Ei-eigenschappen #46

Dat de moderne mens het voor elkaar heeft gekregen om de samenleving zo te organiseren dat die op belangrijke zaken altijd onvoorbereid is, zeker als het gaat om het ageren in het belang van iedereen, werkt de verzekeringsbranche nogal in de hand – en de rendabelste der verzekeringen, hebben econometristen gegokt, is zonder twijfel de eierscheidverzekering. Met zo’n polis op zak kun je de kosten van alle eieren die je verprutst tijdens het proces van het scheiden van eiwit en eigeel verhalen (mits je vooraf exact op twee decimalen nauwkeurig het verschil tussen het gewicht en de massa van het ei hebt opgegeven). Sommigen zeggen nooit eieren te scheiden en dus zo’n verzekering niet nodig te hebben. Maar dat slaat natuurlijk nergens op. Je zult net zien dat je, terwijl je gewoon iets voor jezelf aan het doen bent, ineens, vanuit het niets, in de keuken een ei aan het scheiden bent, en dat verpest – dan kan zonder een geschikte assurantie alle schade mooi door jezelf betaald worden, om nog maar te zwijgen over de bijkomende schaamte. En af en toe ben je toch echt wel met je volle verstand aan het eierscheiden – omdat je per ongeluk de dooier op de grond hebt laten vallen en alleen nog maar het eiwit eromheen kunt gebruiken.
Maar zelfs mét een eierscheidverzekering is het uiteraard lang niet zeker dat je gecompenseerd wordt. Die onnodig grote gebouwen van die maatschappijen zijn immers niet gratis. En daarom is het goed om naast een dergelijke afdekking het eierscheiden zelf toch enigszins onder de knie te hebben. Die procedure begint met het vastpakken van een ei. Breek dat ei en laat de inhoud in je hand lopen. Beweeg je hand zo, voorzichtig, dat het eiwit tussen je vingers door in een bakje druipt en de dooier in je handpalm achterblijft. Laat de dooier nu sensueel in een tweede bakje glijden, en voilà pilatus pas! Wil je meer dan één ei scheiden, dan is er daarna nog een cruciale vervolgstap: gooi het goedje uit bak 1 in een derde bak. Alle komende dooiers belanden in bak 2, en al het volgende eiwit gaat via bak 1 in bak 3. Er zou namelijk weleens wat eigeel door je vingers heen in bak 1 verzeild kunnen raken, en dat willen we juist voorkomen.
Belangrijk bij deze methode is wel dat je je handen goed wast. Of dat nou voor of na het proces is, daar zijn de meningen over verdeeld. En er zijn natuurlijk wel andere technieken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een lepel met gleuven of van de schaal (in tweeën) zelf, maar de methodiek met de hand is toch zeker de gezelligste. Daarnaast wordt ieder van ons door voornamelijk groepsdruk gedwongen om het omgaan met eieren te beperken tot binnen de vastgelegde richtlijnen, en het scheiden van eiwit en -geel enkel uit te voeren volgens de geldende, voorgeschreven handelswijzen. En boven en beneden de rivieren gaat men daar, zoals wij weten, niet hetzelfde mee om. Over de optimale temperatuur van deze eierbewerking is men het wel alom eens – het beste kan men gekoelde eieren gebruiken, omdat de dooiers op kamertemperatuur eerder geneigd zijn te breken.
En na veel oefenen zit je dan met een lading eigeel en een vrachtje eiwit. Geen nood. Van al het eiwit kun je heerlijke meringues maken, en de dooiers tover je – met boter en azijn – om in een prachtige hollandaisesaus. Heb je alleen hele eieren? Dat is ook geen probleem. Want meringues met hollandaisesaus heb je per slot van rekening zo gemaakt!

