Ei-eigenschappen #25

Als LEGO na online-gamen was uitgevonden, hadden veel hobbypedagogen hun dagen gevuld met het mekkeren over het asociale gedrag van kinderen die het hele weekend in hun eentje bezig waren met het combineren en verbinden van kleine, gekleurde, plastic blokjes naast papa’s rookstoel. Het vak van werktuigbouwkundige zou worden verguisd, en een caravanontwerper als Max Würdig had nooit de heldenstatus kunnen bereiken die hij nu heeft. Würdig is, uiteraard, de constructeur van het caravanmodel Würdig 301, in de volksmond het Dübener Ei genoemd. Het verhaal gaat dat Würdig zijn kampeerwagen ontwierp, nadat hij tijdens een vakantie met zijn vriendin, ergens in 1935, niet welkom was in de herberg. Veel minder bekend is het verhaal dat Würdig nogal kippig was en die bewuste vakantie een slagerij aanzag voor een herberg. Maar goed, alles gebeurt voor een reden, zeg maar. En met zijn aerodynamische design voorzag Würdig de wereld van de rolbare tweepersoonskamer voor mensen die weinig eisen aan hun omgeving stellen van een revolutie. Wat het Dübener Ei anders maakte dan bestaande caravans was dat je in het Ei kon staan. (Würdig stond graag tijdens het slapen.) Vanaf de grond was het Ei namelijk minstens veertig centimeter hoger dan Tom Cruise met hakken aan.
De werkplaats van Würdig stond in Bad Düben, deelstaat Saksen, wat het eerste deel van de troetelnaam Dübener Ei verklaart. Het tweede deel, Ei, is volgens insiders een verwijzing naar de vorm van de Würdig 301. (De afmeting, drie meter tachtig in lengte, maakt de connectie met een ei wat surreëel, maar daar kunnen mensen zich blijkbaar makkelijk overheen zetten, en alleen psychologen kunnen dit fenomeen van een onzinnige toelichting voorzien.) Het is overigens prima mogelijk dat de caravan niet alleen qua vorm aan een ei deed denken, maar ook qua smaak. In de literatuur is alleen niet terug te vinden of ooit iemand het ding geproefd heeft. Feit blijft dat de Würdig 301 binnen de verzameling van kampeerders een populair bezit was. Dat tijdens de keuze de verantwoordelijkheid van het kiezen geaccepteerd moet worden is iets wat voor potentiële kopers van het Dübener Ei dan ook nooit een belemmerende gedachte is geweest. En niet voor niets, natuurlijk. De verplaatsbare, eenassige bivakkeerruimte was van alle gemakken voorzien (als je bereid was de scope daarvan tot een minimum te beperken). Er was binnen een gaskookplaat, een kledingkast en een tafel met tweedelige stoelen. Die stoelen waren uitklapbaar tot een tweepersoonsbed. En als je de stoelen helemaal weghaalde, was er zelfs ruimte voor een bescheiden xtc-laboratorium. Makelaars hebben het ding altijd geprezen omdat het op loopafstand van de supermarkt was en bovendien heel goed met het openbaar vervoer bereikbaar was.
De massaproductie van het Ei kwam pas op gang toen Bad Düben inmiddels in de DDR lag. En toen bekend werd dat de lichtste caravan ter wereld onder de communistische vlag werd gefabriceerd, ging men in het Westen alle caravans ineens, heel competitief, wit schilderen. Frans Bauer weet daar amper iets van, maar kan er wel over meepraten. Volgens hem zeggen mobilehomes van Würdig meer dan duizend woorden. (De papegaai van Frans zegt overigens maar vijf woorden, te weten ‘vraag’, ‘maar’, ‘aan’, ‘de’ en ‘Würdig’.)

