Het urineorakel

Een beetje naar het zuiden toe, hier niet ver vandaan, niet per se op een steenworp afstand, maar wel met die bewuste steen (en paard en wagen) toch zeker binnen een dag te bereiken, is reïncarnatie nog echt een levend begrip. Alleen noemen ze het daar geen reïncarnatie, maar wedergeboorte, omdat ze reïncarnatie niet goed uit kunnen spreken. En het gaat dan om een kleine jongen die met het ledigen van zijn blaas de mensen om hem heen kan helpen of in ieder geval informatie kan verschaffen om gefundeerdere beslissingen te nemen.
In wellicht het oudste verhaal dat van hem bekend is, stammend uit het jaar 1142, ten tijde van de Grimbergse Oorlogen, wees de tweejarige uitverkorene de troepen van de graven van Leuven de goede kant op door in die richting op het slagveld te gaan pissen. De vijand, het geslacht van Berthout, trok niet lang daarna zijn keutel in.
In een ander verslag, ergens uit de veertiende eeuw, kwam de jongeling in de winter op een landweg een priester tegen die kou aan het lijden was omdat hij zijn wollen muts thuis had laten liggen. Het kleine manneke twijfelde geen seconde en piste over de kale kop van de predikant zodat die het weer lekker warm kreeg.
Elke zoektocht naar de nieuwe hergeboorte van het jochie is altijd weer een uiterst secure onderneming. De kandidaten worden onderworpen aan een strenge selectie, waarbij het herkennen van voorwerpen een belangrijk onderdeel van de test uitmaakt. Om een oude sok te kunnen onderscheiden van een natgepiste oude sok is bijvoorbeeld een speciale gave nodig. Een gave die wel moet putten uit herinneringen van het kind in diens vorige incarnatie.
Misschien wel het bekendste relaas van ons baasje is afkomstig uit halverwege de zestiende eeuw. Er was al weken geen neerslag meer gevallen en de oogst van bijna alle boeren uit de streek dreigde te mislukken. Gelukkig kwam ons jofele gozertje te hulp. Voor het gemeentehuis piste hij MORGEN GAAT HET REGENEN in het dorre, schrale zand. En ja hoor, de volgende dag viel de regen met bakken uit de lucht. De oogst was gered, en de bakken konden de mensen goed gebruiken om water in op te slaan voor een volgende droge periode.
Ook een leuke vertelling over het ventje dateert van zo’n tweehonderdvijftig jaar terug. Een burgemeester uit de buurt wilde net een flinke lepel poempaaipap opscheppen om zijn honger te stillen, toen hij zag dat zijn bord vies was; er lagen maar liefst vier broodkruimels op! Maar meer geluk kon de beste man die dag niet hebben, want daar kwam om de hoek ineens onze broekloze bengel aan.
‘Wees niet bevreesd,’ zei deze redder in nood, ‘en geef uw bord maar hier. Ik heb dit probleem voor u in no time opgelost.’
Het moge duidelijk zijn dat het serviesgoed binnen een minuut weer helemaal gewassen was. Het bord glansde als het voorhoofd van een puber, en de burgervader kon zijn smaakpapillen het mooiste feest ooit geven. Maar voor hij hiervoor zijn weldoener kon bedanken, was het knaapje er al vandoor.
Wat bleef en blijft zijn de verhalen. De goede daden van het manneke zijn bijna niet te tellen, en het laatst is hij gesignaleerd in Brussel.

