die ooit gebakken is, woog zesduizend vierhonderdzesenzestig kilogram, het gewicht van een forse savanneolifant. De dis werd bereid in het Portugese Santarém op 11 augustus 2012 door een groep van vijfenvijftig man en het kostte hen zeker zes uur om de klus te klaren. De pan had een straal van ruim vijf meter, en voor het grapje werden maar liefst honderdvijfenveertigduizend genderneutrale eieren een koppie kleiner gemaakt. Een van de deelnemers kreeg ei in zijn ogen en kon daarna geen ei meer zien, zeggen ze.

Ei-eigenschappen #2

Er is een taal denkbaar waarin Shakespeare ei betekent. Shakespeare zou daar zelf allerminst door gevleid zijn geweest, aangezien hij het symbool ei in enkele van zijn toneelstukken aanhaalde als metafoor om mensen en zaken van een niet mis te verstane mate van onbeduidendheid of onvolwassenheid te voorzien.
In de vroege komedie Love’s Labour’s Lost krijgt een acteur van een collega naar zijn hoofd geslingerd dat hij een duivenei is. Jong en onverstandig wordt hier bedoeld. Kleiner dan een kippenei! Troilus and Cressida brengt zelfs als gescheld een vinkenei ten tonele, evenals eieren die bedorven of half uitgebroed zijn. Het stuk Macbeth laat een moordenaar zijn slachtoffer beledigen door hem vlak voor het doodsteken nog snel even een ei te noemen. Literatoren zien het ei hier ook als tekenend voor Macbeths angst voor enig nageslacht. Coriolanus heeft het in de naar hem genoemde tragedie over een dingetje dat nog niet eens de waarde van een ei heeft. En in As You Like It zegt een acteur tegen een medespeler: ‘Truly, thou art dammed, like an ill-roasted egg, all on one side.’ Een ei roosteren is wellicht niet de handigste manier om het klaar te maken, maar als men het doet moet men uiteraard zorgen dat het niet aan één kant verbrand is en aan de andere nog zacht. Maar de meest bekende toepassing van een ei in het oeuvre van de schrijver der schrijvers is in het drama King Lear. Een als nar uitgedoste toneelspeler vertelt hier zijn als koning verklede vakgenoot dat hij van een ei twee kronen kan maken door het doormidden te snijden en het binnenste eruit te lepelen. De twee schaalhelften kunnen vervolgens prima als koninklijke hoofddeksels dienen. En volgens menig literatuurwetenschapper toont de nar (het eitje van de hofhouding) hier meteen mee aan hoe bijzonder slim het toch van koning Lear was om zijn rijk in tweeën te delen en weg te geven.
In de tijd van onze bard van Avon waren eieren overvloedig voorhanden. Volgens de wet van vraag en aanbod, en de veertiende-eeuwse Syrische geleerde Ibn Taymiyyah schreef daar al over ver voor Adam Smith met de eer ging strijken, waren eieren dus nogal spotgoedkoop. Het is dan ook niet voor niets dat in A Winter’s Tale het personage dat Leontes speelt aan het personage dat zijn zoon Mamilius speelt onderwijzend vraagt of hij eieren voor zijn geld wil.
Verwijzingen naar ondeugden zijn er ook. Brutus benoemt Julius Ceasar met het begrip slangenei. En in All’s Well That Ends Well wordt van iemand van het toneelgezelschap gezegd dat hij zowaar een ei uit een klooster zou jatten. Degene zou dus zelfs een waardeloos item als een ei uit een min of meer heilige plek stelen. Als voedsel komen eieren voorbij in Henry IV, Part I, maar wel als een onbenullige, snelle hap. En dan vindt Shakespeare het heerlijk om in hetzelfde stuk een speler de belediging op de lippen te leggen dat een ploegmaat van hem nog niet de waardigheid heeft om als een voorafje te dienen voor een maaltijd van ei met boter. Maar gelukkig laat Shakespeare het ei ook iets goeds brengen. In King Lear wordt geroepen om het wit van eieren om een bloederig gezicht te verzachten, geheel volgens de richtlijnen van de door de medicus John Banister ergens in 1575 geschreven Treatise of chyrurgerie.
Voor de vraag of Shakespeare zijn fijne haardos waste met eishampoo hebben uitgevers biografen vooralsnog geen ruimte gegund.

