De middernachtstudent

Daar waar geen bergen zijn, ook nooit waren, zelfs niet drie, waarvan op de buitenste twee van een afstand (maar niet van dichtbij) een soort olifantsmensen lijken te wonen, hier niet ver vandaan, kruiste ooit een student, gespecialiseerd in de middernacht en zojuist voor ruim negentig procent genezen van een tamelijk onaangename buikloop, het pad van een bijzonder hoopvol afwachtend uitziend en toch nonchalant, haast slordig huppelend meisje.
‘Zo zo, jongedame,’ sprak de student, met zijn potlood tussen zijn vingers draaiend, ‘u ziet er nogal verwachtingsvol uit.’
‘Wat opmerkzaam van u,’ zei het meisje haast kirrend, en ze begon een lang en redelijk saai verhaal over waarom ze zo opgewonden en dwepend met haar toekomst bezig was.
Ze vertelde over haar twee aanbidders, buurjongens waren het vroeger, die beiden op pad waren om haar hart te veroveren. Ze hield namelijk van allebei precies evenveel (afgerond op twee decimalen), en ze kon dus niet tussen de twee kiezen. En daarom had ze een taak bedacht voor het duo. Ooit had ze een verhaal gehoord over een land ver weg waar een zijden bloem zou groeien die door een onredelijke tovenares bewaakt zou worden. Het leek het meisje een romantisch idee dat de twee aanbidders die zijden bloem voor haar zouden proberen te plukken. En degene die zou slagen in de queeste, degene die terug zou keren met de zijden bloem, die zou ze dan als echtgenoot aanvaarden. (Dan moest diegene bovendien levend zijn, want met een dode ging ze niet trouwen. Dat laatste had ze niet vooraf tegen de twee jongens gezegd, want dat leek haar immers evident.)
Gapen onderdrukkend en haar rondingen bestuderend hoorde de student het verhaal van het geestdriftige meisje aan.
‘Maar dat is vroeg of laat voor beide buurjongens oneerlijk,’ zei de student, met dansende wenkbrauwen, toen het meisje eindelijk haar mond hield. ‘Dat levert gegarandeerd ruzie op. En daarom kun je beter met mij meegaan. Ik ben bovendien in het bezit van een aantal bergen die van goud zijn. Echt waar. Ik lieg niet!’
‘Oké,’ zei het meisje, en samen zochten ze het hoge gras op.
Ondertussen waren de twee aanbidders druk in de weer met het klimmen uit ravijnen en het zich verstaanbaar maken aan tovenaressen die hun taal niet spraken, maar na wat initiële misverstanden bleek het bemachtigen van een zijden bloem helemaal niet zo moeilijk te zijn. Niet alleen hadden ze er allebei eentje weten te vinden, ze hadden er zelfs een hele zak van meegenomen om later te kunnen verkopen aan wat luiere jongelingen die toch niet te omslachtig die en die wilden strikken voor een zo goed als risicoloos huwelijkje.
Toen ze bijna thuis waren, hoorden ze ineens vanuit het hoge gras: ‘Hallo, jongens! Leuk dat jullie er weer zijn.’
En ze zagen hun geliefde en de student, die voor hen uiteraard onbekend was, ongekamd maar stralend uit het groen komen.
‘Het spijt me heel erg,’ zei het meisje, ‘maar ik heb me bedacht. Ik heb al een man gevonden. Hij staat hier naast me. We gaan deze week nog trouwen, schat ik zo in.’
‘Nou, trouwen was niet echt mijn bedoeling,’ zei de student. ‘Met behulp van de zogenaamde leugenaarsmethode heb ik nu al gekregen wat ik wilde. Ga jullie gang dus, jongens, en verover haar hart. Tabee!’
En de student ging verder aan de studie, zoals het hoort.

