De gesolde soldaat

Er was een tijd waarin soldaten geronseld werden op de eerlijkste manier die God geschapen heeft: via een loting. Het soldatenleven bood toen niet per se een gezonde manier om je dagen te slijten, maar gelukkig voor het potentiële kanonnenvoer zocht het leger alleen maar rekruten in dagen van oorlog. En in een van die dagen, toen de kiem van het leven over de dopheide voortrolde, niet ver hier vandaan, werden precies vijfentwintig boerenjongens stuk voor stuk prijswinnaars van zulk een loterij.
Dat er een van die vijfentwintig maar één been had, was geen enkel probleem. Discriminatie behoorde niet tot de karakteristieken van de legerleiding, en bovendien leverde het hebben van ledematen tijdens een oorlog, zo bleek maar al te goed na elke veldslag, absoluut geen voordeel op.
Nou had die eenbenige een oogje op de dochter van de generaal. (Zijn andere oog was normaal.) Maar dat was niet de bedoeling. De liefde was zelfs wederzijds, al had dat er voornamelijk mee te maken dat het meisje behept was met een volledige afwezigheid van het filter kieskeurigheid. Het gevolg was in ieder geval dat de jongen op staande voet naar het front werd gestuurd.
Aan het front raakte de jongeling erg gedesillusioneerd in het intermenselijke contact dat volgens sommige woordenboeken ook wel vriendschap wordt genoemd. Van alle lotgenoten met wie hij een band dacht te hebben opgebouwd, hoorde hij na een paar dagen ineens helemaal niks meer. Toen hij echter door de vijand gevangen werd genomen, kreeg hij alle tijd om met anderen over koetjes, kalfjes en andere landbouwthema’s te converseren.
Maar toch heel erg lang mocht de pret niet duren. Nog voordat de jonge soldaat goed en wel vier keer vijf streepjes op zijn celmuur kon krassen, werd hij door zijn manschappen bevrijd. Enig lichtpuntje in dezen was dat hij niet direct weer naar het front hoefde, maar dat hij voor een evaluatie van zijn krijgsgevangenschap op veilige afstand van het oorlogsgeweld een tijdje mocht labbekakken.
Dat dat niet zonder geheel zonder gevaar was, bleek al snel. De eerste avond al brandde hij zijn lippen aan een veel te hete soep, en hij werd stante pede naar de infirmerie getransporteerd om bij te komen. Hier lieten ze hem per ongeluk iets te lang buiten in de frisse lucht staan, waardoor de felle zon zijn hele gezicht verbrandde.
De legerleiding zag de bui en de vuile was al hangen, en om het juridische getouwtrek een stap voor te zijn boden ze de soldaat een mooie schadevergoeding aan.
Voor de blaasjes op zijn mond gaven ze hem twee vierde dukaat, voor de korsten op zijn gezicht drie zesde dukaat, en voor het kwijtraken van een van zijn benen maar liefst honderd dukaten.
De jongeling hinkte nu op twee gedachten. Dat been miste hij immers al voor hij in het leger ging dienen. Moest hij het goede doen en aangeven dat de compensatie voor zijn afwezige been niet aan de orde was, of moest hij domweg gebruikmaken van de situatie en de restitutie met een strak gezicht accepteren? Het was een gokje, want als men erachter kwam, had hij wellicht geen poot meer om op te staan.
De raadsman van de jongen hakte echter snel de knoop voor hem door door hem te laten zien welk bedrag hij zou gaan factureren, en met al zijn munten goed verdeeld over zijn linker- en rechterbroekzak toog de knul in balans hompelend naar huis.