Ei-eigenschappen #24

Het pellen van een eitje, minimaal halfzacht gekookt uiteraard, is een tevredenstellend ritueel dat het aanstaande smaakgenot naar grotere hoogten kan tillen, maar tegelijkertijd lijkt het ook beduidende kenmerken van een kansspel te demonstreren. Soms gaat het bijna vanzelf en laat de eierschaal probleemloos los, maar andere keren blijft de schaal wanhopig aan het eiwit plakken, hoe bedreven je er ook aan peutert.
De vraag waarom ons gepel niet altijd hetzelfde resultaat oplevert, is waarschijnlijk net zo oud als de vraag wat de initiële chronologie is in het samenspel van kip en ei. Veel stamoudsten hebben er in het verleden hun hoofd over gebroken. Generaties lang hebben mensen bijvoorbeeld hun eieren gekookt bij volle maan, omdat alleen dan de schaal soepeltjes te pellen zou zijn. En nog niet zo heel lang geleden dacht men dat het ei tijdens het koken in de richting van de wind moest liggen voor de beste pelbaarheid. Volgens sommige oudewijvenverhalen creëerde je een perfect pelei door het in ieder geval niet te laten koken door een oud wijf. Het spelen van verschillende soorten muziek is geprobeerd, tot melismatisch gezang aan toe, en, ach, ik heb zelfs meegemaakt dat iemand, in mijn directe omgeving, een van ijzeren kledinghangers gemaakte piramidevorm om de pan met eieren heen had gezet. Toch resulteerden al deze methoden niet op een reproduceerbare manier in wat hier beoogd werd.
Maar gelukkig is het tegenwoordig mogelijk om beter te weten. Roffel de trommel en luister: de pelfactor laat zich beïnvloeden door de zuurgraad van het ei. In de praktijk komt het erop neer dat eieren minder goed te pellen zijn naarmate ze verser zijn. Om lekker te kunnen pellen moet je dan ook geduld hebben. En dat heeft ermee te maken dat het eiwit (die witte massa) van een pas gelegd ei nogal wat koolstofdioxide bevat. Na verloop van tijd verlaat dit gas door de poriën van de schaal het ei, waardoor het eiwit minder zuur wordt. Dit heeft ook zijn werking op het vliesje net onder de schaal, aangezien dat in een zuurdere omgeving een stuggere structuur heeft, met alle pelproblemen van dien. Hoe meer koolstofdioxide het ei heeft verlaten, hoe minder de proteïnen uit het eiwit aan het schaalvlies hechten, hoe makkelijker en schoner de schaal te verwijderen is. En onze vriend de kalender toont zich hier weer de bottleneck.
Bij optimale bewaarcondities heeft een ei een week tot een dag of tien na het leggen de ideale pH-waarde (pak ’m beet 8,75) bereikt. En voor een ei goed en wel in de supermarkt ligt, moet je vaak al op drie dagen rekenen. Zo’n ei is dus gewoon te vers – maar je weet nu ongeveer wanneer je je pelactiviteiten moet plannen. Sip kijken en treuren hoeft dan trouwens zeker niet, want er is echt nog wel wat te versnellen aan dit rijpingsproces. De beschermende laag die de kip op de eierschaal aanbrengt om het koolstofdioxideverlies te vertragen en zo ons mensen te pesten, zou je er goed af kunnen wassen, bijvoorbeeld. En verder geeft kookgoeroe Harold McGee het advies om wat bakpoeder (natriumbicarbonaat) aan het water waarin je je eieren kookt toe te voegen. Dat is alkalisch, verhoogt dus de pH. Uiteraard kan het nog eenvoudiger: snij het gekookte ei van je hatsikidee doormidden en pak uit je keukenla een van de lepels die Uri Geller nog niet gemodificeerd heeft om daarmee keurig het proteïnegoedje in je mond te scheppen.

Ei-eigenschappen #23

Omdat je teennagels continu blijven groeien, kun je er ook dag en nacht aan blijven pulken. Op feestjes is dat in onze cultuur echter niet een sociaal gewenst karweitje, en dat is mede de reden dat er door de jaren heen de zogenaamde party tricks zijn ontstaan – om de verveling toch enigszins te kunnen doden. Ik bedoel, je komt er doorgaans nogal snel achter dat je gesprekspartners de link tussen Monty Python en Ionesco of tussen Hemingway en sportjournalistiek niet kunnen leggen, en dan moet je toch wat. Dus ga je dan maar een eitje omdraaien in een glas door ertegen te blazen, dat soort dingen.
In de praktijk komt het er welbeschouwd op neer dat je van de ene verbazing in de andere klotegimmick valt. Soms is de beste truc nog wel het doen voorkomen alsof je onder de indruk bent van het foefje dat op dat moment de gezamenlijke aandacht opeist. De meeste mensen durven namelijk op een feestje te verschijnen zonder echt gedegen voorbereid te zijn om een spectaculaire show te geven.
Vroeger was dat wel anders. Vroeger had je in je feestoutfit minstens twee veiligheidsspelden en een kabelstriptang zitten om de overige gasten op niets minder dan iets tofs te verrassen. Je vroeg vervolgens bij je aankomst aan de gastvrouw (m/v) of ze misschien een rauw ei en een stuk stroomdraad met stekker voor je had. Dat eerste lag meestal in de koelkast, en dat tweede kwam vaak van de elektrische wekker uit de slaapkamer. Dat ding werd namelijk toch maar een paar seconden per dag gebruikt en nog niet eens elke dag, dus het stond feitelijk wat verloren op het nachtkastje. Maar nu kon het een mooi doel dienen! Na wat voorbereidend werk gingen de lichten uit, en het aanwezige publiek kon zich vergapen aan een ei dat aan het oplichten, zoemen en knetteren was, tot er een stop sprong. Prachtig vermaak bij een glaasje!
Er valt niet te ontkennen dat er ook bijwijlen lieden zijn die het fenomeen feesttruc wat overdrijven.
Ik kan me nog als de dag van twintig jaar geleden herinneren dat er op een of ander studentenfeestje een genodigde zich levend had laten begraven in het dichtstbijzijnde plantsoen. Met heuse boeien en een kist en zo. Hij had zelfs een T-shirt laten maken met de tekst ‘Houdini moed maar in!’ erop. Na veel bombast volgde een wat ongemakkelijke stilte toen de laatste schep zand het gat dichtmaakte. Twee uur en drie liedjes van Gloria Gaynor later werd de ontsnappingskoning toch maar opgegraven, omdat zijn fiets vastzat aan die van iemand die naar huis wilde. Ja, je kunt niet vaak genoeg zeggen dat overdaad schaadt. Maar de volgende truc is altijd een succesnummer: men neme een kromme naald met een eindje garen en steke deze precies onder de schil van een hard gekookt ei tot ongeveer een drie centimeter verderop. Daarna gaat men de naald nogmaals een stuk onder de eierschil steken, beginnende in het gaatje waar de naald eerst is uitgekomen. Ga zo door tot het garen onder heel de schil door is geschoven, en men weer bij het eerste gaatje is. Door nu aan de twee draadjes te trekken, snijdt men het ei finaal door. Deze handeling moet men x maal verrichten om het ei in x + 1 plakjes te verdelen. Stelt u zich de gezichten van de overige feestgangers voor als het ei gepeld wordt!
Tja, wel omslachtig. Mijn favoriete truc is dat ik een ei in de lucht gooi en dan tien keer in mijn handen klap. Die grap doe ik nooit bij mij thuis; zo’n ei kan namelijk robuuste vlekken geven in het tapijt.