De man uit de mist

Waar de leeuweriken de vlinders en kevers lachend tegemoet vliegen, hier niet ver vandaan, tussen de grote open velden met de geuren die op het hongergevoel werken, waar de vertrapte paden de natte sloten vergezellen, liggen de vennen waarvan met zegt dat daar vele manen geleden een man opdoemde elke keer als de mist als een dikke deken over de hele streek lag, meestal in de herfst, de tijd van de lange en donkere nachten. Dat gebeurde één keer per jaar, hooguit twee keer, en niemand had er eigenlijk last van, behalve de burgemeester dan. De man uit de mist liep namelijk altijd regelrecht naar het huis van de burgervader en hij bonsde dan heel hard op de voordeur.
‘Burgemeester, bent u klaar met werken? Heeft u al uw taken tot een goed einde gebracht?’ riep de mistman dan heel hard, met donkere, scherpe stem.
Al vele burgemeesters ging dat zo, en allemaal reageerden ze op dezelfde manier: ze kropen in de hoek achter de kapstok en hielden zich muisstil.
De mysterieuze man uit de mist nam echter geen genoegen met een simpel uitblijven van een antwoord. Hij liep steevast rond het huis en klopte op alle ramen en deuren, zelfs op de eerste etage.
‘Burgemeester, ik weet dat u thuis bent!’ riep hij dan, bijna krakend. ‘Laat u horen! Geef me antwoord! Bent u klaar met al uw taken? Is uw werk gedaan?’
De verschillende burgemeesters lieten zich hierdoor nochtans niet uit het veld slaan! Stoer en vastberaden bleven ze in de hoek achter de kapstok zitten, wachtend tot het gevaar geweken zou zijn.
In de dorpskroeg werd er weleens geginnegapt als er mist opkwam.
‘D’n burgemister mist d’n mist nie, nee,’ lachten ze dan, bijvoorbeeld, maar bij die weersomstandigheid kwam toch iedereen wat voorzichtiger uit de kroeg naar buiten. En dat was niet voor niets. Frits was namelijk door de mist een keer tegen een lamp gelopen, Leo liep in diezelfde mist tegen Frits op, en Geurt, die toch redelijk goed tegen een slok kon, was in dat vage weer tegen flink wat problemen aangelopen, terwijl hij toen zelfs al thuis was!
Al generaties had de man uit de mist met de mist die eromheen hing het dorp goed in bedwang. Je wilde die engerd niet graag tegenkomen. De ergste dingen konden er dan met je gebeuren immers! En vooral burgemeesters voelden die dreiging. Het dorp had er al heel wat versleten door de jaren heen. Een beetje burgemeester hield het nog geen drie jaar uit op zijn post. Er waren zelfs burgemeesters geweest die zich al binnen een jaar en ruim voor de mistige dagen weg hadden laten promoveren. Het waren huiveringwekkende tijden. Op den duur wilde niemand met een air meer burgemeester zijn in het dorp. En daarom besloot een jonge boerenzoon, Jan genaamd, zich kandidaat te stellen. Jan werd spoorslags en zonder morren aangenomen, en op de eerste dag van zijn aanstelling al was het zo mistig dat je niet eens je eigen oogleden kon zien.
‘Burgemeester, bent u klaar met werken? Heeft u al uw taken tot een goed einde gebracht?’ hoorde hij, gepaard gaande met een luid gebons op de voordeur.
Jan zette zich schrap, en met zijn ogen stijf dicht antwoordde hij: ‘Ja, ik ben helemaal klaar vandaag.’
‘Jammer, ik had vandaag net tijd om mee te helpen,’ klonk de stem buiten.