Achter outer en heerd

In een tijd dat piek en zeis kloekmoedig opgetild werden om de leemgronden te beschermen, daar waar het landschap druk bewilgd werd, hier niet ver vandaan, verloren veel ouders hun kinderen en omgekeerd. Twee kinderen, een meisje en een jongen, in die dagen gemiddeld vijf jaar met een standaarddeviatie van een, hadden het geluk beschut te worden voor het oorlogsgeweld en te worden opgenomen door een gezin uit noordelijkere contreien, ver boven de Maas.
De kinderen waren hun thuisland echter nooit vergeten en toen de jongen zestien was en het meisje veertien, steeg de heimwee hen naar de bol.
‘De normen en waarden in dit godverlaten land hier zijn nog belachelijker dan mijn handschrift,’ zei de jongen op een dag.
‘Inderdaad,’ zei het meisje, diezelfde dag, ‘en je hebt slechts een bierviltje nodig om ze allemaal op te kunnen schrijven.’
De twee smeekten hun pleegouders om hen huiswaarts te laten keren, naar hun echte ouders. Maar ze werden uitgelachen.
‘Hoe kunnen jullie de weg terug vinden?’ kregen ze te horen. ‘Jullie waren destijds te klein om je precies te kunnen herinneren waar jullie woonden.’
‘We hadden een bord op de voordeur, weet ik nog,’ zei de jongen. ‘Met een haard en een altaar erop.’
Maar broer en zus werden enkel ontmoedigd, typisch zuidelijke onzin was het, en daarom besloten ze ’s nachts weg te lopen, vastberaden om hun weg naar huis te vinden. Zo begonnen aan een trektocht van meer dan een jaar, ze liepen, kuierden, wandelden, stiefelden, marcheerden, slenterden, en stapten. En aan iedereen die hun pad kruiste vroegen ze om een betere routebeschrijving naar hun biologische ouders.
Ze doorkruisten rommelig gestreepte weiden, geheimzinnig zilveren akkers, rijke kleurenpaletten van slootjes en graslanden, en boerenerven met waaiers van klanken.
Toen ze op een dag redelijk moedeloos langs een meertje zaten en in het water staarden, zagen ze twee vogels vliegen. Het leek wel of de gevederde beesten ‘Volg ons! Volg ons!’ riepen, maar waarschijnlijk klonk het meer als: ‘Tjoewiet! Tjoewiet!’
Zonder enige geldige reden spraken broer en zus met elkaar af om de fladderaars te volgen. Niet lang daarna, het was een heerlijke zomeravond, nestelden de vogels zich in een berkenboom, terwijl de eerste ster door de takken scheen. Onder de boom ontdekte broer en zus twee kleine graven, van een jongen en een meisje, van gemiddeld vijf jaar oud, en achter de boom zagen ze een hoeve met een nogal verweerd bord op de voordeur. De jongen en het meisje kregen een warm gevoel. Dit moest het zijn!
Snel begaven ze zich naar binnen, waar ze een man en een vrouw bij het haardvuur aantroffen.
‘Mama! Papa!’ riepen de kinderen in koor. ‘Wij zijn het, jullie verloren kinderen! We hebben jullie zo intens gemist, maar na iets van elf volle jaren van kommer, kwel en wat dies meer zij zijn we nu dan eindelijk weer thuis! Kom hier, beminde vader en moeder, en laat ons jullie knuffelen dat het een aard heeft! Hoezee! Hoezee!’
‘Ja, dat komt nou dus echt niet goed uit,’ zei de moeder, onderbroken door gezucht.
‘Weten jullie wel niet hoeveel papierwerk we voor jullie hebben moeten afhandelen?’ zei de vader, met een misnoegde oogopslag. ‘Dat gaan we geenszins nog een keer doen!’

Het appelgeschil (deel 2)

