Het gewiekste wiefke

Waar het landschap maar zelden oranje gloeit onder een verbrande lucht, waar juist de aangename regenval de florerende bossen op heuvelachtige kronen voedt, hier niet ver vandaan, waar de meren als hoefafdrukken van hemelse paarden verspreid liggen, leefde eens een meisje, Grietje genaamd, dat wilde trouwen.
Grietje was uiteraard heel erg slim, net als alle vrouwen, maar niet zo slim dat ze wist dat mannen helemaal niet van slimme vrouwen houden, en dat ze zich daarom wellicht beter maar minder slim voor moest doen dan ze daadwerkelijk was.
Haar oog was gevallen op Frans, de burgemeesterszoon. Frans kon de betweterigheid van Grietje echter niet goed verdragen. Dat was al zo toen ze nog samen op school in dezelfde klas zaten. Grietje had een bril, en Frans niet. En dat was volgens Frans ongeveer de voornaamste reden dat hij beduidend lagere cijfers haalde dan Grietje.
Omdat Grietje dag in dag uit om hem heen bleef dansen en hem aandacht bleef schenken, besloot Frans hier met een volgens hem slimme truc voor eens en voor altijd een eind aan te maken.
‘Ik zal met je trouwen, Grietje,’ zei hij op een dinsdagmiddag, in zijn handen wrijvend. ‘Als het je lukt om een zekere opdracht uit te voeren, zal ik met je trouwen. Maar lukt het je niet, dan moet je me verder ook met rust laten.’
‘Kom maar op,’ zei Grietje verrukt. ‘Laat maar horen!’
‘Ik zal met je trouwen als je me binnenkort bezoekt, maar je moet dan niet overdag komen, en ook niet in de nacht. Je moet niet lopend komen, en ook niet rijdend. En je mag niet gekleed zijn, maar tegelijkertijd niet ongekleed.’
Grietje keek, na het aanhoren van de opdracht, eerst bedenkelijk, maar moest toen weer vrolijk lachen, wat Frans op zijn beurt toch wel wat nerveus maakte.
De volgende dag, bij het ochtendkrieken, stond Grietje voor de burgemeesterswoning en klopte op de deur. Het was geen dag en geen nacht. Frans deed gapend open en zag Grietje gehuld in een visnet. Ze was niet ongekleed, maar toch ook niet gekleed. Met één been stond ze op de grond en haar andere been lag op de rug van de geit die naast haar stond. Ze was blijkbaar niet komen lopen, maar ook niet komen rijden.
Er moest dus getrouwd worden. De ouders van Frans hadden daar inmiddels zelfs weet van. Maar hoewel ze begrepen dat hun zoon Frans – met zijn bochel, zijn haakneus en zijn doorlopende wenkbrauwen – moeilijk aan de vrouw zou kunnen komen, vonden ze Grietje toch ook maar niks.
Ze stelden aan Grietje voor om van het huwelijk af te zien. In ruil daarvoor mocht ze het mooiste wat ze maar kon vinden in huis uitkiezen en meenemen. Grietje stemde toe, maar eerst wilde ze dan wel voor de hele familie koken. Haar plan was om iedereen te bedwelmen en dan Frans te ontvoeren. Hij was immers het mooiste in huis, vond zij.
De ochtend daarop werden Frans en zijn ouders houtenkopperig wakker. Al snel merkten ze op dat Ans, de zus van Frans, niet meer in huis was.
Ans werd wakker in een heerlijk zacht en warm bed aan de andere kant van de stad.
‘Als ik wist dat Frans zo’n mooie zus had, had ik niet zo veel energie in die engerd gestopt,’ zei Grietje. En Ans moest lachen, waarna ze kusten.

