Verzen

Als een dichter het heeft over een vers, dan bedoelt hij een regel. Verzen zijn regels dus. Regels zijn ook regels, maar bij het aan elkaar gelijkstellen van twee vormen van een rijk rijm is dat onoverkomelijk. Hetzelfde zien we in de volgende voorbeelden: bakstenen zijn bakstenen, draaideuren zijn draaideuren, schoenveters zijn schoenveters, en appels en peren zijn appels en peren. En er bestaan nog wel een paar meer woorden die in deze constructie passen. Luisvliegen zijn luisvliegen, bijvoorbeeld; mijn hondje, een tot de stam der chordadieren en de klasse der zoogdieren behorende canaänhond, kan erover meepraten (bij een nette prijsafspraak uiteraard).
Nou houden dichters zich nauw aan de filosofie in bredere zin, en ze beseffen maar al te goed dat alle regels de facto regels zijn. Voor mensen die de regel ‘regels zijn regels’ in niet-poëtische, bureaucratische zin gebruiken, zijn juist niet alle regels regels. Voor hen zijn alleen de regels uit de eigen cultuur regels, en zijn regels uit veel andere gebieden van de wereld niet meer dan gevaarlijke ideeën die stuk voor stuk vernietigd moeten worden. De regel die ze daar zonder meer bij hanteren is dat dat niets met westerse arrogantie te maken heeft.
Het bijzondere aan luisvliegen is dat de meeste vleugelloos zijn. Toch zijn het vliegen en behoren ze tot de orde der tweevleugeligen. Maar ja, vliegen vliegen, en daarom heten ze ook vliegen, toch? Je zou denken dat er welbeschouwd een regel moet bestaan dat alle tweevleugeligen gewoon twee vleugels hebben. Want als tweevleugeligen niet tweevleugelig hoeven zijn, en als sommige exemplaren daarvan zelfs in Nederland voorkomen, dan komt de gedachtewereld van veel van onze door de gedragswetenschappen aangetaste muggenzifters mooi op losse schroeven te staan. Stel je voor dat je je bij elke regel moet afvragen of het eigenlijk wel een regel is! Wat moet je dan wel niet allemaal regelen?
Voor luisvliegen is dit overigens geen probleem; die hebben iets in hun DNA dat mensen niet hebben. Er was een tijd dat ik dergelijke dingen bijhield; ik knipte niet alleen een en ander uit de krant, maar registreerde ook precies wanneer ik dat deed, in ongeveer nul tot twee holle frasen.

— — —
welkomthuispagina.nl

Pleisters

De eerste keer dat ik zelf pleisters kocht, weet ik nog goed – ik was een laatbloeier. Dinsdag 19 april 1988, bij Drogisterij Banninck Cocq en Van Ruytenburgh, op de Keizersgracht in Amsterdam. (Dit is een soort functioneel anachronisme; mij is bekend dat de betreffende drogisterij toen nog Drogiquick heette, maar omwille van de herkenning, en daardoor het begrip, gebruik ik hier de recentere naam.) Het was een zonnig dagje met een gevoelstemperatuur van soms wel vierentwintig komma drie graden Celsius, waarbij vermeld mag worden dat mijn gevoel in dezen meestal overeenkomt met wat er in De Bilt gemeten wordt. Blijkbaar was er die dag helemaal niets van enig belang in de wereld gebeurd, want het staat me nog goed voor de geest dat niemand om mij heen op zijn mobiele telefoon aan het kijken was.
Bekend verondersteld mag worden dat pleisters er zijn in verschillende soorten en maten; zetten we de eerste variabele uit langs de x-as en de tweede langs de y-as, dan krijgen we een mooi regelmatig patroon waar zowel pleisterliefhebbers als bepaalde neuroten van smullen. En het is ook logisch dat bij een speldenprik andere eisen aan pleister worden gesteld dan bij een beenamputatie. Op een ronde wond plakt men het beste een ronde pleister, en bij een wond met de vorm van een trapezium geldt een vergelijkbare procedure. Er zijn huidkleurige pleisters voor mensen met een pleisterkleurige huid. En er bestaan pleisters waarmee je onder water kunt. (Maar hoe vaak ga je met je duikboot weg?) Zelf gebruik ik het liefste pleisters die je zelf moet knippen; voorgevormde pleisters zijn feitelijk voor amateurs. Het voordeel van nog te knippen pleisters is sowieso dat je tijdens het bewuste proces eenvoudig een (extra) reden kan creëren om een pleister nodig te hebben.
Soms krijgt een pleister het etiket plakband; of andersom eigenlijk. We zitten dan in een van de volgende scenario’s: de protagonist is te billig om deugdelijke pleisters te kopen, hij is door zijn voorraad heen, of hij heeft ze niet binnen handbereik. Zelfs ik val soms in een van die categorieën.
Ik besefte pas dat ik echt verslaafd was toen ik mijn hondje, een stellig niet in de kleurenleer van Goethe gelovende bullmastiff, ook met een aantal pleisters zag lopen. En toen ben ik maar gestopt met bloeden.

