Ei-eigenschappen #38

Ons woord ei is ouder dan ons woord kip, etymologisch gezien. We noemen een kip eigenlijk pas echt een kip sinds Piet Hein z’n naam zowel klein als wijdverbreid is, terwijl de term ei al tijdens de gloriedagen van de Zwarte Dood hier door menig keuken schalde. Voor de kip kip was, heette zij hen, en zeer waarschijnlijk ging men die kip kip noemen omdat dat makkelijker roepen was dan hen. De tamme hoender was een geliefd huisdier geworden en men wilde haar graag hartelijk en hardop kunnen uitnodigen voor de maaltijd – haar man, de haan, zou dan wel volgen. Om dit wat te verhelderen moet met simpelweg eens ‘Kom maar, kippen, kippen, kippen!’ met ‘Hier, hennen! Hier, hennen!’ vergelijken. En als de kippen dan toch nog niet wilden luisteren, kon er eenvoudig even het tussenwerpsel ei in het hok gegooid worden; dit synoniem van hé werd in het Middelnederlands al volop gebruikt – vooral populair in de wat geïrriteerdere periodes van de Honderdjarige Oorlog – en gaat in bijna dezelfde vorm zelfs terug tot het Latijn en het Grieks. Maar ook ei als zelfstandig naamwoord, in de betekenis van kiem, gaat aan kip vooraf. Dat woordje ei gebruikten de luitjes in onze contreien al ruim voor de tijd van de bezigheidstherapeutische kruistochten. Waar men Oudsaksisch en Oudhoogduits sprak, kon je eenvoudig met de kreet ei een ei bestellen. Een heerlijk Germaanse uiting, blijkende ook uit de oude meervoudsvorm -er (waar later in de geschiedenis als een overbodig supplementair meervoud nog eens de vorm -en achter is komen te staan): eieren. Veel van dergelijke uit het Oergermaans afkomstige woorden zijn op de boerderij te detecteren, zoals kalveren, runderen, lammeren, en hoenderen. In Duitsland is dat ook het geval, alleen is men daar te efficiënt ingesteld voor een gestapeld meervoud; eieren zijn in Duitsland gewoon Eier. Onze niet-Germaanse buren haalden hun (uiteraard ondermaatse) eieren elders vandaan – het Franse woord œuf is te herleiden naar het Latijnse ovum, en de Engelsen bouwden hun begrip egg met ietwat hulp en inspiratie van het Oudnoorse egg. En als je de heren en dames etymologen mag geloven is dit allemaal zelfs nog terug te voeren naar waarmee in het Proto-Indo-Europees de term ei werd uitgedrukt. Hier is echter slechts nog maar één opname van, van zeer slechte kwaliteit bovendien, waarop iets als h’ōwyóm te horen is. Dit kon allicht niet zo blijven en daarom werden er klankwetten ingevoerd, door mensen als Adolf Holtzmann, Vladimir Dybo, en Georg Heinrich Mahlow. Lange klinkers voorafgaand aan geaccentueerde lettergrepen werden ingekort, open lettergrepen met een tweeklank verloren hun halfklinker, terwijl er juist weer een verdubbeling plaatsvond van diftongen in sterke prosodische posities, dat soort dingen. Voor de ontwikkeling van de Germaanse talen was het verder van immens belang dat niet, zoals in het Frans, alle woorden op elkaar zouden gaan rijmen. De Proto-Germaanse vorm van ei werd zo ajją – en de uitspraak hiervan wordt in delen van Brabant vandaag de dag nog steeds gebezigd, volgens sommigen. De betekenis die aan deze klank kleefde, was vanuit het Proto-Indo-Europees geëvolueerd uit concepten als ‘bij de vogel behorend’ en ‘wat zich bij de vogel bevindt’. En dat zou dan toch suggereren, als we begerig op die Proto-types willen vertrouwen, dat er eerst de vogel was en daarna pas het ei.