De fruitwerper

Ver van waar de elfen wonen in duin en woud, ver van waar bij eb de zeegod wordt weggestuurd, en ver van waar de krekels de schemering van een elegante stroefheid voorzien, maar niet ver hier vandaan, leefde eens een zekere Willempje T. Willempje was gek op fruit. Niet alleen om het te eten, nee, ook om het te gooien. Reeds als dreumes pakte hij bijvoorbeeld een kumquats van tafel en dan riep hij: ‘Haha, ik ga deze fruitbom om de grond gooien!’
En inderdaad, even later belandde de citrusvrucht dan exact op de grond.
Zijn ouders zagen zijn talent en zetten hem op fruitwerples. Dat ging hem goed af, en hij besloot zelfs van zijn hobby zijn beroep te maken. Op de universiteit koos hij daarom een studie in die richting. (Zijn afstudeerscriptie ging over de tomaat. Of het nou fruit of groente was. Taalkundig gezien was de tomaat een groente, maar plantkundig gezien een vrucht. In zijn conclusie maakte hij er een kip-of-ei-verhaal van en met die culinaire wending meende hij de tomaat definitief een groente te kunnen noemen. Gooien van tomaten vond hij echter voor fruitwerpers nog steeds geoorloofd.)
Met zijn ambacht trok Willempje daarna vele jaren door Europa.
‘Hé Willempje, kun je voor ons even deze bananen op die marktkraam daar gooien?’ vroegen de mensen hem dan bijvoorbeeld.
En dat deed hij dan. Hij nam dan die bananen en een voor een zwierde hij ze met een suaviteit van heb ik jou daar op het beoogde oppervlak.
Niets was hem te dol. Hij werkte net zo makkelijk met mandarijnen als met doerians. Peren waren hem even lief als jaboticababessen, en met zowel de persimoen als de braam kon hij lezen en schrijven.
Een stoere rondtrekkende fruitwerper als Willempje kon natuurlijk niet lang vrijgezel blijven, en zes maanden na zijn trouwerij werd zijn zoon geboren, Willem genaamd. Met een gezin vond hij het leven als vruchtenbohemien niet meer gepast, en dus toog hij met vrouw en kind naar zijn geboortegrond.
Maar inmiddels was in het gebied waar zijn ouderlijk huis stond een alleenheerser opgestaan die vond dat iedereen moest buigen die door de veel te lage stadspoort ging. Willempje weigerde dat, en hij stootte wel drie keer zijn kop.
Als straf voor zijn onbenulligheid moest Willempje van de alleenheerser midden op het marktplein een appel gooien op de pijl die zoon Willem boven zijn hoofd moest houden. Wierp Willempje mis, dan zou zijn zoon een appel tegen zijn hoofd krijgen, en dat was lang niet zo leuk als het eten van chocolade-ijs, wist hij.
De spanning en het marktplein liepen hoog op, maar Willempje hield daar rekening mee. Ook de windsnelheid in acht nemend gooide hij de appel precies en prachtig symmetrisch om de pijl heen. Zoon Willem kreeg een klein spatje appelpulp op het puntje van zijn neus, maar verder was hij ongedeerd. Er werd geapplaudisseerd en gejoeld.
‘Waarom heb je in je andere hand nog een appel?’ vroeg de alleenheerser ineens bits. ‘Zeker om naar mij te gooien, als je per ongeluk je zoon had geraakt?’
‘Nee, ik heb gewoon honger,’ zei Willempje, een hap nemend. ‘En straks, na dit appeltje, heb ik dorst!’

