De meerminkukel

In het meertje waar ’s winters zwanen en ganzen rusten, daar links van waar tussen de zandverstuivingen door de lange beukenlanen vrijwel onopgemerkt veranderen in smalle smokkelpaadjes, hier niet ver vandaan, waar de gagelstruwelen opvallend en omvangrijk zijn, loosde eens een lepe marskramer minstens twee maal daags clandestien zijn vullis, en dat had allemaal vlot en gesmeerd zo door kunnen gaan als hij niet op een wolkeloze middag in het water meende te moeten blikken. Meteen deinsde hij achteruit, want hij schrok van wat hij zag: een monster dat hem strak aankeek. Het beest had waterige ogen, een vreemde uitstulping aan de voorkant van zijn kop, en twee vinachtige flappen aan de zijkanten. De marskramer hobbelde holderdebolder naar zijn dorp, om daar op het marktplein kond te doen van het voorval.
‘Ik heb een monster gezien, mensen!’ riep hij. ‘In het meer waar de handelslieden uit de dorpen in de omgeving altijd rotzooi achterlaten, heb ik een griezelig en gevaarlijk monster gezien!’
Er kwamen al snel mensen om hem heen staan.
‘Was het een ruim tien voet hoog en van ijzeren staken voorzien reptiel met de lichaamsvorm van een mens?’ vroeg de smid.
‘Zou best kunnen. Zo goed heb ik het niet kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een slangachtig dier van meer dan vijftig tinten groen met een met zwemvliezen bedekt hoofd van een paard?’ vroeg de leerlooier.
‘Nou, ik heb het niet echt heel goed kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een vis met de voeten van een man en de handen van een vrouw, overal kaal, behalve op z’n neus?’ vroeg de beenhouwer.
‘Nogmaals: ik heb het slechts vluchtig gezien,’ zei de marskramer.
‘Was het een min-of-meerman, maar dan meer een verzameling bulten waarop allerlei bulten zaten, met de nek van een schaap en de staart van een mens?’ vroeg de tinnegieter.
‘Vast wel, maar ik heb het maar heel even kunnen zien dus,’ zei de marskramer.
Ondertussen waren de burgemeester en zijn commissaris van politie polshoogte komen nemen.
‘We moeten het met eigen ogen zien!’ zeiden ze in koor (al was het wel wat vals).
En dus togen alle dorpelingen, de notabelen voorop, naar het betreffende meertje. Daar aangekomen keken ze stuk voor stuk in het water.
‘Hosanna in den hoge, ik zie het!’ zei de burgervader. ‘Wat een gedrocht!’
‘Inderdaad!’ zei de brigadier. ‘Wat een onooglijk mormel!’
Bijna de hele horde was het erover eens dat het ondier in het water dood moest, want zoiets lelijks kon nooit goed zijn voor de wereld. Bijna de hele horde, want in de meute mekkerende mensen was ook de bevallige dochter van de graaf aanwezig. Ook zij koekeloerde in het water, en ze moest heel erg lachen.
‘Ik zie helemaal geen wanstaltig cryptozoölogisch monstrum van enige soort,’ zei de dochter van de graaf. ‘Ik zie alleen maar een sierlijke jongedame!’
‘Grijp haar!’ riep de mensenmenigte. ‘Ze is bezeten door het beest!’
En toen vermoordden ze haar, en van het meermonster werd nooit meer iets vernomen.

