Het varken, de boer en de slager

In die dagen dat het vaak nacht was, lag tussen de honinggrijze akkers en de bijrode beemden, tussen de kaarsgele graslanden en de olijfpaarse greidgronden, hier niet ver vandaan, tussen de groenblauwe meenten en de blauwgroene weides, en tussen allerlei andere, kleurige landerijen de boerderij van een tamelijk door daltonisme geplaagde boer.
Deze boer had een fraai, goedlopend bedrijf, al heel wat jaren, met verschillende groenten en fruit, maar ook met kippen en varkens, en er was eigenlijk nooit echt iets aan de hand, tot hij op een zekere dag tot zijn grote verbazing een mondig varken in een van zijn stallen ontdekte.
‘Goedemiddag, meneer de boer,’ zei het varken, toen de boer langsliep, en het was ook inderdaad middag, bijna kwart over twee, om precies te zijn. ‘Mooi weertje, niet?’
De boer schrok, al werd hij er geen hoedje van. Zeker was hij danig onder de indruk van het mondige varken. Zelf had hij er nog nooit een meegemaakt. Wel veel over gehoord; zijn oom Leo had ooit een mondig varken, met alle gevolgen van dien.
‘Goedemiddag, varken,’ zei de boer voorzichtig terug. ‘Voor de tijd van het jaar is het lekker mild, ja.’
‘Inderdaad,’ zei het varken, ‘en wat een leuke koetjes en kalfjes heeft u trouwens. Maar ik wilde u vragen waarom ik hier opgesloten zit en niet vrij in de natuur aan het rondlopen ben.’
De boer was allang blij dat het beest hem niet had gevraagd om iets te strikken, en hij nam, zogenaamd druk in de weer, even rustig de tijd om een goed en sluitend antwoord te formuleren.
‘Dat komt door de consument,’ zei hij. ‘De consument wil jou straks opeten. En daarom ben ik jou aan het kweken, zeg maar.’
Het varken begreep dat de boer in feite geen blaam trof, en hij zou zich weer melden als hij nog een vraag had. Het liefst wilde het varken de consument zelf iets vragen, maar die zou hij later nog wel tegenkomen, meende hij.
Toen brak de dag aan dat het varken geslacht zou worden.
‘Tja, ik breng je nu naar de slager,’ zei de boer nuchter en monotoon. ‘Zelf ga ik je natuurlijk niet slachten. Zo ben ik niet.’
‘Dat vind ik fideel van je,’ zei het varken redelijk opgelucht.
Tijdens de reis zongen de boer en het varken een paar vrolijke, ietwat schunnige liedjes, en bij het afscheid namen ze nog snel even samen al hun leuke gedeelde herinneringen door.
De krulstaart liep daarna het slachthuis in, maar vlak voor de slager bleef hij star staan.
‘Waarom ga je me eigenlijk slachten?’ vroeg het dier.
‘Luister, ik heb je niet hierheen gebracht,’ zei de slager. ‘Ik doe simpelweg mijn werk, en als meneer de boer jou gewoon vrij had gelaten, zou jij nooit onderdeel van mijn arbeidshandelingen zijn geweest.’
‘Helder,’ zei het varken. ‘jou valt in dezen dus net als de boer niets te verwijten.’
‘Bovendien wil de consument jou opeten,’ ging de slager verder, ‘en dat is uiteraard sowieso mijn schuld niet.’
Dat was al de tweede keer dat het varken over die consument hoorde, en het maakte hem dubbel nieuwsgierig. Het varken wilde met die bewuste consument best eens een hartig woordje spreken, en als spreken onmogelijk was, dan in ieder geval iets hartigs uitwisselen.
‘Ach, mijn moeder had nu iets van Doris Day gezongen,’ sprak de big quasi-eigenwijs, en hij leefde nog kort en gelukkig.