Ook de twee oudste zoons van de boer met slechts drie zoons deden een poging. Ze hadden zelfs iets ingestudeerd.
‘Ach, nu weet ik zeker dat mijn rikketik links zit. Wat bent u appetijtelijk!’ zou de eerste zeggen.
En de net iets jongere zou vleien met: ‘Dag, adembenemende engel, ik had graag een audiëntie bij de dochter van de schout. Kunt u mij vertellen waar ik kan wachten?’
Allebei werden ze afgewezen, onder luid en akelig gelach.
Het was op den duur zo’n talk-of-the-town dat zoon nummer drie van de boer met slechts drie zoons ook maar eens ging kijken. Hij besteeg zijn paard en reed naar de schoutswoning. Het meisje zag hem al van ver aan komen draven. Het licht was daarbij in zijn voordeel. De zon scheen zo op hem dat het leek alsof hij een der kloekste uniformen droeg. Ze moest even gaan verzitten toen ze dat zo gadesloeg, en haar hart pakte inmiddels ook de tussentellen mee.
Vol verwachting voelde ze in alles de spreekwoordelijke prins op het echte paard naderen.
Toen hij op ongeveer dertig meter afstand van haar was, keerde hij echter ineens om en reed hij terug naar waar hij vandaan kwam.
Boos om de verspilde secretie en dergelijke gooide de meid een van de appels naar de jongeman in de hoop zijn arrogante kop te raken. Deze ving die, geheel tegen de bedoeling in, juist heel handig op, met een tamelijk afkammende lach erbij.
Maar een kwartiertje of zo later kwam het stoere heerschap nogmaals aansjokken op zijn paard, en de schoutsdochter leefde weer op.
‘Zou hij me dan toch komen redden uit dit tranendal?’ dacht ze.
Op een afstand van twintig meter maakte hij wederom rechtsomkeer. Als ze armen van twintig meter had gehad, had ze hem nog kunnen grijpen, maar die had ze niet. Uit puur onvermogen gooide ze daarom een appel naar hem, in de hoop dat die een flinke bult op zijn achterhoofd zou achterlaten. Soepel als een twintig uur gecomplimenteerde vrouw werd die appel echter gevangen, met een affronterende lach erbij.
Een half uur later kwam de boerenzoon nog een keer terug voor een herhaling van zetten, maar nu pakte hij de tienmetergrens om om te keren. Bij het vangen van de appel was zijn lach deze keer honend.
‘Hé, alle appels zijn weg!’ zei de schout, toen hij zijn rondje maakte. ‘Wie zijn de gelukkigen?’
Zijn dochter mokte even en vertelde daarna het gebeurde positiever voor haar dan het eigenlijk was. Prompt floot de schout op zijn vingers om het vervoer te regelen om het land af te struinen op zoek naar die ene prinsachtige.
En zoals men altijd slaagt in de laatste winkel waar men komt, kwamen vader en dochter uiteindelijk ook bij de boerderij waar slechts drie zonen woonden. De oudste twee stonden op dat moment buiten een grashalm vast te houden met hun mond.
De dochter zuchtte. Zou ze haar held ooit nog terugzien?
‘Zijn jullie de enige twee jongens hier?’ vroeg de schout.
‘Ja,’ zei de oudste zoon.
‘Ach, we hebben nog een broertje, maar dat is een klungel,’ zei de andere.
De schout beval die jongeling dan toch maar even te halen.
‘Hij is het!’ zei de dochter, toen de derde zoon aan kwam wandelen.
‘Waar zijn de appels, jongen?’ vroeg de schout.
‘Appels? O, die heb ik aan mijn paard gegeven. Ik hoef je stomme baantje en je vervelende dochter namelijk niet.’

Het appelgeschil (deel 1)

Waar de prachtigste beekdalen het hoogtepunt van het landschap vormen, hier niet ver vandaan, gebeurden eens, lang geleden, erg lang geleden zelfs, maar wel ná het ontstaan van de moderne mens, veel dingen tegelijk. We beperken ons in dit verhaal tot de verwikkelingen van een schout, zijn dochter, drie appels, een boer met slechts drie zoons, die zoons, en een dier met vier benen.
De boer met slechts drie zoons trok op een dag de conclusie dat er elke nacht fruit uit zijn tuin werd geroofd. Omdat hij wilde weten wie of welk dier hiervoor verantwoordelijk was, liet hij zijn oudste zoon de volgende nacht zijn tuin bewaken. Maar die zoon was veel te bang in het donker en hij bleef de hele nacht onder zijn dekens in zijn tentje liggen, dus toen de volgende ochtend weer fruit miste, kon hij niet vertellen wat er gebeurd was. Bij de tweede zoon was het niet anders. Nu had de boer een probleem. Zijn derde zoon was een dromer. Die zat het liefst de hele dag in het vuur te turen. Om een boodschap kon je die eigenlijk niet sturen. Zelfs als hij ging wandelen liep hij altijd tussen het geijkte en het glooiende pad in. Hij was volgens velen een getroebleerde van het zuiverste water. Maar ja, de boer had al helemaal geen zin om zelf een nacht buiten in de kou te zitten, dus hij gaf de opdracht toch maar aan zoon nummer drie. Die derde zoon was ook angstig in het donker, maar hij had eveneens een zwakke blaas, en toen hij ergens in de nacht even de tent uit moest om te gaan plassen, zag hij een paard dat vrolijk van het zoete fruit in de tuin aan het smikkelen was. De jongen ving het paard en besloot het te houden, maar wel stiekem, want een paard was een duur bezit in die tijd, en hij wilde niet dat het beest zou worden afgepakt door een van zijn gemene oudere broers. Voedsel voor de viervoeter zou hij van de buren jatten, en daarmee was de kwestie van het gestolen fruit uit eigen tuin opgelost. De boer nam er genoegen mee. Vanaf die dag bleef de tuin immers onverstoord. En waarom vragen stellen dan?
Iets verderop woonde de schout. Hij werd wat ouder en zocht een opvolger. Tevens vond hij het tijd worden dat zijn dochter eens ging trouwen. Slim als hij was besloot hij de twee taken te verenigen. Dus zette hij zijn dochter in de etalage. Uit de gegadigden zou de dochter dan als eerste schifting drie kandidaten kiezen met het uitdelen van drie uitheemse appels (van een exotische plantage van de schout). Het tweede deel van het sollicitatieproces zou daarna door de schout uitgevoerd worden door middel van een onvriendelijk gesprek.
Van heinde en verre kwamen jongelingen op het baantje af. Schout was een topbaan in die tijd. Niet alleen hoefde je dan niks te doen, maar je hoefde er tevens niks voor te weten en te kunnen. Het was daarom niet gek dat het aanbod groter was dan de vraag. Maar de schoutsdochter was nogal maltentig. Zij wilde een man die knap én attent was. (Zelf was ze heel spontaan, vond ze.)
Rijen vrijers in potentie werden door haar afgewezen. Stoeten van mogelijke vaders wees zij de deur; de een had te lange vingers, een ander had al een vriend. Woorden als ‘Geef mij een van uw vruchten en ik zal u mijn leven geven’ raakten haar niet. De o zo exotische appels kwamen immers van een verre plantage en konden dus niet zomaar gelijkgesteld worden aan het leventje van een of andere makelaar of heksenjager in opleiding.