Het varken, de boer en de slager

In die dagen dat het vaak nacht was, lag tussen de honinggrijze akkers en de bijrode beemden, tussen de kaarsgele graslanden en de olijfpaarse greidgronden, hier niet ver vandaan, tussen de groenblauwe meenten en de blauwgroene weides, en tussen allerlei andere, kleurige landerijen de boerderij van een tamelijk door daltonisme geplaagde boer.
Deze boer had een fraai, goedlopend bedrijf, al heel wat jaren, met verschillende groenten en fruit, maar ook met kippen en varkens, en er was eigenlijk nooit echt iets aan de hand, tot hij op een zekere dag tot zijn grote verbazing een mondig varken in een van zijn stallen ontdekte.
‘Goedemiddag, meneer de boer,’ zei het varken, toen de boer langsliep, en het was ook inderdaad middag, bijna kwart over twee, om precies te zijn. ‘Mooi weertje, niet?’
De boer schrok, al werd hij er geen hoedje van. Zeker was hij danig onder de indruk van het mondige varken. Zelf had hij er nog nooit een meegemaakt. Wel veel over gehoord; zijn oom Leo had ooit een mondig varken, met alle gevolgen van dien.
‘Goedemiddag, varken,’ zei de boer voorzichtig terug. ‘Voor de tijd van het jaar is het lekker mild, ja.’
‘Inderdaad,’ zei het varken, ‘en wat een leuke koetjes en kalfjes heeft u trouwens. Maar ik wilde u vragen waarom ik hier opgesloten zit en niet vrij in de natuur aan het rondlopen ben.’
De boer was allang blij dat het beest hem niet had gevraagd om iets te strikken, en hij nam, zogenaamd druk in de weer, even rustig de tijd om een goed en sluitend antwoord te formuleren.
‘Dat komt door de consument,’ zei hij. ‘De consument wil jou straks opeten. En daarom ben ik jou aan het kweken, zeg maar.’
Het varken begreep dat de boer in feite geen blaam trof, en hij zou zich weer melden als hij nog een vraag had. Het liefst wilde het varken de consument zelf iets vragen, maar die zou hij later nog wel tegenkomen, meende hij.
Toen brak de dag aan dat het varken geslacht zou worden.
‘Tja, ik breng je nu naar de slager,’ zei de boer nuchter en monotoon. ‘Zelf ga ik je natuurlijk niet slachten. Zo ben ik niet.’
‘Dat vind ik fideel van je,’ zei het varken redelijk opgelucht.
Tijdens de reis zongen de boer en het varken een paar vrolijke, ietwat schunnige liedjes, en bij het afscheid namen ze nog snel even samen al hun leuke gedeelde herinneringen door.
De krulstaart liep daarna het slachthuis in, maar vlak voor de slager bleef hij star staan.
‘Waarom ga je me eigenlijk slachten?’ vroeg het dier.
‘Luister, ik heb je niet hierheen gebracht,’ zei de slager. ‘Ik doe simpelweg mijn werk, en als meneer de boer jou gewoon vrij had gelaten, zou jij nooit onderdeel van mijn arbeidshandelingen zijn geweest.’
‘Helder,’ zei het varken. ‘jou valt in dezen dus net als de boer niets te verwijten.’
‘Bovendien wil de consument jou opeten,’ ging de slager verder, ‘en dat is uiteraard sowieso mijn schuld niet.’
Dat was al de tweede keer dat het varken over die consument hoorde, en het maakte hem dubbel nieuwsgierig. Het varken wilde met die bewuste consument best eens een hartig woordje spreken, en als spreken onmogelijk was, dan in ieder geval iets hartigs uitwisselen.
‘Ach, mijn moeder had nu iets van Doris Day gezongen,’ sprak de big quasi-eigenwijs, en hij leefde nog kort en gelukkig.

Het eiermeisje

Hier niet ver vandaan, waar al eeuwenlang de bossen en moerassen gelardeerd zijn met rietvelden en struwelen, en gevlochten liggen om de graslanden en akkers, zat ooit een edele dame bij de kapper. Ze was flink aan het klagen, de edele dame, zoals dat hoort. Wie haar ook heel goed kon horen was de plaatselijke heks, die toevallig eveneens bij de kapper zat. Zo jammerde en jengelde de edele dame over het feit dat haar man al zo lang van huis was, omdat hij weer ergens oorlogje speelde, en over dat ze nog geen kinderen had maar die eigenlijk heel erg graag wel wilde.
Vooral om van het gezeur af te zijn overhandigde de heks de edele dame een mand met een ei erin.
‘Hier, mevrouw de freule,’ zei de heks, terwijl het haartje op de wrat van haar neus net geknipt werd, ‘hier heb je een mand met een ei erin. Zorg er goed voor en er zal een meisje uit groeien. Bovendien zal er dan uit jou een zoon geboren worden!’
De edele dame had toch niks te doen de hele dag, dus ze maakte er inderdaad maar een ding van om voor het ei te gaan zorgen, en een paar maanden later, jawel hoor, kroop er een meisje uit het ei. En ongeveer tegelijkertijd baarde de edele dame een gezonde zoon. Wat de heks had voorspeld was allemaal uitgekomen. (Blijkbaar was het zo’n heks die brandstapels prima wist te ontwijken, omdat ze die al van mijlenver aan zag komen.)
Toen de edelman terugkeerde van het oorlogje voeren, plunderen en verkrachten, was hij nogal verrast dat hij ineens twee kinderen had, maar omdat hij redelijk wat scholing miste en omdat hij gewoon een aardige vent was, besloot hij de koters zonder morren te accepteren als zijn nageslacht. De jongen en het meisje werden als broer en zus opgevoed in het kasteel, maar toen ze tien jaar waren stierf hun moeder.
De edelman hertrouwde dezelfde dag nog om redenen van ambitie; helaas haatte de stiefmoeder haar twee nieuwe stiefkinderen. Ze moesten op tijd naar bed, ze moesten hun eten opeten, ze moesten hun huiswerk maken, dag en nacht werden de twee lieve kindjes gepest door hun stiefmoeder. Maar gelukkig duurde dat niet lang, want toen de jongen en het meisje twaalf jaar waren werd hun stad veroverd door een vreemde mogendheid en werden hun vader en stiefmoeder vermoord. Zelf wisten de kinderen te ontsnappen, en ze zwierven maar liefst vier jaar door het land voor ze weer terug durfden te keren naar hun geboortestad. In die periode waren de twee erg op elkaar aangewezen en er was een band gegroeid die toch wel verder ging dan die van broer en zus. Het kon niet anders dan dat ze wisten van elkaars gevoelens voor elkaar, maar ze hadden nog niet de moed gehad om eraan toe te geven of erover te praten.
Toen ze, toch hand in hand, door de straten van hun oude stad slenterden, kwamen ze een erg goede fee tegen.
‘Ik ken jullie,’ zei de erg goede fee, en ze vertelde het verhaal over de heks en het ei en dat het meisje eigenlijk een betoverde prinses was uit een naburig land. ‘Jullie zijn helemaal geen echte broer en zus!’
‘O, wat heerlijk!’ riep het meisje. ‘Nu kunnen we dus toch met elkaar trouwen!’
‘Nou, ik dacht het niet,’ zei de jongen, ‘want als we niet echt broer en zus zijn, is de perverse spanning er voor mij helemaal vanaf.’
En hij liet haar hand los en rende weg, zo hard als hij kon.