Het eiermeisje

Hier niet ver vandaan, waar al eeuwenlang de bossen en moerassen gelardeerd zijn met rietvelden en struwelen, en gevlochten liggen om de graslanden en akkers, zat ooit een edele dame bij de kapper. Ze was flink aan het klagen, de edele dame, zoals dat hoort. Wie haar ook heel goed kon horen was de plaatselijke heks, die toevallig eveneens bij de kapper zat. Zo jammerde en jengelde de edele dame over het feit dat haar man al zo lang van huis was, omdat hij weer ergens oorlogje speelde, en over dat ze nog geen kinderen had maar die eigenlijk heel erg graag wel wilde.
Vooral om van het gezeur af te zijn overhandigde de heks de edele dame een mand met een ei erin.
‘Hier, mevrouw de freule,’ zei de heks, terwijl het haartje op de wrat van haar neus net geknipt werd, ‘hier heb je een mand met een ei erin. Zorg er goed voor en er zal een meisje uit groeien. Bovendien zal er dan uit jou een zoon geboren worden!’
De edele dame had toch niks te doen de hele dag, dus ze maakte er inderdaad maar een ding van om voor het ei te gaan zorgen, en een paar maanden later, jawel hoor, kroop er een meisje uit het ei. En ongeveer tegelijkertijd baarde de edele dame een gezonde zoon. Wat de heks had voorspeld was allemaal uitgekomen. (Blijkbaar was het zo’n heks die brandstapels prima wist te ontwijken, omdat ze die al van mijlenver aan zag komen.)
Toen de edelman terugkeerde van het oorlogje voeren, plunderen en verkrachten, was hij nogal verrast dat hij ineens twee kinderen had, maar omdat hij redelijk wat scholing miste en omdat hij gewoon een aardige vent was, besloot hij de koters zonder morren te accepteren als zijn nageslacht. De jongen en het meisje werden als broer en zus opgevoed in het kasteel, maar toen ze tien jaar waren stierf hun moeder.
De edelman hertrouwde dezelfde dag nog om redenen van ambitie; helaas haatte de stiefmoeder haar twee nieuwe stiefkinderen. Ze moesten op tijd naar bed, ze moesten hun eten opeten, ze moesten hun huiswerk maken, dag en nacht werden de twee lieve kindjes gepest door hun stiefmoeder. Maar gelukkig duurde dat niet lang, want toen de jongen en het meisje twaalf jaar waren werd hun stad veroverd door een vreemde mogendheid en werden hun vader en stiefmoeder vermoord. Zelf wisten de kinderen te ontsnappen, en ze zwierven maar liefst vier jaar door het land voor ze weer terug durfden te keren naar hun geboortestad. In die periode waren de twee erg op elkaar aangewezen en er was een band gegroeid die toch wel verder ging dan die van broer en zus. Het kon niet anders dan dat ze wisten van elkaars gevoelens voor elkaar, maar ze hadden nog niet de moed gehad om eraan toe te geven of erover te praten.
Toen ze, toch hand in hand, door de straten van hun oude stad slenterden, kwamen ze een erg goede fee tegen.
‘Ik ken jullie,’ zei de erg goede fee, en ze vertelde het verhaal over de heks en het ei en dat het meisje eigenlijk een betoverde prinses was uit een naburig land. ‘Jullie zijn helemaal geen echte broer en zus!’
‘O, wat heerlijk!’ riep het meisje. ‘Nu kunnen we dus toch met elkaar trouwen!’
‘Nou, ik dacht het niet,’ zei de jongen, ‘want als we niet echt broer en zus zijn, is de perverse spanning er voor mij helemaal vanaf.’
En hij liet haar hand los en rende weg, zo hard als hij kon.