Ei-eigenschappen #37

Van ene Jantje wordt sinds 1779 gezegd dat hij pruimen zag hangen die zo groot waren als eieren. Die vergelijking roept echter net zo goed vragen op als dat ze verheldering biedt. Hoe groot waren die eieren dan, waar de dichter Hieronymus van Alphen hier, in de tijd waarin maatschappelijke onvrede zich dreigend over Europa uitrolde, op doelde? Van welke vogel of ander eierleggend wezen waren deze afkomstig? Pruimen met de afmeting van een struisvogelei werden in de achttiende eeuw als tamelijk bijzonder beschouwd, en nu is dat nog steeds het geval, maar het kan uiteraard ook goed zijn dat de pruimen de grootte hadden van een ei van een kolibrie – want dan is het van dichtbij bestuderen van zo’n steenvrucht eveneens de moeite waard. Toch, iets qua grootte vergelijken met een ei is in feite net zo veelbetekenend als zeggen dat je fiets ballonkleurig is.
Ik denk overigens dat ik er niet ver naast zit als ik stel dat Hieronymus in zijn gedicht over Jantje – die overigens heel braaf is en zelf niet de pruimen gaat plukken, maar dit zijn vader laat doen – de eieren van een kip voor ogen had. En dan, uiteraard, een gemiddeld ei. Niet overmatig groot, niet ontstellend klein, en in ieder geval groter dan een gemiddelde pruim, want anders zou de tekst van Van Alphen de plank goed misslaan. En ik veronderstel dat we van de dichter mogen interpreteren dat de pruimen zo groot waren dat twee stuks ervan meer dan bevredigend waren om aan de hedendaagse overheidsbetutteling aangaande gezond eten te voldoen. Of je het teveel aan pruim van de hoeveelheid dagelijks te verorberen groente af mag halen, durf ik niet te zeggen. De staatsvingerwijzing zegt dat het dag in dag uit moet gaan om ‘2 stuks fruit en 2 ons groente’, maar er wordt niet bij verteld of er misschien ook wel tussen ‘4 stuks fruit en 0 ons groente’ en ‘0 stuks fruit en 4 ons groente’ geschipperd zou mogen worden. Sowieso is het verwarrend dat in de eetrichtlijn fruit in eenheden wordt uitgedrukt en groente in gewicht. Alsof fruit niet te wegen is of groente niet te tellen. Alsof appels en peren niet op een eenduidige manier te vergelijken zijn met wortels en komkommers. Zelfs criticus Frank Zappa, die het in zijn oeuvre vaak heeft gehad over groenten, geeft hier geen uitsluitsel. Op zijn tweede studioalbum geeft hij enkel – tot twee keer toe – aan dat een pruim geen groente is. Van Alphen mengt zich, waarschijnlijk door een voorliefde voor opzettelijke provocatie en half gesluierde ironie, verder niet in een dergelijke discussie, en misschien ligt daar wel een aanwijzing dat het amper van belang is of de pruimen in Jantjes gezichtsveld klein of groot waren. Wellicht zocht de dichter gewoon een rijmwoord bij ‘verbood’. Jan zag pruimen en wilde die graag eten; de afmeting was voor hem van hooguit secundair belang. En ze waren lekker, dat zeker! Ze smaakten naar eigeel met suiker, maar dan frisser, zei Jantje misschien nog. Maar toen was de dichter al verdwenen.
En mogelijkerwijs had die Jantje gewoon een vertekend beeld van de pruimen. Omdat hij nogal slecht zag en een bril nodig had, of omdat hij die ochtend had gegeten van die paddenstoelen uit het bos, die er met dichtgeknepen ogen net als eieren uitzagen.
Je vraagt je af of het zelfs wel om pruimen ging. Wie zegt er dat Jantje niet langs een kiwiboom kuierde en geobsedeerd raakte door de verfijnde, op eieren lijkende vruchten ervan? Ja, niet van een kiwi, vanzelfsprekend.

