De breekkeizer

Hier niet ver vandaan is het prima wandelen en nadenken onder de lindebomen onder het genot van een pijpje gevuld met bijvoorbeeld die heerlijke tabaksmelange die de dorpsdokter onder de toonbank verkoopt. Vooral op een zomerdag. Zelfs als het zo heet is als in dit verhaal. Geen druppel regen was gedurende vele weken gevallen en sneeuw was ook al in geen tijden meer gespot. Alle vennen in de buurt waren opgedroogd, en de brouwerij deed opvallend goede zaken.
Zoals elke zomer was de burgemeester acht weken op vakantie. De dorpsinbreker maakte van dat gegeven ook ieder jaar dankbaar gebruik door in die periode te kijken wat er zoal in het burgemeestershuis te halen viel. Maar deze zomer was anders. De burgemeester van de naastgelegen gemeente had namelijk besloten eens een jaar niet op vakantie te gaan, en daarom was de dorpsinbreker aldaar genoodzaakt zijn werkterrein wat te verleggen.
En zo gebeurde het dat er op een dag maar liefst twee inbrekers onafhankelijk van elkaar in het burgemeestershuis achter de lindebomen aan het neuzen waren. Ze ontmoetten elkaar in de keuken.
‘Ik zie meteen dat u een vakman bent,’ zei inbreker A, de lokale boef. ‘Echt een professionele koevoet! Het lijkt me een feest om daar lekker mee te wrikken.’
‘Die plunjezak die u daar heeft is anders ook van een fantastische kwaliteit,’ zei inbreker B, de regionale rover. ‘Complimenten, collega!’
Toevallig was de veldwachter, die zoals elk jaar op het huis moest passen, hoewel hij amper door de deur paste, die dag voor de verandering eens in de bijkeuken aan het slapen. Een combinatie van honger en geluid maakte hem wakker.
Toen de veldwachter de keuken binnenkwam, dronken de twee inbrekers snel hun koffie op en renden ze de tuin in. Midden in de tuin stond een kastje, en achter in de tuin stond een muur, een hoge muur. Eroverheen klimmen lukte niet in je eentje.
De veldwachter versperde de vluchtweg het huis in, en hij blies op zijn fluit om versterking.
‘We zijn erbij!’ zei inbreker B, een kruisje slaand. ‘De sigaar van het haasje, de klos van de pisang!’
‘Welnee,’ zei inbreker A, terwijl hij rustig zijn nagels vijlde. ‘We hebben juist geluk. We zijn met z’n tweeën. Als jij me een steuntje geeft, kan ik op de muur klimmen. En als ik dan boven ben, trek ik jou ook omhoog.’
‘Klinkt als een puik plan,’ zei inbreker B, op zijn vingers kijkend of hij zijn nagels binnenkort wellicht moest vijlen, en hij klemde zijn handen ineen om zijn collega een opstapje te geven.
Dankbaar en handig klom inbreker A via inbreker B’s handen, schouders en hoofd boven op de muur. En hij sprong aan de andere kant van de muur op de grond.
‘Hé, en ik dan?’ riep inbreker B. ‘Je zou me toch helpen als ik jou zou helpen?’
‘Tja, ik weet niet hoe het in jouw dorp werkt,’ zei inbreker A, met een lach in zijn stem, terwijl hij zijn pijp stopte met dorpsdoktersmelangetabak en in de schaduw van de lindebomen wegsjokte. ‘Maar hier geldt dat je nooit een dief moet vertrouwen. Zeker niet als hij niet uit de buurt komt.’