De leeuwendoder

Waar de berken zigzaggend langs de ongepolijste heide staan, hier niet ver vandaan, waar de lage begroeiing als een huid over het landschap ligt, waar het zand heen en weer waait naar alle plekken die verborgen hadden moeten blijven, maar waar het schitterende groen hier en daar toch elke donkere gedachte verbant, liep eens een leeuw vrolijk en nonchalant rond, en als hij had kunnen zingen dan had hij gezongen.
Maar ineens kwam van achter een struikje een jongeman tevoorschijn die de leeuw greep en met een felle beweging zijn nek omdraaide. Hij schrok er eigenlijk zelf van, de jongeman. Waarom hij het had gedaan wist hij ook niet echt. Het was een soort van opwelling. Wellicht omdat hij uitgelaten was. Omdat hij een heel seizoen hard gewerkt had en op weg was naar taveerne De Hondsgemene Landsverrader om een welverdiende pot bier te gaan drinken. Zin om lang bij het voorval stil te staan had hij daarom niet. En dus liep hij verder. Elke minuut treuzelen betekende immers een minuut langer geen bier.
Een kwartiertje later stapte de jongeman De Hondsgemene Landsverrader binnen. Het was er druk maar stil.
‘Ik heb net maar mooi even een leeuw gedood!’ riep de jongeman trots de stilte in.
‘Ja ja,’ was het meerstemmige antwoord, na wat gelach. ‘Hier! In de buurt! Een leeuw! Maak dat de kat wijs!’
‘Nee, echt waar! Hier verderop, op de hei.’
Er ging wederom een lachsalvo door het lokaal.
‘Had het beest toevallig vinnen en kieuwen en een zilveren glans?’ vroeg een tandeloos en aan de bar gezeten mannetje.
‘Ik ken heus wel het verschil tussen een vis en een leeuw,’ zei onze jongeman wat verbolgen.
‘Leunde het dier misschien op een stok en had het een platte pet op?’ vroeg een ander tandeloos mannetje, dat bij de haard zat.
‘Nee, het was niet oude baas Van Straten!’ zei de jongeman, inmiddels flink geagiteerd. ‘Een leeuw was het, zeg ik jullie. Een leeuw! En ik heb hem met mijn blote handen de kop omgedraaid.’
Toen begon de uitbater van de taveerne, een kerel met vanuit elke hoek gezien een scheef gezicht, zich ermee te bemoeien.
‘Ik wil hier geen gezwets in mijn etablissement,’ zei hij. ‘Dit is een nette tent. Mensen die de boel voor de gek houden, kan ik hier niet gebruiken. Alles wijst erop dat je al genoeg gedronken hebt, jongeman. Het lijkt me beter dat je gaat.’
Met tegenzin verliet onze jongeman de taveerne. Er zat niets anders op, wist hij. Moeilijk doen of smeken zou totaal niets opleveren. Stenen trappend liep hij terug naar huis. Bij het heideveld waar hij de leeuw had gedood probeerde hij tevergeefs de grote katachtige te vinden. Graag had hij nog wat tanden willen trekken als souvenir, om meteen wat bewijslast te hebben, maar de leeuw was nergens meer te bekennen.
Moedeloos wilde de jongeman verder sjokken, toen hij ineens, een meter of vijftig verderop, een giraf zag staan. De jongeman ging voorzichtig bij een paar berken staan en maakte van een aantal twijgen een soort lasso om de langnek te vangen.
Even later liep hij vrolijk met de giraf terug naar de taveerne. Hij parkeerde de rare herkauwer buiten en stormde naar binnen.
‘Jongens, ik heb een giraf gevangen!’ riep hij fier.
‘Wegwezen!’ brulde de waard. ‘En laat je hier nooit meer zien!’

De koboldcadeaus

Hier niet ver vandaan, waar het landschap is getransformeerd door verlangen, waar schoonheid zich niet in laat dammen door een enkel seizoen, waar de slakken zich verwonderen over de bedrijvigheid van de muizen, en de kikkers om en om hun slechtste vogelimitaties ten gehore brengen, waar het zonlicht zacht door dennen en eiken wordt gefilterd, liep eens een brave nietsvermoedende knaap fluitend en met zijn handen in zijn broekzakken door het bos.
Hij had beter op kunnen letten, want opeens stond hij met beide voeten op de ontstoken kleine teen van een brute reus.
‘Dat is nou al de derde keer in acht jaar!’ zei de reus bruut, en hij pakte de knaap op zijn schouder en bracht hem naar de top van een hoge berg vele mijlen verderop.
De knaap stribbelde tegen. Hij moest naar de verjaardag van zijn tante, en hij had dus absoluut geen tijd om eerst van een berg af te dalen en daarna weer helemaal terug te lopen naar waar zijn route werd onderbroken. Maar de reus was onverbiddelijk, wat bij zijn gemene bui goed van pas kwam, en na zijn daad ging hij er overdreven flauw lachend vandoor.
Boven op de bergtop gaf de knaap zichzelf anderhalve minuut om te kniezen. Maar daarna raapte hij zichzelf bij elkaar en begon hij aan zijn terugtocht. Bergafwaarts ging het.
Nog geen honderd meter lager kwam hij vier kobolds tegen: een grote, een middelgrote, een kleine en een met een kromme neus. De schepseltjes stonden om een dood paard heen en waren aan het kibbelen over hoe ze het beest moesten verdelen.
‘Waarom maken jullie er niet eerst gehakt van?’ zei onze knaap bij het passeren van de koboldclub. ‘Daarna heb je in een paar tellen vier paardenporties gemaakt!’
De kobolds waren verrukt met het ongevraagde advies, en als dank gaven ze alle vier een cadeau aan de knaap. De eerste gaf hem een haar van een stier, waarmee zijn kracht groter zou zijn dan de kracht van elke aardbewoner. De tweede gaf hem een veer van een vogel, waarmee hij sneller zou zijn dan elk wezen in het luchtruim. De derde gaf hem een schub van een vis, waarmee hij beter kon zwemmen dan al wat er in het water was. En de vierde gaf hem een poot van een mier, waarmee hij als het moest dwars door de aarde kon graven.
De knaap bedankte de rare kobolds en ging verder op pad. Bij de volgende bocht liep hij de reus tegen het vadsige lijf.
‘Jou zal ik eens een lesje leren!’ zei de knaap. ‘Bereid je voor om huilerig te sterven!’
‘Succes,’ zei de reus uit de hoogte. ‘Want mij pak je niet zomaar. Zwem eerst maar naar de paal aan de andere kant van de oceaan. Raak deze aan en een zwaard zal uit de hemel vallen. Hiermee moet je een glibberige slang doden, waarna een vliegensvlug konijn verschijnt. Snijd de kop van dit konijn af en het zal veranderen in een duif. Vang je deze duif voor ze in de hemel is dan laat ze een ei vallen. In dit ei zit mijn leven! Denk je dat je dat voor elkaar kunt krijgen?’
De reus lachte bulderend, maar de knaap pakte de stierenhaar in zijn vuist en hij sloeg de reus zo hard dat deze op de grond viel en dood bleef liggen.
Daarna liep de knaap terug naar de kobolds, die druk met hun gehaktmolen bezig waren.
‘Hier,’ zei hij, de mierenpoot, de vissenschub en de vogelveer op de grond gooiende, ‘deze had ik niet nodig.’