De leeuwendoder

Waar de berken zigzaggend langs de ongepolijste heide staan, hier niet ver vandaan, waar de lage begroeiing als een huid over het landschap ligt, waar het zand heen en weer waait naar alle plekken die verborgen hadden moeten blijven, maar waar het schitterende groen hier en daar toch elke donkere gedachte verbant, liep eens een leeuw vrolijk en nonchalant rond, en als hij had kunnen zingen dan had hij gezongen.
Maar ineens kwam van achter een struikje een jongeman tevoorschijn die de leeuw greep en met een felle beweging zijn nek omdraaide. Hij schrok er eigenlijk zelf van, de jongeman. Waarom hij het had gedaan wist hij ook niet echt. Het was een soort van opwelling. Wellicht omdat hij uitgelaten was. Omdat hij een heel seizoen hard gewerkt had en op weg was naar taveerne De Hondsgemene Landsverrader om een welverdiende pot bier te gaan drinken. Zin om lang bij het voorval stil te staan had hij daarom niet. En dus liep hij verder. Elke minuut treuzelen betekende immers een minuut langer geen bier.
Een kwartiertje later stapte de jongeman De Hondsgemene Landsverrader binnen. Het was er druk maar stil.
‘Ik heb net maar mooi even een leeuw gedood!’ riep de jongeman trots de stilte in.
‘Ja ja,’ was het meerstemmige antwoord, na wat gelach. ‘Hier! In de buurt! Een leeuw! Maak dat de kat wijs!’
‘Nee, echt waar! Hier verderop, op de hei.’
Er ging wederom een lachsalvo door het lokaal.
‘Had het beest toevallig vinnen en kieuwen en een zilveren glans?’ vroeg een tandeloos en aan de bar gezeten mannetje.
‘Ik ken heus wel het verschil tussen een vis en een leeuw,’ zei onze jongeman wat verbolgen.
‘Leunde het dier misschien op een stok en had het een platte pet op?’ vroeg een ander tandeloos mannetje, dat bij de haard zat.
‘Nee, het was niet oude baas Van Straten!’ zei de jongeman, inmiddels flink geagiteerd. ‘Een leeuw was het, zeg ik jullie. Een leeuw! En ik heb hem met mijn blote handen de kop omgedraaid.’
Toen begon de uitbater van de taveerne, een kerel met vanuit elke hoek gezien een scheef gezicht, zich ermee te bemoeien.
‘Ik wil hier geen gezwets in mijn etablissement,’ zei hij. ‘Dit is een nette tent. Mensen die de boel voor de gek houden, kan ik hier niet gebruiken. Alles wijst erop dat je al genoeg gedronken hebt, jongeman. Het lijkt me beter dat je gaat.’
Met tegenzin verliet onze jongeman de taveerne. Er zat niets anders op, wist hij. Moeilijk doen of smeken zou totaal niets opleveren. Stenen trappend liep hij terug naar huis. Bij het heideveld waar hij de leeuw had gedood probeerde hij tevergeefs de grote katachtige te vinden. Graag had hij nog wat tanden willen trekken als souvenir, om meteen wat bewijslast te hebben, maar de leeuw was nergens meer te bekennen.
Moedeloos wilde de jongeman verder sjokken, toen hij ineens, een meter of vijftig verderop, een giraf zag staan. De jongeman ging voorzichtig bij een paar berken staan en maakte van een aantal twijgen een soort lasso om de langnek te vangen.
Even later liep hij vrolijk met de giraf terug naar de taveerne. Hij parkeerde de rare herkauwer buiten en stormde naar binnen.
‘Jongens, ik heb een giraf gevangen!’ riep hij fier.
‘Wegwezen!’ brulde de waard. ‘En laat je hier nooit meer zien!’