De vliegende vogel

Daar waar ons riviertje het minst meandert, waar de kruiden en bloemen de soms zelfs purperen zonsondergang van een passende geur voorzien, waar de vesperklokjes van het dorp nog net te horen zijn, hier niet ver vandaan, lagen de jongeren uit de buurt vroeger vaak te rusten als er belangrijke werkzaamheden te doen waren. Het was tijdens een van deze sessies dat er eens twee broers op hun rug in het gras lagen met hun handen achter hun hoofd. Een broer was ouder dan de andere, en dat wisten ze ook van elkaar.
Ze verveelden zich heel erg, die twee. Meer nog dan een al twintig jaar oude dode. Maar natuurlijk minder dan een twintig jaar oude dode die zo slim was geweest om een boek mee te nemen.
Om de saaiheid wat weg te jagen besloten de twee broers elkaar attent te maken op dingen die ze zagen.
‘Kijk daar,’ zei de jongste broer, ‘Marieke en Marijke zijn naakt aan het zwemmen, daar links.’
‘O, kan gebeuren. Maar kijk daar! Een veldmuis!’
‘Echt waar? Waar?’
Zo ging het wel een half uur over en weer. Ze zagen in die tijd achttien veldmuizen (waarschijnlijk steeds dezelfde), zes populieren (gegarandeerd steeds dezelfde), tweeënzestig mieren, een ondefinieerbaar aantal wolken, en nog veel meer.
‘Hé, daar, die vogel!’ zei de oudste broer opeens. ‘Die vliegt raar.’
‘Waar?’
‘Nou, daar!’
‘O, maar die vliegt niet. Dat is een luchtspiegeling.’
‘Een luchtspiegeling?’
‘Ja, richt je blik maar even op de rivier voor ons. Daar drijft een dode vogel. Zie je?’ zei de jongere boer. ‘Kijk, zo’n luchtspiegeling ontstaat wanneer er een laag warme lucht boven een laag koude lucht hangt. Normaal beweegt licht zich voort door de lucht in een rechte lijn, maar door het temperatuurverschil van de twee luchtlagen wordt het licht gebroken. De lichtstralen buigen naar beneden af.’
De oudere broer begon wat in zijn neus te peuteren.
‘Want, weet je, normaal gesproken daalt de temperatuur naarmate je hoger in de atmosfeer komt,’ ging de jongere broer verder. ‘Maar bij een plotselinge temperatuurstijging, een inversie, verandert de richting van het licht.’
‘Dus?’ zei de oudere broer, na een met moeite onderdrukte gaap.
‘Dus je ziet eigenlijk het licht van de vogel dat naar boven gestraald is. Snap je?’
‘Ja, ja,’ zei de oudere broer, ‘dus die vogel heeft een soort magische krachten.’
Op dat moment kwamen Marieke en Marijke langslopen.
‘Hebben jullie ons niet gezien net?’ vroegen de meisjes aan de broers.
‘Ja, nou, ja, op zich wel,’ zei de oudere broer, ‘maar we zagen ook die dode vogel daar die toch nog kan vliegen.’
‘Nogmaals, dat is geen vliegende vogel!’ zei de jongere broer geïrriteerd. ‘Dat is een spiegeling! Als je goed kijkt zie je ook dat-ie op z’n kop hangt.’
‘Ja, wat knap van die vogel. Dat hij gewoon op zijn kop kan vliegen! Ik kan nog niet eens op mijn kop staan!’
‘Maar ík kan wel op jóuw kop staan.’
En terwijl de beide broers oeverloos door bleven kibbelen, waren de twee meisjes al snel met het blote oog niet meer te zien.

De stoppende tapper

Voorbij de rietvelden, waar ooit de heksen het hout voor hun brandstapels sprokkelden, voorbij de moerassen en de stilstaande molens, daar waar de muizen graag een huis hadden gezien en nog steeds alles nat wordt als het regent, hier niet ver vandaan, liep eens een dorstige boer zich met zichzelf te bemoeien.
‘Hé, dorstige boer!’ hoorde hij iemand roepen, maar hij reageerde niet, omdat hij van mening was dat hij echt niet de enige dorstige boer was die daar liep.
‘Ja, jij daar,’ klonk de stem weer.
Nu keek de dorstige boer wel, want met ‘jij’ werd hij wel vaker bedoeld. Hij zag een oude grijsaard die zijn haren wit had geverfd.
‘Bent u dorstig, goede vriend?’ zei de grijsaard.
‘Ja,’ zei de dorstige boer, ‘ik zou zelfs aqua tofana kunnen drinken.’
‘Wablief?’
‘Aqua tofana, een mengel van de oxides van lood en arseen, en dan nog wat antimoon erbij, geloof ik. Dat is in ieder geval de basis.’
‘Ken ik niet,’ zei de grijsaard. ‘Maar ik heb een geheim dat ik met je wil delen. Puur uit altruïsme. Want zo ben ik.’
De grijsaard vertelde over een herberg in de buurt, Hoeve De Halve Waarheid, waar je gratis kon drinken als je ‘Tap, waarde waard, tap!’ tegen de waard zei. De bewuste waard bleef dan tappen tot je ‘Stop, waarde waard, stop!’ had gezegd.
‘Dus als ik wat te lessen heb, gebruik ik de eerste formule,’ zei de dorstige boer, met een combinatie van een glinstering en een fonkeling in zijn ogen, ‘en als ik mijn dranklust bevredigd heb, hoef ik alleen nog maar die tweede spreuk te uiten?’
‘Precies!’ sprak de grijsaard precies.
De dorstige boer bedankte de gekke, oude man, en ging het zojuist geleerde meteen uitproberen. (Nou ja, niet meteen. Eerst ging hij nog even ergens iets drinken.) En het werkte! Toen hij ‘Tap, waarde waard, tap!’ tegen de waard zei, ging de beste man tappen, en toen hij ‘Stop, waarde waard, stop!’ tegen hem zei, stopte hij met tappen. Vol wijn en enthousiasme rende de boer naar huis om zijn ervaring aan al zijn vrienden te vertellen. Met z’n tweeën gingen die direct daarop naar De Halve Waarheid om het ook te beproeven.
‘Tap, waarde waard, tap!’ zeiden ze in koor tegen de waard, en ze vulden hun gezellige buikjes met bier en wijn.
Al gauw hing er vrolijk gezang in de lucht, en was de sfeer met geen mogelijkheid meer te snijden. Ze konden hun geluk niet op en hun drank nog wel, maar na een uur of acht hadden de twee vrienden echt wel genoeg gedronken.
‘Ja, doe nu maar ophouden met tappen,’ zeiden ze samen, maar niet al te synchroon.
De waard ging – uiteraard – gewoon door met tappen.
‘Ho maar, het is wel genoeg zo!’ zei er een.
‘Beetje van de stopperdestop doen is wel oké nu. We hebben zat gehad, zeg maar!’ zei de ander.
Beide keren veranderde er niets. Vergeefs probeerden de twee maten nog twee of drie commando’s om het tappen te laten stoppen. Maar ze waren de toverformule blijkbaar vergeten. En dus gingen ze gewoon naar huis, want ze realiseerden zich dat het hun eigenlijk helemaal niets uitmaakte dat de waard in hun afwezigheid door bleef tappen.