Ei-eigenschappen #45

Smaak is niet vies van mystiek. De een kan bijvoorbeeld een bepaalde kookshow op televisie beter pruimen dan de ander – en dat kan dan puur te maken hebben met het kleurgebruik van het decor, of zelfs met een of andere gast die daar ooit op bezoek was. Wat wel buiten kijf staat, is dat de kookprogramma’s van het Verenigd Koninkrijk, van de BBC dus, tot de beste van niet-continentaal Europa behoren. Waar in Nederland de sponsor van de ingrediënten de meeste aandacht verdient, gaat het bij Britse koks nog echt om de ingrediënten zelf. Het liefst ook van eigen bodem – een zeer vriendelijke vorm van patriottisme die in Nederland geheel ontbreekt. Maar wat eigenlijk nooit ontbreekt in elke aflevering van elk kokkerelprogramma op elke zender is een ei. Eieren zijn feitelijk zo onmisbaar in de keuken als de kok en de honger. Ze kunnen verwerkt worden tot gerecht an sich, maar ook als rijsmiddel/luchtigmaker (bijv. in allerlei al dan niet bureaucratische mousses, soufflés en gebaksoorten, en eventuele onderafdelingen daarvan), als plakmiddel (bijv. bij het paneren van bijna bedorven vis of onbepaalde substanties), als glansmiddel (bijv. voor bladerdeegmaaksels, om de schone schijn nog even die extra 100% te geven), als garnering (bijv. om de aandacht van de huzarensalade af te leiden), en als bindmiddel (bijv. in sauzen, omdat de liefde door de maag gaat). Het toevoegen van een ei betekent niet te vergeten eveneens dat er vocht wordt bijgemengd. Een ei bestaat immers voor zo’n driekwart uit water – het eiwit wat meer dan de dooier. Awel, als het puur om het aanvullen van water gaat, zijn er uiteraard goedkopere alternatieven. De prijs van ‘eierwater’ is, als we eieren van een kwartje tot drie dubbeltjes pakken, ruim 5 euro per 750 ml. Daar kun je bij de delicatessenwinkel op de hoek een exquise merkje mineraalwater voor uitzoeken. Bevochtiging is min of meer om die reden niet de belangrijkste missie van een ei.
Hoe dan ook mag het ei rekenen op een flinke dosis sympathie van voedselbereiders. Zijn functies kunnen namelijk, zoals we hierboven al zagen, best door andere grondstoffen overgenomen worden. Neem ter illustratie hiervan eens de Hollywoodsausloze schotel hutspot (hotchpotch in het Engels, plat de merde avec une couleur, volgens Auguste Escoffier), waar onze kikkerlandse cuisine zo trots op is. Dit gerecht is een prachtig gebonden prut zonder dat daarbij een ei aan te pas is gekomen. Nee, aan dit samenspel van aardappel, winterpeen en ui is als bindmiddel ook nog eens aardappel toegevoegd. En het werkt!
Een tv-kok die met veel rode bloedlichaampjes dit soort nut van verschillende ingrediënten beschrijft, is de Westfaal Björn Freitag. Zijn manier van koken doet ons een diepere blik slaan in het eeuwige mysterie van de voeding. Als de aftiteling begint zal de kijker met grote dankbaarheid en vreugde erkennen dat Björn hem tot in het diepst van zijn ziel heeft geroerd. Bovendien is Björn een keurige vent. In pandemische tijden is de kans groot dat mensen regelmatig hun handen wassen en dan kan men ook best die uitsmijter van café Het Gore Hemd een keer proberen. In Björns restaurant, Goldener Anker (in Dorsten, niet in Heidelberg, en zeker niet in Oldenburg), is handen wassen echter al jaren en jaren een vast onderdeel van de dag. En dat zeg ik nou heus niet omdat hij mij bij mijn volgende bezoek een plaatsje bij het raam heeft beloofd.