De koboldcadeaus

Hier niet ver vandaan, waar het landschap is getransformeerd door verlangen, waar schoonheid zich niet in laat dammen door een enkel seizoen, waar de slakken zich verwonderen over de bedrijvigheid van de muizen, en de kikkers om en om hun slechtste vogelimitaties ten gehore brengen, waar het zonlicht zacht door dennen en eiken wordt gefilterd, liep eens een brave nietsvermoedende knaap fluitend en met zijn handen in zijn broekzakken door het bos.
Hij had beter op kunnen letten, want opeens stond hij met beide voeten op de ontstoken kleine teen van een brute reus.
‘Dat is nou al de derde keer in acht jaar!’ zei de reus bruut, en hij pakte de knaap op zijn schouder en bracht hem naar de top van een hoge berg vele mijlen verderop.
De knaap stribbelde tegen. Hij moest naar de verjaardag van zijn tante, en hij had dus absoluut geen tijd om eerst van een berg af te dalen en daarna weer helemaal terug te lopen naar waar zijn route werd onderbroken. Maar de reus was onverbiddelijk, wat bij zijn gemene bui goed van pas kwam, en na zijn daad ging hij er overdreven flauw lachend vandoor.
Boven op de bergtop gaf de knaap zichzelf anderhalve minuut om te kniezen. Maar daarna raapte hij zichzelf bij elkaar en begon hij aan zijn terugtocht. Bergafwaarts ging het.
Nog geen honderd meter lager kwam hij vier kobolds tegen: een grote, een middelgrote, een kleine en een met een kromme neus. De schepseltjes stonden om een dood paard heen en waren aan het kibbelen over hoe ze het beest moesten verdelen.
‘Waarom maken jullie er niet eerst gehakt van?’ zei onze knaap bij het passeren van de koboldclub. ‘Daarna heb je in een paar tellen vier paardenporties gemaakt!’
De kobolds waren verrukt met het ongevraagde advies, en als dank gaven ze alle vier een cadeau aan de knaap. De eerste gaf hem een haar van een stier, waarmee zijn kracht groter zou zijn dan de kracht van elke aardbewoner. De tweede gaf hem een veer van een vogel, waarmee hij sneller zou zijn dan elk wezen in het luchtruim. De derde gaf hem een schub van een vis, waarmee hij beter kon zwemmen dan al wat er in het water was. En de vierde gaf hem een poot van een mier, waarmee hij als het moest dwars door de aarde kon graven.
De knaap bedankte de rare kobolds en ging verder op pad. Bij de volgende bocht liep hij de reus tegen het vadsige lijf.
‘Jou zal ik eens een lesje leren!’ zei de knaap. ‘Bereid je voor om huilerig te sterven!’
‘Succes,’ zei de reus uit de hoogte. ‘Want mij pak je niet zomaar. Zwem eerst maar naar de paal aan de andere kant van de oceaan. Raak deze aan en een zwaard zal uit de hemel vallen. Hiermee moet je een glibberige slang doden, waarna een vliegensvlug konijn verschijnt. Snijd de kop van dit konijn af en het zal veranderen in een duif. Vang je deze duif voor ze in de hemel is dan laat ze een ei vallen. In dit ei zit mijn leven! Denk je dat je dat voor elkaar kunt krijgen?’
De reus lachte bulderend, maar de knaap pakte de stierenhaar in zijn vuist en hij sloeg de reus zo hard dat deze op de grond viel en dood bleef liggen.
Daarna liep de knaap terug naar de kobolds, die druk met hun gehaktmolen bezig waren.
‘Hier,’ zei hij, de mierenpoot, de vissenschub en de vogelveer op de grond gooiende, ‘deze had ik niet nodig.’