De varkensprins

Daar waar eekhoorns dooreen van tak naar tak huppelen, en dan iets verder doorlopen, tot ongeveer halverwege de horizon, hier niet ver vandaan, leefde eens een meisje dat met een prins wilde trouwen. Maar prinsen zelf willen natuurlijk helemaal niet trouwen. Toen wilden ze dat niet, en nu nog steeds niet. Dat was ongeveer het eerste voorrecht dat prinsen zichzelf toe-eigenden. Want als je altijd en overal gratis fastfood kan eten, waarom zou je dan een abonnement op bijvoorbeeld Burger King nemen?
Maar het trouwlustige meisje gaf niet zomaar op. Ze moest en zou een prins strikken. Daar had ze alles voor over. Alles, maar haar wens om met een prins te trouwen natuurlijk niet. En ze maakte er geen half werk van. Zo las ze onder andere ieder boek dat in de bibliotheek over prinsen te vinden was. En ook kranten en andere periodieken pluisde ze altijd helemaal door om verhalen te vinden over jongemannen met die voor haar zo aantrekkelijke adellijke dan wel vorstelijke titel.
Via via hoorde ze op een dag over een prins die een draak had verslagen en door een heks in een varken was getransformeerd. Alleen de liefde van een verse maagd zou de arme prins nog van zijn betovering kunnen redden. Na een jaar huwelijk vol toewijding zou het varken plotsklaps weer veranderen in een jonge, knappe, gespierde, door draken gevreesde en tienen op school halende prins.
Nou, dat zag de meid wel zitten. Ze trok een paar makkelijke stoute schoenen aan, en ze ging op pad.
Onderweg vroeg ze aan elk varken dat ze tegenkwam: ‘Vertel eens over die draak!’
Als het bewuste varken zou reageren op een verwarde manier, dat hij niet zou weten welke draak ze überhaupt bedoelde, dan wist ze dat dat varken niet de betoverde prins kon zijn, maar als het beest een stoer overwinningsverhaal liet horen, dan wist ze dat het raak was.
Acht krulstaarten later was het zo ver. Het verslag dat het varken deed was zo spannend en liet de draak met zo veel eer gedood worden, dat het niet anders kon dan dat het hier om de betoverde prins ging.
Ze trouwden en gaven een ongeëvenaard groot feest in taveerne Het Bolle Veenlyck voor al hun evenhoevige en tienvingerige vrienden.
Na een jaar had de prins nog steeds alle kenmerken van een varken, zoals een voorliefde voor het spelen in een mengel van zand en water. En steeds vaker als de inmiddels niet meer zo heel erg maagdelijke meid naar haar echtgenoot keek met zijn neus voor truffels, besefte ze dat zij toch echt geen truffel was en ook nooit zou worden. Dat hij ’s nachts snurkte, kon ze nog wel verdragen, maar het lukte haar naar verloop van tijd niet meer om dat geknor overdag van hem nog te verkroppen.
Het was evenwel een kwestie van afwachten, wist ze. En omdat zowel zij als haar wiskundeleraar niet goed in rekenen was, dacht ze dat ze zich misschien vergist had tijdens het tellen van de dagen, dus ze besloot het nog even aan te kijken, maar na een paar weken vroeg ze toch eens aan haar manlief: ‘Maar je zou toch in een prins veranderen?’
‘Nee, dat is mijn broer,’ antwoordde het varken, en hij ging vrolijk door met het eten van alle voedingsmiddelen in huis die eigenlijk niet meer goed waren.