— — —
welkomthuispagina.nl

Presenteren

Wellicht de grootste misvatting over hypotheken is dat de hypotheekverstrekker geïnteresseerd is in zijn producten en zijn afnemers. Voor een goede vriend van mij heeft dit er feitelijk nooit echt wat toe gedaan. Die had namelijk te veel talent om zich met een ding als huizenhandel bezig te houden. Na verloop van tijd had hij echter genoeg van zijn talent en hij besloot het te ruilen tegen een ziel. Ook daarna heeft hij nooit meer iets kunnen doen met hypotheken en/of verstrekkende gevolgen daarvan. Het hebben van een ziel, die blijkbaar ongetraind was, zat hem sowieso op allerlei vlakken dwars.
Waar hij uiteindelijk heel bedreven in werd, was zichzelf postsenteren. Dat is een goed woordje voor jezelf doen als het feitelijk al te laat is. Iets waar je niet per definitie dood aan gaat dus, al zou het wel in een dergelijk proces toegepast kunnen worden. Misschien is het nuttig dit even goed tot je door te laten dringen en er een gedegen voorstelling van te maken. Hiervoor hoef je geen toneelschool te hebben gehad; het helpt echter als je weet wie Larry Olivier is.
Waar je bijvoorbeeld wel dood aan gaat is suiker. Want vroeger toen er nog geen suiker was, werden de mensen een stuk ouder, en bovendien bleven ze langer leven. (Terugblikken in de geschiedenis van de mens is overigens niet het nuttigste hulpmiddel om deze propositie te bewijzen, maar mijn hondje, een zeer bedreven in het imiteren van een mogelijke rol van Sir Larry zijnde otterhound, eet sinds een jaar ook suiker, en hij is inderdaad een stuk korter gaan leven; dit echter terzijde.)
Het beste kun je trouwens doodgaan zonder ergens aan dood te gaan. Dus geen suiker in je koffie doen, en ook geen koffie. En geen alcohol drinken, geen drop eten, geen tabak roken, geen nootmuskaat snuiven, geen vet- en zoutstel op tafel – onder andere. En vooral niet liegen.
Buiten dat, als je, zeg maar, uit een vliegtuig valt, dan heb je helemaal niks aan een huis of een lening daarvoor. En dus ook als je suiker eet.
Het komt voor. Afgelopen jaar viel een goede vriend van mij uit een vliegtuig terwijl hij suiker at. En toevallig was hij de beste hypothecaire financier die ooit geleefd heeft. Nou ja, beste… Eigenlijk gewoon een belegger die ooit geleefd heeft.

