Inblikken

Eens per jaar heb ik een afspraak met de acteur David Bennent om samen Die Blechtrommel weer eens te kijken. U weet wel, die film van Volker Schlöndorff, naar het boek van Günter Grass, met David Bennent in de hoofdrol. Doorgaans spreken we af op de dag van de heilige Adalsindis, maar het kan ook een week of tweeënvijftig later zijn. Je ontdekt altijd weer iets nieuws in die rolprent. Zo riep David vorig jaar onder meer ineens: ‘Hé, speelde Daniel Olbrychski ook mee?’ (U weet wel, die Poolse acteur die zo prachtig zijn nonchalance laat zien door in twee bewegingen zijn snor plat te strijken. Tenzij hij geen snor heeft logischerwijs, zoals in The Tin Drum.)
Het moet de god van de koddigheid welhaast ongelooflijk behagen dat David in sommige opzichten enorm lijkt op mijn hondje, een onophoudelijk door foutpositieve resultaten getormenteerde Ierse waterspaniël. Ze houden onder andere allebei heel erg van eten; werkelijk dagelijks doen ze dat en soms zelfs meerdere keren dan. Maar er is welzeker ook onderscheid. Want David eet bijvoorbeeld altijd met bestek of met z’n handen, en mijn hondje eet ongelogen nooit met z’n handen – al komt dat waarschijnlijk vooral door het feit dat hij geen handen heeft. Een ander verschil is dat mijn hond totaal onverschillig is in de waardebepaling van de verschillende bestekonderdelen (die hij toch nooit gebruikt). Bij David is dat anders; voor hem is de hiërarchie van vork, mes en lepel heel belangrijk, en dat is aldus vaak een thema dat hij tijdens onze bijeenkomsten aansnijdt. Over het algemeen heeft David het minst op met vorken; met messen kun je namelijk doorgaans eveneens prikken, en met vorken kun je geen vloeistoffen scheppen, wat met lepels wel kan.
Ik daarentegen heb niet echt een voorkeur in dezen. Ik sta niet echt discriminatoir ten opzichte van eetgerei in het leven. Ik beschouw niet de vork als meest nutteloze entiteit van alle bestektypen, wat mijn vriend de acteur in de regel dus wel doet. Maar ik wil best een beetje met hem meepraten.
‘Als je met een vork op een trommel slaat, is de kans wel groot dat die dan kapot gaat,’ zei ik daarom laatst.
‘Ja, maar die vorken van jou zijn ook van een extreem slechte kwaliteit. Die breken sowieso snel,’ was het antwoord.
Bovendien was hij tang-op-varkendiscussies over bestekvolgorde inmiddels ontgroeid, voegde hij daaraan toe.

— — —
welkomthuispagina.nl

Freerider

Mij door en door kennende zal het u allerminst verwonderen dat ik elke eerste dinsdag van de week een ommetje met mijn accountant maak, waarbij mijn hondje, een elk dier dat rilt een bever noemende Beierse bergzweethond, de grootste moeite doet om zo ver mogelijk uit diens buurt te blijven, en waarbij ik altijd mijn best doe om een belangrijk fenomeen van ons bestaan aan mijn humane gezelschap te verklaren.
Vorige rondgang meende ik het eens in de zoveel tijd opnieuw aangehaalde onderzoekje dat aantoont dat keukendoekjes naar verloop van tijd vies worden te moeten toelichten. Dat dat absorberende materiaal waarmee allerlei bacteriënpoelen worden opgezogen binnen korte tijd barst van de bacteriën verbaast mensen blijkbaar bij herhaling. Of die gestelde correlatie ook een causaliteit is, valt nog maar te bezien, merkte ik op, en geheel belangeloos pakte ik door door met behulp van onder andere powerpoint en handouts een poging te wagen voor mijn arme boekhouder in ieder geval een deel van deze gedachte te verduidelijken. Of die moeite loont, weet je nooit, want sowieso als je zo’n getallenarrangeur iets uitlegt en hij (of zij, want mannen kunnen ook best vrouwen zijn) blijkt het uitgelegde ineens te begrijpen, dan hoeft dat begrip helemaal nog niet door die uitleg te komen. Het is op een of andere manier denkbaar dat die cijfersorteerder met de informatie eigenhandig een zekere vertaalslag heeft gemaakt, maar veel logischer is het eigenlijk dat er ten tijde van de uitleg een goddelijke interventie was die regelde dat hij ineens ‘eureka!’ in zijn gedachtenwolk kreeg.
Ik moet trouwens vermelden dat ik de beperkte capaciteit van mijn rekenrekel helemaal niet erg vind – als er maar een belasting tegenover zou staan. Kijk, mensen zoals hij voegen immers helemaal niks toe aan de cultuur van onze wereld. Geen spatje creativiteit in welke vorm dan ook – ook niet per ongeluk – verlaat hun aura. Maar ze genieten wel van de bestaande esthetische waarden, en dat dus zonder tegenprestatie. En ze mogen bijvoorbeeld wel voor het normale tarief bij het Van Goghmuseum naar binnen.
Het is derhalve enkel fair als die freeriders zoals mijn accountant voortaan een soort verplichte cultuurbijdrage gaan betalen. Vrijblijvendheid past per slot niet in het huidige klimaat!