Het bosbuitenbeenblok

Hier niet ver vandaan stonden eens zo veel bomen bij elkaar dat ze door de mensen die in de omgeving woonden een bos werden genoemd. Goede raad was duur in die tijd, maar als je hooguit middelmatige raad wilde dan kon je dat gratis krijgen van een oude man die in dat bos, dat volgens sommige bewegwijzering ook ‘het betoverde bos’ heette, op weekdagen woonde, en wel naast een fontein.
Op een goede vrijdag trok een boerenzoon naar het bos omdat hij zich tamelijk onbeduidend wilde laten adviseren. Zijn plan was het namelijk om zelf ook een bos te beginnen, maar hij wist niet hoeveel bomen hij daarvoor nodig had.
Precies halverwege het bos kwam hij een zonderling tegen.
‘Dit is toch het betoverde bos?’ vroeg de boerenzoon aan de zonderling.
‘Betoverde bos? Nee, hoor,’ zei de zonderling, terwijl hij met zijn linkerhand een paar klitten uit zijn lange, grijze baard probeerde te halen en met zijn rechterhand tegen een niet per se daarvoor geschikte eikenboom leunde. ‘Hoe kom je daarbij?’
‘Dat stond te lezen op dat bord daar bij het begin van het bos.’
‘Nee, er staat BEUKENBOS.’
‘Nou, dan heb je een belabberd handschrift.’
‘Weet ik. Vroeger ben ik er veel om gepest.’
‘Maar je bent toch wel Merlijn, hè?’
‘Merlijn? Nee, ik ben Antoine. Mijn denkbeeldige vrienden noemen me Twan.’
‘O, dan zoek ik verder. Die Merlijn moet hier namelijk ergens wonen.’
‘Hier woont verder niemand, hoor. En ik ken ook geen Merlijn. Van wie heb je die informatie?’
‘Van die hovenier met dat rare accent die in het dorp hier verderop woont.’
‘Van der Steen? Maar die is ook niet te verstaan. Ik dacht ooit een heel gesprek lang dat hij het over drie buxusscharen had, maar hij bedoelde er maar twee. Zo onduidelijk praat die vent.’
‘Nou, waarschijnlijk moet ik dan toch bij jou zijn. Ik heb namelijk raad nodig.’
‘Mag ik raden waarvoor?’
‘Ga je gang.’
‘Je hebt raad nodig omdat je iets wilt weten. Is dat het?’
‘In één keer goed! Hoe doe je dat?’
‘Geen idee. Het is een gave denk ik.’
‘Een keigave zelfs! Maar nu mijn vraag: hoeveel bomen heb je nodig voor een bos?’
‘Da’s een makkelijke. Het minimale aantal bomen dat je nodig heb voor een bos is precies één meer dan je denkt, omdat je namelijk altijd één boom moet kappen om bordjes van te maken met de naam van het bos erop.’
‘Helder! Ik ben blij dat ik gekomen ben.’
‘Graag gedaan.’
‘Mag ik zo onbeleefd zijn om te vragen wat eigenlijk de bedoeling is van die fontein midden in het bos?’
‘Ach, dat was een hype. Een paar jaar geleden wilde iedereen er een. Maar ja, als je een hype niet goed bijhoudt, dan wordt het vanzelf een fontein.’
Inmiddels verstrooiden stofdeeltjes in de lucht het zonlicht al aardig, en het azuur van de hemel begon zichtbaar plaats te maken voor verschillende roodtinten. Van alles wat de boerenzoon geleerd had, was hij een flink stuk gegroeid, en hij verliet het bos lang en gelukkig.