De heidekeizerin

Op de qua omtrek aardappelvormige heidevlakte hier niet ver vandaan, tussen de van het leven bruisende vennetjes, waar het witte veenpluis dagelijks met de nevel speelt, en waar rondtrekkende schaapskuddes de uitheemse boomsoorten stug negeren, stond ooit een berg van wel honderdtwintig centimeter hoog.
Op die berg, zei men, huisde de rusteloze ziel van een vroegere keizerin. Deze dame was zo overmand geweest door frustraties heel haar lijfelijke bestaan, dat ze als dode nog steeds meende haar woede uit te moeten leven. Mensen die de heideberg passeerden hadden stuk voor stuk behoorlijk last van de keizerin. Wandelaars werden maar al te vaak zo afgeleid, dat ze pardoes struikelden en in het stuifzand stikten.
Met haar intens indringende en kranig krakende stem bracht de keizerinnengeest passanten met veel genoegen van de wijs.
‘Kijk uit!’ riep zij, als de voorbijganger geen reden had om ergens voor uit te kijken.
‘Kijk niet uit!’ riep zij, als de voorbijganger juist wel een reden had om ergens voor uit te kijken; als er een gat in de weg zat of als er iets in de weg zat.
Ook mensen die te paard waren moesten het ontzien, en zelfs mensen die te doof waren raakten soms door de uitingen van de keizerin verward. Er waren maanden bij dat tussen de negentien en de eenentwintig mensen de overkant van de heidevlakte niet haalden.
Op den duur werd het ronduit vervelend. Vooral Paulus, de uitbater van taveerne In De Riekende Rommelpot, en Tinus, de plaatselijke struikrover, kregen er een sik van.
Door dat gespook op de heide gingen mensen een blokje om en kwamen zo niet meer langs de struik van Tinus en het etablissement van Paulus. Na wat kniezen met z’n tweetjes besloten Paulus en Tinus samen een plan te maken en wat soep (omdat ze honger hadden).
Vol soep en goede moed trokken ze een uurtje later naar de heidevlakte. Ze hadden bijenwas in hun oren gedaan, want ze wilden niet afgeleid worden door elkaars saaie verhalen.
De eerste actie van hun draaiboek bestond uit het maken van een berg van honderdvijfentwintig centimeter, een meter of vijftig van de berg van de keizerin vandaan. Daarna gingen ze kijken vanachter de struik van Tinus of hun idee zou werken.
Omdat de keizerin het hoog in haar bol had – dat kon je opzoeken in boeken – dachten Paulus en Tinus namelijk dat ze altijd naar de hoogste berg zou verhuizen. En ze kregen gelijk!
De keizerin schoof een berg op; het plan had een echte kans van slagen gekregen.
En dus bouwden de twee ondernemers een berg van honderddertig centimeter, weer vijftig meter verderop. En een berg van honderdvijfendertig centimeter, weer vijftig meter verderop. En een stuk of veertien bergen later hadden ze het keizerlijke fantoom zo ver weggelokt dat alleen het volgende dorp nog last van haar kon hebben. Maar andermans leed konden ze natuurlijk niet voelen, en zo kwam alles dus toch nog goed.
De bergen op hun eigen heide maakten ze allemaal met de grond gelijk, en daarom is het daar nu nog zo mooi vlak.
Dus als je ooit iemand hoort roepen dat je uit moet kijken, terwijl er niets is om voor uit te kijken, dan zit je zeer waarschijnlijk in het verkeerde dorp.

De rustster

Waar de meerkoeten als hemelse benden veelvuldig op het wateroppervlak neerstrijken, waar je met enig geluk en in het daarvoor bestemde seizoen de paars geblokte blaadjes van de kievitsbloem kan bewonderen, en waar volgens sommigen heel vroeger een reusachtige monoliet moet hebben gestaan, hier niet ver vandaan, had ooit een baron een geinig optrekje. Hij trouwde op zekere dag met de dochter van een andere baron. Niet per se uit liefde was dat, nee, het was een soort pleisterhuwelijk, zoals men dat toen ook wel noemde, om een bepaalde bloedlijn veilig te stellen. Toch was het zeker geen onaangename relatie die de baron en zijn vrouw hadden. Samen struinden ze alle toernooien in de buurt af, samen woonden ze ook zo goed als elke executie van de streek bij, en in de avonden keken ze altijd gezellig samen naar het haardvuur. Nou ja, niet altijd, niet echt elke avond, want de barones had bij haar huwelijk afgedwongen dat ze elke eerste zaterdag van de maand helemaal zelf in mocht vullen. Meer wilde ze ook niet. Om meer dan dat vroeg ze nooit. Maar die ene zaterdag in de maand vertrok ze steevast als de klok twaalf uur in de nacht sloeg, en precies vierentwintig uur later was ze dan weer terug.
Na verloop van tijd werd de baron toch best wel benieuwd naar wat zijn vrouw op die zaterdagen dan precies ging doen. Om daarachter te komen leek hem het ronduit vragen geen verkeerd gekozen strategie.
‘Wat ga jij eigenlijk altijd doen op die vrije zaterdagen van je?’ vroeg hij daarom een keer vlakweg tijdens het ontbijt.
‘Dat moet je me niet vragen,’ zei de barones, terwijl ze het laatste restje van wat op pindakaas leek op een homp brood smeerde. ‘Als ik je dat vertel is de magie ervan weg.’
De baron werd alleen maar nieuwsgieriger van het antwoord, maar liet het er maar bij. Toch kon hij het niet helpen dat hij een paar maanden later wel heel erg gebiologeerd raakte van alle speculaties in zijn huishouden omtrent de maandelijkse bezigheden van de vrouw des huizes. Volgens de tuinman veranderde de barones elke eerste zaterdag van de maand in een slang, en moest ze daarom schuilen. Volgens de kok was het nog veel erger en transformeerde ze maandelijks in een beurshandelaar, met van die enge klauwen ook.
De zaterdag daarop, de eerste van de maand, besloot de baron zijn vrouw eens te volgen. Hij sprong achter op de koets waarmee de barones vertrok, en trotseerde daar nacht en ontij. Tien minuten later stopte de koets bij een huisje. De barones stapte uit het rijtuig en ging het huisje binnen. De baron volgde haar voorzichtig, maar bleef buiten staan en stelde zich zo verdekt mogelijk op bij het enige raam van het gebouw. Daar zag hij dat zijn vrouw op een stoel zat. Het huisje had maar één kamer en behalve de stoel was er niets in die ruimte aanwezig. De baron zag dat zijn vrouw langzaam haar benen strekte, naar het plafond keek, en een lange stoot met adem uitblies.
Op dat moment verloor de baron zijn evenwicht en viel. Hij probeerde zich nog vast te houden, maar juist toen kletterden er allerlei bloempotten omlaag. Het maakte een enorm kabaal.
De barones opende de voordeur, keek om de hoek, en zag haar man op de grond liggen.
‘Ja, op deze manier kan ik dus geen rust hebben,’ zei ze geïrriteerd en met afkeurende blik.