Over het naammaken

Daar waar de natte loofbossen, de schrale graslanden en de welige waterplassen bij elkaar komen, hier niet ver vandaan, waar ooit de vlottende waterranonkel het hoofdbestanddeel van boeketten was en de bunzing vaker dan men zou verwachten als tussendoortje fungeerde, leefde eens een burgemeester met zijn vrouw en hun zoons, die om privacyredenen geen naam kregen.
De broers, alle drie als gevolg van het heersende nepotisme gedoemd om burgemeester te worden, gingen hun eigen weg, en vestigden zich elk in een ander stuk land. Een trok naar de kleigronden, een toog naar de veengebieden, en een, de naamloze held van dit verhaal, zocht zijn heil iets verderop, ergens tussen de zandcontreien, de zandzones, de zanddistricten, en de zandrayons.
De naamloze zandburgemeester regeerde toen nog over een terrein dat geen naam had. Maar daar zou verandering in komen. Zijn broers, de klei- en veenburgemeesters, kregen het namelijk, samen met hun onderdanen, aan de stok met de mensen die doorgaans op löss liepen. Ze hadden al een omrastering gebouwd en ze hadden zich een ander dialect aangemeten, maar niets scheen te helpen tegen het ongure lössvolk. Op den duur konden ze niet anders dan hun broer, de zandburgemeester, om hulp vragen, en ze stuurden een boodschapper.
Deze bode had echter moeite om bij de zandburgemeester te geraken. Omdat de verschillende streken en plaatsen geen namen hadden, waren er ook geen naambordjes, laat staan wegwijzers.
‘U ziet er verdwaald uit. Kan ik u helpen?’ zei men onderweg tegen onze gezant.
‘Ja, ik moet bij een of andere burgemeester zijn,’ gaf hij dan als antwoord.
‘Welke dan? Hoe heet hij?’
‘Tja, dat weet ik niet,’ moest hij dan toegeven.
Stomtoevallig kwam de koerier na ongeveer veertig minuten dan toch bij de zandburgemeester uit. Hij deed zijn verslag, met de bijbehorende vraag of de bewuste burgervader te hulp wilde komen. Nou, dat liet deze zich geen twee keer zeggen, maar drie keer, en omdat hij nog geld van zijn broers kreeg, ging hij stante pede mee met de heraut om de lösspiepeltjes een lesje te gaan leren.
De wind stond goed. De vijand viel met zand in de ogen en bijtend in het gras, maar niemand slikte het door. Van de lössfiguren had daarna nooit meer iemand last.
De mensen waren blij. Met klei maakten ze iets wat een grote steen moest voorstellen en ze boden dat de zandburgemeester aan. Met veen werd hetzelfde gedaan.
‘Lang leve die man daar die die boodschapper daar heeft meegebracht! Alles is schoon en vruchtbaar nu, maar er is nog steeds één fout: het ontbreekt aan een naam voor waar wij wonen!’ riep iedereen.
‘Ik kan jullie wel helpen met het bedenken van namen,’ zei de zandburgemeester lachend, en hij pakte een blocnote en een pen.
‘Nee, dat lukt ons zelf wel,’ zeiden de mensen.
En zo kwam het dat de plekjes en plaatsjes in onze buurt allemaal een andere naam hebben. (Om de persoonlijke levenssfeer van eenieder echt te beschermen was het natuurlijk beter geweest als alles en iedereen dezelfde naam had gehad, maar dit, ook namens Eric Pluimakers uit Tilburg, geheel terzijde.)