Het damesdamhert

Waar het landschap inspirerend genoeg is om het expressionistisch te benaderen, hier niet ver vandaan, waar het ruige boerenleven kleeft aan de zanderige bodem, en waar in de verte meestal wel een watermolen zichtbaar is, woonde ooit een jager met zijn drie zoons.
De oudste twee wilden net als hun vader ook fulltimejager worden, maar de jongste voelde daar niks voor.
‘Ik vind het allemaal maar zielig voor die dieren,’ zei hij altijd, met een ietwat zeurderig toontje. ‘Vooral omdat ze geen geld hebben om, net als jagers, wapens te kopen.’
Als zijn oudere broers gingen jagen bleef hij thuis. Eventueel wilde hij daarna zijn neus nog wel laten zien bij de après-chasse, maar meer had hij niet op met de wereld van de jacht.
Op een compleet normale dag, het was een dinsdag en de dag ervoor was het een maandag geweest, gingen de oudste twee broers weer eens op pad om op dieren te schieten. En ze waren nog maar drie uur onderweg toen ze een grote gehoornde hinde tegenkwamen. De vacht van het wonderlijke beest leek te fonkelen van sienna tot kastanjebruin en zelfs af en toe tot olijfgroen, en haar gewei speelde trots met het zonlicht.
‘Dit hert is het neusje van de zalm!’ zei de linkerbroer. ‘Deze trofee is van ons! Hier worden we rijk en beroemd mee, met een gevulde maag zelfs!’
‘Gelijk heb je,’ zei de rechterbroer, ‘maar we moeten de huid niet verkopen voor de beer geschoten is.’
‘Dat is waar. Toch is het logischer om ons eerst met dit hert te bemoeien en die beer voor later te bewaren.’
‘Klopt! Maar ze loopt weg. Erachteraan! Schiet op! En nog niet schieten!’
Betoverd door de fenomenale aanblik achtervolgden de twee jagers het dier, en zo werden ze geleid van de zandgronden in het noorden via de zandgronden in het westen en de zandgronden in het zuiden naar de zandgronden in het oosten. Toen stak er een zandstorm op, en de twee broers werden naar het midden van de windroos gedreven, daar waar ook hun ouderlijk huis stond. Het laatste dat ze meenden te zien, hoe gek en onwezenlijk het ook leek, was dat de hinde hun huis binnenging.
Maar zo gek was het niet, want de jongste broer had inderdaad de hinde in de storm gezien en haar binnengehaald. Snel had hij het hert ook een jurk van zijn moeder aangetrokken, in de hoop dat het dier voor een bekoorlijk juffertje zou worden aangezien door zijn broers.
Even later kwamen de jagermannen binnenstormen.
‘Broertje,’ zeiden ze zwaar ademend en oververhit in koor, ‘heb je hier een hert langs zien komen? Als het goed is kwam het beest door deze deur.’
‘Nee, ik heb niks gezien. Ik zit hier al een tijdje lekker rustig alleen met mijn lieflijke nieuwe verloofde hier.’
De broers keken naar de bewuste verloofde, legden hun geweren aan en schoten het wezen in de witte jurk dood.
‘We hebben je gered, broertje!’ riepen ze enthousiast. ‘Dat wief was nog onooglijker dan de dochter van de slager. Maar we raden je ten zeerste aan om eerst een brillenmaker te bezoeken voor je weer een verloofde uit gaat kiezen.’
De hinde had haar les geleerd. Nooit meer zou ze een jager om de tuin leiden. En ook haar nageslacht heeft zich daar altijd aan gehouden.