De bijnarchist

Met de gedachte dat het verbouwen van het land het grootste goed was, omdat dat vroeg of laat zou bijdragen aan goede zeden en geluk, maar ook omdat hij ook in het koudste seizoen voldoende te eten wilde hebben, werkte ooit een vrome boer eeuwig zwetend op zijn akkers, hier niet ver vandaan, de meeste uren van de dag, van wintereind tot winteraanvang.
Toen hij op een best frisse ochtend zijn velden ging ploegen, hoorde hij een tamelijk verkouden stem die zei: ‘Pas op, jij goedgelovige boer, ik zie dat je gaat ploegen, maar ploeg vooral niet in oostelijke richting!’
Door druk om zich heen te kijken probeerde de boer te achterhalen waar de stem vandaan kwam, maar hij kon het niet zien. Waarom, vroeg hij zich af, zou hij niet in oostelijke richting mogen ploegen? En wie behalve hij zelf behoorde zich daar eigenlijk mee te bemoeien? Toch lang liet de boer zich niet door het voorval afleiden. Een van zijn motto’s was per slot: doe wat je kunt, met wat je hebt, waar je bent. Om het zekere voor het onzekere te nemen, sprak hij desalniettemin met zichzelf af dat hij dat jaar in zuidelijke richting zou ploegen, of misschien in westelijke of noordelijke richting, maar in ieder geval niet in oostelijke richting.
En het ploegen ging goed. De aarde had er nog nooit zo uitnodigend bijgelegen.
Een tijdje later, niet heel veel later, maar zeker niet dezelfde dag, trok de boer wederom naar zijn landerijen met een grote zak zaaigoed op zijn rug. En vlak voordat hij bij de erfgrens was, hoorde hij een behoorlijk schorre stem die zei: ‘Kijk goed uit, jij argeloze landbouwer, ik zie dat je gaat zaaien, maar zaai vooral niet in oostelijke richting!’
Hoe de boer ook draaide met zijn hoofd, het lukte hem niet te ontdekken waar de stem haar oorsprong had. Wel wist hij dat de stem via zijn oren zijn hoofd binnenkwam, maar daar schoot hij welbeschouwd weinig mee op. Veel zin om zich te laten commanderen door een of andere onzichtbare bemoeial had de boer niet, maar toch besloot hij niet in oostelijke richting te gaan zaaien. Er waren immers nog richtingen genoeg.
En het zaaien ging goed. De grond was nog nooit zo verzadigd geweest.
Toen de boer, weer later, naar de velden ging om te wieden, had de stem, nu nasaal, iets soortgelijks te mekkeren, en ook bij het oogsten meende de stem, onderbroken door nogal wat gekuch, een tip van dezelfde strekking te moeten geven. Beide keren volgde de boer de raad van de stem maar op, vooral omdat het sowieso niets uitmaakte en hij, in het geval er toch een waarheid in zat, gewoon geen tijd had om maandenlang zijn angst bij een Weense pseudodokter op de bank te leggen. Bovendien zag hij landbouw niet als een baan, maar als een manier van leven, en dat liet hij zich niet door eventueel gepieker afpakken.
En wieden en oogsten gingen fantastisch. De graanschuur was nog nooit zo relatief klein uitgevallen.
Maar toen de boer de eerste hap van zijn welverdiende voorraad wilde eten, drong er een bende rovers zijn hoeve binnen, die al zijn voedsel van hem stal. De lente daarop ging de boer niet meer werken; het hele jaar door ging hij lekker luieren. En toen de winter begon, sloot hij zich bij een bende aan om eten te stelen bij de hardwerkende sufferds, en hij gaf er een moraal voor terug.

De breekkeizer

Hier niet ver vandaan is het prima wandelen en nadenken onder de lindebomen onder het genot van een pijpje gevuld met bijvoorbeeld die heerlijke tabaksmelange die de dorpsdokter onder de toonbank verkoopt. Vooral op een zomerdag. Zelfs als het zo heet is als in dit verhaal. Geen druppel regen was gedurende vele weken gevallen en sneeuw was ook al in geen tijden meer gespot. Alle vennen in de buurt waren opgedroogd, en de brouwerij deed opvallend goede zaken.
Zoals elke zomer was de burgemeester acht weken op vakantie. De dorpsinbreker maakte van dat gegeven ook ieder jaar dankbaar gebruik door in die periode te kijken wat er zoal in het burgemeestershuis te halen viel. Maar deze zomer was anders. De burgemeester van de naastgelegen gemeente had namelijk besloten eens een jaar niet op vakantie te gaan, en daarom was de dorpsinbreker aldaar genoodzaakt zijn werkterrein wat te verleggen.
En zo gebeurde het dat er op een dag maar liefst twee inbrekers onafhankelijk van elkaar in het burgemeestershuis achter de lindebomen aan het neuzen waren. Ze ontmoetten elkaar in de keuken.
‘Ik zie meteen dat u een vakman bent,’ zei inbreker A, de lokale boef. ‘Echt een professionele koevoet! Het lijkt me een feest om daar lekker mee te wrikken.’
‘Die plunjezak die u daar heeft is anders ook van een fantastische kwaliteit,’ zei inbreker B, de regionale rover. ‘Complimenten, collega!’
Toevallig was de veldwachter, die zoals elk jaar op het huis moest passen, hoewel hij amper door de deur paste, die dag voor de verandering eens in de bijkeuken aan het slapen. Een combinatie van honger en geluid maakte hem wakker.
Toen de veldwachter de keuken binnenkwam, dronken de twee inbrekers snel hun koffie op en renden ze de tuin in. Midden in de tuin stond een kastje, en achter in de tuin stond een muur, een hoge muur. Eroverheen klimmen lukte niet in je eentje.
De veldwachter versperde de vluchtweg het huis in, en hij blies op zijn fluit om versterking.
‘We zijn erbij!’ zei inbreker B, een kruisje slaand. ‘De sigaar van het haasje, de klos van de pisang!’
‘Welnee,’ zei inbreker A, terwijl hij rustig zijn nagels vijlde. ‘We hebben juist geluk. We zijn met z’n tweeën. Als jij me een steuntje geeft, kan ik op de muur klimmen. En als ik dan boven ben, trek ik jou ook omhoog.’
‘Klinkt als een puik plan,’ zei inbreker B, op zijn vingers kijkend of hij zijn nagels binnenkort wellicht moest vijlen, en hij klemde zijn handen ineen om zijn collega een opstapje te geven.
Dankbaar en handig klom inbreker A via inbreker B’s handen, schouders en hoofd boven op de muur. En hij sprong aan de andere kant van de muur op de grond.
‘Hé, en ik dan?’ riep inbreker B. ‘Je zou me toch helpen als ik jou zou helpen?’
‘Tja, ik weet niet hoe het in jouw dorp werkt,’ zei inbreker A, met een lach in zijn stem, terwijl hij zijn pijp stopte met dorpsdoktersmelangetabak en in de schaduw van de lindebomen wegsjokte. ‘Maar hier geldt dat je nooit een dief moet vertrouwen. Zeker niet als hij niet uit de buurt komt.’