Manneke Janneke

In de tijd dat hertogen doorgaans Jan heetten, heetten veel mensen Jan, waaronder de Jan van dit verhaal, wiens wieg lag waar de jeneverbesstruwelen al eeuwen welig tieren, hier niet ver vandaan, en waar het kalkrijke rivierwater al even lang de hooilanden bevloeit. Alleen werd onze Jan geen Jan genoemd, maar Janneke, omdat hij zo klein was. Kleiner dan een voet was hij, en dan bedoelde men een Bossche of een Antwerpse voet, niet een van zijn eigen voeten, want van surrealisme was men toen nog niet gediend. Nee, Janneke was slechts iets van een turf hoog. Een gangbare kerktoren had dus ongeveer tweehonderd keer de hoogte van Janneke. En dan hebben we het dus over een aantal Jannekes op elkaar, niet over Jannekes naast elkaar, want daarmee meet je de breedte, en die is bij een toren doorgaans gelijk aan de lengte. Maar voordat het te verwarrend wordt, gaan we door met het verhaal.
Jannekes ouders vonden het niet erg dat hij zo klein was. Ze waren juist zo blij als een kind dat de kermis hoort met hem. Als ze bijvoorbeeld in een echt huis hadden gewoond en ze hadden zich per ongeluk buitengesloten, dan hadden ze Janneke door het wc-raampje kunnen laten kruipen om van binnen de deur open te doen. Of als ze zwaar en haast onverplaatsbaar meubilair hadden gehad en er was een cent of zo onder de kast gerold, dan had Janneke dat eenvoudig weer even kunnen pakken. Het had dus tal van voordelen zo’n miniatuurzoon.
Qua kleding was Janneke geen kostenpost. Elke ochtend zette zijn moeder met liefde, eikenbladeren, spinnenwebben, appelschillen en muizenvellen een nieuw tenuetje voor hem in elkaar. En Janneke was gelukkig absoluut niet modebewust. Wel was hij erg kieskeurig wat voedsel betreft. Als ze erwten aten moest zijn moeder bijvoorbeeld altijd een stuk of vijf erwten iets eerder uit de pan halen, omdat Janneke nogal van een bite hield.
Verder was Janneke een normale jongen. Hij maakte graag huiswerk, maar wilde daarnaast ook niets liever dan zijn ouders helpen met hun dagelijkse werkzaamheden.
‘Ik hou heel veel van jullie,’ zei Janneke vaak tegen zijn ouders.
‘Wij houden relatief gezien nog meer van jou,’ was dan altijd het antwoord in koor.
Op een dag begeleidde Janneke zijn moeder naar het veld om de koeien te melken. De zon scheen fel, dus hij besloot onder een distel te gaan schuilen, en het duurde niet lang voor hij daar in slaap viel. Toen hij wakker werd zat hij in een koeienmaag. De bezitter van de maag had hem tijdens het grazen opgeslokt. Van binnenuit kon Janneke niet goed zien of hij nou in de boekmaag of in de lebmaag zat, maar hij begreep dat er eigenlijk niets anders opzat dan te wachten tot de natuur hem weer aan het zonlicht bloot zou stellen.
Na een dag of twee viel Janneke inderdaad in het weidegras, omringd door de te verwachten koeienvlaai. Zo goed als het kon veegde hij de drek van zijn lijf en hij trok met opgeheven hoofd naar zijn ouderlijk huis. Hij had immers wel ergere dingen meegemaakt.
Thuis bleken zijn ouders hem nog niet gemist te hebben. Ze waren hem wel vaker kwijt. Bovendien was hun bestaan zo ingericht dat ze zich niet om alle kleine dingen druk konden maken. Toch waren ze blij dat hij er weer was, want een van vaders tanden was in de wc gevallen.
En Janneke waste zich twee keer die maand!

Het tsarenbezoek

Er was een tijd waarin het hip was voor koningen, keizers, sultans en wat dies meer zij om op werkbezoek te gaan in andere landen, en precies in die tijd bracht een tsaar, waarschijnlijk uit Rusland, een excursie naar onze streek, en zo kwam hij ook in een gemeenschap op de grens van zand en klei, hier niet ver vandaan, waar de populieren op dat moment op hun fierst waren.
Hij luisterde hier onder andere naar een lang en veel te theoretisch verhaal van een onder zenuwtrekjes bedolven magistraat, waarin hem alles haarfijn werd uitgelegd over het belastingsysteem van het gebied.
‘Ik noem het graag het Robin-Sok-systeem,’ zei de betreffende magistraat, terwijl hij tergend langzaam zijn handen waste. ‘We verdelen het tolgeld hier voornamelijk onder de rijken. En dat stelt hen dan in staat om kansen te creëren voor de minder bedeelden. De gelden sijpelen daarmee als het ware als vanzelf naar beneden. Eerlijker dan via de welgestelden gaat dat eigenlijk niet.’
Onder de indruk van het economische stelsel dat wel een vrucht van altruïsme en empathie moest zijn, en omdat hij afgeleid was door de machtige zomereiken die zijn ogen streelden, raakte de tsaar later die dag de weg kwijt. Het deerde hem niet. Te veel was hij bezig al lopende zijn aantekeningen van die dag door te nemen. Maar toen het begon te regenen, ontdekte hij dat het land niet overdekt was. Hij stopte zijn schrift weg en zocht aan de horizon naar een schuilplaats.
De regen kreeg een serieus karakter en binnen iets meer dan een mum van tijd hadden alle kledingstukken van de tsaar – zelfs zijn ondersokken – het maximum bereikt aan wat ze aan vocht op konden nemen. Toch vond hij het nog de volledige moeite waard om onderdak te zoeken. Ergens tussen alle waterstralen door zag hij even later een zacht schijnsel, en om uit te vissen of daar misschien een plek was waar hij droog kon zitten, liep hij, armen en kin vooruit, die kant op.
Het licht kwam inderdaad van een klein huisje, meer een hutje, waar een moeder en haar twee mooie, jonge dochters bleken te wonen. De vrouwen nodigden de doorweekte vreemdeling uit om comfortabel aan de centrale tafel te komen zitten.
‘Rust maar even lekker uit,’ zei een van de dochters. ‘Hier heb ik gekookte zoete wijn en een geroosterde appel voor u.’
En terwijl de tsaar een hap en een slok nam, viel de moeder onsmakelijk snurkend in slaap, en kwam de andere dochter met een grote doek aanlopen. Sensueel maar grondig knepen de twee juffers het water uit het druipende haar van de tsaar. Ook droogden ze, al even behaaglijk, zijn gezicht en nek. De wangen van de tsaar waren opnieuw rooskleurig. Maar de dochters hielden ineens resoluut op met hun verzorgende handeling en ze borgen de doek op in de kast naast het tuingereedschap.
‘En de rest van mijn lichaam dan?’ vroeg de tsaar verbaasd en ietwat gegriefd.
‘O, maar dat ontwatert vanzelf. De initiële accumulatie van droogte wordt immers van boven naar beneden doorgegeven. Zo leren wij dat hier van onze magistraat,’ zeiden de meiden in koor.
De tsaar legde zijn schriftje bij het oud papier en ging braafjes naast de moeder zitten om met dezelfde frequentie, maar een terts lager, mee te kunnen snurken.