De kaaskaner

Zelfs hoofdpersonen uit sprookjes willen soms anoniem blijven, en daarom zal naar de jongen over wie dit verhaal gaat, die eigenlijk Kees heette, met de naam Cees verwezen worden.
Cees was een in sommige opzichten net iets meer dan gemiddelde jongeling, en in andere opzichten net iets mindere, in een tijd waarin kapsels in de mode waren, met echt blauwblauwe luchten en indrukwekkende wolkpartijen, daar waar koeien tussen smalle slootjes graasden, hier niet ver vandaan, waar de dorpskerken de horizon verticaal stippelden.
Cees hield van veel dingen. Hij hield bijvoorbeeld van knopen, de geur van kurk, eekhoorns, kaarsen uitblazen, vissen op zee, zijn moeder, klei, baardgroei, zijn handen boven de dekens houden, en de vorm van berkenbladeren, maar het meest nog hield hij van kaas. En niet alleen vond hij het leuk om kaas in de kast te zetten, hij at het goedje ook graag. Heel graag. Te graag, misschien. Als er ergens een gelegenheid was waar je onbeperkt kaas kon eten, was Cees altijd de eerste en laatste gast. Voor hem was er geen maaltijd zonder kaas, maar ook geen gesprek zonder kaas. Liever dan het halen van adem, at hij kaas.
Als vrienden hem vroegen hoe het met hem ging, dan antwoordde hij altijd zijn mildste vriend het eerst en richtte hij zich tot zijn pittigste vriend als laatst, omdat anders zijn meest recente antwoord zijn eerste zou gaan overheersen.
Hij zei dan (ongeveer): ‘Omdat er kaas op deze wereld is, mag ik mezelf gelukkig prijzen, en derhalve heb ik in ieder geval een reden minder tot klagen.’
Als Cees zijn verjaardag vierde, en dat was elk jaar wel, dan kon je hem het meest blij maken met een groot stuk chaource of een kilo nieheimer, maar ook voor een blokje gouda was hij dan zeker te porren.
Op den duur werd het zijn omgeving allemaal te veel. Altijd maar kaas dit en kaas dat werd vervelend. De wereld bestaat namelijk niet alleen maar uit kaas, maar ook bijvoorbeeld uit stoelen en wenkbrauwen.
Cees’ vrienden wilden hem daarom een keer op zijn nummer zetten, en op een dag dat ze allemaal konden, behalve Frits, maar die kon nooit die periode, omdat hij toen ook net een nieuwe baan had, ontvoerden ze Cees als het ware en namen ze hem, om tien uur in de ochtend, mee naar taveerne De Zoete Hondendarm.
Daar voerden ze hem kaas, aan een stuk door.
Ze dachten met een soort prepsychologische wijsheid dat ze hem van zijn kaasmanie af konden helpen door hem kennis te laten maken met een overvloed eraan.
In de namiddag, het was tussen drie uur en vijf over drie, begon Cees tegen te sputteren.
‘Voor mij geen kaas meer,’ kwam uit zijn mond, met kaas.
Maar de vrienden lieten zich niet kennen, want anders zouden het geen vrienden zijn, maar aan de andere kant waren ze al gekend, want anders zouden het geen vrienden zijn, en ze bleven Cees kaas voeren.
Tot hij op een gegeven moment van zijn stoel viel en het verschijnsel dood aannam. Er werd een dokter bijgehaald, die toevallig het college over de dood niet had gevolgd, maar die wel die diagnose kon stellen.
‘Dat zal hem leren!’ zei een van zijn vrienden.
En iedereen moest lachen. Er werd een nieuw vat aangeslagen, en er werd gedanst en gefeest tot het morgenlicht.

De vis van kennis

In het reliëfrijke landschap tussen de bloemrijke weiden en de welige graslanden, waar de vuursalamander graag in de dikke laag van traag verterende bladeren kruipt, en de talrijke steenvliegen, kokerjuffers en haften op hun hoede zijn voor de grote gele kwikstaart, hier niet ver vandaan, kronkelde ooit nog meer dan nu een prachtige en sprankelende beek, en langs de kant daarvan zaten eens twee jongens te vissen. Om te laten zien dat ze hun activiteit serieus namen en niet lukraak bezig waren met een willekeurige onkuisheid tegenover de natuur hadden ze zelfs hengels bij zich. En ze visten op iets speciaals. Met een simpele kabeljauw of een marlijn namen ze geen genoegen. Nee, ze hadden gehoord – van niemand minder dan een verzekeringsagent – dat in het beekje de Zalm van Kennis moest zwemmen. At je van die vis, dan werd alle informatie van de wereld aan je geopenbaard.
Uiteraard liet die Zalm van Kennis zich niet zomaar vangen. Daarom probeerden onze twee vrienden allerlei werptechnieken uit.
‘De dobber creëert op deze manier een circulaire weerstand tegen de lucht. De druk langs de lijn stijgt en als de druk achter de dobber lager is dan aan de voorkant begint hij te draaien door de lucht die er doorheen stroomt,’ zei een van de jongens tijdens zijn worp, om vergeefs de theorie erachter uit te leggen, en prompt had hij beet.
Het bleek de Zalm van Kennis te zijn. De jongens herkenden het beest meteen. De vis had namelijk een bril op.
‘Eet jij maar als eerste,’ zei de oudste hengelaar quasibeleefd tegen de jongste.
‘Ik? Waarom jij niet?’
‘Omdat ik nog nooit vis gegeten heb. Ik weet niet hoe je die moet kauwen.’
De twee besloten de vis in een holle boom te verstoppen en eerst even in de dichtstbijzijnde bibliotheek een en ander op te zoeken over het eten van vis.
Na een week kwamen ze terug, met een zak rijst en een recept om sushi te maken.
‘Ah, de geur van trimethylamine! Zo ruikt de visboer bij ons in het dorp ook altijd, dus dat is alvast een goed teken,’ zei een van de knullen bij het weer tevoorschijn halen van de zalm.
En nog geen kwartier later waren ze volop aan het smullen van de gemaakte hapjes maki en nigiri. Maar twee moeizame sudokupuzzels later werden ze ineens heel erg ziek allebei. Ze moest overgeven, kotsen, en braken, en ze werden ook nog onwel.
‘Excuses, ik ben heus niet aan het spugen omdat jij zo lelijk bent,’ zei het ene ventje.
‘Ingelijks,’ gaf het andere ventje als respons. ‘Je bent werkelijk onooglijk, en er zijn geen dagen waarop ik niet misselijk word van jouw aanblik, maar dat ik nu mijn maaginhoud aan de buitenlucht toevertrouw heeft daar niets mee te maken, geloof me.’
Ze wisten natuurlijk allebei maar al te goed dat ze beroerd waren geworden van het eten van de Zalm van Kennis. Dingen weten was blijkbaar heel erg slecht voor je, beseften ze.
En zodra ze niet meer scheel keken, schreven ze zich uit bij hun school, verbrandden ze al hun boeken, beloofden ze elkaar plechtig nooit meer iets te willen weten, en maakten ze zich klaar voor een lang en gelukkig leven.