— — —
welkomthuispagina.nl

Vlees

What did you have for brexit? Dit is een centrale vraag in mijn correspondentie met Heston Blumenthal. Volgens Heston is deze nieuwe maaltijd (vlak voordat je gaat slapen) een idee dat 100% van hem is. De laatste tijd neemt hij ook veel van mij aan over stikstof, en dan bedoel ik niet de vloeibare variant. Nee, de weg die vooral ik namelijk in wil slaan in de moleculaire gastronomie is die van de afbraakproducten. In welke staat van ontbinding zou vlees bijvoorbeeld mogen zijn, wil je het zonder schroom een vegetariër voor kunnen schotelen? Kijk, als vlees al zo erg vergaan is dat zelfs mijn hond, een keelpijn tot kunst verheven hebbende dashond, zijn neus ervoor ophaalt, dan mag je het volgens mij niet eens meer vlees noemen. Het stinkt misschien wel, maar dat is uiteraard een nadeel van geen vlees willen eten. Bij het rotten van dierlijk weefstel ontstaan immers enkele stikstof bevattende verbindingen met niet te missen aroma’s. De twee belangrijkste daarvan zijn waarschijnlijk wel de aminen putrescine en cadaverine. Die laatstgenoemde is blijkbaar nogal toxisch, maar die eerste komt ook in je speeksel voor, dus een minstens pseudovegetarisch hip soepje is er voor een moderne chef-kok waarschijnlijk best mee te maken. Ja, of je breit er een soort raviolischuim van, en je slikt het dan weg met een hele hoop agaragar.
Mijn visie hieromtrent is wat exotischer dan die van Heston, trouwens. Wat hem betreft is het al voldoende om vlees na een nachtelijk badje van pepsine, protease en lipase simpelweg kapot te koken, te vriesdrogen en daarna drieënhalf uur in de blender te doen. (Het laatste half uur moet die blender dan ook aan.) Als iets de textuur van vlees niet meer heeft, is het geen vlees meer, vond hij vorige vrijdag nog.
Controleurs van voedselveiligheid bewerkt Heston overigens liever op een ouderwetsere manier met een rasp en kokend water. Ik parafraseer hem: ‘De spreekwoordelijke slager zal altijd zijn eigen vlees blijven keuren, want – bijvoorbeeld – elementen uit de verzameling van opsporingsambtenaren die geen boetes meer uitschrijven geven daarmee aan dat hun functie feitelijk overbodig is.’
Maar ach, je bent wat je eet, dus in feite is iedereen die zich niet doodhongert voedsel, al hoeft dat voor mij geen moraal te hebben.

— — —
welkomthuispagina.nl

Bikkelen

Ooit moet er iemand geaapt hebben, anders kon het fenomeen na-apen niet bestaan, dacht ik laatst toen ik mijn o zo dankbare pluimvee in de ochtend hun graan en legkorrels bracht. Mijn kippen zijn, nu we het er toch over hebben, de beste kippen van de hele halve wereld. In een hondtevredenheidsonderzoek meldde mijn hond, een naar zes maanden oude klaprozen ruikende pumi, onlangs zelfs dat onze kippen min of meer de voornaamste reden zijn van zijn woonachtigheid op ons adres. Vreemd, want dat beest slaapt zeker twintig uur per dag.
Er zijn mensen die ruim tachtig uur per week werken. Zeggen ze. Laten we deze mensen in ieder geval de zondag vrijgeven. Een evenredige verdeling van de werkuren over de resterende zes dagen levert een gemiddelde werkdag van dertien uur en twintig minuten op. Er is dan dus nog tien uur en veertig minuten van het etmaal over om iets anders te doen. Slapen bijvoorbeeld. Laten we daar zeven uur voor rekenen. Dan dagelijks nog een uur reizen, en een uur eten en drinken. En mensen die vol in het leven staan zullen toch ook wel dagelijks oriënterend bezig moeten zijn qua volgen van het wereldnieuws; een uur ben je dan echt wel zoet met kranten, televisie en social media. Persoonlijke verzorging kan wellicht nog wel in een half uurtje te rammen zijn. En daarmee komen we uit op zo’n tien minuten die hardwerkende mensen dagelijks bijvoorbeeld aan hun gezin kunnen besteden. Of het lezen van het nieuwste boek van Dan Brown. Of het kijken van de recentste film met Jean-Claude van Damme.
De vraag rijst nu: hoe dankbaar moeten wij, de gewone mensen, wel niet zijn dat deze workaholics ons zo graag langdurig van bijvoorbeeld gekopieerd financieel advies willen voorzien dat ze zelfs bereid zijn hun eigen algemene ontwikkeling daarvoor te grabbel te gooien? Maar wellicht denken die lieden wel heel onschuldig dat een week elf dagen heeft. (Waardoor ze eigenlijk gewoon acht uur per dag werken, buiten zon- en feestdagen.) En dat is goed van hen, want het feit dat alle anderen zeggen dat een week zeven dagen heeft, wil nog niet zeggen dat dat zo is. Je moet immers kritisch blijven en zelf nadenken!