Ei-eigenschappen #36

Merkloze producten tref je tegenwoordig in de supermarkt amper meer aan. Naast verse groente en dito fruit kom je eigenlijk alleen nog maar het ei (in zijn oorspronkelijke staat) tegen. En juist omdat het onbewerkt is, kan het, wat weinigen zullen ontkennen, geen merk zijn. Ja, er staat een code op, oké, waarmee het adres van het hennenhok te traceren is, maar het doosje in de winkel kan gevuld zijn met eieren van verschillende boerderijen. Het wordt dan lastig om op de verpakking een gemene deler te drukken, puur om de commercie te verhogen, en men moet hier volstaan met een beschrijving van generieke karakteristieken en sorteereigenschappen. Een merk is er immers niet op gericht om informatie te verschaffen, maar juist om de retoriek van het verkooppraatje een fijne zwengel te geven.
Een merk als Appelsappel® biedt bijvoorbeeld niet zomaar een appelsap. Nee, Appelsappel® geeft bovenal toegang tot elegantie, schoonheid, rijkdom, en diepe menselijke verlangens. Meer nog dan een veel te zoet drankje is Appelsappel® een ervaring en een levensstijl. Zo wordt de waarheid in onze moderne tijd aangeboden. In het verlengde daarvan heeft de Franse denker Jean Baudrillard, vooral in de vorige eeuw, veel reclame gemaakt voor de gedachte dat niet de productie maar de consumptie de drijvende kracht van de kapitalistische maatschappij is. En die consumptie wordt aangewakkerd door herkenbaarheid – daar ligt de taak van de merken. Merken dringen de koper een fetisj op en laten de koper met de aankoop iets over zichzelf zeggen.
Daarnaast staat een merk doorgaans niet eens op zichzelf. Het is maar al te vaak onderdeel van een cluster. Laten we een parallel trekken met de muziekwereld: de Amerikaanse platenmaatschappij Motown heeft een hele rits muziekgroepjes afgeleverd met een soortgelijk geluid van vier drumslagen per maat, met strijkers, blazers, gospelachtige koortjes, veel hoge, heldere tonen, en handgeklap. Je dacht dat je een single van The Temptations (het merk) kocht, maar eigenlijk kocht je een dosis massaproductie van Motown (het concern). Op eenzelfde manier heeft de producer Phil Spector ook een keur aan artiesten een flink stuk herkenbaarheid gegeven met zijn totale afwezigheid van stilte. En je weet: Phil Spector of Pepsico, dubben doen ze sowieso. Waar Phil ongeveer elke zangpartij en elk instrument meerdere keren in zijn mix verwerkte, zo hebben multinationals als Kraft Heinz, Nestlé, Unilever, en Kellogg’s categorieën met merken die elkaar schijnbaar beconcurreren. Maar het maakt het bedrijf Mars totaal niet uit of je je honger stilt met een Snickers of een Twix, en het zal Proctor & Gamble tevens een zorg zijn of je je haren wast met Pantene of met Head & Shoulders; die keuzevrijheid heeft geen invloed op de richting van de geldstroom.
Terug naar de supermarkt: op de vleesafdeling liggen verschillende delen van dieren, op de groenteafdeling ligt allerlei plantenmateriaal, maar een eierafdeling is er eigenlijk niet. Er is een schapje eieren, en er is een indelinkje op eiergrootte en op leefomstandigheden van de hen. Dat laatste zou suggereren dat nature wordt bepaald door nurture. Vertaald naar het mensdom: de chemische samenstelling van een kind is afhankelijk van de omgeving waarin diens ouders verkeerden. Toch merk je niet snel dat iemand aan die theorie een labeltje met zijn naam erop durft te hangen.

Ei-eigenschappen #35

Het verleidelijkste woord (in de geschreven Nederlandse taal) met de lettercombinatie ei moet toch wel proteïne zijn. Sowieso is hier een de geest prikkelend wederkerig spel aan de gang, zoals dat ook het geval is bij de plastic tas die in een jas past en die jas die op zijn beurt weer in die plastic tas past: een ei bevat proteïne, en proteïne bevat een ei. (De woorden eiwit en eigeel hebben datzelfde dartele van jas-tas, maar zijn verre van poëtisch en een stuk minder spannend. Dat zijn meer woorden als tentzak-tent: nogal wiedes dat de tent in de tentzak past; daar is die immers voor bedoeld. En dat de tentzak tevens in de tent past, is iets waar echt iedereen wel geld op in zal zetten.) Maar het woord proteïne heeft nog meer bijzonders: het bevat de lettercombinatie ei, die niet als tweeklank mag worden uitgesproken, maar als twee klanken uit ons spraakorgaan moet komen, en het deelteken op de i is daar een instructie voor. (In feite is atheïst wat dat betreft ook een interessant woord. Atheïsten dragen altijd een ei met zich mee, al geloven zij in ieder geval niet dat bij het wonder van het ontstaan van leven, elke keer als een ei uitgroeit tot een wezen, de letterlijke en/of figuurlijke aanraking van God een rol speelt.) De ei in proteïne (en atheïst) is dus geen echte ei, maar juist een botsing van klanken. Op schrift proberen de spellingsregels dat te verduidelijken met het diakritische teken dat trema heet: die twee puntjes naast elkaar boven een klinker, hierboven dus boven de i (waarbij het in de regel bij de i horende puntje wegvalt). Het nut van het trema is enkel het lezen wat vergemakkelijken, maar het gebruik ervan zou absoluut geen thema hoeven zijn bij het nakijken van een dictee. Zeker vergeleken met het Nederlands heeft het Engels een heel wat meer onoverzichtelijke spelling, toch is men daar totaal niet in de weer met allerlei symbooltjes in, aan of rond de grafemen om de lezer op weg te helpen. In het Engels heerst bij de uitspraak van het geschreven woord protein geen verwarring. En dat is goed te begrijpen. Er is immers geen ander woord in die taal dat op die wijze wordt geschreven en anders moet worden uitgesproken. Een stoïcijnse spellingsbenadering zou het zijn om je niet druk te maken als stoïcijns als stoicijns geschreven wordt. Dat woord met een oi-klank bestaat niet in onze taal. Het is dus niet zo dat ineens de betekenis zoek is. En verwar het trema alsjeblieft niet met de umlaut. Die umlaut heeft echt een blijvende functie van een klankverandering. Het trema steekt daartegen af als nogal een weeïg fopteken; dat verdwijnt namelijk zomaar ineens als het woord vlak voor de met het trema geïnfecteerde letter wordt afgebroken.
Uiteraard is het zo dat de spellingsregels inconsequent zijn. Daar zijn het (spellings)regels voor. Als in een zin het woord beamen staat, moet het voor de lezer uit de context te halen zijn of er iets bevestigd of geprojecteerd wordt. En als twee broers kalend zijn, maar de een is wat kalender dan de ander, is er ook geen spellingsgereedschap om aan te geven dat het niet over een datum gaat.
Toch, betreffende die puntjes op de i (de Engelsen hebben het trouwens over to dot the i’s and cross the t’s, dus bij Brexit gaat het over de laatste 33%): het blijft netjes om een geschreven e-mail eerst uit te printen, om vervolgens met een pen de i’s nogmaals fatsoenlijk van een punt te voorzien, de bladzijde weer in te scannen, en het bericht daarna pas te verzenden.