Ei-eigenschappen #22

Hodonymie is de bezigheid van de naamgeving van wegen. Dat is een vak. Er kan iemand naast u wonen die overdag beroepsmatig aan wijken bijvoorbeeld een thema van tv-coryfeeën geeft en vervolgens namen als de Ted de Braaklaan en de Fred Osterdreef bedenkt, en dat terwijl hij en u zelf in iets sufs als de Eierdopjesstraat of de Windeiweg wonen. Als die man goed zijn best doet, mag hij verderop in zijn carrière misschien wel hele landen van een nieuwe naam voorzien. Tenminste, ik denk dat hij dat denkt.
Nomenclatuur maakt ook de geneeskunde volwaardig. Want een politicus bepaalt misschien of een stoornis een ziekte mag heten, maar de naam komt nog altijd uit de trommel van artsvormigen.
Neem arachibutyrofobie. Dat is een angst voor pindakaas, en in het bijzonder dat dat goedje aan je gehemelte blijft plakken. Uiteraard was deze fobie er voor het bestaan van die smeerpasta nog niet. Een beduidend langere geschiedenis kent de ovofobie. Lijders daaraan krijgen de schrik op het lijf als een van hun zintuigen een ei detecteert.
De geur alleen al doet hen kokhalzen. Hun maag draait om van het slechts betrachten van de slijmerige textuur van de ei-inhoud. Het geluid van een eitje dat gekraakt wordt, laat hun lichaam ineenkrimpen van ongemak. Ze kunnen niet in dezelfde ruimte zitten als iemand die met een ei bezig is, of het nou koken of eten is. Raakt een stukje ei ook maar lichtelijk hun bord, dan is al het eten daarop besmet en rijp voor de vuilnisbak. Eieren barsten natuurlijk van de goede bedoelingen, maar bij lijders aan een eierfobie leiden ze enkel tot walging, paniek, misselijkheid, hyperventilatie en een aanzienlijke afname van de levensvreugde.
Het verhaal gaat dat Alfred Hitchcock behept was met ovofobie. Hij vond kleur en structuur van bloed te verkiezen boven die van eierstruif. ‘Blood is jolly, red. But egg yolk is yellow, revolting. I’ve never tasted it,’ zijn dikwijls geciteerde woorden van hem. (Het bloed van Anthony Perkins, de ster uit Psycho (1960), zal hij hier waarschijnlijk niet specifiek bedoeld hebben.) Nu was hij duidelijk in de gelegenheid om deze uitspraak te doen, maar wat was zijn motief? Eierfobie komt weleens voort uit angst voor kippen (alektorofobie) of vogels in het algemeen (ornithofobie). Alfreds achternaam (vooral het cock-gedeelte) zou hier voor mensen die waarschijnlijk ook dingen als complottheorieën als hobby hebben als een clue kunnen worden gezien. Maar de gevederde eierproducenten maakten Hitchcock niet van slag, anders had hij nooit de film The Birds (1963) kunnen maken – al zijn het daar toevallig wel de vogels die de horror veroorzaken.
Nee, de kans is groot dat onze Alfred in zijn vroege jeugd negatieve ervaringen met eieren heeft gehad. Mogelijk kon kleine Alfred de suspense niet aan van wat er in zo’n ei zou zitten. Of was hij misschien gepest door een oom dat er prematuur een kuikentje was vermoord om de soufflé die op tafel stond te kunnen maken? De kindertijd is meer dan eens de bron van angststoornissen. Kijk bijvoorbeeld naar de stephenkingfobie van mijn broer. Als peuter struikelde hij over een van Stephens boeken. En als hij sindsdien een van die verhalen leest, gaat zijn hart paniekerig tekeer. Zelfs middelmatige tot ronduit slechte filmadaptaties leveren bij hem schrikreacties op. Tja, dat is allemaal zonder twijfel bijzonder vervelend en zulks, maar elke fobie is natuurlijk nog altijd te verkiezen boven de ziekelijke angst om je huisarts tegen te spreken.