Groot en sterk

In een huisje dat door een wal van lijsterbessen werd beschut van het dorp, hier niet ver vandaan, daar waar het zand als los zand uit elkaar valt, en waar de adder en het lieveheersbeestje al eeuwen niet meer met elkaar praten, leefde eens een vriendelijke beul. Een verschrikkelijk vriendelijke beul, mag wel gezegd worden. Niet alleen collega’s waren zeer over hem te spreken, maar ook bij verschillende klanttevredenheidsonderzoekjes werd geen enkele negatieve klank over hem geuit.
En de beul was een knappe man. Als hij zijn kap afdeed gingen alle vrouwen voor de bijl. Makkelijk had hij er een stuk of tien vriendinnen op na kunnen houden, maar hij was een nette vent. Hij trouwde en hield het bij die ene vrouw. Want poespas was aan hem niet besteed. Hij deed het bijvoorbeeld ook al heel zijn leven met dezelfde bijl, en die hoefde van hem niet eens geslepen te worden.
De beul en zijn vrouw (de beulin, zoals de dorpsgenoten haar noemden) wilden graag kinderen, en het liefst via de natuurlijke weg, want stelen was in die tijd illegaal. Maar hoe ze het ook probeerden, het lukte hen niet. De ochtenden gaven geen resultaat, de avonden niet, met blinddoek leverde niks op, en zonder ook niet. Waarschijnlijk lag dat allemaal aan de stress op het werk, maar bewijs hadden ze daar niet voor. Ze waren echter geduldig en dat werd beloond, want op een zekere middag, het donderde en bliksemde als nooit tevoren, was er ineens toch sprake van conceptie. En negen maanden later werd het beulenkind geboren. Het was er een van de mannelijke soort.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei de beul tegen zijn pasgeborene, terwijl hij hem zachtjes wiegde zoals mensen aan een galg dat soms ook heel goed kunnen.
En elke keer dat hij zijn zoon in de armen nam, liefdevol maar stevig, herhaalde hij die zin.
De jongen groeide snel. Binnen een jaar kon hij lopen en wilde hij niet meer als baby gedragen worden. De beul aaide zijn zoon daarom over zijn bol elke ochtend voor hij naar zijn werk ging.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij dan.
Maar het duurde niet lang of de jongen wilde ook geen aai over de bol meer. En voor een knuffel was hij toen al helemaal te groot, vond hij.
Daarom klopte de beul zijn zoon toen maar zachtjes op zijn rug elke dag.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij daarbij.
En de dag kwam dat de beulenzoon even groot was als de beulenvader. Toch bleef de jongen voor de beul altijd nog zijn kleine ventje. Hij zag zijn zoon niet meer elke dag, wat een marteling was, maar bij elk bezoek zei de beul nog steeds: ‘Ik wens dat je groot en sterk wordt.’
De daaropvolgende winter, de beul had net drie mensen in totaal drie koppen kleiner gemaakt, kwam de jongen weer thuis, en hij was drie koppen groter dan zijn vader. En de beul had zelfs schoenen met hoge hakken aan, moet je weten, want hakken vond hij nou eenmaal leuk. Nog geen jaar later was de zoon zelfs twee keer zo groot als zijn vader. Hij bezweek bijna onder zijn eigen gewicht en had een stok nodig om zijn zware lichaam te stutten.
‘Ik had je toch iets sterker verwacht,’ zei de beul toen. ‘Maar in ieder geval is de helft van mijn wens wel uitgekomen!’