Ei-eigenschappen #34

De staafmixer heeft een revolutie teweeggebracht binnen het mayonaisemakersgilde. Tegenwoordig is het produceren van mayonaise een kwestie van een ei (zonder schaal) in een smalle, hoge maatbeker gooien, azijn (2 eetlepels) erbij, plantaardige olie (250 ml) erbij, staafmixer op de bodem zetten, op de aan-uitknop drukken, en het apparaat langzaam omhoog trekken, maar in het prestaafmixertijdperk moest er nauwgezet een eierdooier gescheiden worden en een citroen fijngeknepen en moest er geroerd en geroerd en geroerd worden terwijl er geduldig en druppelsgewijs olie aan het mengsel werd gevoerd.
Het is, welke methode je ook kiest, wel verstandig om je mayonaise op een geheime plek te maken. In de Warenwet staat immers dat je je koude eiersaus alleen mayonaise mag noemen als die niet minder dan 70% vet en ook zeker 5% eigeel bevat. En je weet hoe de Nederlandse overheid omgaat met haar onderdanen: als je een paar miljoen jat, krijg je een bos bloemen, maar als je fietst met een kapot achterlicht, mag je direct doorfietsen naar de gevangenis. Om helemaal zeker te zijn van een wettig handelen kan men het beste de zelfgemaakte mayo de benaming mayonaisoïde condiment geven, hoorde ik onlangs van een culinair jurist. (Je zou misschien ook als voorzorg de Franse schrijfwijze mayonnaise kunnen hanteren, met twee n-en dus, want de wetgeving heeft het zwart op wit enkel en alleen over ‘de aanduiding mayonaise’ in de beschrijving over de verplichte samenstelling. Toch zullen ambtenaren zich hier zeer waarschijnlijk juist weer niet strikt aan de letter houden en na het proces verbaal zelfs het gevoel hebben dat ze een geval van en-en-denken op het spoor waren.)
Mayonaise moet overigens een emulsie van olie in water zijn. Niet alleen om legaal bezig te zijn, maar ook omdat het anders een te vloeibare mengeling is, en dat kun je je friet niet aandoen. Besef bij elke hap mayonaise dat de zonnebloemolie, bijvoorbeeld, als uiterst kleine en delicate druppeltjes is verdeeld in de waterbasis, bestaande uit diwaterstofoxide uit het eigeel, azijn, en misschien zelfs citroensap. Lecithine uit de dooier is in dit systeem de emulgator die het goedje stabiliseert. En in optimale mayonaise blijven de oliedruppeltjes lekker van elkaar gescheiden door een elektrostatisch spel van onder andere vanderwaalskrachten. In veel gevallen is het ingrediënt mosterd aanwezig in mayonaise. Deels is dit om de smaak, maar mosterd is ook een aardige emulgator en zal dus een steentje bijdragen in het tegengaan van het ontmengingsproces.
Dat mayonaise vet is, valt niet te ontkennen; het is ook meer een oliesaus dan een eiersaus. De hoeveelheid olie die door één eierdooier geëmulgeerd kan worden, is echt een veelvoud van wat de recepten die je hier en daar kunt vinden aangeven. En hoe meer olie, hoe meer emulsie en hoe dikker die dan is. Het eismaakje dat de dooier uiteraard ook aan de saus geeft, gaat bij een overdaad olie wel verloren.
Voor mensen die iets tegen te veel vet hebben en toch een frietje met willen, is frietsaus een alternatief. De oliebasis van frietsaus is door de bank genomen maar 25% van het geheel. Zelf eet ik het liefst een heel erg dikke ‘mayonaise’ overgoten met een saus die voor minimaal 70% bestaat uit gepureerde friet. Maar ik ben dan ook een fijnproever.