Het damesdamhert

Waar het landschap inspirerend genoeg is om het expressionistisch te benaderen, hier niet ver vandaan, waar het ruige boerenleven kleeft aan de zanderige bodem, en waar in de verte meestal wel een watermolen zichtbaar is, woonde ooit een jager met zijn drie zoons.
De oudste twee wilden net als hun vader ook fulltimejager worden, maar de jongste voelde daar niks voor.
‘Ik vind het allemaal maar zielig voor die dieren,’ zei hij altijd, met een ietwat zeurderig toontje. ‘Vooral omdat ze geen geld hebben om, net als jagers, wapens te kopen.’
Als zijn oudere broers gingen jagen bleef hij thuis. Eventueel wilde hij daarna zijn neus nog wel laten zien bij de après-chasse, maar meer had hij niet op met de wereld van de jacht.
Op een compleet normale dag, het was een dinsdag en de dag ervoor was het een maandag geweest, gingen de oudste twee broers weer eens op pad om op dieren te schieten. En ze waren nog maar drie uur onderweg toen ze een grote gehoornde hinde tegenkwamen. De vacht van het wonderlijke beest leek te fonkelen van sienna tot kastanjebruin en zelfs af en toe tot olijfgroen, en haar gewei speelde trots met het zonlicht.
‘Dit hert is het neusje van de zalm!’ zei de linkerbroer. ‘Deze trofee is van ons! Hier worden we rijk en beroemd mee, met een gevulde maag zelfs!’
‘Gelijk heb je,’ zei de rechterbroer, ‘maar we moeten de huid niet verkopen voor de beer geschoten is.’
‘Dat is waar. Toch is het logischer om ons eerst met dit hert te bemoeien en die beer voor later te bewaren.’
‘Klopt! Maar ze loopt weg. Erachteraan! Schiet op! En nog niet schieten!’
Betoverd door de fenomenale aanblik achtervolgden de twee jagers het dier, en zo werden ze geleid van de zandgronden in het noorden via de zandgronden in het westen en de zandgronden in het zuiden naar de zandgronden in het oosten. Toen stak er een zandstorm op, en de twee broers werden naar het midden van de windroos gedreven, daar waar ook hun ouderlijk huis stond. Het laatste dat ze meenden te zien, hoe gek en onwezenlijk het ook leek, was dat de hinde hun huis binnenging.
Maar zo gek was het niet, want de jongste broer had inderdaad de hinde in de storm gezien en haar binnengehaald. Snel had hij het hert ook een jurk van zijn moeder aangetrokken, in de hoop dat het dier voor een bekoorlijk juffertje zou worden aangezien door zijn broers.
Even later kwamen de jagermannen binnenstormen.
‘Broertje,’ zeiden ze zwaar ademend en oververhit in koor, ‘heb je hier een hert langs zien komen? Als het goed is kwam het beest door deze deur.’
‘Nee, ik heb niks gezien. Ik zit hier al een tijdje lekker rustig alleen met mijn lieflijke nieuwe verloofde hier.’
De broers keken naar de bewuste verloofde, legden hun geweren aan en schoten het wezen in de witte jurk dood.
‘We hebben je gered, broertje!’ riepen ze enthousiast. ‘Dat wief was nog onooglijker dan de dochter van de slager. Maar we raden je ten zeerste aan om eerst een brillenmaker te bezoeken voor je weer een verloofde uit gaat kiezen.’
De hinde had haar les geleerd. Nooit meer zou ze een jager om de tuin leiden. En ook haar nageslacht heeft zich daar altijd aan gehouden.

De palendroom

Waar al eeuwen wind en zand met het kabbelende water spelen, hier niet ver vandaan, waar tussen onregelmatig gevormde meertjes struikhei, brem en dophei bijna hypnotiserende patronen vormen, waar het meer dan eens stikt van de zeldzame dagvlinders, lag ooit een markies op een zacht bed van mos en onder een lobvormige maan te slapen.
Hij lag daar al sinds die middag rustig te ronken. Ineens was hij weggedommeld, moe van alle zware activiteiten van die dag. Sinds de vroege ochtend was hij namelijk druk in de weer geweest met de jacht op evenhoevige zoogdieren. Hij had er heel wat moeten tellen, waaronder schapen.
Toen de markies een paar uur later wakker werd, met zijn gebruikelijke ochtendslapte, zat zijn entourage zwijgend en ongeduldig om hem heen. Hij was een zeer gewaardeerd man, onze markies, in de groep, omdat iedereen financieel van hem afhankelijk was.
‘Tjongejonge,’ zei de markies, terwijl hij een glas wijn inschonk, ‘wat heb ik een rare droom gehad, zeg. Tjongejonge!’
‘Vertel!’ zei de gek genoeg nogal magere priester uit het gevolg. ‘Wij zijn razend benieuwd met z’n allen.’
‘Nou, tjongejonge, ik droomde dat ik omringd werd door pilaren. Heel veel pilaren. Wel duizend! Grote, dikke pilaren, allemaal helemaal van hout gemaakt. Het leek zo echt. Tjongejonge!’
‘Interessant,’ zei de priester, ‘en deden ze nog iets, die pilaren?’
‘Nee, dat niet. Maar, tjongejonge, die pilaren hadden allemaal de vorm van een pilaar, en aan die pilaren zaten ook weer kleinere pilaren vast, een soort zijpilaren. En aan die zijpilaren zaten vervolgens ook weer zijpilaartjes. Tjongejonge, zoiets komt echt alleen in een droom voor,’ zei de markies, en hij ledigde met een gulzige teug zijn wijnglas.
‘Dat geloof ik ook,’ zei de priester, ‘en ik weet volgens mij zelfs wat de droom betekent.’
‘Tjonge, laat me niet in spanning.’
‘De houten pilaren stellen een kasteel en een stad voor die door u opgericht zullen worden op deze plaats. Deze stad zal de hoofdstad zijn van onze mensen en de woning van hun heersers, en de glorie van hun daden zal over de hele wereld weerklinken.’
‘Een stad? Hier? Tjonge!’
‘Ja. De start van de bouw zal het begin van een nieuwe dynastie inluiden. Een eeuwigdurende dynastie, zoals de cirkelvorm van de houten pilaren aangeeft. Over honderden jaren zullen sportclubs en zangverenigingen zich nog steeds noemen naar de stichter van deze stad. Een grotere roem zal op deze aardbol nooit kunnen bestaan.’
‘Voor ons nageslacht zou dat tjonge een mooi verhaal opleveren om hun romantisch nationalistische gevoel te ondersteunen,’ zei de markies, tussen het slobberen van zijn nieuwe glas wijn door.
‘Uw handelingen en levensloop zullen tot het einde der tijden als voorbeeld dienen voor jong en oud! U zult gezien worden als een ziener. Niet voor niets waren de pilaren uit uw droom van hout, het element van vernieuwing, van ontwikkeling, dat zorgt dat dingen tot leven komen. Dus zal ik de boel voor u in gang zetten?’ zei de priester.
‘Nee, dat is mij te veel gedoe,’ zei de markies tussen gezucht door. ‘Eerst zit je maanden in de rotzooi bij het bouwen van zo’n stad. Bovendien kost het allemaal nogal wat centen, en die geef ik liever uit aan wijn.’

