Ei-eigenschappen #29

Vroeg of laat moet je een eitje breken. Daar ontkom je niet aan. Of het nou is omdat je meedoet met een of andere flauwekulspelshow van John de Mol, of omdat je in een bizarre sollicitatieprocedure terecht bent gekomen, of gewoon omdat je een omelet wilt bakken (met stukjes spek waarschijnlijk). In sommige culturen is het breken van een ei een belangrijk ritueel om de mannen van de muizen te scheiden, maar eigenlijk in heel de westerse wereld wordt deze handeling wel bestempeld als een moment van de waarheid. Daarom zie je ook steeds vaker dat ouders hun kinderen al voor hun tiende levensjaar op eibreekles sturen. Maar je kunt geen eieren breken zonder af en toe een eitje te breken. Beginnersfouten komen vaak voor bij deze praktijk. Zo zal menig novice heus een keer vergeten een kom onder het ei te zetten, zodat de inhoud van het ei in z’n geheel op het aanrecht terechtkomt. Een andere misslag van debutanten hier is het wel neerzetten van een kom, maar het ei vergeten. Al met al kan men zeker stellen dat er heel wat factoren zijn die bij dit culinaire opus een rol spelen om een netjes gebroken ei te kunnen garanderen. Om er een paar te noemen: massa en vorm van het gebruikte werktuig, de snelheid van de impact, de slagkracht, de inslaghoek, en de beweging net na de impact. Het breken van een ei is een complexere operatie dan vaak wordt gedacht, en alleen een pro beseft dat je schouder vaak een beetje naar beneden gaat tijdens de slagbeweging, waardoor het mes het ei te vroeg kan raken. De oplettende lezer merkt op dat het hier dan gaat om het verkrijgen van de schaalbreuk met een (palet)mes. Breken van een ei op de rand van een kom kan uiteraard ook; de kans op stukjes eierschil in de voedselmix of het niet intact blijven van de dooier is dan echter groter.
De halve millimeter dikke schaal van een kippenei heeft een sterkte waarvan de variabiliteit afhankelijk is van de leeftijd en de gezondheid van de betreffende kip, en ook van de manier waarop het ei bewaard is. Dit maakt dat haast elk ei weer anders benaderd moet worden bij het breken, maar de meest betrouwbare methode voor de beste breuk blijft toch die met een paletmes.
Hier volgt een werkinstructie, waarbij elke interpretatie uiteraard even geldig is: Was allereerst je handen, en zorg ervoor dat keukengereedschap en werkbank schoon zijn volgens de Europese norm. Kijk naar het doel, sta op een ontspannen manier met het ei in de palm van je hand (je linkerhand, als je rechtshandig bent) met het puntige uiteinde naar je vingertoppen. Het mes houd je vast alsof het een kabouter is die je met een ferme druk een langzame dood wilt geven, met je wijsvinger op zijn achterhoofdje. Buiging van de pols moet in het hele traject van deze manoeuvre tot een absoluut minimum worden beperkt.
Begin nu met de punt van het mes naar het midden van het ei te wijzen. Breng het mes langzaam omhoog naar de tienuurpositie en verhoog de snelheid tot de verticale positie (je duim moet op dezelfde hoogte zijn als je oor). Stel je nu voor dat het ei je leraar economie is van vroeger, en pas je slagkracht daarop aan. Laat het mes in één beweging midden op het ei terechtkomen, dring het ei binnen tot juist boven de dooier, en trek het mes zo snel mogelijk weer terug. Oefen voor het beste resultaat net zo lang tot je je David Carradine waant en deze techniek zal je enorm veel schaamte en geld (in de vorm van eieren) besparen.