Ei-eigenschappen #21

Voor taoïsten kan het elke dag een feestdag zijn, gewoon omdat bijvoorbeeld het ontbijt adequaat verloopt, maar World Egg Day (sinds 1996) is het nochtans echt maar één keer per jaar, en wel op de tweede vrijdag van oktober, precies een dag na World Chicken Day (tenzij 1 oktober op een vrijdag valt). Dus de viering van de kip komt vóór de viering van het ei (tenzij 1 oktober dus op een vrijdag valt), al komt laatstgenoemde niettemin (de meeste jaren) ook weer 364 dagen vóór eerstgenoemde. Je zou verwachten dat World Salt Day ergens vlak voor die tweede vrijdag in oktober valt – want wat moet je anders op je eitje gooien –, maar die feestdag bestaat gek genoeg (nog) niet. In de moderne cuisine is een maaltijd zonder zout feitelijk ondenkbaar. Een dag geen kip of een dag geen ei zal niemand een tocht naar de straat laten maken om een potje te protesteren van heb ik jou daar. Maar zout hoort toch zeker, hoe je het ook wendt of keert, bij de dagelijkse behoefte van de mens anno nu. Zelfs stugge antikoks bepalen zelf aan de eettafel nog het zoutgehalte van hun voedsel. En dan krijgt zo’n ingrediënt niet eens een eigen dag! Een cabaretier van het niveau van Youp van ’t Hek zou zeggen dat dat te flauw voor woorden is. Maar goed, we zijn hier niet voor het zout, we zijn hier voor het ei. Voor het ei is het leuk om een dag eens flink in het warmtebronnetje te worden gezet. Dat gunnen we hem van harte. Op de eerste vrijdag van oktober hoeft het ei nog maar zeven nachtjes slapen te turven! Want op Wereldeierdag is het bal. Dat weet een kip zelfs. Op heel veel bewoonbare plekken op de wereld worden er dan gezellige festiviteiten georganiseerd. Bij de mondiale eierpelwedstrijden wordt bijvoorbeeld altijd veel geld verdiend, maar het kan ook origineler. Zo zette vorig jaar een groep hindoes uit Goa die in hun vorige leven productieve legkippen waren geweest een touwtrekpartijtje op touw met een aantal vrienden die in hun volgende leven legkippen zullen worden. Om de agressiviteit uit de activiteit te halen kozen ze ervoor om in plaats van één touw twee touwen te gebruiken en elk team zelf te laten beslissen of ze wel of niet aan het hun toegewezen touw wilden trekken. Het jaar daarvoor deden ze het met een stok en het stokje werd toen doorgegeven aan Brazilië.
Maar ook in Nederland is men van de partij op Wereldeierdag. In Amsterdam maken vrouwen op deze dag traditiegetrouw het eiersaladerecept van hun moeder, en hun echtgenoten zeggen dan dat het lekker is. En op de Technische Universiteit Eindhoven bewerkstelligden ze speciaal voor de feestdag een koude fusie van drie eieren. Een verhoging vervolgens van de temperatuur zorgde ervoor dat ze, na toevoeging van eiwitten en vetten uit melk, die dag nog voor de lunch hun resultaten konden presenteren.
Het leidt geen twijfel dat alle jolijt van Wereldeierdag zijn navolging heeft gehad. Een bekende restaurantketen heeft een aantal jaar geleden Wereldeetdag ingevoerd. Dit feest wordt gevierd op elke dag na gisteren. Eieren zijn wat dat betreft pretentielozer en willen niet dat het domweg dagelijks Wereldeierdag is. Geen van ons zou eveneens willen dat iedere dag helemaal in het teken van ieder van ons zou staan. En daarom moeten we het ei ook zijn bescheidenheid gunnen, want Confucius zei niet voor niets: ‘Behandel anderen en eieren zoals je door hen behandeld zou willen worden.’