Ei-eigenschappen #44

Lang, te lang geleden, ver voor de allereerste Kondratieffgolf bestond, was het populair voor goden om uit een ei te komen – beginnende waarschijnlijk bij de Chinese god Pángŭ. Je moet dit uiteraard niet omdraaien. Wat uit een ei komt, is niet per definitie een god. Als fans van de politiek graag een T-shirt van de VVD dragen, dan wil dat nog niet zeggen dat iemand met een VVD-T-shirt ook een liefhebber van politiek is. Je kunt namelijk niet een conclusie trekken op basis van het gevolg van die conclusie – omdat andere conclusies immers niet kunnen worden uitgesloten. Iemand kan bijvoorbeeld ook een shirtje met de tekst ‘VVD’ erop dragen omdat hij dyslectisch is, of gewoon omdat hij graag kledingstukken draagt die door kinderarbeid en onder erbarmelijke omstandigheden tot wording gekomen zijn. Terug naar de hogere machten: het is overigens niet zo dat alle goden uit eieren geboren werden, en worden. Het is daarom tevens onjuist om te zeggen dat als iets niet uit een ei komt, het dus geen god is. Oftewel, als het gevolg onwaar is, hoeft daarmee het antecedent nog niet onwaar te zijn. Een voorbeeldje hiervan kunnen we in India vinden. Daar barst het van de goden. Er zijn er sowieso al meer dan Gandhi haren op zijn kop had – daar zijn het de heren historici wel over eens. Voor van alles en nog wat bestaan er in India bivakkerende goden. Zo ook, naar alle waarschijnlijkheid, is er een god van het ei. En logischerwijs is die niet geboren uit een ei, want dan zou hij ontstaan zijn uit iets wat hij zelf nog moet scheppen, en door die paradoxale recursie-hapering zou hij continu te zenuwachtig zijn om nog zinvolle dingen te doen in dit universum. Een oppergod, de god die alles verder teweegbrengt, zou uiteraard met hetzelfde te maken hebben – dus we kunnen met een gerust hart concluderen dat die in ieder geval niet uit een ei is gekropen. Toch heerst er in het algemeen, vooral vanwege het gebrek aan ooggetuigen, best veel onduidelijkheid rondom deze vorm van eierpresentatie.
Gelukkig voor ons nieuwsgierigen hielden sommige goden een dagboek bij. (Nogmaals: niet iedereen met een dagboek is een god, en het niet schrijven van zo’n log betekent nog niet dat men geen god is.) Lezen wij een passage van de Finse god Väinämöinen: ‘Ik vond het voornamelijk een originele entree. En het magische en nogal tot de verbeelding sprekende getal nul lijkt van een afstand ook best op een ei. Bovendien is het erg goed dat de schaal van het ei adequaat het ontstaan van het iets uit het niets afdekt. Dat vergroot alleen maar het mysterie. Als de mensen de wording van het iets gewoon zouden kunnen aanschouwen, zou er geen reet meer aan zijn, vermoed ik.’ Dat Väinämöinen onder meer de god van de podiumkunsten is, maakt deze tekst wat gekleurd; de keuze voor het ei wordt hiermee wel wat begrijpelijker. Sommige goden namen hun eifascinatie een stuk verder nog. Zeus was zo’n figuur. Die deed het met een zwaan. (Lekker zwaantje, dat wel. Erg mooie veren ook.) Daar werden Castor en Pollux uit geboren, nu de twee helderste lichtjes van de constellatie Tweelingen. Over heldere sterren gesproken: op Sirius B ligt volgens een stam in Mali de blauwdruk van de schepping. Toch zo’n 8,6 lichtjaar weg. Je moet dus voor zo’n educatieve reis heel wat episodes van je favoriete show willen missen – om dan te kunnen lezen dat de Big Bang klonk als het breken van een eierschaal of zo.

Ei-eigenschappen #43

In de tijd dat het nog blits was je gang te behangen met het filmscript van Annie Hall, was het minder hip om elke dag een ei te eten. Eieren zijn dan wel fiks rijk aan hoogwaardige eiwitten, met bovendien een collectie vitaminen en mineralen om je vingers bij af te likken, maar gezonde dingen zijn volgens de uiteinden van onze beleidsmakers blijkbaar niet altijd even goed voor onze lichaampjes geweest. Nou is het uiteraard tegenwoordig nogal onmogelijk om serieus te meten wat gezond voor ons is. Proeven op mensen die werkelijk bijdragen aan fatsoenlijk klinisch onderzoek zijn sowieso bij wet verboden. Het blijft dan een beetje bij experimenten met een man of 18 (van doe een gooi iets van 57 tot 70 jaar oud) die dan een keer of 5 worden uitgenodigd om een shake te drinken en daarna een dagdeel wat testjes te ondergaan. Wat die proefpersonen buiten het onderzoekslokaal allemaal op- en uitvreten wordt met een blind vertrouwen voor lief genomen. En dan komt daarnaast die paradox om de hoek kijken dat men zich anders gaat gedragen als men weet dat men gemonitord wordt. Hoe filter je dat er goed uit? Kippen laten zich makkelijker bestuderen, en eieren nog simpeler. Die laten zich probleemloos in voor hen gekozen ruimtes zetten en hele dagen filmen – zonder dat er vragenlijsten ingevuld hoeven worden over bijvoorbeeld privacy of opgedrongen meningen.
Voordat eieren de mens zouden kunnen bezoedelen zijn deze dus buitengewoon goed op allerlei manieren te analyseren. Hoe de samenstelling ervan varieert bij verschillende leefomstandigheden van de kip, bijvoorbeeld, is netjes te meten en aan te tonen. Op een website als researchgate.net is met de juiste zoektermen (egg quality, housing systems, laying hens) een keur aan resultaten van dergelijk onderzoek te vinden. Tegen een wellicht naïeve, maar goedbedoelde verwachting in ontdekken we dan dat de kwaliteit van eieren, in de zin van voedingswaarde en gehalte aan bioactieve stoffen, minder te maken heeft met de behuizing van de hennen en meer met hun etenswaar. Een kip die kilometers kan kuieren legt niet een significant ‘beter’ ei dan een kip die met tamelijk weinig bewegingsruimte en steeds dezelfde buren de dag doorbrengt – onder dezelfde gecontroleerde dieetcondities.
Hoe de kip zich in beide gevallen voelt, is vooralsnog toch gissen. Daar komt de menselijke arrogantie van de empathie-extrapolatie in het spel. Mensen willen graag een groot huis, dus kippen zullen ook wel ruim willen wonen. Men kan het de hen niet vragen – wel kan men observeren dat in grotere groepen kippen soms overgaan tot kannibalisme, en dat in omstandigheden met duidelijke afbakening pluimvee efficiënter en beter tegen parasieten en ziekten te beschermen is. Bij de stap van het ei naar de kip, bij de vraag wanneer die laatste zich fijner voelt, schakelt men in de discussie sowieso snel over van feiten naar retoriek. Gezondheid en tevredenheid worden dan om te beginnen al half op elkaar gelegd.
Voor de kippen zelf is dat natuurlijk al helemaal niet leuk. Die hebben immers, dat is alom bekend, een bloed- en spuughekel aan het gebruiken en bespelen van emoties met bombast puur en alleen om oorzaak en gevolg door elkaar te kunnen husselen. Ik leg mij hier met hen verder neer bij de woorden van Woody Allen (als het personage Alvy Singer) in de bioscoopscène met Marhsall McLuhan (als zichzelf).