Ei-eigenschappen #28

Het verschil tussen haan en hen is voor sommigen begrijpelijker dan het verschil tussen hun en hen. Om filosofe Judith Butler zeer ruim te parafraseren: ‘Een hen is een beest dat eieren legt en een haan is een beest dat vindt dat een hen eieren moet leggen.’ Wat hen onderscheidt van hun is voor Butler Chinees, omdat ze daar te weinig kaas van het Nederlands voor gegeten heeft, maar het is haar waarschijnlijk binnen een minuut uit te leggen. Zelf denk ik overigens dat het best wel meevalt met die verwarring van hen en hun. Het ligt er nogal aan waar deze woorden in een stuk taal voorkomen. Mensen maken bijvoorbeeld geen fouten bij een woord als hunkering. Nooit hoor je hier henkering zeggen. Hetzelfde geldt voor een woord als hennep. Hunnep zal gewoonweg niet uit de mond van een nuchter iemand klinken. Nee, enig tumult ontstaat, bij menigeen, pas als hen en hun als een voorwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud worden gebruikt. Ze verwijzen dan op zich wel naar dezelfde groep, alleen wordt die groep anders aangevlogen. Zijn bijvoorbeeld de bedoelde piepels de ontvangers of beoogden van een bepaalde handeling dan krijgen ze de vorm hun, en zijn ze juist degenen die die handeling rechtstreeks ondergaan, dan krijgen ze de vorm hen. Kwestie van naamval, en dat verschil tussen hen en hun hebben we te danken aan de zeventiende-eeuwse systematicus Christiaen van Heule (geen familie van Hullie), die, nog onder invloed van de renaissance, het Nederlands een stap dichter naar het ei wilde brengen, naar de klassieke talen. Bij het samenstellen van het Latijnse model voor de Nederlandse grammatica maakte Van Heule, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, een indeling van zes naamvallen: de noemer, de baerer, de gever, de aenklager, de rouper, en de ofnemer. Dat de ofnemer er wel heel erg gekunsteld aan hing, en het bij de noemer en de rouper in feite om dezelfde vorm ging, interesseerde onze Van Heule blijkbaar niet; uitgangen en vormveranderingen maakten een taal immers superieur. Om het rijtje mooi in te kunnen vullen verzon Van Heule naast de al bestaande vorm hen de vorm hun, en zo komt het dat wij nu nog in de schrijftaal het woord hun gebruiken als een derde naamval gevraagd wordt (bij meewerkend voorwerp). Maar dit is dus kunstmatig. Er is geen aangeboren gevoel bij sprekers van het Nederlands voor het verschil tussen hen en hun. Daarom is een correcte toepassing van dit fenomeen na bijna vierhonderd jaar drillen via het onderwijs nog steeds niet goed doorgedrongen tot de dagelijkse conversaties. Waarom het eigenlijk nog bestaat is wel bijzonder. De in zijn tijd al grote Nederlandse schrijver P.C. Hooft (bekend van de P.C. Hooftstraat en de P.C. Hooftprijs) wilde in navolging van Van Heule een extra vorm invoeren bij de naamvallen van de derde persoon enkelvoud van het persoonlijke voornaamwoord. Naast hem als lijdend voorwerp, zou ook hum als meewerkend voorwerp gebruikt kunnen worden. Voorbeeld: ‘Ik heb hum ham met humus gegeven.’ Lijkt me overbodig om te melden dat Hooft geen succes had. En wat de hen/hun-kwesties betreft: de mensen met wie je omgaat beperken tot een enkelvoud is een optie. Maar echte taalkundigen detecteren hier sowieso geen fouten. ‘Het gebruik bepaalt uiteindelijk de norm,’ zeggen die, al wil onze Butler van die boer mijns inziens geen eieren.

Ei-eigenschappen #27

In de psychologie is veel onderzoek gedaan naar de drang van mensen om eieren in te vriezen. Belangrijkste bevinding hierbij is dat sinds de tweede helft van de 20ste eeuw het aantal turfstreepjes aanzienlijk is toegenomen. Het waarom is altijd wat onderbelicht geweest bij deze studies, maar men kan wel stellen dat het in de meeste gevallen te maken heeft met een vorm van conservering.
De beste manier om een ei te bewaren is natuurlijk door het naar de bank te brengen. Nadeel is wel dat de geur van geld eraan zou kunnen gaan kleven. Bij een overschot van eieren is invriezen daarom voorwaar niet zo’n verkeerde keuzemogelijkheid, al is het makkelijker gezegd dan gedaan. Eerst moeten we namelijk helemaal naar huis fietsen (en ons kennende zitten we inmiddels op nog geen vijftig kilometer van Dover), dan moeten we de vriezer van zolder halen, de stekker in het stopcontact doen, en nog even wachten tot het apparaat opgestart en gebruiksklaar is. Maar is dat allemaal eenmaal gedaan, dan kan de pret dubbel en dwars beginnen. Over of het nu humaner is om het ei lekker warm in te pakken, omdat het het anders koud krijgt, valt te discussiëren. Maar bevriezen zal het uiteindelijk toch, en hoe langer dat proces, hoe pijnlijker natuurlijk. Belangrijker en zinvoller is het om je vóór het vriezen eens goed af te vragen wat je eigenlijk met het ei ná het ontdooien nog wilt doen. (Dat kan uiteraard met een simpele sterktezwakteanalyse in drievoud, of je kunt het zo uitgebreid maken als je zelf fijn acht.) Het bevriezen van een ei is immers vergelijkbaar met het in een dronken bui tegen je partner dingen zeggen over zijn of haar moeder: er vindt een en ander plaats dat onomkeerbaar is. Het is niet als bij water dat er in de faseovergang van vloeibaar naar vast emmers met waterstofbruggen worden gemaakt die bij het tegenovergestelde proces, het smelten, gewoon weer afgebroken worden, zonder dat er ook maar iets wijzigt in de fysische eigenschappen. Nee, de stroperigheid van het ei krijgt bij het vriezen een herwaardering; het eiwit wordt enigszins dunner, en het eigeel wordt merkbaar dikker. Het is zelfs zo dat je het hiermee maken van een zachtgekookt ei mooi op je buik kunt schrijven. Bij het blootstellen van eierdooiers aan een temperatuur van –6 °C en lager treedt er hier iets op wat in de moleculaire gastronomie wordt gebruikt voor een smeuïge smaakbeleving: gelering. Dehydratatie van de aanwezige proteïnen tijdens het ontspruiten van ijskristallen zorgt voor de vorming van een puddingachtige colloïde. De dooier is dan, na ontdooien, best vergelijkbaar met die van een halfzacht gekookt eitje.
Een hard gekookt ei valt trouwens sowieso in te vriezen zonder ‘problemen’. Misschien wel het effectiefst meteen na het koken. Het Mpemba-effect dicteert per slot dat warm water sneller bevriest dan koud water, en een ei zou je kunnen zien als gewoon zeer onzuiver water, met een vriespunt van –0,45 °C voor het eiwitgedeelte, en van –0,58 °C voor het eigeelgedeelte. Ik heb deze proef laatst uit proberen te voeren. Samen met mijn buurman, een psycholoog. Van dichtbij meemaken dat er systemen zijn die niet louter op wat afspraken berusten is voor dat soort mensen fascinerend. Maar toen ik hem bij de derde opstelling wederom vroeg of hij wilde voelen of het water echt kookte, gaf hij aan dat hij toch liever niets met wetenschap te maken wilde hebben.