— — —
welkomthuispagina.nl

Belegen

Gisteren gooide mijn vrouw een pak reclamefolders weg. En die had ik nota bene van mijn opa gekregen!
Ik weet het nog goed. Hij zei: ‘Hier, jongen, een bundeltje reclamefolders voor jou. Als dit straks het laatste papier op aarde is, is het veel geld waard!’
Mijn opa was niet de eerste de beste; voor hem leefden er sowieso ook al mensen, en het predicaat ‘beste’ is veruit te min om zijn geweldigheid uit te drukken. Een groot deel van zijn leven was hij nogal gefascineerd door de activiteit liggen. Zo bedacht hij een manier om staande klokken ook rustend op een zijkant te kunnen gebruiken, voor mensen met een laag plafond. Of wat te denken van horizontale programmering? Zijn idee! En het zal ook geen verrassing zijn dat mijn opa de uitvinder is van de pyjamatras. U weet wel, dat handige gebruiksvoorwerp dat men zowel kan gebruiken om ziek mee op de bank te verpozen als om in een vrolijke bui op te rollen.
Mijn opa en ik waren zielsverwanten; als wij ergens een buik zagen, dan legden we er, zonder dat we dat vooraf hadden afgesproken, automatisch onze handen op. (In die tijd kon dat nog.) En hij had vroeger net zo’n hond als ik nu ook heb: een roodgele groenhond met lichtblauwe vacht (en mauve halsband) – de kleur van die beesten valt meestal wat okerbruinachtig uit, en in het donker kunnen ze soms zelfs helemaal zwart zijn.
Liggen is niet helemaal mijn ding, maar liegen – en daarmee kom ik sommige dialectsprekers feitelijk tegemoet – kan mij vaak wel bekoren. En in die lijn geeft het mij bijvoorbeeld ook plezier om te vertellen dat mijn opa samen met Willie Nelson het nummer ‘Geef de wereld nog een kans’ wilde opnemen, maar dat Willie het uiteindelijk niet kon verkroppen dat de wereld meer aandacht kreeg dan Amerika. De tekst van het lied moest aangepast worden naar ‘Geef de wereld én de Verenigde Staten van Amerika met in het bijzonder de staat Texas nog een kans’, maar metrisch kwam dat de song helemaal niet ten goede. Sterker nog, door de toevoeging van deze overdaad aan woorden haalde de muziek de tekst als het ware in, waardoor de zang nog een paar regels doorging, terwijl de verschillende instrumenten hun partijen al gespeeld hadden. Volgens Willie lag dat aan mijn opa, en mijn opa met zijn waardering voor liggen vond dat dus prima.