De palendroom

Waar al eeuwen wind en zand met het kabbelende water spelen, hier niet ver vandaan, waar tussen onregelmatig gevormde meertjes struikhei, brem en dophei bijna hypnotiserende patronen vormen, waar het meer dan eens stikt van de zeldzame dagvlinders, lag ooit een markies op een zacht bed van mos en onder een lobvormige maan te slapen.
Hij lag daar al sinds die middag rustig te ronken. Ineens was hij weggedommeld, moe van alle zware activiteiten van die dag. Sinds de vroege ochtend was hij namelijk druk in de weer geweest met de jacht op evenhoevige zoogdieren. Hij had er heel wat moeten tellen, waaronder schapen.
Toen de markies een paar uur later wakker werd, met zijn gebruikelijke ochtendslapte, zat zijn entourage zwijgend en ongeduldig om hem heen. Hij was een zeer gewaardeerd man, onze markies, in de groep, omdat iedereen financieel van hem afhankelijk was.
‘Tjongejonge,’ zei de markies, terwijl hij een glas wijn inschonk, ‘wat heb ik een rare droom gehad, zeg. Tjongejonge!’
‘Vertel!’ zei de gek genoeg nogal magere priester uit het gevolg. ‘Wij zijn razend benieuwd met z’n allen.’
‘Nou, tjongejonge, ik droomde dat ik omringd werd door pilaren. Heel veel pilaren. Wel duizend! Grote, dikke pilaren, allemaal helemaal van hout gemaakt. Het leek zo echt. Tjongejonge!’
‘Interessant,’ zei de priester, ‘en deden ze nog iets, die pilaren?’
‘Nee, dat niet. Maar, tjongejonge, die pilaren hadden allemaal de vorm van een pilaar, en aan die pilaren zaten ook weer kleinere pilaren vast, een soort zijpilaren. En aan die zijpilaren zaten vervolgens ook weer zijpilaartjes. Tjongejonge, zoiets komt echt alleen in een droom voor,’ zei de markies, en hij ledigde met een gulzige teug zijn wijnglas.
‘Dat geloof ik ook,’ zei de priester, ‘en ik weet volgens mij zelfs wat de droom betekent.’
‘Tjonge, laat me niet in spanning.’
‘De houten pilaren stellen een kasteel en een stad voor die door u opgericht zullen worden op deze plaats. Deze stad zal de hoofdstad zijn van onze mensen en de woning van hun heersers, en de glorie van hun daden zal over de hele wereld weerklinken.’
‘Een stad? Hier? Tjonge!’
‘Ja. De start van de bouw zal het begin van een nieuwe dynastie inluiden. Een eeuwigdurende dynastie, zoals de cirkelvorm van de houten pilaren aangeeft. Over honderden jaren zullen sportclubs en zangverenigingen zich nog steeds noemen naar de stichter van deze stad. Een grotere roem zal op deze aardbol nooit kunnen bestaan.’
‘Voor ons nageslacht zou dat tjonge een mooi verhaal opleveren om hun romantisch nationalistische gevoel te ondersteunen,’ zei de markies, tussen het slobberen van zijn nieuwe glas wijn door.
‘Uw handelingen en levensloop zullen tot het einde der tijden als voorbeeld dienen voor jong en oud! U zult gezien worden als een ziener. Niet voor niets waren de pilaren uit uw droom van hout, het element van vernieuwing, van ontwikkeling, dat zorgt dat dingen tot leven komen. Dus zal ik de boel voor u in gang zetten?’ zei de priester.
‘Nee, dat is mij te veel gedoe,’ zei de markies tussen gezucht door. ‘Eerst zit je maanden in de rotzooi bij het bouwen van zo’n stad. Bovendien kost het allemaal nogal wat centen, en die geef ik liever uit aan wijn.’