Ei-eigenschappen #26

In Hollywood worden ook weleens slechte films gemaakt. Dat weten niet veel mensen. Toch is het zo. Een acteur als Michael Caine, die zelfverzekerd genoeg is om te weten dat de fout altijd buiten hemzelf ligt, heeft daar niet zo veel moeite mee, maar er zijn filmmakers die hun wanprestaties willen verdoezelen. Bij een echt beroerde film laat een regisseur soms gewoon zijn naam weg. Deze wordt dan vaak vervangen door de naam Alan Smithee. Koks hebben een dergelijke uitvlucht niet. Er bestaan (nog) geen gerechten die vernoemd zijn naar deze fictieve Alan Smithee. Als er iets in de keuken mislukt, krijgt die pulp hooguit de naam van de hond die in de steeg ernaast woont. Lukt er, aan de andere kant, een bepaalde nieuwe schotel juist erg goed en wil men hier ruchtbaarheid aan geven, dan is het erg slim om deze te dopen met de naam van een (plaatselijke) bekendheid.
En wie kent er wat dat betreft het roereirecept (met veel boter) dat Gertrude Stein en Alice B. Toklas naar de kubist Francis Picabia genoemd hebben niet? Egg Peter O’Toole als ontbijt, ook zo’n klassieker: een whisky met een hardgekookt ei ernaast, waarbij het ei niet noodzakelijk is.
Toch is het niet altijd koek en ei. De Franse componisten en vertegenwoordigers van de romantiek Hector Berlioz en Georges Bizet hebben beiden bijvoorbeeld een nogal suf eigerecht naar zich vernoemd gekregen. Oeufs Berlioz is eigenlijk gewoon een zachtgekookt eitje in een pasteibakje, waar je dan de champignons en hertoginnenaardappelen (je weet wel, van die aardappelpuree in een bloemetjesvorm uit de oven) van de dag ervoor omheen legt, overgoten met wat maderasaus om het niet té knullig eruit te laten zien, en oeufs moulés Bizet komt feitelijk neer op het in een bakje au bain-marie garen van een ei dat je dan serveert op een gebakken artisjokkenhart, met nog wat fijngehakte ingemaakte tong en truffels hier en daar voor de leuk, dus zo veel eer hebben de heren ook weer niet door hun strot geduwd gekregen.
De bekendste naar een persoon vernoemde eierdis is wellicht eggs Benedict. Wie de naamgever precies is, blijft dubieus. Er zijn bijvoorbeeld tal van jongedames (luisterend naar Elizabeth, Nathalie, Nicolette, Stephanie, en zo meer) die door de acteur Dirk Benedict wijs zijn gemaakt dat hem de eer van het hapje toekomt, maar een meer met de waarheid strokend verhaal is dat ergens in het New York van 1894 de beurshandelaar Lemuel Benedict het Waldorf Hotel binnenliep en aan de kok opdroeg om een ontbijt te maken van toast, spek en gepocheerde eieren, met een hollandaisesaus ernaast, omdat hij een kater had en liefst niet over wilde geven.
De acteur Benedict Cumberbatch schijnt het gerecht overigens zeer goed te kunnen imiteren.
Tja, maar soms gaat het met de naamgeving nogal mis. Iedereen weet wel dat bij het recept paasei pigmenten gebruikt worden om de schaal van een kleur te voorzien, maar weinigen weten nog dat het vernoemd is naar Jan-Willem van der Paas, de enige man zonder Wikipediapagina.
In het verlengde daarvan: er was eens een kok, die, als tijd en voorzieningen het hem toelieten, eerst eigeel en eiwit scheidde, en daarna de twee goedjes bakte in twee pannen, waarbij hij er goed voor zorgde dat de dooier heel bleef en dat er in midden in het eiwit een ronde opening zat waar later, op het bord, de dooier precies in zou passen. Leuk recept, dat wel, maar het mag geen naam hebben.