— — —
welkomthuispagina.nl

Peterprincipe

De eerste vuilniszak van een rol gooi ik altijd weg. Daar blijft namelijk steevast nog half zo’n sticker op zitten en dat is gewoon niet zo mooi. Ik geloof niet dat die handeling met betrekking tot mijn omgeving genetisch bepaald is. Eerder is het bepaald dat dergelijke zaken als genetisch ding geloofd dienen te worden. Maar daar doe ik niet aan mee, want dat soort afspraken, en eigenlijk alle afspraken, zijn sowieso bedoeld voor mensen die geen zin hebben om na te denken; en het is al erg genoeg dat die branche op elk willekeurig tijdstip van het leven een eclips van de rede veroorzaakt. Met voorschriften jongleren lukt zelfs het beste als je je hersenen een paar verstandjes lager zet. Mijn hondje, een om zijn rare grijns te verbloemen altijd met een vlag wapperende Noorse buhund, heeft niet eens een lagereschoolopleiding en zou wat dat betreft erg goed als controleur of zo kunnen werken. Geen hond die dat merkt! Sterker nog: eigenlijk alle onproductieve, incapabele figuren in onze maatschappij die zich uit pure frustratie met enkele onbeduidende, maar dure cursussen naar machtsposities hebben laten omscholen, zullen danig en zelfs onderdanig onder de indruk zijn van mijn hondje.
Een van de kenmerken van iemand die kennis via fors betaalde lezingen ‘gekocht’ heeft, is diens gebrekkige sjoege qua algemene ontwikkeling. En dat is jammer, want het komt maar al te vaak voor dat zo’n vogel toch – waarschijnlijk door diens ketting van afwijzingen – wil begrijpen wat de ander zegt. Maar hoe kunnen we borgen dat deze machtswellustelingen naast het volgen van hun onzincursussen ook nog hun intellectuele bagage naar een hoger peil brengen? Welke metingen moeten gedaan worden om te kunnen monitoren of dat proces wel goed loopt? En wat is het tijdspad?
Welnu, misschien kunnen we niet anders dan uitgaan van de zelfdiscipline van deze mensenkinderen, waarbij ik het volgende gereedschap om tijd vrij te maken alvast wil aanbieden: luister niet meer naar Pink Floyd. Dat levert mij tijd op voor extra ontwikkeling van grosso modo 6 uur per jaar, wat weinig lijkt, maar als ik, zeg, 300 jaar word, dan heb ik daarmee zo’n 1500 uur gewonnen. Dus ruim 60 volle dagen! Maar wil je per se toch naar Pink Floyd luisteren, gooi dan wel steeds het eerste nummer weg; dat heeft meestal nog overbodige noten.

— — —
welkomthuispagina.nl

Smetvlees

Telkens als ik in de poep grijp, heb ik de behoefte om mijn handen te wassen. Dat is gewoon een van mijn tics; daaraan doe ik niks. Om deze vorm van menselijk gedrag te ontraadselen, zijn er verschillende stromingen in omloop. Zo bestaan er psychologische theorieën, waarvan de overgrote meerderheid afkeer van vuiligheid als zeer gezond gedrag beschouwt, en er zijn spirituele theorieën, die smetvrees opvatten als een onverklaarbaar mysterie, als een mystieke ervaring zelfs. Hoewel er in de hedendaagse academische literatuur verschillende klassieke vlekkenaversietheorieën te vinden zijn, komen er drie als beste uit de verf: de ontladingstheorie, de superioriteitstheorie en de incongruentietheorie. Onder huidige verontreinigingsonderzoekers bestaat er geen consensus over welke van deze drie het meest reëel is. Voorstanders van elk van deze standpunten beweerden oorspronkelijk dat hun theorie in staat was om alle gevallen van viezigheidsweerzin te verklaren. Inmiddels is de algemene aanname echter dat de duiding van vuilwalging een overlap laat zien in al deze sets van grondregels.
Maar de keiharde wetenschap even buiten beschouwing latende, durf ik met opgeheven hoofd te beweren dat ik waarschijnlijk niet de enige ben die zijn handen graag van kak verschoont. Simultaan is het ronduit strontvervelend dat er heden ten dage zo veel uitwerpselen binnen handbereik te detecteren vallen. Dat kan overal en altijd zijn, bijvoorbeeld tijdens het kijken van een film over het lezen van een krantenartikel of tijdens het lezen van een krantenartikel over het kijken van een film. Ook in mijn achtste bijbaan heb ik er veel mee van doen: als ik soep maak voor mijn gasten, dan wil ik er uiteraard voor het opdienen nog even goed met mijn blote vingers doorheen roeren. Een echte kok zit namelijk altijd met zijn handen aan het eten. Ik als nette vent wil dan echter geen extra darmproducten toevoegen aan het voedzame afkooksel. Noem me maar een haarklover!
Toch blijft de vraag hangen waar die excrementen die tegenwoordig steeds meer te pas en te onpas opduiken allemaal vandaan komen. Mijn hondje, een uiterst milieuvriendelijke en radioactiviteit vijandig benaderende Tiroler brak, kan hier in ieder geval de schuldige niet zijn; die heeft als puppy al vrolijk en geheel uit eigen beweging zijn billen laten amputeren, dus daar komt geen poep meer uit.