De kist van de goochelfee

Er wreef eens een dromer, die heel graag lommerdhouder – wat je tegenwoordig bankier zou noemen – wilde worden, in zijn ogen. Dromen waren immers bedrog, dus daar was hij goed in. Maar omdat hij een vak had geleerd, werd hij min of meer gedwongen om toch maar scharensliep te worden. Als scharensliep kwam je in die tijd nog bij de mensen thuis. Het was niet zoals nu dat iemand die zijn schaar geslepen wilde hebben eerst op de Akkerstraat buslijn 112 (richting noord) moest pakken om daarna, zeventien haltes verder, uit te stappen op de Pieter Dondersdreef, en dan daar de eerste straat links op nummer 4 je schaar in te leveren. Nee, scharensliep was een avontuurlijk beroep, en op een dag kwam onze held zelfs bij een circus terecht, waarvan de tent was opgesteld hier niet ver vandaan, achter de rietvelden, waar de lucht zo zoet is van de vele braamstruiken.
In een circus viel natuurlijk heel wat te slijpen. De attributen van de messenwerper moesten aan de geldende normen voldoen, het gereedschap van de degenslikker mocht natuurlijk niet te bot zijn, en het brood dat op de plank kwam moest gesneden kunnen worden. Voldoende werk voor een slijper dus, en met zo’n grote klus bleef hij zelfs een paar dagen bij zijn opdrachtgever overnachten. (Op en neer naar huis reizen was geen optie, en in de naburige herberg, De Vergulde Kribbe, was geen plaats meer.)
Nu waren er maar liefst twee circusartiesten die de scharensliep een slaapplek in hun huifkar aanboden: Fylgia de goochelfee, en Odin de raventemmer. Maar de scharensliep werd nogal zenuwachtig van de twee raven. De ene zou de toekomst kunnen voorspellen, en de andere zou de waarheid kunnen herkennen.
‘Ik ga straks de toekomst voorspellen,’ zei raaf nummer een om de haverklap.
‘Ja, dat is waar,’ vulde raaf nummer twee dan elke keer onmiddellijk aan.
Dus koos onze slijper maar voor de woonwagen van de goochelartieste. Fylgia was een tamelijk gedesillusioneerde vrouw die volgens eigen zeggen een echte fee was die wegens gebrek aan werkzaamheden zich maar met een soort magische act bij het circus had gevoegd.
‘Wees welkom in mijn woninkje,’ zei de goochelfee. ‘Je mag van mij doen alsof je thuis bent. Maar kom niet aan die kist daar! Maak onder geen beding die kist open!’
Ze wees naar een kist in de hoek van de woonwagen.
‘Die kist bedoel ik,’ zei ze, ditmaal op strenge toon met bijpassende blik. ‘Blijf auf jeden Fall van die kist af! Ik kan het niet vaak genoeg zeggen.’
De scharensliep knikte, en hij wilde er best gehoor aan geven, maar toen Fylgia de volgende dag haar showtje in de grote tent moest doen, kon hij zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen.
‘Maak de kist niet open! Blijf van de kist af!’ had Fylgia nog gezegd toen ze vertrok.
Maar de scharensliep had zijn plan al gemaakt. Voorzichtig opende hij de kist, die meteen daarop helemaal uit elkaar viel. Een kist timmeren was wat anders dan een schaar slijpen, dus de scharensliep bleef radeloos zitten met de verzameling plankjes. Hameren met een slijpwiel sloeg bovendien als een tang op een varken.
‘Wat had ik nou gezegd?’ zei Fylgia, toen ze haar woonwagen weer binnenkwam. ‘Dat ding is zo gammel als iets.’