Ei-eigenschappen #25

Als LEGO na online-gamen was uitgevonden, hadden veel hobbypedagogen hun dagen gevuld met het mekkeren over het asociale gedrag van kinderen die het hele weekend in hun eentje bezig waren met het combineren en verbinden van kleine, gekleurde, plastic blokjes naast papa’s rookstoel. Het vak van werktuigbouwkundige zou worden verguisd, en een caravanontwerper als Max Würdig had nooit de heldenstatus kunnen bereiken die hij nu heeft. Würdig is, uiteraard, de constructeur van het caravanmodel Würdig 301, in de volksmond het Dübener Ei genoemd. Het verhaal gaat dat Würdig zijn kampeerwagen ontwierp, nadat hij tijdens een vakantie met zijn vriendin, ergens in 1935, niet welkom was in de herberg. Veel minder bekend is het verhaal dat Würdig nogal kippig was en die bewuste vakantie een slagerij aanzag voor een herberg. Maar goed, alles gebeurt voor een reden, zeg maar. En met zijn aerodynamische design voorzag Würdig de wereld van de rolbare tweepersoonskamer voor mensen die weinig eisen aan hun omgeving stellen van een revolutie. Wat het Dübener Ei anders maakte dan bestaande caravans was dat je in het Ei kon staan. (Würdig stond graag tijdens het slapen.) Vanaf de grond was het Ei namelijk minstens veertig centimeter hoger dan Tom Cruise met hakken aan.
De werkplaats van Würdig stond in Bad Düben, deelstaat Saksen, wat het eerste deel van de troetelnaam Dübener Ei verklaart. Het tweede deel, Ei, is volgens insiders een verwijzing naar de vorm van de Würdig 301. (De afmeting, drie meter tachtig in lengte, maakt de connectie met een ei wat surreëel, maar daar kunnen mensen zich blijkbaar makkelijk overheen zetten, en alleen psychologen kunnen dit fenomeen van een onzinnige toelichting voorzien.) Het is overigens prima mogelijk dat de caravan niet alleen qua vorm aan een ei deed denken, maar ook qua smaak. In de literatuur is alleen niet terug te vinden of ooit iemand het ding geproefd heeft. Feit blijft dat de Würdig 301 binnen de verzameling van kampeerders een populair bezit was. Dat tijdens de keuze de verantwoordelijkheid van het kiezen geaccepteerd moet worden is iets wat voor potentiële kopers van het Dübener Ei dan ook nooit een belemmerende gedachte is geweest. En niet voor niets, natuurlijk. De verplaatsbare, eenassige bivakkeerruimte was van alle gemakken voorzien (als je bereid was de scope daarvan tot een minimum te beperken). Er was binnen een gaskookplaat, een kledingkast en een tafel met tweedelige stoelen. Die stoelen waren uitklapbaar tot een tweepersoonsbed. En als je de stoelen helemaal weghaalde, was er zelfs ruimte voor een bescheiden xtc-laboratorium. Makelaars hebben het ding altijd geprezen omdat het op loopafstand van de supermarkt was en bovendien heel goed met het openbaar vervoer bereikbaar was.
De massaproductie van het Ei kwam pas op gang toen Bad Düben inmiddels in de DDR lag. En toen bekend werd dat de lichtste caravan ter wereld onder de communistische vlag werd gefabriceerd, ging men in het Westen alle caravans ineens, heel competitief, wit schilderen. Frans Bauer weet daar amper iets van, maar kan er wel over meepraten. Volgens hem zeggen mobilehomes van Würdig meer dan duizend woorden. (De papegaai van Frans zegt overigens maar vijf woorden, te weten ‘vraag’, ‘maar’, ‘aan’, ‘de’ en ‘Würdig’.)

