Over het naammaken

Daar waar de natte loofbossen, de schrale graslanden en de welige waterplassen bij elkaar komen, hier niet ver vandaan, waar ooit de vlottende waterranonkel het hoofdbestanddeel van boeketten was en de bunzing vaker dan men zou verwachten als tussendoortje fungeerde, leefde eens een burgemeester met zijn vrouw en hun zoons, die om privacyredenen geen naam kregen.
De broers, alle drie als gevolg van het heersende nepotisme gedoemd om burgemeester te worden, gingen hun eigen weg, en vestigden zich elk in een ander stuk land. Een trok naar de kleigronden, een toog naar de veengebieden, en een, de naamloze held van dit verhaal, zocht zijn heil iets verderop, ergens tussen de zandcontreien, de zandzones, de zanddistricten, en de zandrayons.
De naamloze zandburgemeester regeerde toen nog over een terrein dat geen naam had. Maar daar zou verandering in komen. Zijn broers, de klei- en veenburgemeesters, kregen het namelijk, samen met hun onderdanen, aan de stok met de mensen die doorgaans op löss liepen. Ze hadden al een omrastering gebouwd en ze hadden zich een ander dialect aangemeten, maar niets scheen te helpen tegen het ongure lössvolk. Op den duur konden ze niet anders dan hun broer, de zandburgemeester, om hulp vragen, en ze stuurden een boodschapper.
Deze bode had echter moeite om bij de zandburgemeester te geraken. Omdat de verschillende streken en plaatsen geen namen hadden, waren er ook geen naambordjes, laat staan wegwijzers.
‘U ziet er verdwaald uit. Kan ik u helpen?’ zei men onderweg tegen onze gezant.
‘Ja, ik moet bij een of andere burgemeester zijn,’ gaf hij dan als antwoord.
‘Welke dan? Hoe heet hij?’
‘Tja, dat weet ik niet,’ moest hij dan toegeven.
Stomtoevallig kwam de koerier na ongeveer veertig minuten dan toch bij de zandburgemeester uit. Hij deed zijn verslag, met de bijbehorende vraag of de bewuste burgervader te hulp wilde komen. Nou, dat liet deze zich geen twee keer zeggen, maar drie keer, en omdat hij nog geld van zijn broers kreeg, ging hij stante pede mee met de heraut om de lösspiepeltjes een lesje te gaan leren.
De wind stond goed. De vijand viel met zand in de ogen en bijtend in het gras, maar niemand slikte het door. Van de lössfiguren had daarna nooit meer iemand last.
De mensen waren blij. Met klei maakten ze iets wat een grote steen moest voorstellen en ze boden dat de zandburgemeester aan. Met veen werd hetzelfde gedaan.
‘Lang leve die man daar die die boodschapper daar heeft meegebracht! Alles is schoon en vruchtbaar nu, maar er is nog steeds één fout: het ontbreekt aan een naam voor waar wij wonen!’ riep iedereen.
‘Ik kan jullie wel helpen met het bedenken van namen,’ zei de zandburgemeester lachend, en hij pakte een blocnote en een pen.
‘Nee, dat lukt ons zelf wel,’ zeiden de mensen.
En zo kwam het dat de plekjes en plaatsjes in onze buurt allemaal een andere naam hebben. (Om de persoonlijke levenssfeer van eenieder echt te beschermen was het natuurlijk beter geweest als alles en iedereen dezelfde naam had gehad, maar dit, ook namens Eric Pluimakers uit Tilburg, geheel terzijde.)