Het berkengezang

Daar waar de floristische samenstelling van het landschap steeds meer berken laat zien, die samen met de zomereiken de heide goedschiks of kwaadschiks verdringen, waar snippen en spinnen spelend om elkaar heen cirkelen, hier niet ver vandaan, leefde eens een houtsnijder.
Nu was die houtsnijder niet altijd houtsnijder geweest. Nee, het duurde best een flinke tijd voor hij wist wat hij werkelijk wilde. Zo was hij jarenlang advocaat, maar toen besloot hij toch maar een opleiding te gaan volgen, en daarna werkte hij onder meer als keutelvanger, schoenentester, en melkverplaatser. Toch konden die sjiekere beroepen hem ook niet bekoren.
Op een dag kwam hij er echter per ongeluk achter dat snijden hem wel lag. En druk ging hij op zoek naar hoe hij dat het beste vorm kon geven. Om even lekker te experimenteren begon hij gewoon overal in te snijden: steen, water, dorpsgenoten, deurmatten, herinneringen, en noem maar op. Maar niks voelde goed voor hem, of hij vond het te veel gedoe. Tot hij hout ontdekte. Hout was het ideale materiaal, merkte hij. Hout laat zich prima bewerken, houdt goed z’n vorm, en rent ook niet weg.
Onze houtsnijder ging doorgaans als volgt te werk: elke eerste maandag van de maand trok hij het bos in om een boom uit te zoeken waar hij dan een blok van mee naar huis nam om daar plankjes en krukjes van te snijden voor mensen die nog geen plankjes en krukjes genoeg hadden. Een niet al te enerverend werkschema wellicht, maar wel een met regelmaat, en dat is belangrijk voor de zielenrust, zoals psychologen ons voor menen te moeten houden.
Tot het einde der tijden of in ieder geval tot zijn dood had de houtsnijder zo door kunnen gaan met zijn routine, ware het niet dat hij op een zekere maandag een zingende berk tegenkwam in het bos. Het was misschien niet echt zingen, maar het geluid dat de boom maakte was werkelijk prachtig. Zoet en melodieus klonk het, absoluut niet houterig. Zo goed als elke talentenshow had de berk ermee kunnen winnen. Ook de houtsnijder vond het mooi, al had hij helemaal geen verstand van muziek. Maar hij wist wel dat hij zijn meesterwerk uit deze boom zou gaan snijden. Het moest natuurlijk iets heel bijzonders worden. Zo’n unieke boom kon uiteraard niet eindigen als slabestek. Dat zou blasfemie zijn. De houtsnijder nam zich daarom voor dit project eerst tot in de puntjes voor te bereiden en door te gaan met zijn gebruikelijke bezigheden tot hij zijn plan voor de zingende boom helemaal had uitgewerkt.
Zeven jaren en zeven nachten later was het dan eindelijk zo ver. De houtsnijder wist wat hij uit de speciale berk zou gaan snijden: muziekinstrumenten. Hij had een heel erg dikke map met bouwtekeningen gemaakt, van castagnetten, harpen, triangels, en wat dies meer zij.
Weer zeven jaar en evenveel nachten later was zijn schepping klaar. Onder andere banjo’s, xylofoons, en didgeridoos, eigenlijk te mooi om aan te raken, lagen te glimmen van potentiële engelenklanken. En hij had ook al meteen een koper. Een excentriekeling uit een nabij gelegen dorp wilde de hele collectie in een keer van hem overnemen. En voor een niet gering bedrag!
De houtsnijder was blij dat zijn levenswerk bij elkaar zou blijven, en de excentriekeling was blij dat hij die winter zijn gasten zou kunnen imponeren met zijn bijzondere openhaardhout.