De waakbok

Voorbij waar de boomgaard in het hoogstammig beukenbos overgaat, nog iets verder dan waar nu de wasemende koeien een surrealisme aan het landschap toevoegen, hier niet ver vandaan, liep ooit een jonge boerenzoon door het met dauw beslagen gras te waden. Hij was op weg naar taveerne Het Gulden Hoornvlies, omdat hij liefdesverdriet had. Mientje was haar naam, en ze hadden al enkele malen samen de romantiek van de coïtus interruptus beleefd, maar nu dreigde het meisje ervandoor te gaan met een rijke handelsman uit het noorden van het land.
In de taveerne was de boerenzoon, zijn gerstenat pimpelend, ongewild deelgenoot van het gesprek van een paar jagers aan de tafel naast hem. Hij kon niet alles verstaan, maar wat hij ervan begreep was dat er diep in het woud een bok waakte bij een grot met goud. De jongeling wist meteen wat hem te doen stond, en hij haalde thuis het geweer van zijn vader en trok het bos in. Daar aangekomen zag hij, na een tijdje wandelen, een bok staan. Het was een prachtig dier. Zijn hoorns schitterden in de zon; ze leken wel gemaakt van keratine. Zonder blikken of blozen schoot de jonge boerenzoon het beest dood, en hij ging in de buurt van waar het neerviel zoeken naar de grot met goud. Maar hij vond niks. Nergens. Niet links, niet rechts. Geen grot onder of achter de stenen op de grond, geen grot boven in de bomen.
‘Misschien was het gewoon de verkeerde bok,’ zei hij tegen zichzelf.
‘Dat zou best weleens kunnen,’ zei hij terug.
En dus liep hij verder, en, ja hoor, nog geen vijf minuten later zag hij weer een bok staan, zo fier als een herbivoor. Onmiddellijk schoot de boerenzoon het dier dood. En weer ging hij daarna in de buurt op zoek naar de grot en het goud dat erin verstopt zou moeten zijn. Maar behalve een anachronistisch voorwerp dat hij niet eens kon benoemen vond hij wederom helemaal niets. Overal waar een grot denkbaar was, werd de ruimte ingenomen door iets anders – zand, of een steen, of een stuk boom. Toch gaf onze held niet op. Hij liep verder tot hij de volgende bok zag en herhaalde het protocol. En weer vond hij geen grot. En ook niet bij de volgende bok. En ook niet bij de bok daarna. Of daarna, of daarna.
Vierentachtig bokken later vond de boerenzoon het onderhand welletjes. Teleurgesteld trok hij naar de taveerne om zich te bezatten. Daar aangekomen zag hij de jagers weer zitten, en hij vond het nodig om eens verhaal te gaan halen.
‘Er is in het bos hier helemaal geen bok die een grot met goud bewaakt, zwetsers!’ riep hij. ‘Ik hoorde jullie er onlangs wel over praten, maar het is bijlange na niet waar!’
‘Grot met goud?’ zei een van de jagers. ‘Dat hebben wij helemaal niet gezegd. We hadden het over rottend hout, niet ‘grot met goud’! In het bos ligt een flinke hoop met rottend hout, en daar in de buurt staat altijd een bijzonder fraaie bok, van een soort waarvan we dachten dat die al uitgestorven was. Sowieso zitten er in het woud hier de aller-, allerlaatste bokken van ons land. Dus daar mogen we best trots op zijn. Dat is ook meer waard dan een pot of grot met goud!’
En terwijl de jagers hartelijk lachten, sloop de boerenzoon, inmiddels allerminst geoccupeerd door zijn liefdesverdriet, stiekempjes weg.