Groot en sterk

In een huisje dat door een wal van lijsterbessen werd beschut van het dorp, hier niet ver vandaan, daar waar het zand als los zand uit elkaar valt, en waar de adder en het lieveheersbeestje al eeuwen niet meer met elkaar praten, leefde eens een vriendelijke beul. Een verschrikkelijk vriendelijke beul, mag wel gezegd worden. Niet alleen collega’s waren zeer over hem te spreken, maar ook bij verschillende klanttevredenheidsonderzoekjes werd geen enkele negatieve klank over hem geuit.
En de beul was een knappe man. Als hij zijn kap afdeed gingen alle vrouwen voor de bijl. Makkelijk had hij er een stuk of tien vriendinnen op na kunnen houden, maar hij was een nette vent. Hij trouwde en hield het bij die ene vrouw. Want poespas was aan hem niet besteed. Hij deed het bijvoorbeeld ook al heel zijn leven met dezelfde bijl, en die hoefde van hem niet eens geslepen te worden.
De beul en zijn vrouw (de beulin, zoals de dorpsgenoten haar noemden) wilden graag kinderen, en het liefst via de natuurlijke weg, want stelen was in die tijd illegaal. Maar hoe ze het ook probeerden, het lukte hen niet. De ochtenden gaven geen resultaat, de avonden niet, met blinddoek leverde niks op, en zonder ook niet. Waarschijnlijk lag dat allemaal aan de stress op het werk, maar bewijs hadden ze daar niet voor. Ze waren echter geduldig en dat werd beloond, want op een zekere middag, het donderde en bliksemde als nooit tevoren, was er ineens toch sprake van conceptie. En negen maanden later werd het beulenkind geboren. Het was er een van de mannelijke soort.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei de beul tegen zijn pasgeborene, terwijl hij hem zachtjes wiegde zoals mensen aan een galg dat soms ook heel goed kunnen.
En elke keer dat hij zijn zoon in de armen nam, liefdevol maar stevig, herhaalde hij die zin.
De jongen groeide snel. Binnen een jaar kon hij lopen en wilde hij niet meer als baby gedragen worden. De beul aaide zijn zoon daarom over zijn bol elke ochtend voor hij naar zijn werk ging.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij dan.
Maar het duurde niet lang of de jongen wilde ook geen aai over de bol meer. En voor een knuffel was hij toen al helemaal te groot, vond hij.
Daarom klopte de beul zijn zoon toen maar zachtjes op zijn rug elke dag.
‘Ik wens dat je groot en sterk wordt,’ zei hij daarbij.
En de dag kwam dat de beulenzoon even groot was als de beulenvader. Toch bleef de jongen voor de beul altijd nog zijn kleine ventje. Hij zag zijn zoon niet meer elke dag, wat een marteling was, maar bij elk bezoek zei de beul nog steeds: ‘Ik wens dat je groot en sterk wordt.’
De daaropvolgende winter, de beul had net drie mensen in totaal drie koppen kleiner gemaakt, kwam de jongen weer thuis, en hij was drie koppen groter dan zijn vader. En de beul had zelfs schoenen met hoge hakken aan, moet je weten, want hakken vond hij nou eenmaal leuk. Nog geen jaar later was de zoon zelfs twee keer zo groot als zijn vader. Hij bezweek bijna onder zijn eigen gewicht en had een stok nodig om zijn zware lichaam te stutten.
‘Ik had je toch iets sterker verwacht,’ zei de beul toen. ‘Maar in ieder geval is de helft van mijn wens wel uitgekomen!’