Ei-eigenschappen #24

Het pellen van een eitje, minimaal halfzacht gekookt uiteraard, is een tevredenstellend ritueel dat het aanstaande smaakgenot naar grotere hoogten kan tillen, maar tegelijkertijd lijkt het ook beduidende kenmerken van een kansspel te demonstreren. Soms gaat het bijna vanzelf en laat de eierschaal probleemloos los, maar andere keren blijft de schaal wanhopig aan het eiwit plakken, hoe bedreven je er ook aan peutert.
De vraag waarom ons gepel niet altijd hetzelfde resultaat oplevert, is waarschijnlijk net zo oud als de vraag wat de initiële chronologie is in het samenspel van kip en ei. Veel stamoudsten hebben er in het verleden hun hoofd over gebroken. Generaties lang hebben mensen bijvoorbeeld hun eieren gekookt bij volle maan, omdat alleen dan de schaal soepeltjes te pellen zou zijn. En nog niet zo heel lang geleden dacht men dat het ei tijdens het koken in de richting van de wind moest liggen voor de beste pelbaarheid. Volgens sommige oudewijvenverhalen creëerde je een perfect pelei door het in ieder geval niet te laten koken door een oud wijf. Het spelen van verschillende soorten muziek is geprobeerd, tot melismatisch gezang aan toe, en, ach, ik heb zelfs meegemaakt dat iemand, in mijn directe omgeving, een van ijzeren kledinghangers gemaakte piramidevorm om de pan met eieren heen had gezet. Toch resulteerden al deze methoden niet op een reproduceerbare manier in wat hier beoogd werd.
Maar gelukkig is het tegenwoordig mogelijk om beter te weten. Roffel de trommel en luister: de pelfactor laat zich beïnvloeden door de zuurgraad van het ei. In de praktijk komt het erop neer dat eieren minder goed te pellen zijn naarmate ze verser zijn. Om lekker te kunnen pellen moet je dan ook geduld hebben. En dat heeft ermee te maken dat het eiwit (die witte massa) van een pas gelegd ei nogal wat koolstofdioxide bevat. Na verloop van tijd verlaat dit gas door de poriën van de schaal het ei, waardoor het eiwit minder zuur wordt. Dit heeft ook zijn werking op het vliesje net onder de schaal, aangezien dat in een zuurdere omgeving een stuggere structuur heeft, met alle pelproblemen van dien. Hoe meer koolstofdioxide het ei heeft verlaten, hoe minder de proteïnen uit het eiwit aan het schaalvlies hechten, hoe makkelijker en schoner de schaal te verwijderen is. En onze vriend de kalender toont zich hier weer de bottleneck.
Bij optimale bewaarcondities heeft een ei een week tot een dag of tien na het leggen de ideale pH-waarde (pak ’m beet 8,75) bereikt. En voor een ei goed en wel in de supermarkt ligt, moet je vaak al op drie dagen rekenen. Zo’n ei is dus gewoon te vers – maar je weet nu ongeveer wanneer je je pelactiviteiten moet plannen. Sip kijken en treuren hoeft dan trouwens zeker niet, want er is echt nog wel wat te versnellen aan dit rijpingsproces. De beschermende laag die de kip op de eierschaal aanbrengt om het koolstofdioxideverlies te vertragen en zo ons mensen te pesten, zou je er goed af kunnen wassen, bijvoorbeeld. En verder geeft kookgoeroe Harold McGee het advies om wat bakpoeder (natriumbicarbonaat) aan het water waarin je je eieren kookt toe te voegen. Dat is alkalisch, verhoogt dus de pH. Uiteraard kan het nog eenvoudiger: snij het gekookte ei van je hatsikidee doormidden en pak uit je keukenla een van de lepels die Uri Geller nog niet gemodificeerd heeft om daarmee keurig het proteïnegoedje in je mond te scheppen.