— — —
welkomthuispagina.nl

Stickers

Nou, er is weer een spaaractie bij een niet nader te benoemen supermarkt, hoor. (Hint: de neef van de buurman van Frank Lammers loopt er nog weleens met halve liters bier naar buiten – volgens insiders.) Het thema van deze verzamelcampagne is milieuverontreiniging; erg leerzaam voor de kinderen van Nederland dus!
De onderdelen bodemvervuiling en watervervuiling in het stickerboek hebben mijn dochters en ik al zo goed als compleet. Bij het gedeelte over luchtvervuiling komen we echter nog heel wat plakkertjes tekort. Van de menselijke bronnen moeten we nog de nummers 51 (spuitbussen), 52 (verbrandingsovens), 55 (landbouwchemicaliën), 56 (uitlaatgassen) en 57 (vuurwerk), en van de natuurlijke bronnen moeten we nog 59 (vulkanen) en 61 (bosbranden). Maar gek genoeg hebben we nummer 63 (methaan uit het darmstelsel van vee) oneindig vaak dubbel. Ik heb er het Stedelijk Museum al mee nagebouwd (schaal 1:50), en ik heb er mijn hond, een secuur en intensief als deurstopper getrainde västgötaspets, mee proberen dicht te plakken; die is immers ook niet echt zuinig te noemen als het op darmgassen aankomt. Maar de meeste van die stickers zitten nu vrolijk in de kliko.
Van iemand die Frank Lammers niet persoonlijk kent weet ik trouwens dat die bewuste supermarkt die milieuverontreinigingsstickerboekactie wel drie keer helemaal heeft moeten herdrukken. Een van die keren plakten de plaatjes niet, en zelfs twee keer stonden er aperte fouten in de teksten. (Maar ja, dan moet je het geheel ook niet in eerste instantie laten controleren door een jansalieachtige organisatie als de NEN, zeg ik dan op mijn beurt.)
Erg jofel ben ik met sticker 83 (recycling); alleen al door het fluorescerende effect met mooie kleuren als cadmiumgeel is deze bijzonder gewild onder de verzamelaars. Die ene zelfklever levert met de huidige wisselkoers zeker iets van achtendertig windenergiestickers op (al heb je er voor het plakboek maar eentje nodig uiteraard).
De sleutel van elke verzameling ben je natuurlijk zelf – dus nooit compleet. Maar we moeten toch stug blijven doorgaan, want de afwezigheid van wilskracht maakt elke collectie waardeloos; bovendien hangt wat we worden af van wat we verzamelen nadat alle scholing klaar is met ons.