Ei-eigenschappen #20

Een bevriend astrofysicus zei me eens dat het kapotvallen van een gigantisch ei het geluid van de oerknal beter benadert dan het dichtslaan van een paperback met ruim tweehonderd pagina’s. Ik las in een dergelijke situatie een kleine stilte in, maar ik ga daarna niet discussiëren met zo’n jongen. Tijdens zijn studie heeft hij vast veel lessen over symboliek mee moeten maken, denk ik dan.
In alle culturen, op alle plekken van de wereld, in heel de gekende geschiedenis van ons stervelingen wordt het ei als symbool voor leven gezien. Veel fantasie is er niet voor nodig om aan te voelen waarom onze medemensen deze connectie altijd hebben gelegd, en een commentaar van iemand als Roland Barthes kan hier dan ook verder gemist worden. Sterker nog, de betreffende koppeling ligt zelfs heel erg voor de hand. Onze voorvaderen bemerkten dat van een of andere diersoort de jonge aanwas uit een ei kroop en toen kwamen ze blijkbaar op de o zo geniale gedachte om dat ei als zinnebeeld van nieuw leven in het leven te roepen. Erg veel appel op metaforen wordt daar niet gedaan, zeg maar. Het ei (mits bevrucht) ís nieuw leven, immers. Zo kan moedermelk zonder veel denkwerk gezien worden als symbool voor babyvoeding, maar moedermelk ís natuurlijk ook gewoon babyvoeding.
Waarschijnlijk viel de buurman van de oermens dit eveneens op, en daarom is, als je het mij vraagt, indertijd de symboliek van het ei wat breder getrokken. Zo ontstonden de scheppingsmythen; het ei is de prima materia waaruit de kosmos ontstaat, de chaos waaruit de wereld stapt. Alles heeft z’n eisprong, zou men kunnen zeggen. Het ei is niets minder dan de omschaalde onbedorvenheid waarin het geheim van al het leven verborgen ligt, een kant-en-klaarpakket waar alleen nog maar warmte aan toegevoegd hoeft te worden.
Er zijn vertelsels waarin de dooier als de zon, of prelude ervan, wordt gezien. Drie keer raden wie van Ptolemaeus en Copernicus die ’s avonds voor het slapen gaan in bed door moederlief kreeg voorgelezen. Allemaal leuk en aardig, maar sommige scheppingsverhalen vleien met de overdaad en laten min of meer recursief het ei herhaald uit de oeroceaan verschijnen om de wereld ten toon te spreiden. In tijden van verveling zou je je dan af kunnen vragen wat er nou eerder was, de oerbrij of het ei. Naar mijn smaak is daar in ieder geval een plank getoverd die van begin tot eind wordt misgeslagen. (En welbeschouwd valt het jaarlijkse terugkeren van het paasei en de daaraan gekoppelde wederopstanding ook onder deze categorie.) Hoe dan ook, het ei trekt lijnen naar begrippen als volmaaktheid, puurheid en vruchtbaarheid, en de brug van het ontstaan van het al naar de vrouw in haar moederrol is daarom kort maar stabiel. En als je door je wimpers kijkt zie je dat het ei zich schuilhoudt in de heilige, vrouwelijke geometrie van de vesica piscis. Hier huist de levensenergie, het oerprincipe. Hier is de essentie van de scheppingskracht in zuiverste vorm al aanwezig.
Non sequitur, de psychologie is zoals men weet ook niet vies van symboliek. In dit tijdverdrijf is het ei een representatie voor de diepste kern van het individu, het zelf. Als je droomt van een ei betekent dat waarschijnlijk dat er zich een nieuw potentieel in je aan het ontwikkelen is, dat je op weg bent naar de verwezenlijking van een optimalere jij; of je hebt honger. En, tja, freudianen zien het ei, zoals alles, als een penis.