Het urineorakel

Een beetje naar het zuiden toe, hier niet ver vandaan, niet per se op een steenworp afstand, maar wel met die bewuste steen (en paard en wagen) toch zeker binnen een dag te bereiken, is reïncarnatie nog echt een levend begrip. Alleen noemen ze het daar geen reïncarnatie, maar wedergeboorte, omdat ze reïncarnatie niet goed uit kunnen spreken. En het gaat dan om een kleine jongen die met het ledigen van zijn blaas de mensen om hem heen kan helpen of in ieder geval informatie kan verschaffen om gefundeerdere beslissingen te nemen.
In wellicht het oudste verhaal dat van hem bekend is, stammend uit het jaar 1142, ten tijde van de Grimbergse Oorlogen, wees de tweejarige uitverkorene de troepen van de graven van Leuven de goede kant op door in die richting op het slagveld te gaan pissen. De vijand, het geslacht van Berthout, trok niet lang daarna zijn keutel in.
In een ander verslag, ergens uit de veertiende eeuw, kwam de jongeling in de winter op een landweg een priester tegen die kou aan het lijden was omdat hij zijn wollen muts thuis had laten liggen. Het kleine manneke twijfelde geen seconde en piste over de kale kop van de predikant zodat die het weer lekker warm kreeg.
Elke zoektocht naar de nieuwe hergeboorte van het jochie is altijd weer een uiterst secure onderneming. De kandidaten worden onderworpen aan een strenge selectie, waarbij het herkennen van voorwerpen een belangrijk onderdeel van de test uitmaakt. Om een oude sok te kunnen onderscheiden van een natgepiste oude sok is bijvoorbeeld een speciale gave nodig. Een gave die wel moet putten uit herinneringen van het kind in diens vorige incarnatie.
Misschien wel het bekendste relaas van ons baasje is afkomstig uit halverwege de zestiende eeuw. Er was al weken geen neerslag meer gevallen en de oogst van bijna alle boeren uit de streek dreigde te mislukken. Gelukkig kwam ons jofele gozertje te hulp. Voor het gemeentehuis piste hij MORGEN GAAT HET REGENEN in het dorre, schrale zand. En ja hoor, de volgende dag viel de regen met bakken uit de lucht. De oogst was gered, en de bakken konden de mensen goed gebruiken om water in op te slaan voor een volgende droge periode.
Ook een leuke vertelling over het ventje dateert van zo’n tweehonderdvijftig jaar terug. Een burgemeester uit de buurt wilde net een flinke lepel poempaaipap opscheppen om zijn honger te stillen, toen hij zag dat zijn bord vies was; er lagen maar liefst vier broodkruimels op! Maar meer geluk kon de beste man die dag niet hebben, want daar kwam om de hoek ineens onze broekloze bengel aan.
‘Wees niet bevreesd,’ zei deze redder in nood, ‘en geef uw bord maar hier. Ik heb dit probleem voor u in no time opgelost.’
Het moge duidelijk zijn dat het serviesgoed binnen een minuut weer helemaal gewassen was. Het bord glansde als het voorhoofd van een puber, en de burgervader kon zijn smaakpapillen het mooiste feest ooit geven. Maar voor hij hiervoor zijn weldoener kon bedanken, was het knaapje er al vandoor.
Wat bleef en blijft zijn de verhalen. De goede daden van het manneke zijn bijna niet te tellen, en het laatst is hij gesignaleerd in Brussel.