— — —
welkomthuispagina.nl

Deelwezig

In de maanden voor Serge Gainsbourg zijn einddatum bekend liet maken, kwam het af en toe voor dat hij mij bij vergissing belde, en vanwege mijn miserabele Frans en zijn al helemaal belabberde Nederlands duurde het elke keer weer zeker drie kwartier voor hij begreep dat hij een verkeerd nummer had gedraaid. Maar deze telefonades waren altijd wel gezellig en bovendien een stuk leerzamer dan een gesprek via hetzelfde medium met een bedrijf in de quartaire sector. Dat het in laatstgenoemde geval lastig is om met de juiste persoon doorverbonden te worden is een soort zekerheid geworden, een vast punt waarvanaf men de wereld kan indelen – maar onlangs heb ik in dezen toch wel een nieuwe culminatie meegemaakt. Vorige week dinsdag was dat. Ik belde zo’n bureel vol schijnwerkers en ging meteen bij de eerste poging tot doorverbinden met mijn hondje, een zijn weerga maar al te goed kennende Noorse lundehond, wandelen; ervaring leert dat zo’n situatie doorgaans een half uurtje voor jezelf betekent.
Terug aan de telefoon kreeg ik te horen dat de betreffende mevrouw niet aanwezig was. Deze werkte namelijk parttime, en wel alleen in april. Ze had een contract voor zes uur per week, maar had het zo geregeld dat ze al haar uren van het jaar in één maand inplande. Of ik in april dus terug wilde bellen.
Ik probeerde nog heel voorzichtig om opheldering te vragen door te stellen dat op de glijdende schaal van handig tot onhandig deze personeelsbezetting voor het bestaansrecht van het kantoor toch dichter bij het woord beginnende met letter o zat. Ik kreeg echter geen bijval uit de luidspreker van mijn telefoon. Ook was er niemand in het hele bedrijf die mij verder kon helpen. Ja, er was wel iemand, maar die werkte alleen in juni, dus dan kon ik toch beter al in april terugbellen.
Half zingend op de wijs van Leonard Cohens Hallelujah deed ik nog een uiterst vriendelijke poging om met de uitleg van mijn benarde situatie een soort uitzondering voor elkaar te krijgen. Maar daar was geen ruimte voor. Want als ze zomaar voor iedereen een uitzondering gingen maken, dan waren ze de hele dag mensen aan het helpen, en dat kon toch nooit de bedoeling zijn.
Ik voelde mijn bloed tekeergaan en gaf het op. Facit: deze elementen van de hoi polloi geef ik alleen nog maar een hand als die aangetekend verstuurd is.

— — —
welkomthuispagina.nl

Gewenning

Toen mijn vorige notaris verhuisde, verbaasde me dat bovenmatig. Ik had namelijk niet lang daarvoor een aantal zaken bij hem vast laten leggen, maar die lagen blijkbaar toch zo los dat ze best verplaatst konden worden. Mijn hondje, een als ik het correct voorspel uitstekend in spelling zijnde mastiff, ging in die tijd zelfs eerder op zoek naar een nieuwe juridische stempelaar dan ik – en het zal niet de laatste keer zijn dat ik zijn raad opvolg. Met mijn huidige notaris heb ik trouwens een veel betere relatie dan met de voorafgaande; het is meer een soort symbiose. Als hij bijvoorbeeld om uitleg vraagt waarom zijn pizza na 220 minuten bakken op 15 graden nog steeds niet gaar is, stuur ik hem daarvoor ook gewoon een rekening.
Op mijn beurt regel ik verder bijna alles eigenlijk zo goed als gratis bij hem. Laat ik de handige en verdomd legale methode waarmee ik dat doe even met u delen: ik koop een plastic plant voor hem, een nepplant dus, en leg hem daarbij uit dat hij zeeën van tijd zal gaan sparen omdat hij het ding nooit water hoeft te geven. De twinkeling in de ogen van zo’n regeltjesminnaar die dan in zijn hoofdje probeert te rekenen is werkelijk onbetaalbaar! In ruil voor het cadeau krijg ik dan enigerlei nieuw aktetje. Hij heeft in zijn kantoor al vier vensters bij moeten laten maken om mijn planten allemaal een plekje te kunnen geven, dus zijn sympathie voor mij moet inmiddels welhaast grenzeloos zijn, zult u begrijpen.
Toch kan ik mijn perfecte maat niet altijd in de gaten houden, en zoals bekend hebben alle notarissen een verslaving. Bij de ene is dat dit, bij de andere is dat dat. Bij de mijne is het een hang naar autorijden. Maar gewoontevorming begint natuurlijk altijd onschuldig. Je maakt een lekker ritje met je automobiel naar de snackbar, je boemelt gezellig met je wagen een stukje in de wijk, van geen kwaad bewust toer en tuf je zo weken een beetje rond, en op een dag rijd je een drukke eenrichtingsstraat in en dan kan je niet meer terug.
Vandaar dat ik sinds pak ‘m beet elf dagen de praktijk van mijn notaris waarneem. Eigenlijk meer omdat ik vanuit het nieuwe raam in mijn keuken op zijn kantoor uitkijk. Nochtans hoop ik dat meneer de juristmans snel beter is; wisselen van notarissen en honden is iets wat mensen van nature immers niet graag doen – en niets menselijks is mij vreemd, tenzij ik het niet ken.