Het slangenmeisje

In een naar lupines en geraniums geurend bos, hier niet ver vandaan, waar de klimplanten elkaar met cascade-effecten af proberen te troeven, waar langs de randen de kreekbedden aan de bodembedekkers een gevoel van beweging geven, waar het landschap moedwillig door het gebruik van veel kleur het effect van een zacht uiterlijk bereikt, werd ooit een pril meisje, Ophidia genaamd, overdonderd en half verleid door een slang in de gedaante van een bohemien. Tenminste, dat zei ze; dat was haar vaste overtuiging.
‘Mama, papa, ik moet trouwen met een slang!’ riep Ophidia op een dag toen ze thuiskwam. ‘Een slang heeft me gedwongen met hem te trouwen! Echt waar, een knappe, stoere slang was het!’
Haar ouders probeerden haar duidelijk te maken dat dat allemaal wel zo’n vaart niet zou lopen, omdat slangen nou eenmaal geen ringvinger hebben en sowieso niet achter het instituut huwelijk staan. Ze stuurden het meisje met een kop hete kamillethee en wat chloroformpotpourri naar haar bed en lieten het daar verder bij.
Lang duurde het echter niet voor Ophidia door een stel slangen werd ontvoerd en naar een onduidelijk slangenrijk vol met slangeninfrastructuur en een invulling daarvan werd gebracht. Hier trouwde ze met de van een zeer gesoigneerd baardje voorziene slangenkoning, en alles in haar leven werd voortaan beslist door slangen. Levenslang, daar zag het eigenlijk wel naar uit.
Echt onaangenaam vond ze het niet, maar na een paar jaar voornamelijk bezig te zijn geweest met het verversen van haar huidcellen wilde Ophidia toch graag een keer op bezoek bij haar ouders en de rest van haar inmiddels best dierbare familie.
De slangenkoning had er nou niet bepaald trek in dat Ophidia een weekend of zo weg zou gaan, maar hij wilde als slang ook niet lullig zijn en daarom wees hij haar verzoek om af te reizen niet meteen af. Drie taken gaf hij Ophidia. Ze moest een pan pakken, ze moest er boter in smelten, en ze moest er een ei in bakken.
Ophidia was geen meisje dat snel opgaf, ze had zelfs ooit een folder van een liberale politieke partij half doorgekeken, en binnen een week had ze alle drie de taken van haar man volbracht. Nu kon ze op weg naar haar moeder en wat er zich verder nog allemaal familie noemde.
Thuis was het gezelligheid troef. Er werd een groot feest gevierd, wel vijf uur lang, en toen vroegen dronken ooms aan Ophidia: ‘Waarom blijf je niet hier, meisje? Je moeder mist je zo. Je vader moet te veel uitleggen. Kunnen we je man niet op een of andere manier een betere bezoekregeling laten goedkeuren of gewoon heel bloederig een beetje doodmaken?’
Ophidia vond haar ooms maar onredelijk. Maar na een bier, twee tequila, drie rode wijn, vier witte wijn en vijf gin-tonic ging Ophidia anders denken.
‘In de zee is mijn man, in de zee,’ zong ze, zich vastklampend aan de minst scrupuleuze der ooms. ‘Als de zee melk schuimt leeft hij en als de zee bloed schuimt is hij dood!’
Het was slechts dronken gebazel, en dan ook nog van slechte kwaliteit, maar toch togen de meeste ooms en neven en tomboy-achtige andere familieleden na het horen ervan naar het strand om verhaal te halen, al wisten ze nog niet precies hoe. Vervolgens werd het een heel gedoe. Ophidia voelde zich, zeker de dag erna, heel beschaamd, en zonder enige vorm van dwang of tegenzin keerde ze op die zondagavond terug naar het sanatorium.