De vliegende vogel

Daar waar ons riviertje het minst meandert, waar de kruiden en bloemen de soms zelfs purperen zonsondergang van een passende geur voorzien, waar de vesperklokjes van het dorp nog net te horen zijn, hier niet ver vandaan, lagen de jongeren uit de buurt vroeger vaak te rusten als er belangrijke werkzaamheden te doen waren. Het was tijdens een van deze sessies dat er eens twee broers op hun rug in het gras lagen met hun handen achter hun hoofd. Een broer was ouder dan de andere, en dat wisten ze ook van elkaar.
Ze verveelden zich heel erg, die twee. Meer nog dan een al twintig jaar oude dode. Maar natuurlijk minder dan een twintig jaar oude dode die zo slim was geweest om een boek mee te nemen.
Om de saaiheid wat weg te jagen besloten de twee broers elkaar attent te maken op dingen die ze zagen.
‘Kijk daar,’ zei de jongste broer, ‘Marieke en Marijke zijn naakt aan het zwemmen, daar links.’
‘O, kan gebeuren. Maar kijk daar! Een veldmuis!’
‘Echt waar? Waar?’
Zo ging het wel een half uur over en weer. Ze zagen in die tijd achttien veldmuizen (waarschijnlijk steeds dezelfde), zes populieren (gegarandeerd steeds dezelfde), tweeënzestig mieren, een ondefinieerbaar aantal wolken, en nog veel meer.
‘Hé, daar, die vogel!’ zei de oudste broer opeens. ‘Die vliegt raar.’
‘Waar?’
‘Nou, daar!’
‘O, maar die vliegt niet. Dat is een luchtspiegeling.’
‘Een luchtspiegeling?’
‘Ja, richt je blik maar even op de rivier voor ons. Daar drijft een dode vogel. Zie je?’ zei de jongere boer. ‘Kijk, zo’n luchtspiegeling ontstaat wanneer er een laag warme lucht boven een laag koude lucht hangt. Normaal beweegt licht zich voort door de lucht in een rechte lijn, maar door het temperatuurverschil van de twee luchtlagen wordt het licht gebroken. De lichtstralen buigen naar beneden af.’
De oudere broer begon wat in zijn neus te peuteren.
‘Want, weet je, normaal gesproken daalt de temperatuur naarmate je hoger in de atmosfeer komt,’ ging de jongere broer verder. ‘Maar bij een plotselinge temperatuurstijging, een inversie, verandert de richting van het licht.’
‘Dus?’ zei de oudere broer, na een met moeite onderdrukte gaap.
‘Dus je ziet eigenlijk het licht van de vogel dat naar boven gestraald is. Snap je?’
‘Ja, ja,’ zei de oudere broer, ‘dus die vogel heeft een soort magische krachten.’
Op dat moment kwamen Marieke en Marijke langslopen.
‘Hebben jullie ons niet gezien net?’ vroegen de meisjes aan de broers.
‘Ja, nou, ja, op zich wel,’ zei de oudere broer, ‘maar we zagen ook die dode vogel daar die toch nog kan vliegen.’
‘Nogmaals, dat is geen vliegende vogel!’ zei de jongere broer geïrriteerd. ‘Dat is een spiegeling! Als je goed kijkt zie je ook dat-ie op z’n kop hangt.’
‘Ja, wat knap van die vogel. Dat hij gewoon op zijn kop kan vliegen! Ik kan nog niet eens op mijn kop staan!’
‘Maar ík kan wel op jóuw kop staan.’
En terwijl de beide broers oeverloos door bleven kibbelen, waren de twee meisjes al snel met het blote oog niet meer te zien.