De gesolde soldaat

Er was een tijd waarin soldaten geronseld werden op de eerlijkste manier die God geschapen heeft: via een loting. Het soldatenleven bood toen niet per se een gezonde manier om je dagen te slijten, maar gelukkig voor het potentiële kanonnenvoer zocht het leger alleen maar rekruten in dagen van oorlog. En in een van die dagen, toen de kiem van het leven over de dopheide voortrolde, niet ver hier vandaan, werden precies vijfentwintig boerenjongens stuk voor stuk prijswinnaars van zulk een loterij.
Dat er een van die vijfentwintig maar één been had, was geen enkel probleem. Discriminatie behoorde niet tot de karakteristieken van de legerleiding, en bovendien leverde het hebben van ledematen tijdens een oorlog, zo bleek maar al te goed na elke veldslag, absoluut geen voordeel op.
Nou had die eenbenige een oogje op de dochter van de generaal. (Zijn andere oog was normaal.) Maar dat was niet de bedoeling. De liefde was zelfs wederzijds, al had dat er voornamelijk mee te maken dat het meisje behept was met een volledige afwezigheid van het filter kieskeurigheid. Het gevolg was in ieder geval dat de jongen op staande voet naar het front werd gestuurd.
Aan het front raakte de jongeling erg gedesillusioneerd in het intermenselijke contact dat volgens sommige woordenboeken ook wel vriendschap wordt genoemd. Van alle lotgenoten met wie hij een band dacht te hebben opgebouwd, hoorde hij na een paar dagen ineens helemaal niks meer. Toen hij echter door de vijand gevangen werd genomen, kreeg hij alle tijd om met anderen over koetjes, kalfjes en andere landbouwthema’s te converseren.
Maar toch heel erg lang mocht de pret niet duren. Nog voordat de jonge soldaat goed en wel vier keer vijf streepjes op zijn celmuur kon krassen, werd hij door zijn manschappen bevrijd. Enig lichtpuntje in dezen was dat hij niet direct weer naar het front hoefde, maar dat hij voor een evaluatie van zijn krijgsgevangenschap op veilige afstand van het oorlogsgeweld een tijdje mocht labbekakken.
Dat dat niet zonder geheel zonder gevaar was, bleek al snel. De eerste avond al brandde hij zijn lippen aan een veel te hete soep, en hij werd stante pede naar de infirmerie getransporteerd om bij te komen. Hier lieten ze hem per ongeluk iets te lang buiten in de frisse lucht staan, waardoor de felle zon zijn hele gezicht verbrandde.
De legerleiding zag de bui en de vuile was al hangen, en om het juridische getouwtrek een stap voor te zijn boden ze de soldaat een mooie schadevergoeding aan.
Voor de blaasjes op zijn mond gaven ze hem twee vierde dukaat, voor de korsten op zijn gezicht drie zesde dukaat, en voor het kwijtraken van een van zijn benen maar liefst honderd dukaten.
De jongeling hinkte nu op twee gedachten. Dat been miste hij immers al voor hij in het leger ging dienen. Moest hij het goede doen en aangeven dat de compensatie voor zijn afwezige been niet aan de orde was, of moest hij domweg gebruikmaken van de situatie en de restitutie met een strak gezicht accepteren? Het was een gokje, want als men erachter kwam, had hij wellicht geen poot meer om op te staan.
De raadsman van de jongen hakte echter snel de knoop voor hem door door hem te laten zien welk bedrag hij zou gaan factureren, en met al zijn munten goed verdeeld over zijn linker- en rechterbroekzak toog de knul in balans hompelend naar huis.