Het slangenmeisje

In een naar lupines en geraniums geurend bos, hier niet ver vandaan, waar de klimplanten elkaar met cascade-effecten af proberen te troeven, waar langs de randen de kreekbedden aan de bodembedekkers een gevoel van beweging geven, waar het landschap moedwillig door het gebruik van veel kleur het effect van een zacht uiterlijk bereikt, werd ooit een pril meisje, Ophidia genaamd, overdonderd en half verleid door een slang in de gedaante van een bohemien. Tenminste, dat zei ze; dat was haar vaste overtuiging.
‘Mama, papa, ik moet trouwen met een slang!’ riep Ophidia op een dag toen ze thuiskwam. ‘Een slang heeft me gedwongen met hem te trouwen! Echt waar, een knappe, stoere slang was het!’
Haar ouders probeerden haar duidelijk te maken dat dat allemaal wel zo’n vaart niet zou lopen, omdat slangen nou eenmaal geen ringvinger hebben en sowieso niet achter het instituut huwelijk staan. Ze stuurden het meisje met een kop hete kamillethee en wat chloroformpotpourri naar haar bed en lieten het daar verder bij.
Lang duurde het echter niet voor Ophidia door een stel slangen werd ontvoerd en naar een onduidelijk slangenrijk vol met slangeninfrastructuur en een invulling daarvan werd gebracht. Hier trouwde ze met de van een zeer gesoigneerd baardje voorziene slangenkoning, en alles in haar leven werd voortaan beslist door slangen. Levenslang, daar zag het eigenlijk wel naar uit.
Echt onaangenaam vond ze het niet, maar na een paar jaar voornamelijk bezig te zijn geweest met het verversen van haar huidcellen wilde Ophidia toch graag een keer op bezoek bij haar ouders en de rest van haar inmiddels best dierbare familie.
De slangenkoning had er nou niet bepaald trek in dat Ophidia een weekend of zo weg zou gaan, maar hij wilde als slang ook niet lullig zijn en daarom wees hij haar verzoek om af te reizen niet meteen af. Drie taken gaf hij Ophidia. Ze moest een pan pakken, ze moest er boter in smelten, en ze moest er een ei in bakken.
Ophidia was geen meisje dat snel opgaf, ze had zelfs ooit een folder van een liberale politieke partij half doorgekeken, en binnen een week had ze alle drie de taken van haar man volbracht. Nu kon ze op weg naar haar moeder en wat er zich verder nog allemaal familie noemde.
Thuis was het gezelligheid troef. Er werd een groot feest gevierd, wel vijf uur lang, en toen vroegen dronken ooms aan Ophidia: ‘Waarom blijf je niet hier, meisje? Je moeder mist je zo. Je vader moet te veel uitleggen. Kunnen we je man niet op een of andere manier een betere bezoekregeling laten goedkeuren of gewoon heel bloederig een beetje doodmaken?’
Ophidia vond haar ooms maar onredelijk. Maar na een bier, twee tequila, drie rode wijn, vier witte wijn en vijf gin-tonic ging Ophidia anders denken.
‘In de zee is mijn man, in de zee,’ zong ze, zich vastklampend aan de minst scrupuleuze der ooms. ‘Als de zee melk schuimt leeft hij en als de zee bloed schuimt is hij dood!’
Het was slechts dronken gebazel, en dan ook nog van slechte kwaliteit, maar toch togen de meeste ooms en neven en tomboy-achtige andere familieleden na het horen ervan naar het strand om verhaal te halen, al wisten ze nog niet precies hoe. Vervolgens werd het een heel gedoe. Ophidia voelde zich, zeker de dag erna, heel beschaamd, en zonder enige vorm van dwang of tegenzin keerde ze op die zondagavond terug naar het sanatorium.

De drakenrecensie

Waar al sinds mensenheugenis de koeien en kalveren hun schaduwen geduldig op het glanzende gras neerleggen, hier niet ver vandaan, waar met evenveel zorg de slakken langs de omheiningen dag in dag uit het groene mos polijsten, bevond zich ooit de oorsprong van een grillig pad dat met steeds grotere slingerbewegingen leidde naar een zevental obscure hellingen waarachter een vuurspuwende en ronduit asociale draak zijn huisvesting had.
De draak werd in de volksmond De Draak genoemd, en dat kwam voornamelijk omdat er toen weinig creativiteit in de gemeenschap zat. Maar meestal werd er naar de draak verwezen met zijn soortnaam, dus gewoon ‘draak’, en niet met de voor het beest bedachte eigennaam.
Zo’n draak in de achtertuin was op zich nog niet zo’n probleem. Het was goed voor het toerisme en het hield de vorming van een eventuele veel te hippe buitenwijk tegen. Maar er was in die tijd wel een soort ongeschreven wet dat de dorpelingen de draak elke dag te eten moesten geven. Dat de wet nergens daadwerkelijk was opgeschreven deed er niet toe, want er was toch niemand in het dorp die kon lezen. Maar het protocol was er nou eenmaal, en de draak gaf ook niet bepaald aan zijn routine in dezen te willen wijzigen.
Toch waren er steeds meer stemmen vanuit de plaatselijke bevolking die lieten horen dat de draak best wel mocht blijven maar dan alleen als hij voortaan ergens zijn eigen voedsel ging regelen. En toen deze gedachtegang onderhand een meerderheid ging vormen, toonden enkele stoere boerenzoons zich bereid om de draak van de nieuwe regeling op de hoogte te brengen. De draak bleek echter weinig voor rede vatbaar en de boerenzoons kwamen stuk voor stuk heel erg dood terug naar het dorp.
De moed bij de mensen zakte weg; ze dachten dat ze voortaan aan de draak en zijn honger vast zouden zitten. Maar juist toen kreeg de oude schoenmaker een ideetje.
‘Vrees niet, beste dorpsgenoten!’ zei de schoenmaker. ‘Als jullie me een dood schaap, een bak zwavel, een zak kool en een pot teer bezorgen, zal ik ons probleem uit de wereld helpen. En vergeet niet dat de linkerschoenen deze week in de aanbieding zijn!’
Gewillig brachten de mensen de schoenmaker waar hij om vroeg, en sommigen van hen bestelden meteen een paar schoenen.
‘Tot straks!’ zei de schoenmaker, en hij koerste neuriënd met zijn spullen naar de voederplaats van de draak.
Daar aangekomen vulde de schoenmaker het dode schaap met een mengsel van de zwavel, de kool en de teer. De bedoeling was dat de draak het schaap zou opslokken, maar door het contact van de vonken in zijn mond met het ontvlambare mengsel zou hij in brand vliegen en waarschijnlijk zelfs ontploffen. En een dode draak hoeft natuurlijk niet meer gevoerd te worden. Tevreden met zijn intelligente plan floot de schoenmaker de draak. Die kwam aansjokken, zag het schapenhapje liggen en nam het meteen in zijn bek. Maar direct daarna spuwde hij het zwavelschaap ook weer uit.
‘Bah! Wat is dit voor een ordinaire eetgelegenheid geworden hier!’ schreeuwde de draak al proestend uit. ‘Ik kom hier nooit meer!’
De draak verdween en werd inderdaad nooit meer gezien. En ter nagedachtenis van dat voorval zijn er daarom in onze streek nog altijd eettenten waar het eten belabberd slecht is. Lang leve onze tradities!