De stoppende tapper

Voorbij de rietvelden, waar ooit de heksen het hout voor hun brandstapels sprokkelden, voorbij de moerassen en de stilstaande molens, daar waar de muizen graag een huis hadden gezien en nog steeds alles nat wordt als het regent, hier niet ver vandaan, liep eens een dorstige boer zich met zichzelf te bemoeien.
‘Hé, dorstige boer!’ hoorde hij iemand roepen, maar hij reageerde niet, omdat hij van mening was dat hij echt niet de enige dorstige boer was die daar liep.
‘Ja, jij daar,’ klonk de stem weer.
Nu keek de dorstige boer wel, want met ‘jij’ werd hij wel vaker bedoeld. Hij zag een oude grijsaard die zijn haren wit had geverfd.
‘Bent u dorstig, goede vriend?’ zei de grijsaard.
‘Ja,’ zei de dorstige boer, ‘ik zou zelfs aqua tofana kunnen drinken.’
‘Wablief?’
‘Aqua tofana, een mengel van de oxides van lood en arseen, en dan nog wat antimoon erbij, geloof ik. Dat is in ieder geval de basis.’
‘Ken ik niet,’ zei de grijsaard. ‘Maar ik heb een geheim dat ik met je wil delen. Puur uit altruïsme. Want zo ben ik.’
De grijsaard vertelde over een herberg in de buurt, Hoeve De Halve Waarheid, waar je gratis kon drinken als je ‘Tap, waarde waard, tap!’ tegen de waard zei. De bewuste waard bleef dan tappen tot je ‘Stop, waarde waard, stop!’ had gezegd.
‘Dus als ik wat te lessen heb, gebruik ik de eerste formule,’ zei de dorstige boer, met een combinatie van een glinstering en een fonkeling in zijn ogen, ‘en als ik mijn dranklust bevredigd heb, hoef ik alleen nog maar die tweede spreuk te uiten?’
‘Precies!’ sprak de grijsaard precies.
De dorstige boer bedankte de gekke, oude man, en ging het zojuist geleerde meteen uitproberen. (Nou ja, niet meteen. Eerst ging hij nog even ergens iets drinken.) En het werkte! Toen hij ‘Tap, waarde waard, tap!’ tegen de waard zei, ging de beste man tappen, en toen hij ‘Stop, waarde waard, stop!’ tegen hem zei, stopte hij met tappen. Vol wijn en enthousiasme rende de boer naar huis om zijn ervaring aan al zijn vrienden te vertellen. Met z’n tweeën gingen die direct daarop naar De Halve Waarheid om het ook te beproeven.
‘Tap, waarde waard, tap!’ zeiden ze in koor tegen de waard, en ze vulden hun gezellige buikjes met bier en wijn.
Al gauw hing er vrolijk gezang in de lucht, en was de sfeer met geen mogelijkheid meer te snijden. Ze konden hun geluk niet op en hun drank nog wel, maar na een uur of acht hadden de twee vrienden echt wel genoeg gedronken.
‘Ja, doe nu maar ophouden met tappen,’ zeiden ze samen, maar niet al te synchroon.
De waard ging – uiteraard – gewoon door met tappen.
‘Ho maar, het is wel genoeg zo!’ zei er een.
‘Beetje van de stopperdestop doen is wel oké nu. We hebben zat gehad, zeg maar!’ zei de ander.
Beide keren veranderde er niets. Vergeefs probeerden de twee maten nog twee of drie commando’s om het tappen te laten stoppen. Maar ze waren de toverformule blijkbaar vergeten. En dus gingen ze gewoon naar huis, want ze realiseerden zich dat het hun eigenlijk helemaal niets uitmaakte dat de waard in hun afwezigheid door bleef tappen.

Over het naammaken

Daar waar de natte loofbossen, de schrale graslanden en de welige waterplassen bij elkaar komen, hier niet ver vandaan, waar ooit de vlottende waterranonkel het hoofdbestanddeel van boeketten was en de bunzing vaker dan men zou verwachten als tussendoortje fungeerde, leefde eens een burgemeester met zijn vrouw en hun zoons, die om privacyredenen geen naam kregen.
De broers, alle drie als gevolg van het heersende nepotisme gedoemd om burgemeester te worden, gingen hun eigen weg, en vestigden zich elk in een ander stuk land. Een trok naar de kleigronden, een toog naar de veengebieden, en een, de naamloze held van dit verhaal, zocht zijn heil iets verderop, ergens tussen de zandcontreien, de zandzones, de zanddistricten, en de zandrayons.
De naamloze zandburgemeester regeerde toen nog over een terrein dat geen naam had. Maar daar zou verandering in komen. Zijn broers, de klei- en veenburgemeesters, kregen het namelijk, samen met hun onderdanen, aan de stok met de mensen die doorgaans op löss liepen. Ze hadden al een omrastering gebouwd en ze hadden zich een ander dialect aangemeten, maar niets scheen te helpen tegen het ongure lössvolk. Op den duur konden ze niet anders dan hun broer, de zandburgemeester, om hulp vragen, en ze stuurden een boodschapper.
Deze bode had echter moeite om bij de zandburgemeester te geraken. Omdat de verschillende streken en plaatsen geen namen hadden, waren er ook geen naambordjes, laat staan wegwijzers.
‘U ziet er verdwaald uit. Kan ik u helpen?’ zei men onderweg tegen onze gezant.
‘Ja, ik moet bij een of andere burgemeester zijn,’ gaf hij dan als antwoord.
‘Welke dan? Hoe heet hij?’
‘Tja, dat weet ik niet,’ moest hij dan toegeven.
Stomtoevallig kwam de koerier na ongeveer veertig minuten dan toch bij de zandburgemeester uit. Hij deed zijn verslag, met de bijbehorende vraag of de bewuste burgervader te hulp wilde komen. Nou, dat liet deze zich geen twee keer zeggen, maar drie keer, en omdat hij nog geld van zijn broers kreeg, ging hij stante pede mee met de heraut om de lösspiepeltjes een lesje te gaan leren.
De wind stond goed. De vijand viel met zand in de ogen en bijtend in het gras, maar niemand slikte het door. Van de lössfiguren had daarna nooit meer iemand last.
De mensen waren blij. Met klei maakten ze iets wat een grote steen moest voorstellen en ze boden dat de zandburgemeester aan. Met veen werd hetzelfde gedaan.
‘Lang leve die man daar die die boodschapper daar heeft meegebracht! Alles is schoon en vruchtbaar nu, maar er is nog steeds één fout: het ontbreekt aan een naam voor waar wij wonen!’ riep iedereen.
‘Ik kan jullie wel helpen met het bedenken van namen,’ zei de zandburgemeester lachend, en hij pakte een blocnote en een pen.
‘Nee, dat lukt ons zelf wel,’ zeiden de mensen.
En zo kwam het dat de plekjes en plaatsjes in onze buurt allemaal een andere naam hebben. (Om de persoonlijke levenssfeer van eenieder echt te beschermen was het natuurlijk beter geweest als alles en iedereen dezelfde naam had gehad, maar dit, ook namens Eric Pluimakers uit Tilburg, geheel terzijde.)