Ei-eigenschappen #19

Tijdens mijn militaire dienst was ik, door het lot voortkomende uit een zekere statistiekinterpretatie, gelegerd in Kaliningrad, en om de vijand in eventuele correspondentie naar onze innig geliefden te slim af te zijn kregen we onevenredig veel onderwijs in de Engelse taal. Nou ja, taal, onze docent vond vooral spelling van belang, terwijl spelling juist zo’n truc van de elite is om ons af te leiden van zaken die er werkelijk toe doen.
De ei-klank kent men in het Engels niet. De ai-klank wel, en deze kan met meer dan tien verschillende lettercombinaties worden neergepend, waaronder ei. De geschreven ei kan in het Engels met verschillende klanken door ons stemapparaat worden geproduceerd, waaronder de ie, zoals in weird, caffeine, seize. Ook is een e-klank (zoals de eerste en laatste e in Petteflet) mogelijk: heir, their. Of een ee-klank (zoals de beide e’s in wc): eight, neighbour. En meer naar de i of de schwa (stomme e) toe zijn er eveneens voorbeelden: counterfeit, foreign.
Engelstaligen hebben het hier zelf zelfs lastig mee. (En dan heb ik het vanzelfsprekend over Britten. Van Amerikanen kan ik het me niet voorstellen dat ze een verzorgd taalgebruik, schriftelijk in dit geval, belangrijk vinden.) Van Charing Cross Road tot Northumberland Avenue zeggen ze met enig schaamrood op de kaken het niet altijd even helder te vinden wanneer in een woord een ie geschreven moet worden en wanneer een ei. In de woorden leisure en friend is de klank die hier bij de lettercombinaties ei en ie hoort hetzelfde. Maar kinderen op school moeten uiteraard wel fatsoenlijk leren schrijven (lees: spellen), en hier is ruimte voor een ezelsbruggetje ontstaan. De regel is: een i voor een e, behalve na een c. Om die arme kindjes niet eerst Nederlands te laten leren, krijgen zij dit handvat op deze manier aangeboden: i before e, except after c. (En het rijmt dus het is waar, roept men dan wijs.)
Er zijn natuurlijk gevallen waarbij deze spellingsverwarring simpelweg niet voor kan komen, namelijk bij bepaalde voorvoegsels (bijvoorbeeld bij reinvest of deindustrialize) en bij de vorming van bepaalde werkwoorden tot een zelfstandig naamwoord of een tegenwoordig deelwoord (zoals seeing of being), maar op veel andere plaatsen in het schrift heerst hier voor onze Engelstalige vrienden en kennissen blijkbaar nogal wat onduidelijkheid. De in deze kwestie gebruikte vuistregel wordt daarom ook wel als de belangrijkste mnemotechniek van de Engelse spelling gezien. Tegelijkertijd bestaan er volgens sommigen toch te veel uitzonderingen op deze ruggensteun om deze nog werkelijk nut toe te dichten. Zo komt na een c gewoon heel voorspelbaar een ie als het gaat om meervouden van woorden die eindigen op y, zoals agencies of vacancies.
Maar volgens onze docent schreef je als je twijfelde tussen de lettercombo’s ie of ei bij het horen van de ee-klank in ieder geval nooit een ei. Al wordt het woord lingerie maar al te vaak eindigend op die klank uitgesproken, merkte ik op. Oké, dat was dan weer een uitzondering, was de reactie van de docent. En gelukkig konden we dat woord achterwege laten in de brieven aan onze verloofdes, aangezien ze in onze afwezigheid uiteraard ook geen lingerie droegen.
Na mijn diensttijd heb ik overigens in Kaliningrad nooit meer een voet gezet. Ik ben überhaupt niet zo’n reiziger; ooit wilde ik naar Australië om mezelf te gaan zoeken, maar ik kwam mezelf bij de bushalte al tegen.

Ei-eigenschappen #18

Het leggen van een ei is voor kippen net zo natuurlijk als het hebben van een mening voor juristen is. Voor laatstgenoemden worden er echter te pas en te onpas rechtspreekkampioenschappen georganiseerd om hun lusten in dezen te bevredigen, terwijl er voor kippen een equivalent hiervan gewoonweg niet bestaat.
Daarom is het wel zo eerlijk om af en toe de ontstaansgeschiedenis van het kippenei eens wat extra aandacht te geven; zielenpijn hoeft dat in ieder geval niet op te leveren. Allereerst is het goed om te weten dat alleen de geslachtsrijpe vrouwtjeshuishoenders de techniek van het leggen van eieren van deze vogelcategorie beheersen. Voordat het fabricaat echter in de soort van kribbe ligt, omdat er in de herberg weer eens geen plaats is, gaat er nog heel wat aan vooraf. Ja, terwijl zo’n ei van binnen naar buiten wordt gewerkt, wordt het van binnen naar buiten gebouwd; de schaal is dus als laatste aan de beurt. Moderne kippen zijn immers niet gek! Er zijn in de evolutie vast wel kippen geweest die eerst de eierschaal vervaardigden en er daarna achter kwamen dat ze er de bedoelde inhoud niet meer in konden krijgen. (In die tijd kwamen uitgebroede eieren nooit verder dan een baantje in de politiek, maar dit terzijde.) Hoe dan ook, het hedendaagse ei neemt een aanvang als dooier. Dat gebeurt in het zogenaamde ovarium. (En dat is niet een bak waarin met eieren een biotoop wordt nagebootst.)
Het voedingsrijke, de eicel omsluitende en van een vlies omgeven eigeelpapje begint zijn weg door een lange, spiraalvormige buis, waar het kan worden bevrucht om zo het uiteindelijke resultaat van een emotionele waarde te voorzien. Als een soort rolling stone vergaart de dooier in zijn verdere tocht naar buiten een omhulsel van albumine (eiwit). Kippen vinden het namelijk ook nogal fijn om dingen mooi aan te kleden, en als je een ei kookt en dat dan doormidden snijdt, staat de combinatie van geeloranje en wit erg snoezig bij de opmaak van bijvoorbeeld een koude schotel, of gewoon op een broodje, maar dit terzijde.
Vanaf nu wordt het wat gecompliceerd. Aan twee kanten van de dooier, precies tegenover elkaar, vormt zich nu een chalaza (door leken in de eierwereld een streng genoemd). Deze set van chalazae zorgt ervoor dat de dooier tijdens al het gedraai en gedoe keurig in het midden van de eiwitmantel verankerd blijft zitten.
Enfin, je zou verwachten dat er vóór de kalkschaal wordt aangemaakt zout wordt toegevoegd, maar niets is minder waar. Op smaak brengen is zelfs in het gehele proces niet aan de orde. Vooral volume lijkt nu een thema, en als de eiwitlagen voldoende zijn aangewassen, krijgt de omelet in wording twee dunne, stevige vliezen, waarvan die aan de stompe kant wat ruimte laat voor de lucht die het eventuele kuiken wil gebruiken. Wat nu nog rest is die beschermende schaal om het geheel heen, en de kip wendt daar alleen het beste van het beste voor aan: een kristallijne vorm van calciumcarbonaat.
En dan, na een uur of vijfentwintig, kan het ei de wijde wereld ingestuurd worden. Het eventuele embryo ontwikkelt zich in een dag of eenentwintig tot een wezen dat rücksichtslos een eierschaal kapot kan prikken. De broeders en zusters die hij of zij nooit gehad heeft zitten dan waarschijnlijk allang in een taart waar een kers op kan. En de kip? Die schudt wat banaal haar veren en gaat aan de gang om het volgende ei legklaar te maken, maar dit terzijde.