Ei-eigenschappen #33

In een oud boek over alchemie – ik kon door de staat van het boek de titel niet meer lezen – vond ik afgelopen uur een formule om de toekomstige waarde van iets te kunnen voorspellen. Die zou namelijk gelijk zijn aan de huidige waarde van dat iets maal één plus een vorm van rente (r) tot de macht t, waarbij t staat voor een tijdseenheid, meestal uitgedrukt in jaren. Vreemd is natuurlijk dat die twee waardeaanduidingen niet meer dezelfde dimensie hebben; er zit immers ook een factor tijd in de formule. Snelheid wordt bijvoorbeeld uitgedrukt met de eenheid m/s (meter per seconde), en in een formule wordt die berekend door afstand (lengte) te delen door de tijd. Links en rechts van het isgelijkteken zit dat snor daar. Maar bij de verdisconteringsformule uit dat alchemieboek klopt dat dus niet. Present value en future value kun je (omdat de factor tijd de ene een andere soort waarde maakt dan de andere) niet meer echt met elkaar vergelijken. Ze zijn, zeg maar, niet meer van elkaar af te trekken om het verschil te bepalen. Toch gebeurt dat. Maar goed, er zijn wel meer dingen waar die jongens van de financiële alchemiewereld zich niet druk om maken. (Uiteraard is het gewoon een rekendingetje. En alles ziet er hoogstaander uit als het uit de natuurkunde lijkt te komen.) Nu kun je deze formule ook gebruiken voor iets nuttigs. Zoals het berekenen van de prijs van een ei met het verstrijken van de tijd. Een beetje ei in een beetje supermarkt kost tegenwoordig toch wel zo’n dertig cent. Deze prijs geldt, volgens de door ons allemaal goedgekeurde Europese regels, van de legdatum tot zeven dagen vóór de ook door ons Europa vastgestelde THT-datum van achtentwintig dagen na de legdatum. De toekomstige waarde van een ei wordt op een gegeven moment dus nul, wat betekent dat de huidige waarde dan volgens de verdisconteringsformule ook nul moet zijn, want nul maal iets is nul. Hier lijken de financiële alchemisten een foutje te hebben gemaakt in het samenstellen van hun rekengereedschap. Of misschien geldt de formule alleen in het spectrum van dingen die een waarde hebben. Hoe dan ook, eenentwintig dagen na de legdatum zakt de grafiek ineens naar de nullijn. Aan de andere kant van de grafiek gebeurt iets interessanters. Voor het produceren en leggen van een ei heeft een kip zo’n zesentwintig uur nodig. De investering om dit proces in gang te kunnen zetten (denk aan voedsel en huisvesting) is om en nabij de negen cent. Vullen we nu in de formule een huidige waarde van negen in, een toekomstige waarde van dertig, en voor t zesentwintig (in uren dus), dan kunnen we de verdisconteringsfactor r berekenen: nul komma nul vier zeven, oftewel vier komma zeven procent. Volgens sommige alchemisten is er dus een rendementsverwachting bij de eierlegprocedure die ervoor zorgt dat het te leggen ei een uur voor zijn daadwerkelijke verschijning al een waarde heeft van achtentwintig komma vierenzestig cent.
En, ja, wat heb je daaraan? Nou, stel dat je geen zin hebt in de schaal of alleen de dooier wilt. Dan zou je het proces eerder af kunnen breken. Bij het zelf uit de kip halen van het ei in wording na een uur of elf is er ook het voordeel dat het dan nog maar vijftien cent bedraagt. De kosten van het moeten vervangen van een kip moet je daar natuurlijk nog wel van aftrekken. Om de prijs van die kip vast te stellen moeten ook alle eieren die ze nog had kunnen leggen in de berekening worden meegenomen. Maar dat is dan weer hogere wiskunde.