De kaaskaner

Zelfs hoofdpersonen uit sprookjes willen soms anoniem blijven, en daarom zal naar de jongen over wie dit verhaal gaat, die eigenlijk Kees heette, met de naam Cees verwezen worden.
Cees was een in sommige opzichten net iets meer dan gemiddelde jongeling, en in andere opzichten net iets mindere, in een tijd waarin kapsels in de mode waren, met echt blauwblauwe luchten en indrukwekkende wolkpartijen, daar waar koeien tussen smalle slootjes graasden, hier niet ver vandaan, waar de dorpskerken de horizon verticaal stippelden.
Cees hield van veel dingen. Hij hield bijvoorbeeld van knopen, de geur van kurk, eekhoorns, kaarsen uitblazen, vissen op zee, zijn moeder, klei, baardgroei, zijn handen boven de dekens houden, en de vorm van berkenbladeren, maar het meest nog hield hij van kaas. En niet alleen vond hij het leuk om kaas in de kast te zetten, hij at het goedje ook graag. Heel graag. Te graag, misschien. Als er ergens een gelegenheid was waar je onbeperkt kaas kon eten, was Cees altijd de eerste en laatste gast. Voor hem was er geen maaltijd zonder kaas, maar ook geen gesprek zonder kaas. Liever dan het halen van adem, at hij kaas.
Als vrienden hem vroegen hoe het met hem ging, dan antwoordde hij altijd zijn mildste vriend het eerst en richtte hij zich tot zijn pittigste vriend als laatst, omdat anders zijn meest recente antwoord zijn eerste zou gaan overheersen.
Hij zei dan (ongeveer): ‘Omdat er kaas op deze wereld is, mag ik mezelf gelukkig prijzen, en derhalve heb ik in ieder geval een reden minder tot klagen.’
Als Cees zijn verjaardag vierde, en dat was elk jaar wel, dan kon je hem het meest blij maken met een groot stuk chaource of een kilo nieheimer, maar ook voor een blokje gouda was hij dan zeker te porren.
Op den duur werd het zijn omgeving allemaal te veel. Altijd maar kaas dit en kaas dat werd vervelend. De wereld bestaat namelijk niet alleen maar uit kaas, maar ook bijvoorbeeld uit stoelen en wenkbrauwen.
Cees’ vrienden wilden hem daarom een keer op zijn nummer zetten, en op een dag dat ze allemaal konden, behalve Frits, maar die kon nooit die periode, omdat hij toen ook net een nieuwe baan had, ontvoerden ze Cees als het ware en namen ze hem, om tien uur in de ochtend, mee naar taveerne De Zoete Hondendarm.
Daar voerden ze hem kaas, aan een stuk door.
Ze dachten met een soort prepsychologische wijsheid dat ze hem van zijn kaasmanie af konden helpen door hem kennis te laten maken met een overvloed eraan.
In de namiddag, het was tussen drie uur en vijf over drie, begon Cees tegen te sputteren.
‘Voor mij geen kaas meer,’ kwam uit zijn mond, met kaas.
Maar de vrienden lieten zich niet kennen, want anders zouden het geen vrienden zijn, maar aan de andere kant waren ze al gekend, want anders zouden het geen vrienden zijn, en ze bleven Cees kaas voeren.
Tot hij op een gegeven moment van zijn stoel viel en het verschijnsel dood aannam. Er werd een dokter bijgehaald, die toevallig het college over de dood niet had gevolgd, maar die wel die diagnose kon stellen.
‘Dat zal hem leren!’ zei een van zijn vrienden.
En iedereen moest lachen. Er werd een nieuw vat aangeslagen, en er werd gedanst en gefeest tot het morgenlicht.