Held Sigurd

Toen de meeste ruïnes nog in aanbouw waren en er alleen nog maar stilstaand water was, leefde er, in een woud waar het zonlicht na een stap of zeven al bijna helemaal was uitgedund, hier niet ver vandaan, een draak. Niemand had het beest ooit echt gezien – een enkeling had zijn schaduw wel voorbij zien komen – maar het kon niet anders dan dat de draak midden in het woud waar nooit iemand kwam zijn kwartier moest hebben. Want waarom zou anders iedereen het over die draak hebben?
In diezelfde tijd leefde er in de buurt ook een prins, Sigurd genaamd, en omdat hij een prins was, was het zijn taak de draak in het bos te doden. Hiervoor kreeg hij uiteraard wel alle medewerking van zijn streekgenoten. Zo smeedden ze een speciaal tof zwaard voor hem om de daad te kunnen verrichten, en ze wezen met een enorm lange stok aan waar het donkere woud zich bevond.
(Men moet weten dat in die tijd een draak botweg dood moest. Men kon het beest niet zomaar voor het gerecht dagen, omdat er namelijk nog geen streekgerechten waren.)
Met zijn vingertje en zijn duim en de rest van zijn lichaam, hij was immers een prins en niet simpelweg de zoon van een graaf, toog prins Sigurd zo op een woensdagochtend – want hij hoopte dan ruim voor het weekend weer thuis te zijn – onbevreesd naar de verblijfplaats van de boze en gemene draak.
Vrijdag, vroeg in de middag, kwam hij, nadat hij twee nachten had doorgehaald in Herberg ’t Kalme Duyfhuis, bij de rand van het woud aan.
Het was helemaal niet zo’n ondoorgrondelijk en duister bos, merkte de prins al snel op. Hij genoot van alle vrolijke diertjes die om hem heen fladderden en hupsten. Maar op een gegeven moment werd hij gewaar van een grote groengrijze vorm met een schubachtige textuur tussen de bomen. Een halfblinde zou waarschijnlijk zeggen dat het een draak was, maar Sigurd zag al snel dat het ging om een uit de kluiten gewassen paddenstoel. En dus sneed hij er met zijn toffe zwaard een stuk af om op te eten. Het smaakte eerst wat bitter, maar al snel smaakte het naar allerlei bonte kleuren.
Vrolijk en voldaan (met een lichte kater) ging Sigurd terug naar zijn volk, en hij besloot te liegen en te vertellen dat hij inderdaad de draak had gedood.
De mensen waren heel erg blij met Sigurd, en er werd zelfs een prinses van zolder gehaald, ene Brunhilde, met wie hij mocht trouwen. Sigurd had daar geen problemen mee. Er hadden wel hetere vuren achter hem gestaan. Maar hij was inmiddels redelijk door zijn voorraad paddenstoelstukjes heen, dus hij verontschuldigde zich op de meest nette manier denkbaar, zoals alleen prinsen en erg goede acteurs dat kunnen, en hij snelde naar het donkere woud om een nieuwe lading van de zwam in te slaan.
Wat Sigurd echter niet wist was dat eten van de paddenstoel niet alleen blij maakte, maar ook vergeetachtig. Toen hij twee dagen later het bos weer uit kwam, was hij bijvoorbeeld die Brunhilde helemaal vergeten. Hij wist nog net dat er iets met een of andere prinses was, en daarom trouwde hij met ene prinses Gudrun. Het was een mooi feest, dat moet gezegd. Drie dagen lang werd er gevierd. En toen was ook meteen Sigurds nieuwe paddenstoelenvoorraad op, maar hij wist niet meer waar het woud was en dat er überhaupt een woud was. Dagelijks verlangend naar het ooit bekende onbekende werd hij trillerig en ziek nog heel oud.