De drakenrecensie

Waar al sinds mensenheugenis de koeien en kalveren hun schaduwen geduldig op het glanzende gras neerleggen, hier niet ver vandaan, waar met evenveel zorg de slakken langs de omheiningen dag in dag uit het groene mos polijsten, bevond zich ooit de oorsprong van een grillig pad dat met steeds grotere slingerbewegingen leidde naar een zevental obscure hellingen waarachter een vuurspuwende en ronduit asociale draak zijn huisvesting had.
De draak werd in de volksmond De Draak genoemd, en dat kwam voornamelijk omdat er toen weinig creativiteit in de gemeenschap zat. Maar meestal werd er naar de draak verwezen met zijn soortnaam, dus gewoon ‘draak’, en niet met de voor het beest bedachte eigennaam.
Zo’n draak in de achtertuin was op zich nog niet zo’n probleem. Het was goed voor het toerisme en het hield de vorming van een eventuele veel te hippe buitenwijk tegen. Maar er was in die tijd wel een soort ongeschreven wet dat de dorpelingen de draak elke dag te eten moesten geven. Dat de wet nergens daadwerkelijk was opgeschreven deed er niet toe, want er was toch niemand in het dorp die kon lezen. Maar het protocol was er nou eenmaal, en de draak gaf ook niet bepaald aan zijn routine in dezen te willen wijzigen.
Toch waren er steeds meer stemmen vanuit de plaatselijke bevolking die lieten horen dat de draak best wel mocht blijven maar dan alleen als hij voortaan ergens zijn eigen voedsel ging regelen. En toen deze gedachtegang onderhand een meerderheid ging vormen, toonden enkele stoere boerenzoons zich bereid om de draak van de nieuwe regeling op de hoogte te brengen. De draak bleek echter weinig voor rede vatbaar en de boerenzoons kwamen stuk voor stuk heel erg dood terug naar het dorp.
De moed bij de mensen zakte weg; ze dachten dat ze voortaan aan de draak en zijn honger vast zouden zitten. Maar juist toen kreeg de oude schoenmaker een ideetje.
‘Vrees niet, beste dorpsgenoten!’ zei de schoenmaker. ‘Als jullie me een dood schaap, een bak zwavel, een zak kool en een pot teer bezorgen, zal ik ons probleem uit de wereld helpen. En vergeet niet dat de linkerschoenen deze week in de aanbieding zijn!’
Gewillig brachten de mensen de schoenmaker waar hij om vroeg, en sommigen van hen bestelden meteen een paar schoenen.
‘Tot straks!’ zei de schoenmaker, en hij koerste neuriënd met zijn spullen naar de voederplaats van de draak.
Daar aangekomen vulde de schoenmaker het dode schaap met een mengsel van de zwavel, de kool en de teer. De bedoeling was dat de draak het schaap zou opslokken, maar door het contact van de vonken in zijn mond met het ontvlambare mengsel zou hij in brand vliegen en waarschijnlijk zelfs ontploffen. En een dode draak hoeft natuurlijk niet meer gevoerd te worden. Tevreden met zijn intelligente plan floot de schoenmaker de draak. Die kwam aansjokken, zag het schapenhapje liggen en nam het meteen in zijn bek. Maar direct daarna spuwde hij het zwavelschaap ook weer uit.
‘Bah! Wat is dit voor een ordinaire eetgelegenheid geworden hier!’ schreeuwde de draak al proestend uit. ‘Ik kom hier nooit meer!’
De draak verdween en werd inderdaad nooit meer gezien. En ter nagedachtenis van dat voorval zijn er daarom in onze streek nog altijd eettenten waar het eten belabberd slecht is. Lang leve onze tradities!