Ei-eigenschappen #17

Volgens de wetten van de aerodynamica zijn eieren met hun te dikke lijven en hun te kleine vleugeltjes – met het blote oog niet eens zichtbaar – eenvoudigweg niet in staat om te vliegen. In de wereld van de kunsten gelden echter andere regels, zodat eieren daar zowel highbrow als lowbrow door de lucht kunnen suizen en zoeven.
Een representatie van een ei geven met de driedimensionale schijn die wij mensen zo leuk vinden is zo makkelijk nog niet. Toen ik met een tekenpotlood uit de voeten wilde kunnen, was de eerste les van mijn leermeester: teken maar een mand met eieren. Keer op keer werd mijn resultaat in de prullenbak geworpen. Een mand met eieren was immers de opdracht, en niet een stel uitgerekte ballen of veel te gladde aardappels. Op den duur werd die eerste les ook de enige les en vond ik het al prima om een enkelvoudige lijn te kunnen tekenen. (Voor mensen die graag opgeven is het leven vaak net als de golfsport: je speelt tegen jezelf.)
Mensen die iets adequaat kunnen afbeelden hebben wel altijd mijn respect gehad. Deze zogeheten kunstenaars zijn zo ongeveer de enige lieden die ik ken die zonder te klagen accepteren dat ze altijd beneden hun niveau moeten werken; wat ze produceren moet immers wel te bevatten blijven voor de leek. Het ei is in dit proces vaak een dankbaar onderwerp geweest. Een paar voorbeelden, te beginnen met Dali: op diens werk Fried Egg on the Plate without the Plate (1932) uit z’n surrealistische episode (1929-’40) is inderdaad geen bord te zien maar wel een gebakken ei (hangende aan een draadje). Ruim drieënhalf decennium later toont het doek Woman with Egg and Arrow (1978) uit z’n klassieke vlaag (1940-’89) een heel ei in een voor de rest gebroken compositie. Lucian Freud kon, in tegenstelling tot Dali, wél een bord schilderen, getuige Four Eggs on a Plate (2002). De kleinzoon van Sigmund weet in Naked Girl with Egg (1981) de aandacht bovendien goed te vestigen op een set spiegeleieren, terwijl de hoeveelheid naakt meisje op het schilderij vele malen die van de eiermassa overtreft; uiteraard speelt de kunstenaar hier tevens met het gegeven dat de eitjes eveneens in adamskostuum poseren. Warhol prutste met eieren in het kleurrijke platte vlak, Schwitters maakte toffe sculpturen over het ei en diens leven. En de lijst is natuurlijk langer.
Vraag je mij naar mijn favoriete ei in een kunstwerk, dan moeten we samen naar The Beanery (1965). Loop je deze helse opgeblazen maquette van Edward Kienholz de eerste keer binnen, dan zul je waarschijnlijk geschokt zijn door de explosie van impulsen en de hele tijd verward raken door het besef dat volmaakte lelijkheid eenzelfde emotie teweegbrengt als volmaakte schoonheid. Pas bij volgende bezoeken vallen je wat details op: de telefoon die ‘out of order’ is, de geur van bier en wat dies meer zij, de krassen op de tafels, de glazige gebakken eieren waar sommige van de tien-over-tienklanten waarschijnlijk heel lang op hebben moeten wachten. Die eieren zijn daar net zo lusteloos aanwezig als degenen die ze besteld hebben, in een ruimte die door de toegevoegde bargeluiden het idee van een tijdsverloop krijgt. Hoe het ook zij, de eieren blijven altijd onaangeroerd en statisch, maar met de magie bedekt waarmee alles, al het onpersoonlijke organische materiaal van het dagelijkse bestaan, elk moment zou kunnen gaan leven, en zelfs heerlijk onbelemmerd vliegen.