Achter outer en heerd

In een tijd dat piek en zeis kloekmoedig opgetild werden om de leemgronden te beschermen, daar waar het landschap druk bewilgd werd, hier niet ver vandaan, verloren veel ouders hun kinderen en omgekeerd. Twee kinderen, een meisje en een jongen, in die dagen gemiddeld vijf jaar met een standaarddeviatie van een, hadden het geluk beschut te worden voor het oorlogsgeweld en te worden opgenomen door een gezin uit noordelijkere contreien, ver boven de Maas.
De kinderen waren hun thuisland echter nooit vergeten en toen de jongen zestien was en het meisje veertien, steeg de heimwee hen naar de bol.
‘De normen en waarden in dit godverlaten land hier zijn nog belachelijker dan mijn handschrift,’ zei de jongen op een dag.
‘Inderdaad,’ zei het meisje, diezelfde dag, ‘en je hebt slechts een bierviltje nodig om ze allemaal op te kunnen schrijven.’
De twee smeekten hun pleegouders om hen huiswaarts te laten keren, naar hun echte ouders. Maar ze werden uitgelachen.
‘Hoe kunnen jullie de weg terug vinden?’ kregen ze te horen. ‘Jullie waren destijds te klein om je precies te kunnen herinneren waar jullie woonden.’
‘We hadden een bord op de voordeur, weet ik nog,’ zei de jongen. ‘Met een haard en een altaar erop.’
Maar broer en zus werden enkel ontmoedigd, typisch zuidelijke onzin was het, en daarom besloten ze ’s nachts weg te lopen, vastberaden om hun weg naar huis te vinden. Zo begonnen aan een trektocht van meer dan een jaar, ze liepen, kuierden, wandelden, stiefelden, marcheerden, slenterden, en stapten. En aan iedereen die hun pad kruiste vroegen ze om een betere routebeschrijving naar hun biologische ouders.
Ze doorkruisten rommelig gestreepte weiden, geheimzinnig zilveren akkers, rijke kleurenpaletten van slootjes en graslanden, en boerenerven met waaiers van klanken.
Toen ze op een dag redelijk moedeloos langs een meertje zaten en in het water staarden, zagen ze twee vogels vliegen. Het leek wel of de gevederde beesten ‘Volg ons! Volg ons!’ riepen, maar waarschijnlijk klonk het meer als: ‘Tjoewiet! Tjoewiet!’
Zonder enige geldige reden spraken broer en zus met elkaar af om de fladderaars te volgen. Niet lang daarna, het was een heerlijke zomeravond, nestelden de vogels zich in een berkenboom, terwijl de eerste ster door de takken scheen. Onder de boom ontdekte broer en zus twee kleine graven, van een jongen en een meisje, van gemiddeld vijf jaar oud, en achter de boom zagen ze een hoeve met een nogal verweerd bord op de voordeur. De jongen en het meisje kregen een warm gevoel. Dit moest het zijn!
Snel begaven ze zich naar binnen, waar ze een man en een vrouw bij het haardvuur aantroffen.
‘Mama! Papa!’ riepen de kinderen in koor. ‘Wij zijn het, jullie verloren kinderen! We hebben jullie zo intens gemist, maar na iets van elf volle jaren van kommer, kwel en wat dies meer zij zijn we nu dan eindelijk weer thuis! Kom hier, beminde vader en moeder, en laat ons jullie knuffelen dat het een aard heeft! Hoezee! Hoezee!’
‘Ja, dat komt nou dus echt niet goed uit,’ zei de moeder, onderbroken door gezucht.
‘Weten jullie wel niet hoeveel papierwerk we voor jullie hebben moeten afhandelen?’ zei de vader, met een misnoegde oogopslag. ‘Dat gaan we geenszins nog een keer doen!’

Het appelgeschil (deel 2)