Smeerpeters week

In een schamel en bedompt hutje op de hei, hier niet ver vandaan, waar een voor twee voeten te smal modderig weggetje tot de voordeur, of wat daarvoor door moest gaan, leidde, woonde eens een bastaardzoon van niet nader te noemen adel uit de buurt. Hij hield er niet van om zichzelf te wassen. Hij knipte zelfs nooit zijn haren en nagels. En hij stonk zo erg dat hij niet eens een baantje bij een bank kon krijgen.
Een correlatie is nog geen causaliteit, dat weet bijvoorbeeld een hoogleraar filosofie, maar sinds onze antiheld, en laten we hem Smeerpeter noemen, zichzelf niet meer verzorgde, maakte hij de onfortuinlijkste dingen mee.
We nemen een willekeurige week.
Op maandag werd zijn wekelijkse dierenkweluurtje abrupt verstoord toen hij door een hond werd gebeten. En alsof dat al niet genoeg was, pakte de hond ook nog eens, terwijl Smeerpeter bloedend en huilend op de grond lag, zijn halve kilo spek af die hij even daarvoor, na een wachttijd van minstens drie kwartier, bij de slager had gehaald.
Op dinsdag liep hij vrolijk op straat op zijn duim te zuigen zonder dat hij het verbodsbord had gezien. Een uiterst plichtsgetrouwe politieagent stond hem echter even verderop in een donker steegje al op te wachten en knipte met een grote schaar pardoes zijn duim af.
Op woensdag zat hij aan tafel te wippen op een stoel, tot hij achterover viel, en hij het tafelkleed met zich mee trok. Alles wat op tafel lag, viel op de grond. Maar het tafellaken zat ook met een lang touw vast aan een vitrinekast in het museum verderop, en alle mooie vazen en rubberen attributen die erin zaten vielen kapot. Maar de vitrinekast zat ook weer met een lang touw vast aan Smeerpeter zelf. Dus toen belandde hij twee keer op de grond.
Op donderdag ging hij met lucifers spelen en brandde hij, geheel tegen zijn bedoeling in, zijn linkerarm tot aan zijn elleboog af. (Maar gelukkig was de duim van die hand al weg.) Tot overmaat van ramp bleken alle lucifers die hij bij zijn vermaak had afgestoken daarna volslagen en volstrekt niet meer bruikbaar; ook niet na drie keer proberen.
Op vrijdag lette hij niet goed op waar hij liep, waardoor hij maar liefst acht keer achter elkaar subiet viel, waarvan drie keer languit in het water, en al zijn schoenen nat werden. (Nou ja, al zijn schoenen op eentje na dan, want die was hij die ochtend, de verwarde knuppel die hij ook was, thuis vergeten.)
Op zaterdag ging het heel erg stormen, precies zoals de meteorologen het hadden voorspeld. De aanbeveling van de weermensen die dag was niet naar buiten te gaan, maar Smeerpeter trok zich natuurlijk niets aan van gratis advies, en hij toog fluitend naar buiten met zijn paraplu. Maar zodra hij de deur uit was, werd hij gesnapt door de wind en werd hij wel vijfhonderd meter hoog opgetild. Toen hij daarna naar beneden viel, kwam hij op een roestige spijker terecht.
Op zondag weigerde hij zijn zelfgemaakte soep te eten. Vooral de stukjes melk en honing die hij erin had gedaan lustte hij op geen stukken na. Hij werd magerder en magerder, en uiteindelijk zette men de soepkom op zijn graf.
‘Soms heb je je week niet,’ zei Smeerpeter toen, zes voeten onder de grond.

De meerminkukel

In het meertje waar ’s winters zwanen en ganzen rusten, daar links van waar tussen de zandverstuivingen door de lange beukenlanen vrijwel onopgemerkt veranderen in smalle smokkelpaadjes, hier niet ver vandaan, waar de gagelstruwelen opvallend en omvangrijk zijn, loosde eens een lepe marskramer minstens twee maal daags clandestien zijn vullis, en dat had allemaal vlot en gesmeerd zo door kunnen gaan als hij niet op een wolkeloze middag in het water meende te moeten blikken. Meteen deinsde hij achteruit, want hij schrok van wat hij zag: een monster dat hem strak aankeek. Het beest had waterige ogen, een vreemde uitstulping aan de voorkant van zijn kop, en twee vinachtige flappen aan de zijkanten. De marskramer hobbelde holderdebolder naar zijn dorp, om daar op het marktplein kond te doen van het voorval.
‘Ik heb een monster gezien, mensen!’ riep hij. ‘In het meer waar de handelslieden uit de dorpen in de omgeving altijd rotzooi achterlaten, heb ik een griezelig en gevaarlijk monster gezien!’
Er kwamen al snel mensen om hem heen staan.
‘Was het een ruim tien voet hoog en van ijzeren staken voorzien reptiel met de lichaamsvorm van een mens?’ vroeg de smid.
‘Zou best kunnen. Zo goed heb ik het niet kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een slangachtig dier van meer dan vijftig tinten groen met een met zwemvliezen bedekt hoofd van een paard?’ vroeg de leerlooier.
‘Nou, ik heb het niet echt heel goed kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een vis met de voeten van een man en de handen van een vrouw, overal kaal, behalve op z’n neus?’ vroeg de beenhouwer.
‘Nogmaals: ik heb het slechts vluchtig gezien,’ zei de marskramer.
‘Was het een min-of-meerman, maar dan meer een verzameling bulten waarop allerlei bulten zaten, met de nek van een schaap en de staart van een mens?’ vroeg de tinnegieter.
‘Vast wel, maar ik heb het maar heel even kunnen zien dus,’ zei de marskramer.
Ondertussen waren de burgemeester en zijn commissaris van politie polshoogte komen nemen.
‘We moeten het met eigen ogen zien!’ zeiden ze in koor (al was het wel wat vals).
En dus togen alle dorpelingen, de notabelen voorop, naar het betreffende meertje. Daar aangekomen keken ze stuk voor stuk in het water.
‘Hosanna in den hoge, ik zie het!’ zei de burgervader. ‘Wat een gedrocht!’
‘Inderdaad!’ zei de brigadier. ‘Wat een onooglijk mormel!’
Bijna de hele horde was het erover eens dat het ondier in het water dood moest, want zoiets lelijks kon nooit goed zijn voor de wereld. Bijna de hele horde, want in de meute mekkerende mensen was ook de bevallige dochter van de graaf aanwezig. Ook zij koekeloerde in het water, en ze moest heel erg lachen.
‘Ik zie helemaal geen wanstaltig cryptozoölogisch monstrum van enige soort,’ zei de dochter van de graaf. ‘Ik zie alleen maar een sierlijke jongedame!’
‘Grijp haar!’ riep de mensenmenigte. ‘Ze is bezeten door het beest!’
En toen vermoordden ze haar, en van het meermonster werd nooit meer iets vernomen.