Ei-eigenschappen #23

Omdat je teennagels continu blijven groeien, kun je er ook dag en nacht aan blijven pulken. Op feestjes is dat in onze cultuur echter niet een sociaal gewenst karweitje, en dat is mede de reden dat er door de jaren heen de zogenaamde party tricks zijn ontstaan – om de verveling toch enigszins te kunnen doden. Ik bedoel, je komt er doorgaans nogal snel achter dat je gesprekspartners de link tussen Monty Python en Ionesco of tussen Hemingway en sportjournalistiek niet kunnen leggen, en dan moet je toch wat. Dus ga je dan maar een eitje omdraaien in een glas door ertegen te blazen, dat soort dingen.
In de praktijk komt het er welbeschouwd op neer dat je van de ene verbazing in de andere klotegimmick valt. Soms is de beste truc nog wel het doen voorkomen alsof je onder de indruk bent van het foefje dat op dat moment de gezamenlijke aandacht opeist. De meeste mensen durven namelijk op een feestje te verschijnen zonder echt gedegen voorbereid te zijn om een spectaculaire show te geven.
Vroeger was dat wel anders. Vroeger had je in je feestoutfit minstens twee veiligheidsspelden en een kabelstriptang zitten om de overige gasten op niets minder dan iets tofs te verrassen. Je vroeg vervolgens bij je aankomst aan de gastvrouw (m/v) of ze misschien een rauw ei en een stuk stroomdraad met stekker voor je had. Dat eerste lag meestal in de koelkast, en dat tweede kwam vaak van de elektrische wekker uit de slaapkamer. Dat ding werd namelijk toch maar een paar seconden per dag gebruikt en nog niet eens elke dag, dus het stond feitelijk wat verloren op het nachtkastje. Maar nu kon het een mooi doel dienen! Na wat voorbereidend werk gingen de lichten uit, en het aanwezige publiek kon zich vergapen aan een ei dat aan het oplichten, zoemen en knetteren was, tot er een stop sprong. Prachtig vermaak bij een glaasje!
Er valt niet te ontkennen dat er ook bijwijlen lieden zijn die het fenomeen feesttruc wat overdrijven.
Ik kan me nog als de dag van twintig jaar geleden herinneren dat er op een of ander studentenfeestje een genodigde zich levend had laten begraven in het dichtstbijzijnde plantsoen. Met heuse boeien en een kist en zo. Hij had zelfs een T-shirt laten maken met de tekst ‘Houdini moed maar in!’ erop. Na veel bombast volgde een wat ongemakkelijke stilte toen de laatste schep zand het gat dichtmaakte. Twee uur en drie liedjes van Gloria Gaynor later werd de ontsnappingskoning toch maar opgegraven, omdat zijn fiets vastzat aan die van iemand die naar huis wilde. Ja, je kunt niet vaak genoeg zeggen dat overdaad schaadt. Maar de volgende truc is altijd een succesnummer: men neme een kromme naald met een eindje garen en steke deze precies onder de schil van een hard gekookt ei tot ongeveer een drie centimeter verderop. Daarna gaat men de naald nogmaals een stuk onder de eierschil steken, beginnende in het gaatje waar de naald eerst is uitgekomen. Ga zo door tot het garen onder heel de schil door is geschoven, en men weer bij het eerste gaatje is. Door nu aan de twee draadjes te trekken, snijdt men het ei finaal door. Deze handeling moet men x maal verrichten om het ei in x + 1 plakjes te verdelen. Stelt u zich de gezichten van de overige feestgangers voor als het ei gepeld wordt!
Tja, wel omslachtig. Mijn favoriete truc is dat ik een ei in de lucht gooi en dan tien keer in mijn handen klap. Die grap doe ik nooit bij mij thuis; zo’n ei kan namelijk robuuste vlekken geven in het tapijt.

Ei-eigenschappen #22

Hodonymie is de bezigheid van de naamgeving van wegen. Dat is een vak. Er kan iemand naast u wonen die overdag beroepsmatig aan wijken bijvoorbeeld een thema van tv-coryfeeën geeft en vervolgens namen als de Ted de Braaklaan en de Fred Osterdreef bedenkt, en dat terwijl hij en u zelf in iets sufs als de Eierdopjesstraat of de Windeiweg wonen. Als die man goed zijn best doet, mag hij verderop in zijn carrière misschien wel hele landen van een nieuwe naam voorzien. Tenminste, ik denk dat hij dat denkt.
Nomenclatuur maakt ook de geneeskunde volwaardig. Want een politicus bepaalt misschien of een stoornis een ziekte mag heten, maar de naam komt nog altijd uit de trommel van artsvormigen.
Neem arachibutyrofobie. Dat is een angst voor pindakaas, en in het bijzonder dat dat goedje aan je gehemelte blijft plakken. Uiteraard was deze fobie er voor het bestaan van die smeerpasta nog niet. Een beduidend langere geschiedenis kent de ovofobie. Lijders daaraan krijgen de schrik op het lijf als een van hun zintuigen een ei detecteert.
De geur alleen al doet hen kokhalzen. Hun maag draait om van het slechts betrachten van de slijmerige textuur van de ei-inhoud. Het geluid van een eitje dat gekraakt wordt, laat hun lichaam ineenkrimpen van ongemak. Ze kunnen niet in dezelfde ruimte zitten als iemand die met een ei bezig is, of het nou koken of eten is. Raakt een stukje ei ook maar lichtelijk hun bord, dan is al het eten daarop besmet en rijp voor de vuilnisbak. Eieren barsten natuurlijk van de goede bedoelingen, maar bij lijders aan een eierfobie leiden ze enkel tot walging, paniek, misselijkheid, hyperventilatie en een aanzienlijke afname van de levensvreugde.
Het verhaal gaat dat Alfred Hitchcock behept was met ovofobie. Hij vond kleur en structuur van bloed te verkiezen boven die van eierstruif. ‘Blood is jolly, red. But egg yolk is yellow, revolting. I’ve never tasted it,’ zijn dikwijls geciteerde woorden van hem. (Het bloed van Anthony Perkins, de ster uit Psycho (1960), zal hij hier waarschijnlijk niet specifiek bedoeld hebben.) Nu was hij duidelijk in de gelegenheid om deze uitspraak te doen, maar wat was zijn motief? Eierfobie komt weleens voort uit angst voor kippen (alektorofobie) of vogels in het algemeen (ornithofobie). Alfreds achternaam (vooral het cock-gedeelte) zou hier voor mensen die waarschijnlijk ook dingen als complottheorieën als hobby hebben als een clue kunnen worden gezien. Maar de gevederde eierproducenten maakten Hitchcock niet van slag, anders had hij nooit de film The Birds (1963) kunnen maken – al zijn het daar toevallig wel de vogels die de horror veroorzaken.
Nee, de kans is groot dat onze Alfred in zijn vroege jeugd negatieve ervaringen met eieren heeft gehad. Mogelijk kon kleine Alfred de suspense niet aan van wat er in zo’n ei zou zitten. Of was hij misschien gepest door een oom dat er prematuur een kuikentje was vermoord om de soufflé die op tafel stond te kunnen maken? De kindertijd is meer dan eens de bron van angststoornissen. Kijk bijvoorbeeld naar de stephenkingfobie van mijn broer. Als peuter struikelde hij over een van Stephens boeken. En als hij sindsdien een van die verhalen leest, gaat zijn hart paniekerig tekeer. Zelfs middelmatige tot ronduit slechte filmadaptaties leveren bij hem schrikreacties op. Tja, dat is allemaal zonder twijfel bijzonder vervelend en zulks, maar elke fobie is natuurlijk nog altijd te verkiezen boven de ziekelijke angst om je huisarts tegen te spreken.