Ook de twee oudste zoons van de boer met slechts drie zoons deden een poging. Ze hadden zelfs iets ingestudeerd.
‘Ach, nu weet ik zeker dat mijn rikketik links zit. Wat bent u appetijtelijk!’ zou de eerste zeggen.
En de net iets jongere zou vleien met: ‘Dag, adembenemende engel, ik had graag een audiëntie bij de dochter van de schout. Kunt u mij vertellen waar ik kan wachten?’
Allebei werden ze afgewezen, onder luid en akelig gelach.
Het was op den duur zo’n talk-of-the-town dat zoon nummer drie van de boer met slechts drie zoons ook maar eens ging kijken. Hij besteeg zijn paard en reed naar de schoutswoning. Het meisje zag hem al van ver aan komen draven. Het licht was daarbij in zijn voordeel. De zon scheen zo op hem dat het leek alsof hij een der kloekste uniformen droeg. Ze moest even gaan verzitten toen ze dat zo gadesloeg, en haar hart pakte inmiddels ook de tussentellen mee.
Vol verwachting voelde ze in alles de spreekwoordelijke prins op het echte paard naderen.
Toen hij op ongeveer dertig meter afstand van haar was, keerde hij echter ineens om en reed hij terug naar waar hij vandaan kwam.
Boos om de verspilde secretie en dergelijke gooide de meid een van de appels naar de jongeman in de hoop zijn arrogante kop te raken. Deze ving die, geheel tegen de bedoeling in, juist heel handig op, met een tamelijk afkammende lach erbij.
Maar een kwartiertje of zo later kwam het stoere heerschap nogmaals aansjokken op zijn paard, en de schoutsdochter leefde weer op.
‘Zou hij me dan toch komen redden uit dit tranendal?’ dacht ze.
Op een afstand van twintig meter maakte hij wederom rechtsomkeer. Als ze armen van twintig meter had gehad, had ze hem nog kunnen grijpen, maar die had ze niet. Uit puur onvermogen gooide ze daarom een appel naar hem, in de hoop dat die een flinke bult op zijn achterhoofd zou achterlaten. Soepel als een twintig uur gecomplimenteerde vrouw werd die appel echter gevangen, met een affronterende lach erbij.
Een half uur later kwam de boerenzoon nog een keer terug voor een herhaling van zetten, maar nu pakte hij de tienmetergrens om om te keren. Bij het vangen van de appel was zijn lach deze keer honend.
‘Hé, alle appels zijn weg!’ zei de schout, toen hij zijn rondje maakte. ‘Wie zijn de gelukkigen?’
Zijn dochter mokte even en vertelde daarna het gebeurde positiever voor haar dan het eigenlijk was. Prompt floot de schout op zijn vingers om het vervoer te regelen om het land af te struinen op zoek naar die ene prinsachtige.
En zoals men altijd slaagt in de laatste winkel waar men komt, kwamen vader en dochter uiteindelijk ook bij de boerderij waar slechts drie zonen woonden. De oudste twee stonden op dat moment buiten een grashalm vast te houden met hun mond.
De dochter zuchtte. Zou ze haar held ooit nog terugzien?
‘Zijn jullie de enige twee jongens hier?’ vroeg de schout.
‘Ja,’ zei de oudste zoon.
‘Ach, we hebben nog een broertje, maar dat is een klungel,’ zei de andere.
De schout beval die jongeling dan toch maar even te halen.
‘Hij is het!’ zei de dochter, toen de derde zoon aan kwam wandelen.
‘Waar zijn de appels, jongen?’ vroeg de schout.
‘Appels? O, die heb ik aan mijn paard gegeven. Ik hoef je stomme baantje en je vervelende dochter namelijk niet.’

Het appelgeschil (deel 1)