Ei-eigenschappen #32

Eieren kijken niet naar De Wereld Draait Door of soortgelijk entertainment over het bastion Amsterdam. Maar eieren denken natuurlijk wel na over grotere thema’s zoals ethiek. Zo was ik laatst – stiekem – deelgenoot van een discussie die gevoerd werd door een aantal eieren over het wel of niet doneren van een half haantje aan een ooit vast ongebreidelde maar nu vooral hongerige zwerver. (Maar ja, stiekem, ach stiekem, zo de privacy schendend is afluisteren of begluren nou in wezen ook weer niet, omdat waarneming niet meer dan een abstractie is van het uiteindelijk waargenomene, natuurlijk.) Het gesprek vond plaats op een door de bank gesponsord uitje naar de grote stad. Normaliter moet ik daar niks van weten, maar als het gratis is heb ik graag niks anders te doen, en met mij vele eieren blijkbaar. En je weet hoe het gaat als er normen en waarden in het spel zijn. Er vormen zich groepen. Al gauw had elke groep ook een spokesperson, al noemden die zichzelf liever eileiders, omdat ze geen onnodig Engels in het leven wilden roepen.
De eerste groep die zo naar voren trad vond blijkbaar dat morele acties verband moeten houden met de consequenties die ze teweegbrengen. Hun roerganger wreef met zijn gespeelde vingernagels over zijn gespeelde revers zei: ‘Het lijkt mij evident, proteïne-confrères, dat de bewuste clochard meer nut heeft van de halve haan dan wij. Wij hebben al ons voedsel al bij ons. Zonder de halve haan komt het goed met ons, terwijl meneer de zwerver zonder de halve haan simpelweg lijdt. Moreel gezien wordt de wereld daarom beter als we ons haantje uit handen geven.’
Een tweede groep eieren droeg een conceptueel spandoek waarop stond dat ethische kwesties door intenties moeten worden gestuurd. Hun frontman tilde zijn denkbeeldige neus op en meldde met verfijnde stem: ‘Ja, maar, beste ovaalvrienden, een handeling wordt toch niet moreel verantwoord door het gevolg ervan? Het gaat ’m juist om de bedoeling ervan! Als we nu die bedelaar alleen maar een half haantje geven omdat dat goed oogt en we daarmee wellicht onze sociale prestige verhogen, is het feitelijk helemaal geen deugdzame daad. Alleen de reden en de bedoeling van het helpen van de arme man kunnen de handeling als goed laten tellen.’
‘Nou, nou, nou, nou, nou,’ zei de zijn virtuele vingers knakkende woordvoerder van een derde groep eieren, die allemaal een imaginair T-shirt met daarop de tekst MORAL DUTY RULES! droegen. ‘Acties zijn niet alleen maar moreel door intenties! De intenties moeten samenhangende universele regels volgen. Als het geven aan de armen een morele plicht is, en dat is het, dan volgt de moraal die plicht, en niet alleen maar om zomaar een beetje goed te doen.’
Even leek het erop dat er een consensus was en dat alle aanwezige eieren bereid waren om de vagebond van zijn honger en misschien wel zijn bittere teleurstelling af te helpen. Het halve haantje maakte zich al klaar. Maar toen verscheen er ineens een nieuwe eiergroep in het gangpad van de bus. Hun commandant pruilde zijn illusoire lip en zei: ‘Gratis daklozen helpen is idioot. Daar verdienen we niks aan. Die halve haan is van ons. Liever maak ik die kapot voor mijn eigen lol dan dat ik die zomaar weggeef!’
Er viel een stilte, en daarna hoorde je alleen nog maar die eieren die zich het liefst eien noemden (naar Ayn Rand). Het was toen, precies toen dat moment, maar het kan ook iets erboven of eronder zijn, dat ik besefte dat ik wat last had van surrealisme.