— — —
welkomthuispagina.nl

Penneveeg

De overheid moet er scherper en met een continu wakend fanatisme op letten dat mensen elkaar niet zomaar in de openbare ruimten en zo aanspreken. Vanochtend nog ondervond ik dat ik per ongeluk op de Straatweglaan een dorpsgenoot goedemorgen wenste, en daarmee dus diens aanwezigheid aldaar voor anderen kenbaar maakte; een ferme en zo goed als onvergeeflijke schending van zijn privacy, zoals u begrijpt.
Wie ook heel goed was in het verklappen waar mensen uithangen, was Dante. (Dante Alighieri bedoel ik dan, en niet Dante Dijkstra, de ’s nachts doofblinde kaasboer uit Gorredijk.) Via Dante weten we namelijk van een aantal historische figuren waar in de hemel of de hel ze zich verstopt hebben. Helemaal in het diepste puntje van het inferno, onderaan in de negende cirkel, blijkt Judas te zitten. (Judas Iskariot bedoel ik dan, en niet Judas Reijntjes, de eenarmige barman annex diskjockey uit Wageningen.) Judas, behorende tot het dozijn apostelen, had op een gegeven moment, om aan het eind van het jaar toch nog leuk op vakantie te kunnen, een handel in het verklikken van Jezussen, waarmee hij in korte tijd maar liefst dertig zilverstukken verdiende. Na één Jezus had hij echter al spijt, maar daarmee was het verraad uiteraard niet ongedaan gemaakt. (Voor de liefhebber: deze avonturen zijn opgetekend in bijvoorbeeld het evangelie van Mattheüs, hoofdstuk 26 en 27.) Maar om die Judas hierna te verbannen naar een eeuwigdurend bivakkeren in de bek van Satan, terwijl die ook nog eens met zijn klauwen de huid van Judas’ rug trekt, vind ik een toch ietwat extravagante foltering – zeker omdat die meneer Iskariot in feite voorbestemd was tot het verlinken van z’n buddy.
Enfin, liever Judas dan ik, natuurlijk. Al hoef ik me sowieso niet druk te maken over het levenloze omdat ik gegarandeerd en onherroepelijk naar de hemel ga. En dat kan van mijn hondje, een nog steeds volgens de Franse revolutionaire kalender levende (en dus approximatief zeventienhonderdtweeënnegentig jaar tragere) dwergdashond, helaas niet gezegd worden. Die zal waarschijnlijk later nog wel een poosje zoet zijn met pendelen tussen de verschillende kringen van het adres der verdoemden. Hij blaft namelijk soms, zelfs zonder dat hij daar een opdracht voor gekregen heeft.