De vis van kennis

In het reliëfrijke landschap tussen de bloemrijke weiden en de welige graslanden, waar de vuursalamander graag in de dikke laag van traag verterende bladeren kruipt, en de talrijke steenvliegen, kokerjuffers en haften op hun hoede zijn voor de grote gele kwikstaart, hier niet ver vandaan, kronkelde ooit nog meer dan nu een prachtige en sprankelende beek, en langs de kant daarvan zaten eens twee jongens te vissen. Om te laten zien dat ze hun activiteit serieus namen en niet lukraak bezig waren met een willekeurige onkuisheid tegenover de natuur hadden ze zelfs hengels bij zich. En ze visten op iets speciaals. Met een simpele kabeljauw of een marlijn namen ze geen genoegen. Nee, ze hadden gehoord – van niemand minder dan een verzekeringsagent – dat in het beekje de Zalm van Kennis moest zwemmen. At je van die vis, dan werd alle informatie van de wereld aan je geopenbaard.
Uiteraard liet die Zalm van Kennis zich niet zomaar vangen. Daarom probeerden onze twee vrienden allerlei werptechnieken uit.
‘De dobber creëert op deze manier een circulaire weerstand tegen de lucht. De druk langs de lijn stijgt en als de druk achter de dobber lager is dan aan de voorkant begint hij te draaien door de lucht die er doorheen stroomt,’ zei een van de jongens tijdens zijn worp, om vergeefs de theorie erachter uit te leggen, en prompt had hij beet.
Het bleek de Zalm van Kennis te zijn. De jongens herkenden het beest meteen. De vis had namelijk een bril op.
‘Eet jij maar als eerste,’ zei de oudste hengelaar quasibeleefd tegen de jongste.
‘Ik? Waarom jij niet?’
‘Omdat ik nog nooit vis gegeten heb. Ik weet niet hoe je die moet kauwen.’
De twee besloten de vis in een holle boom te verstoppen en eerst even in de dichtstbijzijnde bibliotheek een en ander op te zoeken over het eten van vis.
Na een week kwamen ze terug, met een zak rijst en een recept om sushi te maken.
‘Ah, de geur van trimethylamine! Zo ruikt de visboer bij ons in het dorp ook altijd, dus dat is alvast een goed teken,’ zei een van de knullen bij het weer tevoorschijn halen van de zalm.
En nog geen kwartier later waren ze volop aan het smullen van de gemaakte hapjes maki en nigiri. Maar twee moeizame sudokupuzzels later werden ze ineens heel erg ziek allebei. Ze moest overgeven, kotsen, en braken, en ze werden ook nog onwel.
‘Excuses, ik ben heus niet aan het spugen omdat jij zo lelijk bent,’ zei het ene ventje.
‘Ingelijks,’ gaf het andere ventje als respons. ‘Je bent werkelijk onooglijk, en er zijn geen dagen waarop ik niet misselijk word van jouw aanblik, maar dat ik nu mijn maaginhoud aan de buitenlucht toevertrouw heeft daar niets mee te maken, geloof me.’
Ze wisten natuurlijk allebei maar al te goed dat ze beroerd waren geworden van het eten van de Zalm van Kennis. Dingen weten was blijkbaar heel erg slecht voor je, beseften ze.
En zodra ze niet meer scheel keken, schreven ze zich uit bij hun school, verbrandden ze al hun boeken, beloofden ze elkaar plechtig nooit meer iets te willen weten, en maakten ze zich klaar voor een lang en gelukkig leven.