Ei-eigenschappen #31

Van alle vertellingen die rond de kerstdagen de rondte doen, bevat het iedere keer enerverende verhaal De Burgemeester en het Kerstei misschien wel de minste items van een ethisch reveil. Dit sprookje wordt op verschillende wijzen opgedist, en hier volgt de waarschijnlijk bekendste variant: Op een zachte vierentwintigste december vond een burgemeester een pakket van een anonieme afzender voor zijn voordeur. In de doos zat een ei, een gewoon kippenei, met een kaartje erbij, waarop stond dat de burgemeester wel zou weten wat hij met het ei moest doen. Maar de burgemeester was huiverig en sceptisch. Hij wist niet exact wat er in het ei zat, en daarom wilde hij het eigenlijk niet hebben. Tot zijn eigen verbazing kreeg hij echter al snel een idee. Hij zou het ei aan zijn huishoudster geven als kerstbonus. Sowieso had hij nog geen geschenk voor haar, en een ei zou zij vast waarderen. De huishoudster was echter niet bijster door de gift gevleid. Ze kon niet bepalen wat er in het ei zat en ze had ook niet de behoefte om het aan te nemen. Daarom zei ze de burgemeester dat ze al een ei had en bedankte ze vriendelijk voor het presentje. De burgemeester kon zijn huishoudster haar houding niet kwalijk nemen. Zelf had hij eenzelfde gedachte over het ei, maar hij zat er nog wel mee in zijn maag. Toch was het aantal gaten waarvoor de burgemeester te vangen was niet één. Hij liep meteen door naar de commissaris van politie en overhandigde hem het ei, vergezeld van een kerstwens. De politiecommissaris zette het ei neer en liep eromheen om het eens van alle kanten te kunnen bekijken. Hij kon echter niet ontdekken wat er in het ei zat, en daarom gaf hij het terug aan de burgemeester met het excuus dat hij niet vaak thuis was en dus niets met een ei kon aanvangen. Inmiddels wat chagrijnig trok de burgemeester verder. De pastoor werd zijn volgende uitverkorene. Deze bestudeerde het geschenk zorgvuldig, waarbij hij het ei of de burgemeester meermaals een homunculus noemde. Maar de pastoor kon niet verkroppen dat hij niet precies wist wat er in het ei zat, en dus gaf hij het cadeau vrolijk terug aan de burgemeester, waarbij hij als reden opgaf dat hij een eivrij leven aan het leiden was. De burgemeester begon nu wat ongerust te worden. Hij zou zijn ei toch wel kwijt kunnen? Maar bij de dorpssmid had hij evenmin succes, de molenaar en de klompenmaker waren toevallig net gestopt met eieren, en ook niemand in taveerne De Kwijlende Zeug had goesting in een ei. Maar de waard van de taveerne had misschien wel een oplossing. Hij kende mogelijk een gegadigde. Als er iemand een ei nodig had, zei hij, dan was het de weduwe Van der Stippe tot aan den Lijne wel. De weduwe woonde op een landgoed een flink stuk buiten het dorp. Het was toch wel een half uur lopen, maar de burgemeester maakte dat onderhand niet meer uit. Drie uur later kwam hij aan bij de villa. Hij klopte tot zes keer stevig op de voordeur. Even leek het erop dat hij voor niets gekomen was, maar ineens klonk er gestommel van binnen. Langzaam opende de deur zich. De burgemeester werd wat zenuwachtig. Hij zette zich schrap, en in zijn onhandigheid liet hij het ei uit zijn handen glippen. Het ei kletterde op de grond kapot. En toen hij de eierstruif daar zo op de stoep zag liggen, besefte de burgemeester dat hij de vorm toch altijd interessanter had gevonden dan de inhoud.

Ei-eigenschappen #30

Het schijnt dat Woody Allen nooit in een interview gezegd heeft dat hij minstens acht keer begonnen is met het lezen van een bijbel, maar dat hij die elke keer ongeveer bij de Openbaring van Johannes door zijn enthousiasme uit zijn handen liet vallen en hij weer helemaal opnieuw moest beginnen. Achteraf wist hij wel te vertellen dat er volgens hem meer grappen over eieren stonden in een doorsnee veganistisch kookboek. Als je graag over eieren leest, kom je er met de Bijbel überhaupt bekaaid vanaf. (De lange ij zit er uiteraard in, maar je mag volgens sommigen een boek niet beoordelen op alleen de kaft.) Het lijkt zo’n dikke foliant met heel veel letters en zo, maar het aantal eieren dat erin voorkomt, kun je makkelijk met twee handen tillen. In het boek Genesis geeft bijvoorbeeld geen enkel ei acte de présence, terwijl je er daar sowieso wel minstens eentje zou verwachten. Nee, het eerste ei doet zijn intrede pas in het boek Deuteronomium. (Je weet wel, dat laatste werk van Mozes waarin hij tevens gewag maakt van zijn eigen begrafenis.) In de Willibrordvertaling (6e druk ) vinden we die eieren op bladzijde 202 (van de 1789 blz. – ruim de eerste 10% is dus eiloos). Tussen allerlei sociale bepalingen die hier opgesomd worden, over onder andere belastingen en hygiëne, staat ook (hoofdstuk 22, vers 6) dat men een broedende hen samen met haar eieren met rust moet laten; het is immers belangrijk om over de voedselvoorziening van de toekomst na te denken.
Iets verderop in de Heilige Schrift, in Job 39:17, wordt een stukje zoölogie aangehaald en wordt er verslag gedaan van de inmiddels uitgestorven Struthio camelus syriacus, oftewel de Arabische struisvogel, die doorgaans de gelegde eieren met de nodige schwung en behendigheid in het zand begroef om ze lekker warm te houden. Job kreeg deze les van God zelf, volgens sommige exegeten bovendien op de dag dat Job jarig was.
Blader even door en je komt bij de profeet Jeremia. Deze schrijft (17:11) over een veldhoen die zonder dat het iets oplevert eieren van een andere vogel wil uitbroeden. Meteen daarna legt J. de metafoor uit. Iets wat in de Nederlandse cabaretwereld nog volop leeft. De profeet Jesaja zou in Carré waarschijnlijk ook veel furore maken. Jesaja was een soort graploze nar aan het hof van Juda ten tijde van de Assyrische overheersing. Hij repte over verlaten eieren (10:14) en uileneieren (34:15) en addereieren (59:5), allemaal bedoeld om aan te geven dat die Assyriërs op moesten houden met gemeen doen. (Jesaja wordt er overigens van verdacht dat hij alleen schreef nadat hij bedorven eieren had gegeten.) En als je maar lang genoeg wacht wordt alles vanzelf waar. Dat is het voordeel van profeet zijn. Delen van het Nieuwe Testament zijn hier inmiddels een bewijs van. In dit tweede deel van onze Bijbel wordt nog één keer een ei genoemd. In het Evangelie van Lucas wordt God aangehaald als iemand die zo tof is dat hij je geen schorpioen zou geven als je hem om een ei vraagt. Klinkt inderdaad heel vriendelijk, maar alternatieve interpretaties liggen natuurlijk altijd op de loer. Met ketchup smaakt gebakken schorpioen immers heel lekker. Als je matzebrij wilt maken of honingbrood, heb je eerder iets aan eieren. En wat gerechten betreft zitten er wel meer verborgen eieren in het Boek. Want reken maar dat Esther voor Mordechai af en toe lekkere hamansoren (bloem, eieren, zout, olie, suiker, kaneel) bakte.