— — —
welkomthuispagina.nl

Hek- en werkverkeer

Tijdens het luisteren naar Vivaldi luister ik altijd graag naar Wagner, en onlangs luisterde ik tijdens de luistercombinatie Vivaldi-Wagner even naar het journaal. Ik hoorde onder andere over de nieuwe griepbelasting, die als voordelen heeft dat mensen minder vaak ziek zullen worden en dat de staatskas weer een beetje meer gevuld wordt. Mijn hondje, een van een afstand van tachtig meter op een vastkokende aardappel lijkende jackrussellterriër, heeft daar gelukkig geen last van; die heeft nooit griep. En daarom loopt hij ook te pas en te onpas fit en energiek rond te rennen. Hij heeft van rennen zelfs een sport gemaakt, met een enorme navolging. Het is mede door hem, volgens mij, dat we tegenwoordig aan de lopende band mensen over ons wegennet zien trekken met een modus die toch in ieder geval het vermoeden geeft dat ze iets of iemand willen vangen. Mij deert dat echter amper. Ik ben namelijk tegenwoordig met een heel andere sport bezig: hekken. Dat is dus het plaatsen van het hek op de openbare weg. Maar er komt natuurlijk meer bij kijken. Bij hekwedstrijden van nationaal niveau worden de hekken tot aan de snelweg op aparte weggedeelten geplaatst, waarbij de betreffende rijstrook zo mogelijk volledig moet worden benut. De plaats waar de deelnemers de volledige rijbaan voor hun traliewerk mogen gebruiken, wordt nog eens extra aangegeven met een 5 cm (50 mm) brede lijn en met een vlag van 1,50 m (1500 mm) hoog aan beide zijden van de weg. Bij subnationale wedstrijden maakt het absoluut niet uit waar op de doorgaande route de hekken worden geplaatst. Uiteraard gelden nog wat specificaties betreffende het te gebruiken materiaal. Zo mag de diameter van de horizontale buizen van het hek niet kleiner zijn dan 2 cm (20 mm) en niet groter dan 6 cm (60 mm). Bovendien mogen de pijpen niet voorzien zijn van banden of andere toevoegingen die het vastgrijpen zouden kunnen vergemakkelijken. Verder moet de breedte van het hekwerk minimaal 1,80 m (1800 mm) zijn en de hoogte 55 procent daarvan.
De mensen vragen weleens: ‘Moet dat dan per se altijd op de openbare weg, dat hekken?’
Het antwoord is dan steevast: ‘Ja, hekken is immers een serieuze sport, en de essentie van sport is nou eenmaal dat anderen er last van hebben.’

— — —
welkomthuispagina.nl

Kreeftskeerkring

Mijn chakra is naar de gallemiezen. (Ik ben, zoals men weet, geboren met maar een chakra. Zie het album Het Koortsige Koshervarken.) Het toeval wil dat mijn hondje, een aan een mix van coulrofobie en angst voor clowns lijdende jämthund, juist te veel chakra’s heeft, maar ik heb inmiddels begrepen dat een transplantatie te omslachtig zou zijn; bovendien is mijn hond niet bereid om de helft van de operatie voor zijn rekening te nemen, de vrek. Ik ben trouwens heel nuchter als het om dit soort concepten gaat – ik neem altijd meteen aan dat dingen die mensen als Helena Blavatsky claimen waar zijn. Zegt zelfs de tandarts van Aleister Crowley bijvoorbeeld dat een glazen muil onhandig is, omdat dan iedereen ziet wat je aan het eten bent, dan geloof ik dat stante pede. Zulke figuren doen niet aan sprookjes en ga ik dus niet tegenspreken, ook niet als ze inmiddels gestorven; wellicht zijn ze dan alleen nog maar gevaarlijker.
Nou heb ik het dus met energieplekjes in en op mijn lichaam minder getroffen, maar ik mag aan de andere kant van geluk spreken dat een Oedipusmoord mij bespaard zal blijven. Ik heb immers enkel dochters – en dus geen zoons die mij zouden kunnen ombrengen. Een treinreis geleden heb ik me door een man met vier zoons de zogenaamde oedipale waarschijnlijkheidsberekening uit laten leggen. Erg ingewikkeld natuurlijk, maar ik zal dit fenomeen toch even kort toelichten. Allereerst: bij nul zoons heeft het enkele reis naar de andere wereld gestuurd worden door je zoon een eventualiteit nul. Maar als de eerste zoon geboren wordt, is het toch echt belangrijk om als de wiedeweerga er nog een of twee of drie bij te fiksen. Dit puur om de kansen te spreiden. Om zeep geholpen worden kun je maar een keer, namelijk. Maar als je bijvoorbeeld vier zoons hebt en je bent met een van hen op pad, dan is de kans dat toevallig die zoon jou uit de weg ruimt nooit meer dan vijfentwintig procent uiteraard. Hoe meer zoons je hebt, des te beter het is voor je hart dus – als je ze tenminste wel zo veel mogelijk een-op-een benadert. En bij iets van honderd van die XY-kinderen is de kans om door een van hen voor eeuwig een smal bedje te krijgen inmiddels zo verwaarloosbaar dat je zelfs in zijn buurt even zou kunnen gaan slapen.
Toch kan het geen kwaad altijd in enige mate op je hoede te blijven en regelmatig de batterijen van je aura te controleren.

— — —
welkomthuispagina.nl