De kist van de goochelfee

Er wreef eens een dromer, die heel graag lommerdhouder – wat je tegenwoordig bankier zou noemen – wilde worden, in zijn ogen. Dromen waren immers bedrog, dus daar was hij goed in. Maar omdat hij een vak had geleerd, werd hij min of meer gedwongen om toch maar scharensliep te worden. Als scharensliep kwam je in die tijd nog bij de mensen thuis. Het was niet zoals nu dat iemand die zijn schaar geslepen wilde hebben eerst op de Akkerstraat buslijn 112 (richting noord) moest pakken om daarna, zeventien haltes verder, uit te stappen op de Pieter Dondersdreef, en dan daar de eerste straat links op nummer 4 je schaar in te leveren. Nee, scharensliep was een avontuurlijk beroep, en op een dag kwam onze held zelfs bij een circus terecht, waarvan de tent was opgesteld hier niet ver vandaan, achter de rietvelden, waar de lucht zo zoet is van de vele braamstruiken.
In een circus viel natuurlijk heel wat te slijpen. De attributen van de messenwerper moesten aan de geldende normen voldoen, het gereedschap van de degenslikker mocht natuurlijk niet te bot zijn, en het brood dat op de plank kwam moest gesneden kunnen worden. Voldoende werk voor een slijper dus, en met zo’n grote klus bleef hij zelfs een paar dagen bij zijn opdrachtgever overnachten. (Op en neer naar huis reizen was geen optie, en in de naburige herberg, De Vergulde Kribbe, was geen plaats meer.)
Nu waren er maar liefst twee circusartiesten die de scharensliep een slaapplek in hun huifkar aanboden: Fylgia de goochelfee, en Odin de raventemmer. Maar de scharensliep werd nogal zenuwachtig van de twee raven. De ene zou de toekomst kunnen voorspellen, en de andere zou de waarheid kunnen herkennen.
‘Ik ga straks de toekomst voorspellen,’ zei raaf nummer een om de haverklap.
‘Ja, dat is waar,’ vulde raaf nummer twee dan elke keer onmiddellijk aan.
Dus koos onze slijper maar voor de woonwagen van de goochelartieste. Fylgia was een tamelijk gedesillusioneerde vrouw die volgens eigen zeggen een echte fee was die wegens gebrek aan werkzaamheden zich maar met een soort magische act bij het circus had gevoegd.
‘Wees welkom in mijn woninkje,’ zei de goochelfee. ‘Je mag van mij doen alsof je thuis bent. Maar kom niet aan die kist daar! Maak onder geen beding die kist open!’
Ze wees naar een kist in de hoek van de woonwagen.
‘Die kist bedoel ik,’ zei ze, ditmaal op strenge toon met bijpassende blik. ‘Blijf auf jeden Fall van die kist af! Ik kan het niet vaak genoeg zeggen.’
De scharensliep knikte, en hij wilde er best gehoor aan geven, maar toen Fylgia de volgende dag haar showtje in de grote tent moest doen, kon hij zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen.
‘Maak de kist niet open! Blijf van de kist af!’ had Fylgia nog gezegd toen ze vertrok.
Maar de scharensliep had zijn plan al gemaakt. Voorzichtig opende hij de kist, die meteen daarop helemaal uit elkaar viel. Een kist timmeren was wat anders dan een schaar slijpen, dus de scharensliep bleef radeloos zitten met de verzameling plankjes. Hameren met een slijpwiel sloeg bovendien als een tang op een varken.
‘Wat had ik nou gezegd?’ zei Fylgia, toen ze haar woonwagen weer binnenkwam. ‘Dat ding is zo gammel als iets.’