Het golempje

Aan de zuidkant van een moeras waar de aarde leek te ademen, hier niet ver vandaan, waar als de nachten gingen lengen de onmiddellijke nabijheid gezondheid en comfort bood aan een spectrum van paddenstoelen, en waar de wilde asperges vanaf de grasmaand schitterden in de opkomende zon als zilveren staken, woonden vroeger goudeerlijke mensen in zogenaamde muur-dakboerderijen. Die bestonden uit een viertal muren, waarop een prima passend dak bevestigd was. Deze alleen maar vrome boeren waren jarenlang verwikkeld in een heftige strijd met de doortrapte mensen uit het onooglijke noorden, de bewoners van de kop-hals-rompboerderijen. (Die hoeves hadden ook gewoon muren en een dak, maar dan in een aanstellerige vorm.)
Keer op keer kwamen de boosdoeners uit het noorden de zuidelijke braveriken lastigvallen met het plunderen van de goede oogsten en ook met het stelen van de kinderen om met hun bloed duistere rituelen uit te voeren.
Zelfs de kapelaan werd het op den duur te gortig, en omdat zijn lichaam langzaam helemaal van rillingen vervuld raakte met de gedachte dat hij nog meer dagen zou moeten laten passeren op een plek vol onheil, besloot hij een spitsvondig plannetje uit de kast te trekken. Eigenlijk was het meer uit een boek dan uit een kast, en wel een boek dat hij een paar jaar daarvoor van een collega-geestelijke had gekregen als dank dat die mee mocht rijden naar een congres voor wereldgodsdiensten. In het boekwerk had de kapelaan gelezen dat hij een hulpmonster, een golem, kon kneden uit rivierklei en daarna tot leven kon wekken door middel van magische handelingen en soortgelijke incantaties. Deze golem zou de goedaardige zuiderlingen kunnen beschermen tegen de altijd kwaadwillende noorderlingen.
En hij ging aan de slag, de kapelaan. Maar omdat hij een eigenwijze man was en omdat hij geen rivierklei voorhanden had (en zeker niet de speciale klei die in het geschrift vermeld stond) besloot hij zijn golem uit totaal iets anders te maken, namelijk uit onstoffelijke begrippen.
Van het concept ‘verleden’ maakte hij een torso, van ‘honger’ maakte hij een linkerarm, van ‘liefde’ maakte hij een rechterbeen. En een avondje van abstracties later was de golem af. Het was een nogal doorzichtig type geworden, zonder persoonlijkheid nog. Maar dat vond de kapelaan niet erg. Een identiteit zou het maaksel alleen maar kunnen afleiden van zijn doel. Uiteindelijk moest de golem gewoon de bevolking beschermen, en meer niet.
Maar na verloop van tijd ging de golem zich meer en meer tegen zijn maker en diens volk richten. Op den duur trok hij zelfs partij voor de vijand, de nare kop-hals-rompmensen. De golem had namelijk geen ‘humor’ – dat was de kapelaan vergeten te gebruiken bij de bouw – en omdat de noorderlingen ook geen humor hadden, voelde de golem zich bij hen veel meer thuis. De kapelaan en zijn volgelingen hadden daar echter geen weet van. Zij dachten dat het aan het salaris van de golem lag. Tot dan toe had hij alles gratis moeten doen. En daarom gaven ze hem een loonsverhoging van maar liefst tien procent. De golem werd alleen maar bozer. Ook een toeslag van twintig procent wees hij af, en zijn woede uitte hij door alle muur-dakboerderijen te vernielen; hij kreeg daarbij splinters in beide ogen, die van ‘leven’ en ‘spijt’ gemaakt waren. En vlak voordat hij zijn laatste adem uitblies, lachte hij nog even, al was het zachtjes, met ironie op zijn lippen.