Het berkengezang

Daar waar de floristische samenstelling van het landschap steeds meer berken laat zien, die samen met de zomereiken de heide goedschiks of kwaadschiks verdringen, waar snippen en spinnen spelend om elkaar heen cirkelen, hier niet ver vandaan, leefde eens een houtsnijder.
Nu was die houtsnijder niet altijd houtsnijder geweest. Nee, het duurde best een flinke tijd voor hij wist wat hij werkelijk wilde. Zo was hij jarenlang advocaat, maar toen besloot hij toch maar een opleiding te gaan volgen, en daarna werkte hij onder meer als keutelvanger, schoenentester, en melkverplaatser. Toch konden die sjiekere beroepen hem ook niet bekoren.
Op een dag kwam hij er echter per ongeluk achter dat snijden hem wel lag. En druk ging hij op zoek naar hoe hij dat het beste vorm kon geven. Om even lekker te experimenteren begon hij gewoon overal in te snijden: steen, water, dorpsgenoten, deurmatten, herinneringen, en noem maar op. Maar niks voelde goed voor hem, of hij vond het te veel gedoe. Tot hij hout ontdekte. Hout was het ideale materiaal, merkte hij. Hout laat zich prima bewerken, houdt goed z’n vorm, en rent ook niet weg.
Onze houtsnijder ging doorgaans als volgt te werk: elke eerste maandag van de maand trok hij het bos in om een boom uit te zoeken waar hij dan een blok van mee naar huis nam om daar plankjes en krukjes van te snijden voor mensen die nog geen plankjes en krukjes genoeg hadden. Een niet al te enerverend werkschema wellicht, maar wel een met regelmaat, en dat is belangrijk voor de zielenrust, zoals psychologen ons voor menen te moeten houden.
Tot het einde der tijden of in ieder geval tot zijn dood had de houtsnijder zo door kunnen gaan met zijn routine, ware het niet dat hij op een zekere maandag een zingende berk tegenkwam in het bos. Het was misschien niet echt zingen, maar het geluid dat de boom maakte was werkelijk prachtig. Zoet en melodieus klonk het, absoluut niet houterig. Zo goed als elke talentenshow had de berk ermee kunnen winnen. Ook de houtsnijder vond het mooi, al had hij helemaal geen verstand van muziek. Maar hij wist wel dat hij zijn meesterwerk uit deze boom zou gaan snijden. Het moest natuurlijk iets heel bijzonders worden. Zo’n unieke boom kon uiteraard niet eindigen als slabestek. Dat zou blasfemie zijn. De houtsnijder nam zich daarom voor dit project eerst tot in de puntjes voor te bereiden en door te gaan met zijn gebruikelijke bezigheden tot hij zijn plan voor de zingende boom helemaal had uitgewerkt.
Zeven jaren en zeven nachten later was het dan eindelijk zo ver. De houtsnijder wist wat hij uit de speciale berk zou gaan snijden: muziekinstrumenten. Hij had een heel erg dikke map met bouwtekeningen gemaakt, van castagnetten, harpen, triangels, en wat dies meer zij.
Weer zeven jaar en evenveel nachten later was zijn schepping klaar. Onder andere banjo’s, xylofoons, en didgeridoos, eigenlijk te mooi om aan te raken, lagen te glimmen van potentiële engelenklanken. En hij had ook al meteen een koper. Een excentriekeling uit een nabij gelegen dorp wilde de hele collectie in een keer van hem overnemen. En voor een niet gering bedrag!
De houtsnijder was blij dat zijn levenswerk bij elkaar zou blijven, en de excentriekeling was blij dat hij die winter zijn gasten zou kunnen imponeren met zijn bijzondere openhaardhout.