De gesolde soldaat

Er was een tijd waarin soldaten geronseld werden op de eerlijkste manier die God geschapen heeft: via een loting. Het soldatenleven bood toen niet per se een gezonde manier om je dagen te slijten, maar gelukkig voor het potentiële kanonnenvoer zocht het leger alleen maar rekruten in dagen van oorlog. En in een van die dagen, toen de kiem van het leven over de dopheide voortrolde, niet ver hier vandaan, werden precies vijfentwintig boerenjongens stuk voor stuk prijswinnaars van zulk een loterij.
Dat er een van die vijfentwintig maar één been had, was geen enkel probleem. Discriminatie behoorde niet tot de karakteristieken van de legerleiding, en bovendien leverde het hebben van ledematen tijdens een oorlog, zo bleek maar al te goed na elke veldslag, absoluut geen voordeel op.
Nou had die eenbenige een oogje op de dochter van de generaal. (Zijn andere oog was normaal.) Maar dat was niet de bedoeling. De liefde was zelfs wederzijds, al had dat er voornamelijk mee te maken dat het meisje behept was met een volledige afwezigheid van het filter kieskeurigheid. Het gevolg was in ieder geval dat de jongen op staande voet naar het front werd gestuurd.
Aan het front raakte de jongeling erg gedesillusioneerd in het intermenselijke contact dat volgens sommige woordenboeken ook wel vriendschap wordt genoemd. Van alle lotgenoten met wie hij een band dacht te hebben opgebouwd, hoorde hij na een paar dagen ineens helemaal niks meer. Toen hij echter door de vijand gevangen werd genomen, kreeg hij alle tijd om met anderen over koetjes, kalfjes en andere landbouwthema’s te converseren.
Maar toch heel erg lang mocht de pret niet duren. Nog voordat de jonge soldaat goed en wel vier keer vijf streepjes op zijn celmuur kon krassen, werd hij door zijn manschappen bevrijd. Enig lichtpuntje in dezen was dat hij niet direct weer naar het front hoefde, maar dat hij voor een evaluatie van zijn krijgsgevangenschap op veilige afstand van het oorlogsgeweld een tijdje mocht labbekakken.
Dat dat niet zonder geheel zonder gevaar was, bleek al snel. De eerste avond al brandde hij zijn lippen aan een veel te hete soep, en hij werd stante pede naar de infirmerie getransporteerd om bij te komen. Hier lieten ze hem per ongeluk iets te lang buiten in de frisse lucht staan, waardoor de felle zon zijn hele gezicht verbrandde.
De legerleiding zag de bui en de vuile was al hangen, en om het juridische getouwtrek een stap voor te zijn boden ze de soldaat een mooie schadevergoeding aan.
Voor de blaasjes op zijn mond gaven ze hem twee vierde dukaat, voor de korsten op zijn gezicht drie zesde dukaat, en voor het kwijtraken van een van zijn benen maar liefst honderd dukaten.
De jongeling hinkte nu op twee gedachten. Dat been miste hij immers al voor hij in het leger ging dienen. Moest hij het goede doen en aangeven dat de compensatie voor zijn afwezige been niet aan de orde was, of moest hij domweg gebruikmaken van de situatie en de restitutie met een strak gezicht accepteren? Het was een gokje, want als men erachter kwam, had hij wellicht geen poot meer om op te staan.
De raadsman van de jongen hakte echter snel de knoop voor hem door door hem te laten zien welk bedrag hij zou gaan factureren, en met al zijn munten goed verdeeld over zijn linker- en rechterbroekzak toog de knul in balans hompelend naar huis.

Achter outer en heerd

In een tijd dat piek en zeis kloekmoedig opgetild werden om de leemgronden te beschermen, daar waar het landschap druk bewilgd werd, hier niet ver vandaan, verloren veel ouders hun kinderen en omgekeerd. Twee kinderen, een meisje en een jongen, in die dagen gemiddeld vijf jaar met een standaarddeviatie van een, hadden het geluk beschut te worden voor het oorlogsgeweld en te worden opgenomen door een gezin uit noordelijkere contreien, ver boven de Maas.
De kinderen waren hun thuisland echter nooit vergeten en toen de jongen zestien was en het meisje veertien, steeg de heimwee hen naar de bol.
‘De normen en waarden in dit godverlaten land hier zijn nog belachelijker dan mijn handschrift,’ zei de jongen op een dag.
‘Inderdaad,’ zei het meisje, diezelfde dag, ‘en je hebt slechts een bierviltje nodig om ze allemaal op te kunnen schrijven.’
De twee smeekten hun pleegouders om hen huiswaarts te laten keren, naar hun echte ouders. Maar ze werden uitgelachen.
‘Hoe kunnen jullie de weg terug vinden?’ kregen ze te horen. ‘Jullie waren destijds te klein om je precies te kunnen herinneren waar jullie woonden.’
‘We hadden een bord op de voordeur, weet ik nog,’ zei de jongen. ‘Met een haard en een altaar erop.’
Maar broer en zus werden enkel ontmoedigd, typisch zuidelijke onzin was het, en daarom besloten ze ’s nachts weg te lopen, vastberaden om hun weg naar huis te vinden. Zo begonnen aan een trektocht van meer dan een jaar, ze liepen, kuierden, wandelden, stiefelden, marcheerden, slenterden, en stapten. En aan iedereen die hun pad kruiste vroegen ze om een betere routebeschrijving naar hun biologische ouders.
Ze doorkruisten rommelig gestreepte weiden, geheimzinnig zilveren akkers, rijke kleurenpaletten van slootjes en graslanden, en boerenerven met waaiers van klanken.
Toen ze op een dag redelijk moedeloos langs een meertje zaten en in het water staarden, zagen ze twee vogels vliegen. Het leek wel of de gevederde beesten ‘Volg ons! Volg ons!’ riepen, maar waarschijnlijk klonk het meer als: ‘Tjoewiet! Tjoewiet!’
Zonder enige geldige reden spraken broer en zus met elkaar af om de fladderaars te volgen. Niet lang daarna, het was een heerlijke zomeravond, nestelden de vogels zich in een berkenboom, terwijl de eerste ster door de takken scheen. Onder de boom ontdekte broer en zus twee kleine graven, van een jongen en een meisje, van gemiddeld vijf jaar oud, en achter de boom zagen ze een hoeve met een nogal verweerd bord op de voordeur. De jongen en het meisje kregen een warm gevoel. Dit moest het zijn!
Snel begaven ze zich naar binnen, waar ze een man en een vrouw bij het haardvuur aantroffen.
‘Mama! Papa!’ riepen de kinderen in koor. ‘Wij zijn het, jullie verloren kinderen! We hebben jullie zo intens gemist, maar na iets van elf volle jaren van kommer, kwel en wat dies meer zij zijn we nu dan eindelijk weer thuis! Kom hier, beminde vader en moeder, en laat ons jullie knuffelen dat het een aard heeft! Hoezee! Hoezee!’
‘Ja, dat komt nou dus echt niet goed uit,’ zei de moeder, onderbroken door gezucht.
‘Weten jullie wel niet hoeveel papierwerk we voor jullie hebben moeten afhandelen?’ zei de vader, met een misnoegde oogopslag. ‘Dat gaan we geenszins nog een keer doen!’