— — —
welkomthuispagina.nl

Sans titre

Hun vader was dood en ik was in het huis
Haar broer maakte mijn vriendin duidelijk
Dat het een tekst van Brel moest zijn
Hun moeder rookte zenuwachtig

Als zijn voeten onder de grond waren
Zou Brels vriend nog zingen en hopen
Hun moeder rookte huilend
Ik probeerde me niet te moeien

Als zijn voeten op de grond waren, casu quo
Hun moeder rookte menthol
Zes voeten, zei ik, zes voeten is het
En het werd stiller dan het stillere daarvoor

Dus indolen zijn zinkgaten


Dus indolen zijn zinkgaten.
– Indolen?
Ja, dat zei je net.
– Nee, ‘doline’ zei ik net. Niet ‘indolen’! Een indool is een of andere bicyclische chemische structuur. En we hebben het hier over geomorfologie. Dolines!
Dus dolines zijn gewoon zinkgaten?
– Ja. Eh, nou, nee. Dolines zijn zinkgaten, maar niet per se andersom.
Ah, een synecdoche!
– Synecdoche? Wat? Dat je ‘dolines’ en ‘indolen’ verwisselt?
Nee, natuurlijk niet. Nee, dat een doline altijd een zinkgat is, maar een zinkgat niet altijd een doline. Zo’n ‘pars pro toto’-ding. Toch?
– Dat is geen synecdoche. Een synecdoche zou het hooguit zijn als je het over dolines hebt, terwijl je het karstlandschap bedoelt.
Eh… Karstlandschap?
– Ja, je weet wel, een gebied met kalksteen aan de oppervlakte, dat dan verweerd is en nog een potje verder verweert met alle al dan niet geile gevolgen van dien…
Metonymie!
– Wat heb je nou weer?
Nou, dat het een het ander is, maar het ander niet het een, dat heet een metonymie. Niet synecdoche, maar metonymie!
– Je bazelt. Het is geen metonymie en geen synecdoche! En het is trouwens op eenzelfde manier hetzelfde als ‘zinkgat’ en ‘doline’. Een synecdoche is namelijk een metonymie, maar niet per se andersom. Maar blijf jandosie bij de les, flipmans.
Ik wil gewoon weten hoe het heet. Ik ben er helemaal door gefascineerd nu. Het moet toch wel een naam hebben?
– Volgens mij heet het gewoon een drogreden. Een deductiefout. X is y, dus y is x. Van mij mag het ‘kromme generalisatie’ heten.
Ja,ja. Zit er eigenlijk veel zink in die kalk?
– Zink in die kalk? In welke kalk zou er dan zink moeten zitten?
Nou, in dat landschap met die karsten. Met die zinkgaten. Met die indolen…

Five easy pieces

Mijn huis is van top tot teen met de hand geschilderd.
In heel mijn buurt, wijk, zelfs dorp hebben de bewoners hun huizen laten bewerken door voet- en/of mondschilders, dus u kunt wel begrijpen dat juist mijn huis iets aparts heeft.
Maar dat geeft ook veel kift.
Als ik in de Lidl of zo loop (om een heerlijke voorgebakken pizza te kopen), fluisteren de mensen: ‘Daar heb je die excentriekeling met zijn kakideeën over schildertechnieken.’
Uiteraard doe ik dan net of ik niet in de Lidl hoor.
Maar komt het erop aan, dan ben ik dus wel degene aan wie ze vragen of ik de pizza wil verdelen.
Het maakt namelijk wel uit of je een pizza met vier kazen hebt of eentje met enkel extra hamblokjes en ananas.
Toch is er een vuistregel.
Bij de meeste pizza’s geldt dat er altijd iets blijft hangen.
Dus je denkt dat je een pizza in vieren verdeelt, maar uiteindelijk verdeel je hem in vijven.
De pizzawetenschap is nog in opkomst.
Over kwintolen is dan al wel wat geschreven, maar bijvoorbeeld kwesties in Duitsland waar ze weleens met achten een pizza eten, daar is nog zo goed als niks over bekend.
Vroeger vouwden de mensen een pizza dubbel om het middelpunt te bepalen.
Ik lach daarom.
Tegenwoordig heb je daar prima meetapparatuur voor.
Maar: de pizza moet dan wel waterpas horizontaal liggen.
Een geodriehoek, een passer en een simpel, uiterst simpel rekenmachinetje, meer heb je daarna niet nodig.
Ik heb zelfs ooit – maar ik ben dan ook een expert – een pizza verdeeld met enkel een stuk touw van dertig centimeter!
En dan, de hel van elke pizzaverdeler, iemand die zegt: ‘Ik lus nie meer…’
Of die voet- en/of mondschilders die dan ineens beledigd reageren als je zegt: ‘Pizza mag je met je handen eten, hoor.’