Ei-eigenschappen #42

Iemand kan negatief antwoorden op de vraag of hij zin heeft in een gebakken ei, omdat hij ‘gebakkelei’ verstaat. Met de woorden spiegelei en spielerei is soortgelijke verwarring mogelijk. Dat de boodschap in deze voorbeelden niet correct tot stand komt, kan pure desinteresse zijn – slordige uitspraak van de zender, gebrek aan aandacht van de ontvanger – of het resultaat zijn van signaalverstoring onderweg (bijvoorbeeld door het geroezemoes van passagiers in een nogal laag overvliegende Boeing). Het kan echter nog erger, zelfs zonder enige intentie. Er zijn woorden die disorde kunnen veroorzaken omdat ze meer dan één betekenis in zich dragen, en doorgaans worden deze homoniemen genoemd. Toch moeten we niet alle woorden met meerdere semantische ladingen op dezelfde hoop vegen. Enige nuancering is op z’n plaats. Zuivere homonymie houdt in dat uitspraak en spelling (en, in engere zin, ook woordsoort) gelijk zijn, maar dat de betekenis duidelijk verschilt. In een woordenboek herken je echte homoniemen aan de behandeling van de omschrijvingen onder afzonderlijke lemma’s. Het woord ei is zo in onze Van Dale twee keer opgenomen – een keer als zelfstandig naamwoord en een keer als tussenwerpsel. Alle betekenissen die hier onder dat naamwoord worden opgesomd, zijn geen homoniemen, maar worden polysemen genoemd; de betekenisschakeringen houden verband met elkaar. In onze taal hebben een vrouwelijke geslachtscel en iemand die halfzacht is nou eenmaal met elkaar te maken, maar voor deze ladingen kan het woord ei dus officieel niet gesplitst worden in twee homoniemen.
Toch, belangrijker dan precies weten wat het verschil tussen begripsaanduidingen zou zijn, is beseffen dat in alledaagse situaties mensen polysemen doorgaans gewoon homoniemen noemen. De logica rond niet af, zeg maar, terwijl in de praktijk categorieën vaak genoeg juist wat ruimer zijn. Tegelijkertijd worden sommige woorden weer niet als homoniem gezien, terwijl die best dat label zouden mogen krijgen. Taal is eigenlijk nooit echt op hetzelfde moment schrift én klank. En zo komen er woorden voor met dezelfde uitspraak (en niet per se dezelfde spelling), maar met verschillende betekenissen. Homofonen heten deze dan. Het paar gevlij/gevlei vertoeft in deze groep. Homografen bestaan ook, woorden met verschillende inhoud, verschillende uitspraak, maar dezelfde tekenreeks. Denk maar aan de twee manieren om ‘voorkomen’ te zeggen.
Dit allemaal wetende is het nu tijd voor uitbreiding van ons lexicon. Voor sommige fenomenen zijn nou eenmaal meer homoniemen nodig. Zij die bijvoorbeeld vinden dat de ongebreidelde groei van al te creatieve en gekunstelde neologismen aan banden moet worden gelegd, zouden dit moeten kunnen benoemen met een groter deel van onze taalschat, is de algemene opvatting. Maar wij beperken ons hier simpelweg even tot het toevoegen van betekenissen aan al lang en breed bestaande woorden, tweedehands in feite, met name die eindigend op –ei. Met een term als ‘lakei’ moet men namelijk ook gewoon een ei gemaakt van lak of een ei om mee te lakken aan kunnen duiden. En ‘pastei’ zou heel goed kunnen slaan op een kind dat zich goed weet te gedragen. Een ei dat wordt benoemd door degene die het ook bezit, mag voortaan best voor ‘mei’ doorgaan. En nu jij: stampei, schalmei, gelei, gewei, doei…