Ei-eigenschappen #29

Vroeg of laat moet je een eitje breken. Daar ontkom je niet aan. Of het nou is omdat je meedoet met een of andere flauwekulspelshow van John de Mol, of omdat je in een bizarre sollicitatieprocedure terecht bent gekomen, of gewoon omdat je een omelet wilt bakken (met stukjes spek waarschijnlijk). In sommige culturen is het breken van een ei een belangrijk ritueel om de mannen van de muizen te scheiden, maar eigenlijk in heel de westerse wereld wordt deze handeling wel bestempeld als een moment van de waarheid. Daarom zie je ook steeds vaker dat ouders hun kinderen al voor hun tiende levensjaar op eibreekles sturen. Maar je kunt geen eieren breken zonder af en toe een eitje te breken. Beginnersfouten komen vaak voor bij deze praktijk. Zo zal menig novice heus een keer vergeten een kom onder het ei te zetten, zodat de inhoud van het ei in z’n geheel op het aanrecht terechtkomt. Een andere misslag van debutanten hier is het wel neerzetten van een kom, maar het ei vergeten. Al met al kan men zeker stellen dat er heel wat factoren zijn die bij dit culinaire opus een rol spelen om een netjes gebroken ei te kunnen garanderen. Om er een paar te noemen: massa en vorm van het gebruikte werktuig, de snelheid van de impact, de slagkracht, de inslaghoek, en de beweging net na de impact. Het breken van een ei is een complexere operatie dan vaak wordt gedacht, en alleen een pro beseft dat je schouder vaak een beetje naar beneden gaat tijdens de slagbeweging, waardoor het mes het ei te vroeg kan raken. De oplettende lezer merkt op dat het hier dan gaat om het verkrijgen van de schaalbreuk met een (palet)mes. Breken van een ei op de rand van een kom kan uiteraard ook; de kans op stukjes eierschil in de voedselmix of het niet intact blijven van de dooier is dan echter groter.
De halve millimeter dikke schaal van een kippenei heeft een sterkte waarvan de variabiliteit afhankelijk is van de leeftijd en de gezondheid van de betreffende kip, en ook van de manier waarop het ei bewaard is. Dit maakt dat haast elk ei weer anders benaderd moet worden bij het breken, maar de meest betrouwbare methode voor de beste breuk blijft toch die met een paletmes.
Hier volgt een werkinstructie, waarbij elke interpretatie uiteraard even geldig is: Was allereerst je handen, en zorg ervoor dat keukengereedschap en werkbank schoon zijn volgens de Europese norm. Kijk naar het doel, sta op een ontspannen manier met het ei in de palm van je hand (je linkerhand, als je rechtshandig bent) met het puntige uiteinde naar je vingertoppen. Het mes houd je vast alsof het een kabouter is die je met een ferme druk een langzame dood wilt geven, met je wijsvinger op zijn achterhoofdje. Buiging van de pols moet in het hele traject van deze manoeuvre tot een absoluut minimum worden beperkt.
Begin nu met de punt van het mes naar het midden van het ei te wijzen. Breng het mes langzaam omhoog naar de tienuurpositie en verhoog de snelheid tot de verticale positie (je duim moet op dezelfde hoogte zijn als je oor). Stel je nu voor dat het ei je leraar economie is van vroeger, en pas je slagkracht daarop aan. Laat het mes in één beweging midden op het ei terechtkomen, dring het ei binnen tot juist boven de dooier, en trek het mes zo snel mogelijk weer terug. Oefen voor het beste resultaat net zo lang tot je je David Carradine waant en deze techniek zal je enorm veel schaamte en geld (in de vorm van eieren) besparen.