De zigeunerinnenvloek

Daar waar nu nog een jaarlijkse bedevaart langs de hoger gelegen bebossing en de lagere weilanden trekt, hier niet ver vandaan, waar de beken elkaar kussen en weer wegduwen, en waar de eekhoorns zich het meest acrobatisch tonen, belde ooit een jongeman aan bij het indrukwekkende huis van de pastoor.
De zielenhoeder zag meteen dat het bezoek niet uit de buurt kwam, en zijn neus voor vreemdelingen beaamde dat.
‘Wat kan ik voor je doen, mijn zoon?’ zei hij, zijn glas champagne verbergend.
‘Welnu, eerwaarde,’ zei de jongeman. ‘Het is een lang verhaal. Ik kom van ver in de hoop van een vloek ontlast te worden.’
De pastoor gebaarde de jongeman binnen te komen, en hij nam hem mee naar zijn achtertuin. Al wandelend langs de langgerekte borders met rozenstruiken, langs de net geschoren buxushaagjes met daarachter een pracht van begonia’s, margrieten en lavendel, en langs statige rijen van moerbei, vijg, kweepeer en andere leibomen, deed de jongeman emotioneel zijn verhaal.
‘Een paar jaar terug was ik hier ook in deze streek,’ zei hij. ‘Het was net na de oorlog. Ik was soldaat, en we vierden de vrede hier op een dorpsfeest met zang en dans, dat ter ere van ons strijders werd gegeven.’
‘Zo zo,’ zei de pastoor, terwijl hij een tros druiven plukte.
‘Met menig boerendochter heb ik een rondedans of een polka ondernomen. Zelfs de horlepiep kwam een keer langs.’
‘Ja ja,’ zei de pastoor, terwijl hij een van zijn papegaaien aaide.
‘Na verloop van tijd had ik wel genoeg gedanst. Maar net toen kwam er een zigeunermeisje mij ten dans vragen. Ik wees haar af. Met een grapje. Ik zei haar dat mijn schoenen versleten waren.’
‘En toen?’
‘Toen vervloekte ze me! Ze vervloekte mijn schoeisel!’
De pastoor gaf de jongeman met een simpele handbeweging aan dat hij even rustig op het marmeren bankje tussen de twee fonteinen midden in de tuin plaats moest nemen.
‘Zigeunerinnen doen dat wel vaker,’ zei de pastoor. ‘Dat is een beetje een traditie in onze contreien. Daar hoef je je geenszins druk om te maken.’
‘Nou, sindsdien zijn al mijn schoenen altijd versleten! Als ik nieuwe schoenen koop, kan ik ze de volgende dag weer weggooien,’ jammerde de jongeman.
Hij wees naar het verlepte voetbekleedsel dat hij op dat moment aan zijn voeten droeg.
‘Betreurenswaardig! Maar wat moet ik met al deze informatie?’ zei de pastoor.
‘U moet mij helpen! U moet de plaatselijke Maria, de Moeder van God, vragen of ze deze vreselijke vloek ongedaan kan maken!’
Op dat moment kwam de huishoudster van de pastoor met een grote schaal met daarop onder andere gebraden zwaan omringd met een carpaccio van in truffelolie gegaarde coquilles aanlopen.
‘Ik ken jou!’ riep ze, toen ze de jongeman zag. ‘Jij wilde niet met mij dansen!’
‘Jij, lelijke en gemene zigeunerin!’ schreeuwde de jongeman, ‘door jou zijn mijn schoenen altijd versleten!’
‘Ik zal je helpen,’ zei de vrouw, en ze pakte de zeis die tegen de pergola stond en hakte met een trefzekere zwaai de voeten van de jongeman af. ‘Nu hoef je je nooit meer zorgen te maken om schoenen!’