Ei-eigenschappen #41

Eierkoeken zijn niet als Tarantinofilms. Eierkoeken zijn amper beter te genieten als je meer over de ingrediënten weet. Bovendien worden ze al een stuk langer gemaakt dan die flicks van Quentin. De doorgaans schuimachtig zachte, cirkelvormige baksels – van onderen vlak, van boven bol – bestaan immers al zeker sinds de wegwerkzaamheden bij Rome van 1593. Van die tijd stamt namelijk het recept: zo neempt eyeren ende lechtse [leg ze] int waerme water, neempt fin blomme, doe die doreo [dooiers] daer inne ende neempt een luttel [beetje] suyckers, een luttel versche botere, up leste [als laatste] luttel overgist, en maect daer af [maak daarvan] deech ende laetet upgaen [laat het rijzen] alsoet behoirt eer ghijt weerct [zoals het behoort voordat u het kneedt] ende dan maecket [maak het] zoe ghij wilt ende backet van passe [bak het lang genoeg]. Deze eierkoeken waren blijkbaar – wie weleens wat bakt, zal het herkennen – nogal taartbodemachtig. Tegenwoordig worden ze nog steeds gemaakt als een soort sponscake, dus met (ongeveer) gelijke delen bloem, ei en suiker, en zonder vet. Men klopt de eieren met de suiker tot een luchtig mengsel en roert daar dan voorzichtig en niet te lang de bloem (met wat rijsmiddel en zout) doorheen. Het beslag moet daarna in klodders met een diameter van zo’n vier tot vijf duimdiktes de oven (± 180°C) in, en na een minuut of twaalf is het voortbrengsel goudbruin. Geduldig de bakkerswaar af laten koelen hoort er eventueel ook nog bij.
Maar hét voorschrift voor eierkoekbereiding bestaat eigenlijk niet. In een paar minuten tien verschillende recepten van het internet plukken is iets wat een kind kan doen tijdens de was. De eierkoeken van de bakker op de hoek ruiken bijvoorbeeld lekker naar ammoniak, terwijl die van tante Truus altijd die heerlijk temperamentvolle zeepsmaak hebben. En dat heeft dan alles te maken met de keuzes omtrent de sponsachtige structuur van de koeken. Uiteraard is een en ander luchtig te houden door het tijdens het maken over voetbal in plaats van politiek te hebben, maar de selectie van het rijsmiddel speelt toch gewis een rol van betekenis. Fluffige koeken verkrijgen we immers door de uitstoot van koolstofdioxide, en dit proces kunnen we regelen via een reactie met natrium- of ammoniumbicarbonaat. Dat eerste goedje ontbindt na de kennismaking met een zuur, dat tweede onder invloed van warmte (bij zo’n 60°C). Als voor de natriumverbinding te weinig zuur aanwezig is of bij de ammoniumverbinding te veel vocht (water), dan wordt dit tijdens de productie vertaald in een niet per se gewenste bijsmaak van de eierkoek.
Nu kunnen we de vraag stellen of het wel zo erg is om het nuttigen van een eierkoek gepaard te laten gaan met een basische, zeepachtige sensatie. Een keer de mond goed spoelen hoeft niet nadelig te zijn. Even gorgelen, koek en ei, zou je zeggen. Maar de moderne, brave persoontjes onder ons leven gelukkig met het getelevisioneerde besef dat alleen het perfecte goed genoeg voor ons kan zijn, dus op de zintuigen werkende bijeffecten moeten volop geretoucheerd worden. Bakken is passen en meten – de rede is echter ook hier de slaaf van de passie. En om ons te dienen is er daarom bakpoeder, een kant-en-klaar-pakketje rijsmiddel, een droog mengsel van NaHCO3 en C4H6O6. Just add water. Net als in de liefde gaat het om de goede verhouding – en dan een beetje nat maken. Eitje.