De klompenmannen

Ergens halverwege de jaren stillekes reisde een koopman door deze streek, waarbij hij een nachtelijke tussenstop maakte in herberg Het Mottige Hert, net voorbij de hei met de halve heuvels, hier niet ver vandaan. De koopman was de enige gast die avond, en toen de waard van de herberg hem vroeg even op de zaak te passen, kwam zijn wantrouwen jegens mensen buiten de stad hem daarbij allerminst van pas.
‘Van de vierendertig pasteitjes die ik gisteren gegeten heb, was er waarschijnlijk een bedorven,’ zei de herbergier. ‘Neem het me dus niet kwalijk dat ik even langdurig de kakdoos ga inspecteren. Mocht er in mijn afwezigheid iemand aankloppen, vraag dan eerst wie het is, voor je de deur ontgrendelt.’
En weg was de waard. De koopman bleef verward achter. Hoe moest hij weten wanneer hij de deur absoluut niet open zou moeten doen? Men wist immers nooit wat er in deze achtergestelde gebieden voor rouwdouwers rondliepen. Hij besloot bij het vuur te gaan zitten, met duidelijk zicht op de deur, waar de wind dreigend tegenaan bonkte.
Niet lang daarna werd er geklopt. Voorzichtig schuifelde de koopman naar de deur.
‘Wie is daar?’ vroeg hij, nadat hij zijn keel geschraapt had.
Korte tijd was het stil.
‘Ik ben een man met drie klompen,’ klonk het toen.
De koopman vond het een raadselachtig antwoord, maar hij gaf de vreemdeling het voordeel van de twijfel en opende de deur. Een man met een klomp in zijn hand en twee klompen aan zijn voeten liep met gebogen hoofd binnen en ging zwijgend bij het vuur zitten. Hij zag er tamelijk onschuldig uit. Wat hij met die extra klomp moest, was de koopman een mysterie, maar dorpelingen hielden er volgens hem wel vaker curieuze gebruiken op na. De koopman ging evenwel in een hoek van het lokaal zitten om zowel de klompenman als de deur optimaal in de gaten te kunnen houden. Enige tijd later werd er opnieuw geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg de koopman, met een kleine kraak in zijn stem.
‘Ik ben een man met twee klompen,’ klonk het, na enig aarzelen.
Een klomp minder kon nog minder kwaad, dacht de koopman, en hij opende de deur. Een man met inderdaad twee klompen, aan zijn voeten, sjokte binnen en ging zwijgend naast de man met drie klompen zitten. De koopman nam zijn plek in de hoek weer in. Met plattelanders kon je niet voorzichtig genoeg zijn, vond hij, het zijn brute wezens die zelfs zichzelf niet kunnen vertrouwen. Na een lange stilte werd er wederom op de deur geklopt.
‘Wie is daar?’ vroeg de koopman, inmiddels redelijk nerveus.
‘Een man met maar één klomp,’ was het antwoord.
Voorzichtig, maar toch enigszins nieuwsgierig opende de koopman de deur. Tegelijkertijd stonden de twee mannen bij het vuur op en liepen naar de koopman toe.
‘Ah, daar ben je eindelijk, Jan,’ zei de man met de twee klompen. ‘Piet hier heeft je klomp gevonden. Kom, we gaan naar huis. We zijn allemaal moe en het is al laat.’
En toen de klompenmannen net waren vertrokken, kwam de herbergier weer van achteren binnen.
‘Ik was nog vergeten je te vertellen over de klompenbende,’ zei hij. ‘Maar ik wilde je niet verontrusten. En zo te zien is er niks gebeurd.’