Groot en sterk

In een huisje dat door een wal van lijsterbessen werd beschut van het dorp, hier niet ver vandaan, daar waar het zand als los zand uit elkaar valt, en waar de adder en het lieveheersbeestje al eeuwen niet meer met elkaar praten, leefde eens een vriendelijke beul. Een verschrikkelijk vriendelijke beul, mag wel gezegd worden. Niet alleen collega’s waren zeer over hem te spreken, maar ook bij verschillende klanttevredenheidsonderzoekjes werd geen enkele negatieve klank over hem geuit.
En de beul was een knappe man. Als hij zijn kap afdeed gingen alle vrouwen voor de bijl. Makkelijk had hij er een stuk of tien vriendinnen op na kunnen houden, maar hij was een nette vent. Hij trouwde en hield het bij die ene vrouw. Want poespas was aan hem niet besteed. Hij deed het bijvoorbeeld ook al heel zijn leven met dezelfde bijl, en die hoefde van hem niet eens geslepen te worden.
De beul en zijn vrouw (de beulin, zoals de dorpsgenoten haar noemden) wilden graag kinderen, en het liefst via de natuurlijke weg, want stelen was in die tijd illegaal. Maar hoe ze het ook probeerden, het lukte hen niet. De ochtenden gaven geen resultaat, de avonden niet, met blinddoek leverde niks op, en zonder ook niet. Waarschijnlijk lag dat allemaal aan de stress op het werk, maar bewijs hadden ze daar niet voor. Ze waren echter geduldig en dat werd beloond, want op een zekere middag, het donderde en bliksemde als nooit tevoren, was er ineens toch sprake van conceptie. En negen maanden later werd het beulenkind geboren. Het was er een van de mannelijke soort.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei de beul tegen zijn pasgeborene, terwijl hij hem zachtjes wiegde zoals mensen aan een galg dat soms ook heel goed kunnen.
En elke keer dat hij zijn zoon in de armen nam, liefdevol maar stevig, herhaalde hij die zin.
De jongen groeide snel. Binnen een jaar kon hij lopen en wilde hij niet meer als baby gedragen worden. De beul aaide zijn zoon daarom over zijn bol elke ochtend voor hij naar zijn werk ging.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij dan.
Maar het duurde niet lang of de jongen wilde ook geen aai over de bol meer. En voor een knuffel was hij toen al helemaal te groot, vond hij.
Daarom klopte de beul zijn zoon toen maar zachtjes op zijn rug elke dag.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij daarbij.
En de dag kwam dat de beulenzoon even groot was als de beulenvader. Toch bleef de jongen voor de beul altijd nog zijn kleine ventje. Hij zag zijn zoon niet meer elke dag, wat een marteling was, maar bij elk bezoek zei de beul nog steeds: ‘Ik wens dat je groot en sterk wordt.’
De daaropvolgende winter, de beul had net drie mensen in totaal drie koppen kleiner gemaakt, kwam de jongen weer thuis, en hij was drie koppen groter dan zijn vader. En de beul had zelfs schoenen met hoge hakken aan, moet je weten, want hakken vond hij nou eenmaal leuk. Nog geen jaar later was de zoon zelfs twee keer zo groot als zijn vader. Hij bezweek bijna onder zijn eigen gewicht en had een stok nodig om zijn zware lichaam te stutten.
‘Ik had je toch iets sterker verwacht,’ zei de beul toen. ‘Maar in ieder geval is de helft van mijn wens wel uitgekomen!’