Ei-eigenschappen #40

John F. Kopczynski had in zijn vroege jeugd last van een lui oog. Dat oog behoorde toe aan een meisje dat twee banken voor hem zat in de klas. Gedurende de lessen kon hij dat oog niet zien, en juist daarom ging hij erover fantaseren en was hij voortdurend afgeleid. Of dat verhaal waar is weet ik niet, maar het zou Johns beroepskeuze van Edison-imitator kunnen verklaren. In 1940, enige jaren na zijn lagere school, vroeg hij patent aan voor zijn concept van het eivormige wiel – en eigenlijk was de contour een ellips, maar de volksmond vond een ei aangenamer.
De New Yorker liet het idee van een wiel met hoeken erin zijn hele leven niet los, maar hij zou uiteindelijk meer naam maken als CEO van het nogal dofgrijze metaalbewerkingsbedrijf Ascension Industries Inc. en burgemeester van het betrekkelijk karakterloze en onder het bestuur van Niagara County vallende stadje North Tonawanda (NY). Vooral in de agrarische en militaire sector zag hij mogelijkheden voor zijn uitvinding, omdat een tank of trekker met afgeplatte wielen probleemloos door de modder zou kunnen bewegen. Het voertuig zou dan minstens twee assen moeten hebben die in hun beginstand qua draaiing loodrecht op elkaar staan en dit faseverschil ook tijdens hun beweging netjes blijven behouden. Dit betekent dat het puntigere deel van de wielen van as I en het plattere deel van de wielen van as II tegelijkertijd de grond raken, en andersom. Uiteraard is daarbij een en ander zo ingesteld dat de verticale dynamiek gecompenseerd wordt, zodat de assen stabiel ten opzichte van elkaar blijven. Op een effen wegdek beloofde de uitvinder zelfs bij een snelheid van veertig kilometer per uur een ontspannen ritje zonder ongebruikelijke schokken. Wie dus denkt dat de vehikels van Kopczynski leuke hobbelattracties zouden zijn, komt van een koude kermis thuis.
De beweging met de semi-ronde wielen kan in feite niet meer rollen genoemd worden. Een vergelijking die wellicht verheldering brengt is die met het tijgeren van een soldaat – dus het voortslepen van het lichaam met de ellebogen. De wielen die met de afgeplatte kant het grondoppervlak raken, hebben op dat moment feitelijk enkel de taak om het gewicht te dragen, terwijl de wielen die met de punten in of op de grond zitten dienen om het voertuig af te zetten voor een nieuwe verplaatsing voorwaarts.
An sich lijkt dit helemaal niet zo’n verkeerde manier om jezelf voort te bewegen. In een tunnel zou je – als de wielen groot genoeg zijn en boven de bij het voertuig behorende cabine uitsteken – zelfs aan de bovenkant gebruik van de grip kunnen maken. Wat dat betreft zou je de verkeerde conclusie kunnen trekken dat daarom een ei juist ei- en niet bolvormig is.
Maar simpelweg lopen is welbeschouwd ook een vorm van jezelf verroeren met behulp van afzetting. En schaatsen is daar een iets efficiëntere variant van. Toch, om een beetje rendabel te kunnen schaatsen heb je dan wel weer minimaal ijs en een sponsor nodig, wat die slag van beweging wat lastig algemeen inzetbaar maakt. Sowieso is het ondenkbaar dat merken als Toyota of Ford ooit een auto zullen sponsoren. Dus na veel gedraai in de transportwereld komt men toch weer bij hetzelfde punt uit.
Want Kopczynski was niet de eerste of de enige die het wiel opnieuw uitvond, maar de lobby van rondewielmakers is blijkbaar altijd zo groot geweest dat we nog steeds aan die rare cirkelvorm vastzitten.

Ei-eigenschappen #39

Eieren blaas je anders uit dan kaarsen. Wel staan beide handelingen al sinds mensenheugenis symbool voor de afwezigheid van romantiek, of dat nou terecht is of niet. Eieren uitblazen is daarnaast ook meer precisiewerk, dat bovendien nog wat voorbereidingen en enige handigheid vereist; met gewoon een beetje tegen een ei uitwasemen, blaas je het nog niet uit. Een kleine instructie zal sowieso geen windeieren leggen. Het beste resultaat verkrijg je als alle te gebruiken objecten, waaronder het ei, op kamertemperatuur zijn – wat dat betreft is het net hogere wiskunde. Allereerst moet men dus de kamer waarin het voorval gaat plaatsvinden door koeling of verwarming op temperatuur laten komen, waarbij men, de efficiëntie terzijde staande, de verschillende benodigdheden voor de tenuitvoerbrenging van de uitblaasactiviteit tegelijkertijd in hetzelfde vertrek kan bewaren.
Als alles goed geacclimatiseerd is, bevestig je op de wat spitsere bovenkant en de wat bollere onderkant van het ei een stukje plakband. Die tape zorgt ervoor dat de eierschaal niet of minder snel barst als je er daarna een gat in gaat prikken. Neem nu een puntig voorwerp en maak in beide uiteinden van het ei een opening. Behandel het ontstane gaatje vervolgens met een inductieve benadering – dus gebruikmakend van gereedschappen met opklimmende diameter. Bijvoorbeeld: injectienaald, satéprikker, breinaald. Doe dit bedachtzaam en met een draaiende beweging. Mocht het ei tijdens dit proces breken of barsten, ga dan direct naar start, ga niet naar de gevangenis, maar ontvang ook geen 200 gulden. Het is uiteindelijk de bedoeling om met het persen van lucht door het ene gat de ei-inhoud door het andere gat naar buiten te drukken, en met die insteek moet er nu ook qua constructie van de gatgroottes in het ei gestoken worden, waarbij het zeker niet onbelangrijk is om gelijktijdig de dooier en alle vliezen die het ei bij elkaar houden goed door te prikken. En als het ei voldoende geprepareerd is, kan het schudden beginnen: beweeg het ei, met vingers over beide gaten, voorzichtig, ritmisch en af en toe eenparig in verschillende richtingen en weer terug naar de beginpositie – doe dit voor de zekerheid maar net zo lang als het intro van Iggy Pops Lust for Life. Wat daarna het blazen nog in de weg staat is een bakje om de eierstruif in op te vangen.
Leg je lippen nu op het ei, een van de gaten omsluitend, zacht en subtiel, eerst wellicht wat strelend, als vleugels van een vlinder, en laat de kalklaag de warmte van je huid voelen. Zorg vervolgens voor een adequate afsluiting, zodat er geen lucht door je mondhoeken kan ontsnappen, en blaas alsof de gasten elk moment aan kunnen bellen en de hele kamer nog met ballonnen versierd moet worden. De eiermassa wordt bij voorkeur opgevangen in het zojuist tevoorschijn getoverde bakje, maar het mag ook een kommetje of een diep bord zijn. Met het met ademcondens omsluierde eimengsel dat vervolgens voor je ligt, is nu wat heerlijk fris zoetwaar te maken: kluts het nog eens flink, voeg, al roerend, wat suiker en melk toe, en plaats het een minuutje of twee in de magnetron. Laten afkoelen en smullen zijn dan de volgende stappen. Ondertussen is de eierschaal al schoongemaakt met lauwwarm water en eventueel wat azijn. Die schaal kan daarna, gedroogd en wel, bewaard worden, naar eigen weloverwogen inzicht, in de grijze of de groene container.