Held Sigurd

Toen de meeste ruïnes nog in aanbouw waren en er alleen nog maar stilstaand water was, leefde er, in een woud waar het zonlicht na een stap of zeven al bijna helemaal was uitgedund, hier niet ver vandaan, een draak. Niemand had het beest ooit echt gezien – een enkeling had zijn schaduw wel voorbij zien komen – maar het kon niet anders dan dat de draak midden in het woud waar nooit iemand kwam zijn kwartier moest hebben. Want waarom zou anders iedereen het over die draak hebben?
In diezelfde tijd leefde er in de buurt ook een prins, Sigurd genaamd, en omdat hij een prins was, was het zijn taak de draak in het bos te doden. Hiervoor kreeg hij uiteraard wel alle medewerking van zijn streekgenoten. Zo smeedden ze een speciaal tof zwaard voor hem om de daad te kunnen verrichten, en ze wezen met een enorm lange stok aan waar het donkere woud zich bevond.
(Men moet weten dat in die tijd een draak botweg dood moest. Men kon het beest niet zomaar voor het gerecht dagen, omdat er namelijk nog geen streekgerechten waren.)
Met zijn vingertje en zijn duim en de rest van zijn lichaam, hij was immers een prins en niet simpelweg de zoon van een graaf, toog prins Sigurd zo op een woensdagochtend – want hij hoopte dan ruim voor het weekend weer thuis te zijn – onbevreesd naar de verblijfplaats van de boze en gemene draak.
Vrijdag, vroeg in de middag, kwam hij, nadat hij twee nachten had doorgehaald in Herberg ’t Kalme Duyfhuis, bij de rand van het woud aan.
Het was helemaal niet zo’n ondoorgrondelijk en duister bos, merkte de prins al snel op. Hij genoot van alle vrolijke diertjes die om hem heen fladderden en hupsten. Maar op een gegeven moment werd hij gewaar van een grote groengrijze vorm met een schubachtige textuur tussen de bomen. Een halfblinde zou waarschijnlijk zeggen dat het een draak was, maar Sigurd zag al snel dat het ging om een uit de kluiten gewassen paddenstoel. En dus sneed hij er met zijn toffe zwaard een stuk af om op te eten. Het smaakte eerst wat bitter, maar al snel smaakte het naar allerlei bonte kleuren.
Vrolijk en voldaan (met een lichte kater) ging Sigurd terug naar zijn volk, en hij besloot te liegen en te vertellen dat hij inderdaad de draak had gedood.
De mensen waren heel erg blij met Sigurd, en er werd zelfs een prinses van zolder gehaald, ene Brunhilde, met wie hij mocht trouwen. Sigurd had daar geen problemen mee. Er hadden wel hetere vuren achter hem gestaan. Maar hij was inmiddels redelijk door zijn voorraad paddenstoelstukjes heen, dus hij verontschuldigde zich op de meest nette manier denkbaar, zoals alleen prinsen en erg goede acteurs dat kunnen, en hij snelde naar het donkere woud om een nieuwe lading van de zwam in te slaan.
Wat Sigurd echter niet wist was dat eten van de paddenstoel niet alleen blij maakte, maar ook vergeetachtig. Toen hij twee dagen later het bos weer uit kwam, was hij bijvoorbeeld die Brunhilde helemaal vergeten. Hij wist nog net dat er iets met een of andere prinses was, en daarom trouwde hij met ene prinses Gudrun. Het was een mooi feest, dat moet gezegd. Drie dagen lang werd er gevierd. En toen was ook meteen Sigurds nieuwe paddenstoelenvoorraad op, maar hij wist niet meer waar het woud was en dat er überhaupt een woud was. Dagelijks verlangend naar het ooit bekende onbekende werd hij trillerig en ziek nog heel oud.