Ei-eigenschappen #1

Het ei is eivormig, en daarom een ovaal. Een ovaal is immers niet alleen een met twee evenwijdige lijnen verlengde cirkel, nee, een ovaal kan ook op elk punt een kromme lijn zijn. Maar niet alle ovalen zijn dus eivormig, zoals ook niet alle dieren die eieren leggen tot de klasse der vogels behoren. Ellipsen zijn eveneens ovalen, en een ellips bestaat, net als een ei, nergens uit een rechte lijn, in tegenstelling tot het ‘atletiekbaanovaal’. Waar het ei zich uiteindelijk wellicht het meest mee onderscheidt van de andere twee varianten is dat het maar één symmetrieas heeft in plaats van twee; alleen als je een ei in de lengte doorsnijdt, krijg je twee evenredige helften.
Het tekenen van ovalen is een grotere uitdaging te noemen dan het tekenen van driehoeken. Een willekeurige driehoek kan zelfs een gemiddelde econoom met zijn creditcard en zijn altijd in bloed gedoopte pen binnen de tijd dat het kost om een ei zacht te koken op papier krijgen. De ovalen zijn zich echter allerminst geschikt voor broddelarij. Bij de tamelijk eenvoudige vorm van het ‘uitgerektecirkelovaal’ zijn de te volgen stappen misschien nog wel redelijk snel uit te vogelen, en voor het tekenen van een ellips kunnen we een touwtje en twee spijkers van ome Leo lenen of beter misschien gewoon meteen zijn ellipspasser, maar bij het construeren van de eivorm wordt het beslist een sprong lastiger. Toch zal het altijd fijn blijven om aan het verzoek van onze medemensen om even een ei te tekenen te kunnen voldoen. Het volgende moet men voor die gelegenheid voorhanden hebben: een vel papier (of een tafelblad), een passer, een geodriehoek, een potlood, een gum, en iemand die met deze materialen fatsoenlijk uit de voeten kan. Uiteraard moet men ook ter plekke een werkwijze tevoorschijn kunnen halen. Die die hieronder staat is gratis.
Buig je over een stuk papier en trek een perfect ronde cirkel, eventueel gebruikmakend van de passer. Noem een punt op die cirkel A en een punt aan de andere kant van die cirkel, op de vanaf A getrokken middellijn, B. Een punt op de cirkel dat op de middellijn loodrecht op lijnstuk AB ligt noemen we C. (Als je de wortel van twee keer het kwadraat van de straal van de cirkel makkelijk uit kunt rekenen, heb je hier niet per se een geodriehoek voor nodig; een simpele liniaal kan dan volstaan.) Trek nu lijnen vanaf A en B door C, en trek deze lijnen een stuk (ongeveer de helft van afstand AB) door. Teken nu bogen (met de passer dus) vanaf A en B met een straal AB, beginnend bij respectievelijk B en A, en laat deze stoppen waar deze bogen de verlengde lijnstukken AC en BC raken. Noem deze raakpunten E en F. Trek vervolgens de laatste boog van het dessin, van E tot F, met als middelpunt C en als straal CE (of CF, uiteraard).
Het ei staat nu op papier. De kromme kan met het potlood extra aangezet worden en de hulplijnen (bijvoorbeeld verbinding AB) kunnen worden weggegumd. Gebruik voor dat laatste de gum.
Waarschijnlijk is het overbodig om te vermelden dat dit slechts één van de hoedanigheden van het ei is. Alleen als een ei intact is (eventueel gekookt) ziet het er zo uit, qua tweedimensionale weergave. Bij een gebakken ei is het een heel ander verhaal. Volgens de huidige opvattingen binnen de goniometrie kan dat het beste met potlood en papier afgebeeld worden via de omtrekken van een aselecte aardappel en een daarbij wat verhouding betreft passend muntstuk.