Ei-eigenschappen #21

Voor taoïsten kan het elke dag een feestdag zijn, gewoon omdat bijvoorbeeld het ontbijt adequaat verloopt, maar World Egg Day (sinds 1996) is het nochtans echt maar één keer per jaar, en wel op de tweede vrijdag van oktober, precies een dag na World Chicken Day (tenzij 1 oktober op een vrijdag valt). Dus de viering van de kip komt vóór de viering van het ei (tenzij 1 oktober dus op een vrijdag valt), al komt laatstgenoemde niettemin (de meeste jaren) ook weer 364 dagen vóór eerstgenoemde. Je zou verwachten dat World Salt Day ergens vlak voor die tweede vrijdag in oktober valt – want wat moet je anders op je eitje gooien –, maar die feestdag bestaat gek genoeg (nog) niet. In de moderne cuisine is een maaltijd zonder zout feitelijk ondenkbaar. Een dag geen kip of een dag geen ei zal niemand een tocht naar de straat laten maken om een potje te protesteren van heb ik jou daar. Maar zout hoort toch zeker, hoe je het ook wendt of keert, bij de dagelijkse behoefte van de mens anno nu. Zelfs stugge antikoks bepalen zelf aan de eettafel nog het zoutgehalte van hun voedsel. En dan krijgt zo’n ingrediënt niet eens een eigen dag! Een cabaretier van het niveau van Youp van ’t Hek zou zeggen dat dat te flauw voor woorden is. Maar goed, we zijn hier niet voor het zout, we zijn hier voor het ei. Voor het ei is het leuk om een dag eens flink in het warmtebronnetje te worden gezet. Dat gunnen we hem van harte. Op de eerste vrijdag van oktober hoeft het ei nog maar zeven nachtjes slapen te turven! Want op Wereldeierdag is het bal. Dat weet een kip zelfs. Op heel veel bewoonbare plekken op de wereld worden er dan gezellige festiviteiten georganiseerd. Bij de mondiale eierpelwedstrijden wordt bijvoorbeeld altijd veel geld verdiend, maar het kan ook origineler. Zo zette vorig jaar een groep hindoes uit Goa die in hun vorige leven productieve legkippen waren geweest een touwtrekpartijtje op touw met een aantal vrienden die in hun volgende leven legkippen zullen worden. Om de agressiviteit uit de activiteit te halen kozen ze ervoor om in plaats van één touw twee touwen te gebruiken en elk team zelf te laten beslissen of ze wel of niet aan het hun toegewezen touw wilden trekken. Het jaar daarvoor deden ze het met een stok en het stokje werd toen doorgegeven aan Brazilië.
Maar ook in Nederland is men van de partij op Wereldeierdag. In Amsterdam maken vrouwen op deze dag traditiegetrouw het eiersaladerecept van hun moeder, en hun echtgenoten zeggen dan dat het lekker is. En op de Technische Universiteit Eindhoven bewerkstelligden ze speciaal voor de feestdag een koude fusie van drie eieren. Een verhoging vervolgens van de temperatuur zorgde ervoor dat ze, na toevoeging van eiwitten en vetten uit melk, die dag nog voor de lunch hun resultaten konden presenteren.
Het leidt geen twijfel dat alle jolijt van Wereldeierdag zijn navolging heeft gehad. Een bekende restaurantketen heeft een aantal jaar geleden Wereldeetdag ingevoerd. Dit feest wordt gevierd op elke dag na gisteren. Eieren zijn wat dat betreft pretentielozer en willen niet dat het domweg dagelijks Wereldeierdag is. Geen van ons zou eveneens willen dat iedere dag helemaal in het teken van ieder van ons zou staan. En daarom moeten we het ei ook zijn bescheidenheid gunnen, want Confucius zei niet voor niets: ‘Behandel anderen en eieren zoals je door hen behandeld zou willen worden.’