De bijnarchist

Met de gedachte dat het verbouwen van het land het grootste goed was, omdat dat vroeg of laat zou bijdragen aan goede zeden en geluk, maar ook omdat hij ook in het koudste seizoen voldoende te eten wilde hebben, werkte ooit een vrome boer eeuwig zwetend op zijn akkers, hier niet ver vandaan, de meeste uren van de dag, van wintereind tot winteraanvang.
Toen hij op een best frisse ochtend zijn velden ging ploegen, hoorde hij een tamelijk verkouden stem die zei: ‘Pas op, jij goedgelovige boer, ik zie dat je gaat ploegen, maar ploeg vooral niet in oostelijke richting!’
Door druk om zich heen te kijken probeerde de boer te achterhalen waar de stem vandaan kwam, maar hij kon het niet zien. Waarom, vroeg hij zich af, zou hij niet in oostelijke richting mogen ploegen? En wie behalve hij zelf behoorde zich daar eigenlijk mee te bemoeien? Toch lang liet de boer zich niet door het voorval afleiden. Een van zijn motto’s was per slot: doe wat je kunt, met wat je hebt, waar je bent. Om het zekere voor het onzekere te nemen, sprak hij desalniettemin met zichzelf af dat hij dat jaar in zuidelijke richting zou ploegen, of misschien in westelijke of noordelijke richting, maar in ieder geval niet in oostelijke richting.
En het ploegen ging goed. De aarde had er nog nooit zo uitnodigend bijgelegen.
Een tijdje later, niet heel veel later, maar zeker niet dezelfde dag, trok de boer wederom naar zijn landerijen met een grote zak zaaigoed op zijn rug. En vlak voordat hij bij de erfgrens was, hoorde hij een behoorlijk schorre stem die zei: ‘Kijk goed uit, jij argeloze landbouwer, ik zie dat je gaat zaaien, maar zaai vooral niet in oostelijke richting!’
Hoe de boer ook draaide met zijn hoofd, het lukte hem niet te ontdekken waar de stem haar oorsprong had. Wel wist hij dat de stem via zijn oren zijn hoofd binnenkwam, maar daar schoot hij welbeschouwd weinig mee op. Veel zin om zich te laten commanderen door een of andere onzichtbare bemoeial had de boer niet, maar toch besloot hij niet in oostelijke richting te gaan zaaien. Er waren immers nog richtingen genoeg.
En het zaaien ging goed. De grond was nog nooit zo verzadigd geweest.
Toen de boer, weer later, naar de velden ging om te wieden, had de stem, nu nasaal, iets soortgelijks te mekkeren, en ook bij het oogsten meende de stem, onderbroken door nogal wat gekuch, een tip van dezelfde strekking te moeten geven. Beide keren volgde de boer de raad van de stem maar op, vooral omdat het sowieso niets uitmaakte en hij, in het geval er toch een waarheid in zat, gewoon geen tijd had om maandenlang zijn angst bij een Weense pseudodokter op de bank te leggen. Bovendien zag hij landbouw niet als een baan, maar als een manier van leven, en dat liet hij zich niet door eventueel gepieker afpakken.
En wieden en oogsten gingen fantastisch. De graanschuur was nog nooit zo relatief klein uitgevallen.
Maar toen de boer de eerste hap van zijn welverdiende voorraad wilde eten, drong er een bende rovers zijn hoeve binnen, die al zijn voedsel van hem stal. De lente daarop ging de boer niet meer werken; het hele jaar door ging hij lekker luieren. En toen de winter begon, sloot hij zich bij een bende aan om eten te stelen bij de hardwerkende sufferds, en hij gaf er een moraal voor terug.