Het appelgeschil (deel 2)

Ook de twee oudste zoons van de boer met slechts drie zoons deden een poging. Ze hadden zelfs iets ingestudeerd.
‘Ach, nu weet ik zeker dat mijn rikketik links zit. Wat bent u appetijtelijk!’ zou de eerste zeggen.
En de net iets jongere zou vleien met: ‘Dag, adembenemende engel, ik had graag een audiëntie bij de dochter van de schout. Kunt u mij vertellen waar ik kan wachten?’
Allebei werden ze afgewezen, onder luid en akelig gelach.
Het was op den duur zo’n talk-of-the-town dat zoon nummer drie van de boer met slechts drie zoons ook maar eens ging kijken. Hij besteeg zijn paard en reed naar de schoutswoning. Het meisje zag hem al van ver aan komen draven. Het licht was daarbij in zijn voordeel. De zon scheen zo op hem dat het leek alsof hij een der kloekste uniformen droeg. Ze moest even gaan verzitten toen ze dat zo gadesloeg, en haar hart pakte inmiddels ook de tussentellen mee.
Vol verwachting voelde ze in alles de spreekwoordelijke prins op het echte paard naderen.
Toen hij op ongeveer dertig meter afstand van haar was, keerde hij echter ineens om en reed hij terug naar waar hij vandaan kwam.
Boos om de verspilde secretie en dergelijke gooide de meid een van de appels naar de jongeman in de hoop zijn arrogante kop te raken. Deze ving die, geheel tegen de bedoeling in, juist heel handig op, met een tamelijk afkammende lach erbij.
Maar een kwartiertje of zo later kwam het stoere heerschap nogmaals aansjokken op zijn paard, en de schoutsdochter leefde weer op.
‘Zou hij me dan toch komen redden uit dit tranendal?’ dacht ze.
Op een afstand van twintig meter maakte hij wederom rechtsomkeer. Als ze armen van twintig meter had gehad, had ze hem nog kunnen grijpen, maar die had ze niet. Uit puur onvermogen gooide ze daarom een appel naar hem, in de hoop dat die een flinke bult op zijn achterhoofd zou achterlaten. Soepel als een twintig uur gecomplimenteerde vrouw werd die appel echter gevangen, met een affronterende lach erbij.
Een half uur later kwam de boerenzoon nog een keer terug voor een herhaling van zetten, maar nu pakte hij de tienmetergrens om om te keren. Bij het vangen van de appel was zijn lach deze keer honend.
‘Hé, alle appels zijn weg!’ zei de schout, toen hij zijn rondje maakte. ‘Wie zijn de gelukkigen?’
Zijn dochter mokte even en vertelde daarna het gebeurde positiever voor haar dan het eigenlijk was. Prompt floot de schout op zijn vingers om het vervoer te regelen om het land af te struinen op zoek naar die ene prinsachtige.
En zoals men altijd slaagt in de laatste winkel waar men komt, kwamen vader en dochter uiteindelijk ook bij de boerderij waar slechts drie zonen woonden. De oudste twee stonden op dat moment buiten een grashalm vast te houden met hun mond.
De dochter zuchtte. Zou ze haar held ooit nog terugzien?
‘Zijn jullie de enige twee jongens hier?’ vroeg de schout.
‘Ja,’ zei de oudste zoon.
‘Ach, we hebben nog een broertje, maar dat is een klungel,’ zei de andere.
De schout beval die jongeling dan toch maar even te halen.
‘Hij is het!’ zei de dochter, toen de derde zoon aan kwam wandelen.
‘Waar zijn de appels, jongen?’ vroeg de schout.
‘Appels? O, die heb ik aan mijn paard gegeven. Ik hoef je stomme baantje en je vervelende dochter namelijk niet.’