Waar de prachtigste beekdalen het hoogtepunt van het landschap vormen, hier niet ver vandaan, gebeurden eens, lang geleden, erg lang geleden zelfs, maar wel ná het ontstaan van de moderne mens, veel dingen tegelijk. We beperken ons in dit verhaal tot de verwikkelingen van een schout, zijn dochter, drie appels, een boer met slechts drie zoons, die zoons, en een dier met vier benen.
De boer met slechts drie zoons trok op een dag de conclusie dat er elke nacht fruit uit zijn tuin werd geroofd. Omdat hij wilde weten wie of welk dier hiervoor verantwoordelijk was, liet hij zijn oudste zoon de volgende nacht zijn tuin bewaken. Maar die zoon was veel te bang in het donker en hij bleef de hele nacht onder zijn dekens in zijn tentje liggen, dus toen de volgende ochtend weer fruit miste, kon hij niet vertellen wat er gebeurd was. Bij de tweede zoon was het niet anders. Nu had de boer een probleem. Zijn derde zoon was een dromer. Die zat het liefst de hele dag in het vuur te turen. Om een boodschap kon je die eigenlijk niet sturen. Zelfs als hij ging wandelen liep hij altijd tussen het geijkte en het glooiende pad in. Hij was volgens velen een getroebleerde van het zuiverste water. Maar ja, de boer had al helemaal geen zin om zelf een nacht buiten in de kou te zitten, dus hij gaf de opdracht toch maar aan zoon nummer drie. Die derde zoon was ook angstig in het donker, maar hij had eveneens een zwakke blaas, en toen hij ergens in de nacht even de tent uit moest om te gaan plassen, zag hij een paard dat vrolijk van het zoete fruit in de tuin aan het smikkelen was. De jongen ving het paard en besloot het te houden, maar wel stiekem, want een paard was een duur bezit in die tijd, en hij wilde niet dat het beest zou worden afgepakt door een van zijn gemene oudere broers. Voedsel voor de viervoeter zou hij van de buren jatten, en daarmee was de kwestie van het gestolen fruit uit eigen tuin opgelost. De boer nam er genoegen mee. Vanaf die dag bleef de tuin immers onverstoord. En waarom vragen stellen dan?
Iets verderop woonde de schout. Hij werd wat ouder en zocht een opvolger. Tevens vond hij het tijd worden dat zijn dochter eens ging trouwen. Slim als hij was besloot hij de twee taken te verenigen. Dus zette hij zijn dochter in de etalage. Uit de gegadigden zou de dochter dan als eerste schifting drie kandidaten kiezen met het uitdelen van drie uitheemse appels (van een exotische plantage van de schout). Het tweede deel van het sollicitatieproces zou daarna door de schout uitgevoerd worden door middel van een onvriendelijk gesprek.
Van heinde en verre kwamen jongelingen op het baantje af. Schout was een topbaan in die tijd. Niet alleen hoefde je dan niks te doen, maar je hoefde er tevens niks voor te weten en te kunnen. Het was daarom niet gek dat het aanbod groter was dan de vraag. Maar de schoutsdochter was nogal maltentig. Zij wilde een man die knap én attent was. (Zelf was ze heel spontaan, vond ze.)
Rijen vrijers in potentie werden door haar afgewezen. Stoeten van mogelijke vaders wees zij de deur; de een had te lange vingers, een ander had al een vriend. Woorden als ‘Geef mij een van uw vruchten en ik zal u mijn leven geven’ raakten haar niet. De o zo exotische appels kwamen immers van een verre plantage en konden dus niet zomaar gelijkgesteld worden aan het leventje van een of andere makelaar of heksenjager in opleiding.

De varkensprins

Daar waar eekhoorns dooreen van tak naar tak huppelen, en dan iets verder doorlopen, tot ongeveer halverwege de horizon, hier niet ver vandaan, leefde eens een meisje dat met een prins wilde trouwen. Maar prinsen zelf willen natuurlijk helemaal niet trouwen. Toen wilden ze dat niet, en nu nog steeds niet. Dat was ongeveer het eerste voorrecht dat prinsen zichzelf toe-eigenden. Want als je altijd en overal gratis fastfood kan eten, waarom zou je dan een abonnement op bijvoorbeeld Burger King nemen?
Maar het trouwlustige meisje gaf niet zomaar op. Ze moest en zou een prins strikken. Daar had ze alles voor over. Alles, maar haar wens om met een prins te trouwen natuurlijk niet. En ze maakte er geen half werk van. Zo las ze onder andere ieder boek dat in de bibliotheek over prinsen te vinden was. En ook kranten en andere periodieken pluisde ze altijd helemaal door om verhalen te vinden over jongemannen met die voor haar zo aantrekkelijke adellijke dan wel vorstelijke titel.
Via via hoorde ze op een dag over een prins die een draak had verslagen en door een heks in een varken was getransformeerd. Alleen de liefde van een verse maagd zou de arme prins nog van zijn betovering kunnen redden. Na een jaar huwelijk vol toewijding zou het varken plotsklaps weer veranderen in een jonge, knappe, gespierde, door draken gevreesde en tienen op school halende prins.
Nou, dat zag de meid wel zitten. Ze trok een paar makkelijke stoute schoenen aan, en ze ging op pad.
Onderweg vroeg ze aan elk varken dat ze tegenkwam: ‘Vertel eens over die draak!’
Als het bewuste varken zou reageren op een verwarde manier, dat hij niet zou weten welke draak ze überhaupt bedoelde, dan wist ze dat dat varken niet de betoverde prins kon zijn, maar als het beest een stoer overwinningsverhaal liet horen, dan wist ze dat het raak was.
Acht krulstaarten later was het zo ver. Het verslag dat het varken deed was zo spannend en liet de draak met zo veel eer gedood worden, dat het niet anders kon dan dat het hier om de betoverde prins ging.
Ze trouwden en gaven een ongeëvenaard groot feest in taveerne Het Bolle Veenlyck voor al hun evenhoevige en tienvingerige vrienden.
Na een jaar had de prins nog steeds alle kenmerken van een varken, zoals een voorliefde voor het spelen in een mengel van zand en water. En steeds vaker als de inmiddels niet meer zo heel erg maagdelijke meid naar haar echtgenoot keek met zijn neus voor truffels, besefte ze dat zij toch echt geen truffel was en ook nooit zou worden. Dat hij ’s nachts snurkte, kon ze nog wel verdragen, maar het lukte haar naar verloop van tijd niet meer om dat geknor overdag van hem nog te verkroppen.
Het was evenwel een kwestie van afwachten, wist ze. En omdat zowel zij als haar wiskundeleraar niet goed in rekenen was, dacht ze dat ze zich misschien vergist had tijdens het tellen van de dagen, dus ze besloot het nog even aan te kijken, maar na een paar weken vroeg ze toch eens aan haar manlief: ‘Maar je zou toch in een prins veranderen?’
‘Nee, dat is mijn broer,’ antwoordde het varken, en hij ging vrolijk door met het eten van alle voedingsmiddelen in huis die eigenlijk niet meer goed waren.