De bakkerszoons kat

Daar waar de zon de kleurrijkste vreugde over de aarde strijkt, hier niet ver vandaan, leefde eens een uitzinnig krenterige bakker. Niet dat hij zuinige broodjes bakte, nee, zijn klandizie had niets te klagen over alle luxueuze lekkernijen die hij altijd te bieden had. Maar voor zichzelf en zijn gezin was de bakker uiterst vrekkig. Hij gaf nog geen kwart van een tinnen munt uit om hun inmiddels vervallen huisje enigszins op te kalefateren, en ook voor nieuwe kleding vond hij elke cent er een te veel. Om geld te besparen at de bakker zelfs amper. Als er al voedsel in huis kwam dan was het het oude brood van de bakkerij. Dat werd dan eerst even natgemaakt, want de bakker wilde niet dat zijn naasten droog brood aten.
De slechte hygiëne en het povere dieet gingen de meelverwerker op den duur parten spelen, en op een voor hem en zijn familie niet zo’n goede dag ging hij dood.
De bakkerszoon plande altijd alles goed in zijn leven, en daarmee was hij zijn tijd ver vooruit, maar het sterven van zijn vader zat gek genoeg niet in zijn planning die week. Sterker nog: het verscheiden van zijn oude heer veranderde heel wat in zijn toekomstige activiteiten, want de bakker had door zijn zuinige, gierige aard een redelijk fortuin achtergelaten. Na drie dagen tellen kwamen de bakkerszoon en zijn moeder tot de ontdekking dat ze genoeg geld hadden om de rest van hun leven rustig luierend uit te zingen.
Die nacht kreeg de bakkerszoon – nadat hij zijn honger gestild had met wat paddenstoelen uit het bos – een rare droom. In die droom werd hem verteld dat hij het kapitaal van zijn vader aan de armen moet geven, omdat anders zijn moeder ook snel dood zou gaan. Wat hij, na het weggeven, op zijn pad zou vinden, zou hij dan mogen houden.
Met pittige twijfel en minstens het dubbele aan wantrouwen werd hij de volgende ochtend wakker, maar toch besloot hij zijn visioen te volgen en elke penning aan de Kerk te doneren, want hij hield toch wel erg veel van zijn moedertje.
Op de terugweg naar huis kwam hij een kat tegen. Om zijn droom niet tekort te doen, nam hij deze kat onder zijn arm. Thuis wilde hij toch nog enigszins trots de kat aan zijn moeder laten zien, maar deze was helaas tijdens zijn afwezigheid over een stuk brood uitgegleden en gestorven.
Gedesillusioneerd trok de bakkerszoon hierop de wereld in, en de kat trippelde achter hem aan.
Al zwervend ondersteunde hij zichzelf met allerlei baantjes, niet altijd even plezant, maar na een paar maanden kreeg hij de kans om in de keuken van de hertog te komen werken als koksknecht. De kat was nog altijd aan zijn zijde. En terwijl de bakkerszoon in zijn hoedanigheid als koksknecht aan het sjouwen, schillen, kneden en schrobben was, ving de kat alle ratten in het kasteel.
Het ratloze slot viel de hertog op een gegeven moment op, en toen hij erachter kwam dat de kat verantwoordelijk was voor die prettige orde, liet hij de bakkerszoon alias koksknecht bij zich komen.
‘Ik wil graag je kat kopen,’ zei de hertog, daarbij zelfverzekerd wijzend op zijn trouwrijpe dochters en op een grote zak geld. ‘Noem je prijs.’
De bakkerszoon keek rond en dacht lang en diep na, of gaf in ieder geval die indruk.
‘Nou, als je het zo stelt,’ zei hij triomfantelijk. ‘Dan wil ik mijn kat wel ruilen tegen die hond daar.’
In de hoek lag een stinkende, schele, van het vele ademhalen vermoeide hond, en onze bakkerszoon had altijd al een hond willen hebben, dus hij kon zijn geluk niet op.