Ei-eigenschappen #38

Ons woord ei is ouder dan ons woord kip, etymologisch gezien. We noemen een kip eigenlijk pas echt een kip sinds Piet Hein z’n naam zowel klein als wijdverbreid is, terwijl de term ei al tijdens de gloriedagen van de Zwarte Dood hier door menig keuken schalde. Voor de kip kip was, heette zij hen, en zeer waarschijnlijk ging men die kip kip noemen omdat dat makkelijker roepen was dan hen. De tamme hoender was een geliefd huisdier geworden en men wilde haar graag hartelijk en hardop kunnen uitnodigen voor de maaltijd – haar man, de haan, zou dan wel volgen. Om dit wat te verhelderen moet met simpelweg eens ‘Kom maar, kippen, kippen, kippen!’ met ‘Hier, hennen! Hier, hennen!’ vergelijken. En als de kippen dan toch nog niet wilden luisteren, kon er eenvoudig even het tussenwerpsel ei in het hok gegooid worden; dit synoniem van hé werd in het Middelnederlands al volop gebruikt – vooral populair in de wat geïrriteerdere periodes van de Honderdjarige Oorlog – en gaat in bijna dezelfde vorm zelfs terug tot het Latijn en het Grieks. Maar ook ei als zelfstandig naamwoord, in de betekenis van kiem, gaat aan kip vooraf. Dat woordje ei gebruikten de luitjes in onze contreien al ruim voor de tijd van de bezigheidstherapeutische kruistochten. Waar men Oudsaksisch en Oudhoogduits sprak, kon je eenvoudig met de kreet ei een ei bestellen. Een heerlijk Germaanse uiting, blijkende ook uit de oude meervoudsvorm -er (waar later in de geschiedenis als een overbodig supplementair meervoud nog eens de vorm -en achter is komen te staan): eieren. Veel van dergelijke uit het Oergermaans afkomstige woorden zijn op de boerderij te detecteren, zoals kalveren, runderen, lammeren, en hoenderen. In Duitsland is dat ook het geval, alleen is men daar te efficiënt ingesteld voor een gestapeld meervoud; eieren zijn in Duitsland gewoon Eier. Onze niet-Germaanse buren haalden hun (uiteraard ondermaatse) eieren elders vandaan – het Franse woord œuf is te herleiden naar het Latijnse ovum, en de Engelsen bouwden hun begrip egg met ietwat hulp en inspiratie van het Oudnoorse egg. En als je de heren en dames etymologen mag geloven is dit allemaal zelfs nog terug te voeren naar waarmee in het Proto-Indo-Europees de term ei werd uitgedrukt. Hier is echter slechts nog maar één opname van, van zeer slechte kwaliteit bovendien, waarop iets als h’ōwyóm te horen is. Dit kon allicht niet zo blijven en daarom werden er klankwetten ingevoerd, door mensen als Adolf Holtzmann, Vladimir Dybo, en Georg Heinrich Mahlow. Lange klinkers voorafgaand aan geaccentueerde lettergrepen werden ingekort, open lettergrepen met een tweeklank verloren hun halfklinker, terwijl er juist weer een verdubbeling plaatsvond van diftongen in sterke prosodische posities, dat soort dingen. Voor de ontwikkeling van de Germaanse talen was het verder van immens belang dat niet, zoals in het Frans, alle woorden op elkaar zouden gaan rijmen. De Proto-Germaanse vorm van ei werd zo ajją – en de uitspraak hiervan wordt in delen van Brabant vandaag de dag nog steeds gebezigd, volgens sommigen. De betekenis die aan deze klank kleefde, was vanuit het Proto-Indo-Europees geëvolueerd uit concepten als ‘bij de vogel behorend’ en ‘wat zich bij de vogel bevindt’. En dat zou dan toch suggereren, als we begerig op die Proto-types willen vertrouwen, dat er eerst de vogel was en daarna pas het ei.