Ei-eigenschappen #16

Maar hoeveel eieren mag je dan eigenlijk eten per week? Dat is een vraag die vaak gesteld wordt door mensen die willen weten hoeveel eieren je eigenlijk per week mag eten. En in sommige gevallen is die vraag ook heel makkelijk te beantwoorden. Als je veganist bent, en je neemt die leefstijl serieus, dan is het maximum aantal eieren dat je per week mag verorberen precies nul. Ben je getrouwd met mevrouw A. van D. uit T. dan mag je hooguit één eitje in de zeven dagen eten. En als je behept bent met het fenomeen boulimia nervosa dan maakt het helemaal niet uit hoeveel eieren je eet, als je maar met de twee voorste vingers van je rechterhand in je keel aan jezelf belooft dat je ze stuk voor stuk weer uit zal spugen.
Ik weet van Max Verstappen dat hij, om aan de veilige kant te blijven, nooit meer dan drie eieren per week eet. Aan de andere kant repte Nostradamus in de zestiende eeuw via een van zijn net iets minder toegankelijke kwatrijnen over iemand die met het eten van een half eitje per acht dagen dusdanig slechte bloedwaarden zal bereiken dat de meeste artsen in zijn buurt zich zullen laten omscholen tot financieel dienstverlener om in ieder geval nooit meer iets te hoeven uitleggen.
Nou is proefjes doen met mensen niet overal op de wereld even legaal. Het is daarom ook niet bevreemdend dat er nog geen LD50 (dosis die bij 50% van een populatie tot de dood leidt) voor eieren is vastgesteld. De optimale portie eieren is bijgevolg evenmin bekend. Onderzoekers kunnen vrijwilligers bij dit soort studies af en toe natuurlijk wel tegen het lijf lopen. En zo stond in de maart-editie van 1991 in The New England Journal of Medicine een artikel van gastro-enteroloog Fred Kern, Jr., M.D., getiteld Normal Plasma Cholesterol in an 88-Year-Old Man Who Eats 25 Eggs a Day — Mechanisms of Adaptation. Het betrof een op zichzelf staande casestudie van een enkele persoon, een inmiddels echt wel dode man van toen 88 dus, die blijkbaar dagelijks 25 eieren naar binnen werkte. Interessant was, vond Kern, dat na onderzoek bleek dat de oude man een compleet normale en acceptabele cholesterolspiegel had en dat hij in goede gezondheid verkeerde – geen hartdingetjes, geen diabetes. Psychisch gezien was de grijsaard niet helemaal als jofel te betitelen. Het is immers niet zo dat iedereen wel iemand in de straat heeft wonen die jaar in jaar uit elke dag 25 eieren opknabbelt, naast gewone maaltijden, maar gevaarlijk is de senior daarmee nog niet te noemen. En de ene persoon is de andere uiteraard ook niet. Als Keith Richards hetzelfde zou proberen, zou hij wellicht al na drie weken verstijfd op zijn rug liggen.
Een conclusie van Kerns bevindingen kan wél zijn: elke dag een paar eieren eten hóéft helemaal niet ongezond te zijn.
De gemiddelde dokter volgt echter het liefst het meest risicoloze pad, en bij het stellen van een diagnose zal hij altijd om te beginnen al je slechte gewoonten de schuld geven van je klachten.
Bovendien, als zo’n witjas vraagt hoeveel eieren je per week eet en je zegt 10, dan schrijft hij 20 op. Dus als je wilt dat hij 10 opschrijft, zul je 5 moeten zeggen. Tenzij hij ervan uitgaat dat je hem aan het manipuleren bent. In dat geval zal hij vermoeden dat je 10 bedoelt als je 5 zegt en alsnog dat verdubbelen naar 20. In feite zit je het meest safe als je zegt dat je helemaal nooit eieren eet. In de meeste gevallen zal de dokter dan tussen de 3 en de 7 eieren opschrijven.
Case-mix adjustment heet dat, en er zijn er zelfs die dat als serieus gereedschap zien.