Daar sta je dan met je goeie bedoelingen en je geodriehoek.

Streets of San Francisco

In het oude klooster van Lierop zijn ze heel trots. Het inmiddels tot museum omgebouwde pand heeft zijn slag geslagen. Binnenkort zullen een aantal straten van San Francisco bij de vaste collectie van het museum horen. Mensen uit de omtrek van Lierop (maar ook bijvoorbeeld uit Volendam) kunnen dan zelf ervaren hoe het is om asfalt uit San Francisco mee te maken.
De expositie wordt groots geopend. Barry Stevens heeft beloofd te komen (als hij nog leeft) en er zal een cd van Krezip gedraaid worden.
Directeur Sjeng van Schijndel: ‘Echt jaren hebben we op de straten van San Francisco zitten azen. De gehele bevolking van Lierop heeft eraan meegewerkt. En nu is het museum compleet. Onze collectie laat nu een fraai staaltje zien van hoe de tijd toen was.’
Het is wel een beetje jammer dat de werken van plaatselijk kunstenaar Bert Bert plaats moeten maken voor de nieuwe aanwinst. We vroegen hem een reactie.
‘Meneer Bert, bent u niet uit uw doen door het museumgebeuren van de laatste tijd?
– ‘Ach, zeg maar gewoon Bert, hoor.’
‘Oké, Bert. En wat is uw reactie?
– ‘Nou, als kunstenaar ken ik de straten van San Francisco natuurlijk erg goed. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar in Tilburg heb je een kruispunt waar het teer er gewoon precies zo uitziet.’
‘Interessant, meneer Bert.’
– ‘Zeg maar Bert.’
‘Maar is u nog iets opgevallen?’
– ‘Kijk, opvallen is een grappig woord. Kunstenaars gebruiken dat woord eigenlijk nooit. Dingen vallen namelijk niet op, maar ze vallen omlaag. En de energie van die zwaartekracht gebruik ik juist in mijn kunstuitingen.’
‘Juist. Dank u, meneer Bert.’
– ‘Zeg maar Bert.’
‘Ik zie hier iemand van de kantine. Mevrouw, mag ik u iets vragen?’
— ‘Ja, ik heet Jenny.’
‘Betekent het museumspektakel nog een verandering voor u?’
— ‘De gevulde koeken gaan volgens mij tien cent omhoog. Dat was het idee van Bert.’
– ‘Ja, dat was inderdaad mijn idee. De koeken vond ik altijd al niet optimaal zichtbaar in de vitrine. Door er een muntstuk van tien cent onder te leggen, krijgen ze net meer dat cachet, weet je wel, dat stukje panache. Flair, zeg maar.’
‘Ik begrijp het. Door die kleine lift geef je de lekkernij net wat meer allure.’
– ‘Allure, allure, allure, allure, allure, allure, allure, allure… Is een groot woord: allure. Ik zou dat in dit geval niet gebruiken. Kijk, Columbus Avenue heeft allure. Lombard Street: allure! Stockton Street: ook allure! Hyde Street: ook allure!’
‘Maar die zitten dus niet in de collectie hier, Bert.’
– ‘Meneer Bert is ook goed.’