Ei-eigenschappen #20

Een bevriend astrofysicus zei me eens dat het kapotvallen van een gigantisch ei het geluid van de oerknal beter benadert dan het dichtslaan van een paperback met ruim tweehonderd pagina’s. Ik las in een dergelijke situatie een kleine stilte in, maar ik ga daarna niet discussiëren met zo’n jongen. Tijdens zijn studie heeft hij vast veel lessen over symboliek mee moeten maken, denk ik dan.
In alle culturen, op alle plekken van de wereld, in heel de gekende geschiedenis van ons stervelingen wordt het ei als symbool voor leven gezien. Veel fantasie is er niet voor nodig om aan te voelen waarom onze medemensen deze connectie altijd hebben gelegd, en een commentaar van iemand als Roland Barthes kan hier dan ook verder gemist worden. Sterker nog, de betreffende koppeling ligt zelfs heel erg voor de hand. Onze voorvaderen bemerkten dat van een of andere diersoort de jonge aanwas uit een ei kroop en toen kwamen ze blijkbaar op de o zo geniale gedachte om dat ei als zinnebeeld van nieuw leven in het leven te roepen. Erg veel appel op metaforen wordt daar niet gedaan, zeg maar. Het ei (mits bevrucht) ís nieuw leven, immers. Zo kan moedermelk zonder veel denkwerk gezien worden als symbool voor babyvoeding, maar moedermelk ís natuurlijk ook gewoon babyvoeding.
Waarschijnlijk viel de buurman van de oermens dit eveneens op, en daarom is, als je het mij vraagt, indertijd de symboliek van het ei wat breder getrokken. Zo ontstonden de scheppingsmythen; het ei is de prima materia waaruit de kosmos ontstaat, de chaos waaruit de wereld stapt. Alles heeft z’n eisprong, zou men kunnen zeggen. Het ei is niets minder dan de omschaalde onbedorvenheid waarin het geheim van al het leven verborgen ligt, een kant-en-klaarpakket waar alleen nog maar warmte aan toegevoegd hoeft te worden.
Er zijn vertelsels waarin de dooier als de zon, of prelude ervan, wordt gezien. Drie keer raden wie van Ptolemaeus en Copernicus die ’s avonds voor het slapen gaan in bed door moederlief kreeg voorgelezen. Allemaal leuk en aardig, maar sommige scheppingsverhalen vleien met de overdaad en laten min of meer recursief het ei herhaald uit de oeroceaan verschijnen om de wereld ten toon te spreiden. In tijden van verveling zou je je dan af kunnen vragen wat er nou eerder was, de oerbrij of het ei. Naar mijn smaak is daar in ieder geval een plank getoverd die van begin tot eind wordt misgeslagen. (En welbeschouwd valt het jaarlijkse terugkeren van het paasei en de daaraan gekoppelde wederopstanding ook onder deze categorie.) Hoe dan ook, het ei trekt lijnen naar begrippen als volmaaktheid, puurheid en vruchtbaarheid, en de brug van het ontstaan van het al naar de vrouw in haar moederrol is daarom kort maar stabiel. En als je door je wimpers kijkt zie je dat het ei zich schuilhoudt in de heilige, vrouwelijke geometrie van de vesica piscis. Hier huist de levensenergie, het oerprincipe. Hier is de essentie van de scheppingskracht in zuiverste vorm al aanwezig.
Non sequitur, de psychologie is zoals men weet ook niet vies van symboliek. In dit tijdverdrijf is het ei een representatie voor de diepste kern van het individu, het zelf. Als je droomt van een ei betekent dat waarschijnlijk dat er zich een nieuw potentieel in je aan het ontwikkelen is, dat je op weg bent naar de verwezenlijking van een optimalere jij; of je hebt honger. En, tja, freudianen zien het ei, zoals alles, als een penis.