De wisseltruc

Eens was er, daar waar al tijden niets nieuws onder de zon is, op het aller-, allerhoogste punt van ons gewest, hier niet ver vandaan, een goochelaar die zo arm was dat hij elke speelkaart drie keer om moest draaien. De man was verliefd op de verloofde van de hertog en hij kreeg allerlei zoete signalen dat het niet anders dan wederzijds kon zijn.
Tijdens de altijd gezellig meifeesten dat jaar gaf de hertog, omdat hij die maand ook jarig was, een groot feest op zijn kasteel, waarbij hij onder andere de goochelaar uitnodigde om een van zijn fantastische magische shows ten uitvoer te brengen. De kleinkunstenaar leek dit een uitgelezen kans om zich met de aanstaande van de hertog uit de voeten te maken. Samen spraken ze daarom heimelijk een en ander af over hoe ze tijdens de performance hun ontsnapping zouden effectueren.
De avond van het optreden brak aan. In het kasteel was de balzaal gevuld met publiek van allerlei soorten boven een bepaalde standing, en de goochelaar maakte zijn entree en ging aan de slag met het zogenaamd een vinger afsnijden en dergelijke.
‘En dan nu voor het pièce de résistance! Waar moet ik de tere verloofde van de hertog in veranderen? Roept u maar!’ gooide hij de zaal in, nadat hij eerst wat uiterst saaie kaarttrucs had gedaan.
‘Een wolf!’ riep een flink benevelde baron van links.
‘Nee, dat kan niet,’ lachte de goochelaar. ‘Te veel tanden.’
‘Een grijze wolf dan?’ riep een baard- en snorloze graaf van rechts.
‘Een oranje wolf!’ riep een markies met lage meisjesstem vanaf een onzichtbare plek ergens in de echorijke hal.
‘Nee, ik zal haar veranderen in een citroen,’ zei de goochelaar toen. ‘Dat is echt veel moeilijker. Ik zal haar veranderen in een citroen die zo groot is als een ijsberg die zo groot is als een vuist.’
Lang treuzelde de man met de toverstaf daarna niet meer. Hij was immers dirk-poep-in-’t-handje niet! Met behulp van een aantal spiegels, een heel erg grote lap en een bezwerende spreuk leidde hij het publiek af, en weldra lag er op de stoel waar de toekomstige vrouw van de hertog eerst zat een glimmende, kanariegele citroen.
Alle aanwezigen applaudisseerden heftig, behalve de onverschillige eenarmige ridder. (In werkelijkheid was de verloofde natuurlijk helemaal niet in een citroen veranderd, maar was ze stiekem weggeslopen om buiten in een koets op de goochelaar te wachten.) En nu moest de dame in kwestie weer teruggetoverd worden, vond de menigte. Maar dat was een stuk moeilijker, volgens de goochelaar, en een paar keer achter elkaar mislukte het dan ook.
‘O, ik weet het weer,’ zei de magiër ineens quasi-oningestudeerd. ‘Ik heb een grote zak met goudstukken nodig om mijn toverstaf van extra energie te kunnen voorzien. Dat heeft van doen met psychometrie en magnetisme en zo.’
Enigszins geïrriteerd liet de hertog een zak goud aanrukken. En toen de toverstaf opgeladen was, moest iedereen zijn ogen sluiten en pas weer openen als ze de verloofde hoorden lachen.
De goochelaar vluchtte uiteraard in het gegiechel van de anticipatie weg. Buiten bij zijn lief aangekomen gooide hij de zak met goud in de koets. Maar net toen hij in wil stappen, ging het rijtuig er als een haas met wel zes poten vandoor.
‘Eindelijk kunnen we aan onze toekomst gaan bouwen, liefste,’ zei de verloofde van de hertog tegen de koetsier en ze gaf hem een lange, vurige kus.