Ei-eigenschappen #37

Van ene Jantje wordt sinds 1779 gezegd dat hij pruimen zag hangen die zo groot waren als eieren. Die vergelijking roept echter net zo goed vragen op als dat ze verheldering biedt. Hoe groot waren die eieren dan, waar de dichter Hieronymus van Alphen hier, in de tijd waarin maatschappelijke onvrede zich dreigend over Europa uitrolde, op doelde? Van welke vogel of ander eierleggend wezen waren deze afkomstig? Pruimen met de afmeting van een struisvogelei werden in de achttiende eeuw als tamelijk bijzonder beschouwd, en nu is dat nog steeds het geval, maar het kan uiteraard ook goed zijn dat de pruimen de grootte hadden van een ei van een kolibrie – want dan is het van dichtbij bestuderen van zo’n steenvrucht eveneens de moeite waard. Toch, iets qua grootte vergelijken met een ei is in feite net zo veelbetekenend als zeggen dat je fiets ballonkleurig is.
Ik denk overigens dat ik er niet ver naast zit als ik stel dat Hieronymus in zijn gedicht over Jantje – die overigens heel braaf is en zelf niet de pruimen gaat plukken, maar dit zijn vader laat doen – de eieren van een kip voor ogen had. En dan, uiteraard, een gemiddeld ei. Niet overmatig groot, niet ontstellend klein, en in ieder geval groter dan een gemiddelde pruim, want anders zou de tekst van Van Alphen de plank goed misslaan. En ik veronderstel dat we van de dichter mogen interpreteren dat de pruimen zo groot waren dat twee stuks ervan meer dan bevredigend waren om aan de hedendaagse overheidsbetutteling aangaande gezond eten te voldoen. Of je het teveel aan pruim van de hoeveelheid dagelijks te verorberen groente af mag halen, durf ik niet te zeggen. De staatsvingerwijzing zegt dat het dag in dag uit moet gaan om ‘2 stuks fruit en 2 ons groente’, maar er wordt niet bij verteld of er misschien ook wel tussen ‘4 stuks fruit en 0 ons groente’ en ‘0 stuks fruit en 4 ons groente’ geschipperd zou mogen worden. Sowieso is het verwarrend dat in de eetrichtlijn fruit in eenheden wordt uitgedrukt en groente in gewicht. Alsof fruit niet te wegen is of groente niet te tellen. Alsof appels en peren niet op een eenduidige manier te vergelijken zijn met wortels en komkommers. Zelfs criticus Frank Zappa, die het in zijn oeuvre vaak heeft gehad over groenten, geeft hier geen uitsluitsel. Op zijn tweede studioalbum geeft hij enkel – tot twee keer toe – aan dat een pruim geen groente is. Van Alphen mengt zich, waarschijnlijk door een voorliefde voor opzettelijke provocatie en half gesluierde ironie, verder niet in een dergelijke discussie, en misschien ligt daar wel een aanwijzing dat het amper van belang is of de pruimen in Jantjes gezichtsveld klein of groot waren. Wellicht zocht de dichter gewoon een rijmwoord bij ‘verbood’. Jan zag pruimen en wilde die graag eten; de afmeting was voor hem van hooguit secundair belang. En ze waren lekker, dat zeker! Ze smaakten naar eigeel met suiker, maar dan frisser, zei Jantje misschien nog. Maar toen was de dichter al verdwenen.
En mogelijkerwijs had die Jantje gewoon een vertekend beeld van de pruimen. Omdat hij nogal slecht zag en een bril nodig had, of omdat hij die ochtend had gegeten van die paddenstoelen uit het bos, die er met dichtgeknepen ogen net als eieren uitzagen.
Je vraagt je af of het zelfs wel om pruimen ging. Wie zegt er dat Jantje niet langs een kiwiboom kuierde en geobsedeerd raakte door de verfijnde, op eieren lijkende vruchten ervan? Ja, niet van een kiwi, vanzelfsprekend.