Het bosbuitenbeenblok

Hier niet ver vandaan stonden eens zo veel bomen bij elkaar dat ze door de mensen die in de omgeving woonden een bos werden genoemd. Goede raad was duur in die tijd, maar als je hooguit middelmatige raad wilde dan kon je dat gratis krijgen van een oude man die in dat bos, dat volgens sommige bewegwijzering ook ‘het betoverde bos’ heette, op weekdagen woonde, en wel naast een fontein.
Op een goede vrijdag trok een boerenzoon naar het bos omdat hij zich tamelijk onbeduidend wilde laten adviseren. Zijn plan was het namelijk om zelf ook een bos te beginnen, maar hij wist niet hoeveel bomen hij daarvoor nodig had.
Precies halverwege het bos kwam hij een zonderling tegen.
‘Dit is toch het betoverde bos?’ vroeg de boerenzoon aan de zonderling.
‘Betoverde bos? Nee, hoor,’ zei de zonderling, terwijl hij met zijn linkerhand een paar klitten uit zijn lange, grijze baard probeerde te halen en met zijn rechterhand tegen een niet per se daarvoor geschikte eikenboom leunde. ‘Hoe kom je daarbij?’
‘Dat stond te lezen op dat bord daar bij het begin van het bos.’
‘Nee, er staat BEUKENBOS.’
‘Nou, dan heb je een belabberd handschrift.’
‘Weet ik. Vroeger ben ik er veel om gepest.’
‘Maar je bent toch wel Merlijn, hè?’
‘Merlijn? Nee, ik ben Antoine. Mijn denkbeeldige vrienden noemen me Twan.’
‘O, dan zoek ik verder. Die Merlijn moet hier namelijk ergens wonen.’
‘Hier woont verder niemand, hoor. En ik ken ook geen Merlijn. Van wie heb je die informatie?’
‘Van die hovenier met dat rare accent die in het dorp hier verderop woont.’
‘Van der Steen? Maar die is ook niet te verstaan. Ik dacht ooit een heel gesprek lang dat hij het over drie buxusscharen had, maar hij bedoelde er maar twee. Zo onduidelijk praat die vent.’
‘Nou, waarschijnlijk moet ik dan toch bij jou zijn. Ik heb namelijk raad nodig.’
‘Mag ik raden waarvoor?’
‘Ga je gang.’
‘Je hebt raad nodig omdat je iets wilt weten. Is dat het?’
‘In één keer goed! Hoe doe je dat?’
‘Geen idee. Het is een gave denk ik.’
‘Een keigave zelfs! Maar nu mijn vraag: hoeveel bomen heb je nodig voor een bos?’
‘Da’s een makkelijke. Het minimale aantal bomen dat je nodig heb voor een bos is precies één meer dan je denkt, omdat je namelijk altijd één boom moet kappen om bordjes van te maken met de naam van het bos erop.’
‘Helder! Ik ben blij dat ik gekomen ben.’
‘Graag gedaan.’
‘Mag ik zo onbeleefd zijn om te vragen wat eigenlijk de bedoeling is van die fontein midden in het bos?’
‘Ach, dat was een hype. Een paar jaar geleden wilde iedereen er een. Maar ja, als je een hype niet goed bijhoudt, dan wordt het vanzelf een fontein.’
Inmiddels verstrooiden stofdeeltjes in de lucht het zonlicht al aardig, en het azuur van de hemel begon zichtbaar plaats te maken voor verschillende roodtinten. Van alles wat de boerenzoon geleerd had, was hij een flink stuk gegroeid, en hij verliet het bos lang en gelukkig.