De genezen neeschudder

Hier, precies waar je nu bent, nou ja, misschien iets meer naar links, echt hooguit tien meter, en dan nog een klein stukje zeewaarts, pak ’m beet een sprongetje of twee, maar in ieder geval hier niet ver vandaan, leefde eens een geneesheer met een reputatie die zelfs reikte tot het gebied na de vierde rivier. Hij kon genezen dat het een aard had. Met één hand op zijn rug en met een vinger in zijn neus genas hij elke dag aan de lopende band zijn patiënten. Scheurbuik leverde hem nog niet het minste struikelblok op. Halitose wuifde hij proestend weg. En voor een verkoudheid kwam hij amper zijn bed uit, zo gemakkelijk genas hij die. Er heerste dan ook een gezondheid van heb ik jou daar in die tijd in deze contreien.
Maar natuurlijk kon dat niet blijven duren. Op een dag ontving de dokter een aardappelboer in zijn spreekkamer wiens ziekte hij met de beste wil van de wereld niet kende.
‘Neemt u plaats,’ zei hij, naar een lege stoel wijzend, tegen de boer – zijn kwaal kon hij daarentegen absoluut niet plaatsen.
Van alles probeerde de arts om een diagnose te stellen. Zelfs liet hij de patiënt met een paar kaarsen achter een wit laken staan om zo zijn schaduw te bestuderen. Maar niets van deze vakkundige probeersels mocht baten. Ten einde raad ging de dokter bidden. Hij beloofde begeesterd en met enige pijn in zijn hart zijn leven te beteren, als de boer maar zou genezen.
De volgende dag kwam de boer vrolijk een variant van de horlepiep fluitend de spreekkamer binnen. Hij was weer helemaal de oude. En de geneesheer hield zich aan zijn belofte; hij dronk vanaf die dag één glaasje wijn minder in de week.
Nog geen acht dagen later echter kreeg de dokter een schaapsherder op bezoek, en bij hem hadden de getoonde knobbels en wratten en zweren heel andere kleuren en geuren dan bij de aardappelboer. Opnieuw wist de heelmeester zich geen raad, en wederom begon hij een potje te bidden. Ook deze keer beloofde hij degene tot wie hij zijn gebed richtte, dat hij zijn leven zou beteren, als de schaapshoeder maar van zijn ziekte zou herstellen.
De dag erna, precies om vijf over elf, je kon er de klok op gelijkstellen, belde de herder vief en vrij van ontstekingen aan bij het huis van de medicus, die maar al te goed wist toen dat hij voortaan één sigaretje per dag minder moest roken.
En bij die twee gevallen, die van de aardappelboer en de schaapsherder, bleef het niet. Elke week kwam er ineens een zieke aanschuiven met een aandoening die de dokter niet kende. Een chronische stroom van mysterieuze krankheden liep door zijn praktijk. En elke week betekende dat dat de arts moest bidden en beloven zijn leven te beteren. Hij had immers een reputatie hoog te houden. Gaandeweg kon hij steeds minder wijntjes drinken en steeds minder sigaretjes roken, en na verloop van tijd was hij zelfs een onmiskenbare geheelonthouder geworden.
Maar toen sloeg het noodlot toe: de geneesheer werd zelf ziek, en zijn ziekte zei hem niks. Bovendien was doofheid een van de symptomen van de onbegrijpelijke kwaal. Bidden had geen zin meer. De dokter dronk niet meer en rookte niet meer, dus zijn leven kon hij ook niet meer beteren. Wat er vervolgens gebeurde is een heus wonder te noemen: de arme stakker werd vanzelf beter!
En zelfs voor moderne artsen is dit verhaal tot op de dag van vandaag een compleet raadsel.