Het appelgeschil (deel 1)

Waar de prachtigste beekdalen het hoogtepunt van het landschap vormen, hier niet ver vandaan, gebeurden eens, lang geleden, erg lang geleden zelfs, maar wel ná het ontstaan van de moderne mens, veel dingen tegelijk. We beperken ons in dit verhaal tot de verwikkelingen van een schout, zijn dochter, drie appels, een boer met slechts drie zoons, die zoons, en een dier met vier benen.
De boer met slechts drie zoons trok op een dag de conclusie dat er elke nacht fruit uit zijn tuin werd geroofd. Omdat hij wilde weten wie of welk dier hiervoor verantwoordelijk was, liet hij zijn oudste zoon de volgende nacht zijn tuin bewaken. Maar die zoon was veel te bang in het donker en hij bleef de hele nacht onder zijn dekens in zijn tentje liggen, dus toen de volgende ochtend weer fruit miste, kon hij niet vertellen wat er gebeurd was. Bij de tweede zoon was het niet anders. Nu had de boer een probleem. Zijn derde zoon was een dromer. Die zat het liefst de hele dag in het vuur te turen. Om een boodschap kon je die eigenlijk niet sturen. Zelfs als hij ging wandelen liep hij altijd tussen het geijkte en het glooiende pad in. Hij was volgens velen een getroebleerde van het zuiverste water. Maar ja, de boer had al helemaal geen zin om zelf een nacht buiten in de kou te zitten, dus hij gaf de opdracht toch maar aan zoon nummer drie. Die derde zoon was ook angstig in het donker, maar hij had eveneens een zwakke blaas, en toen hij ergens in de nacht even de tent uit moest om te gaan plassen, zag hij een paard dat vrolijk van het zoete fruit in de tuin aan het smikkelen was. De jongen ving het paard en besloot het te houden, maar wel stiekem, want een paard was een duur bezit in die tijd, en hij wilde niet dat het beest zou worden afgepakt door een van zijn gemene oudere broers. Voedsel voor de viervoeter zou hij van de buren jatten, en daarmee was de kwestie van het gestolen fruit uit eigen tuin opgelost. De boer nam er genoegen mee. Vanaf die dag bleef de tuin immers onverstoord. En waarom vragen stellen dan?
Iets verderop woonde de schout. Hij werd wat ouder en zocht een opvolger. Tevens vond hij het tijd worden dat zijn dochter eens ging trouwen. Slim als hij was besloot hij de twee taken te verenigen. Dus zette hij zijn dochter in de etalage. Uit de gegadigden zou de dochter dan als eerste schifting drie kandidaten kiezen met het uitdelen van drie uitheemse appels (van een exotische plantage van de schout). Het tweede deel van het sollicitatieproces zou daarna door de schout uitgevoerd worden door middel van een onvriendelijk gesprek.
Van heinde en verre kwamen jongelingen op het baantje af. Schout was een topbaan in die tijd. Niet alleen hoefde je dan niks te doen, maar je hoefde er tevens niks voor te weten en te kunnen. Het was daarom niet gek dat het aanbod groter was dan de vraag. Maar de schoutsdochter was nogal maltentig. Zij wilde een man die knap én attent was. (Zelf was ze heel spontaan, vond ze.)
Rijen vrijers in potentie werden door haar afgewezen. Stoeten van mogelijke vaders wees zij de deur; de een had te lange vingers, een ander had al een vriend. Woorden als ‘Geef mij een van uw vruchten en ik zal u mijn leven geven’ raakten haar niet. De o zo exotische appels kwamen immers van een verre plantage en konden dus niet zomaar gelijkgesteld worden aan het leventje van een of andere makelaar of heksenjager in opleiding.