Smeerpeters week

In een schamel en bedompt hutje op de hei, hier niet ver vandaan, waar een voor twee voeten te smal modderig weggetje tot de voordeur, of wat daarvoor door moest gaan, leidde, woonde eens een bastaardzoon van niet nader te noemen adel uit de buurt. Hij hield er niet van om zichzelf te wassen. Hij knipte zelfs nooit zijn haren en nagels. En hij stonk zo erg dat hij niet eens een baantje bij een bank kon krijgen.
Een correlatie is nog geen causaliteit, dat weet bijvoorbeeld een hoogleraar filosofie, maar sinds onze antiheld, en laten we hem Smeerpeter noemen, zichzelf niet meer verzorgde, maakte hij de onfortuinlijkste dingen mee.
We nemen een willekeurige week.
Op maandag werd zijn wekelijkse dierenkweluurtje abrupt verstoord toen hij door een hond werd gebeten. En alsof dat al niet genoeg was, pakte de hond ook nog eens, terwijl Smeerpeter bloedend en huilend op de grond lag, zijn halve kilo spek af die hij even daarvoor, na een wachttijd van minstens drie kwartier, bij de slager had gehaald.
Op dinsdag liep hij vrolijk op straat op zijn duim te zuigen zonder dat hij het verbodsbord had gezien. Een uiterst plichtsgetrouwe politieagent stond hem echter even verderop in een donker steegje al op te wachten en knipte met een grote schaar pardoes zijn duim af.
Op woensdag zat hij aan tafel te wippen op een stoel, tot hij achterover viel, en hij het tafelkleed met zich mee trok. Alles wat op tafel lag, viel op de grond. Maar het tafellaken zat ook met een lang touw vast aan een vitrinekast in het museum verderop, en alle mooie vazen en rubberen attributen die erin zaten vielen kapot. Maar de vitrinekast zat ook weer met een lang touw vast aan Smeerpeter zelf. Dus toen belandde hij twee keer op de grond.
Op donderdag ging hij met lucifers spelen en brandde hij, geheel tegen zijn bedoeling in, zijn linkerarm tot aan zijn elleboog af. (Maar gelukkig was de duim van die hand al weg.) Tot overmaat van ramp bleken alle lucifers die hij bij zijn vermaak had afgestoken daarna volslagen en volstrekt niet meer bruikbaar; ook niet na drie keer proberen.
Op vrijdag lette hij niet goed op waar hij liep, waardoor hij maar liefst acht keer achter elkaar subiet viel, waarvan drie keer languit in het water, en al zijn schoenen nat werden. (Nou ja, al zijn schoenen op eentje na dan, want die was hij die ochtend, de verwarde knuppel die hij ook was, thuis vergeten.)
Op zaterdag ging het heel erg stormen, precies zoals de meteorologen het hadden voorspeld. De aanbeveling van de weermensen die dag was niet naar buiten te gaan, maar Smeerpeter trok zich natuurlijk niets aan van gratis advies, en hij toog fluitend naar buiten met zijn paraplu. Maar zodra hij de deur uit was, werd hij gesnapt door de wind en werd hij wel vijfhonderd meter hoog opgetild. Toen hij daarna naar beneden viel, kwam hij op een roestige spijker terecht.
Op zondag weigerde hij zijn zelfgemaakte soep te eten. Vooral de stukjes melk en honing die hij erin had gedaan lustte hij op geen stukken na. Hij werd magerder en magerder, en uiteindelijk zette men de soepkom op zijn graf.
‘Soms heb je je week niet,’ zei Smeerpeter toen, zes voeten onder de grond.

De meerminkukel

In het meertje waar ’s winters zwanen en ganzen rusten, daar links van waar tussen de zandverstuivingen door de lange beukenlanen vrijwel onopgemerkt veranderen in smalle smokkelpaadjes, hier niet ver vandaan, waar de gagelstruwelen opvallend en omvangrijk zijn, loosde eens een lepe marskramer minstens twee maal daags clandestien zijn vullis, en dat had allemaal vlot en gesmeerd zo door kunnen gaan als hij niet op een wolkeloze middag in het water meende te moeten blikken. Meteen deinsde hij achteruit, want hij schrok van wat hij zag: een monster dat hem strak aankeek. Het beest had waterige ogen, een vreemde uitstulping aan de voorkant van zijn kop, en twee vinachtige flappen aan de zijkanten. De marskramer hobbelde holderdebolder naar zijn dorp, om daar op het marktplein kond te doen van het voorval.
‘Ik heb een monster gezien, mensen!’ riep hij. ‘In het meer waar de handelslieden uit de dorpen in de omgeving altijd rotzooi achterlaten, heb ik een griezelig en gevaarlijk monster gezien!’
Er kwamen al snel mensen om hem heen staan.
‘Was het een ruim tien voet hoog en van ijzeren staken voorzien reptiel met de lichaamsvorm van een mens?’ vroeg de smid.
‘Zou best kunnen. Zo goed heb ik het niet kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een slangachtig dier van meer dan vijftig tinten groen met een met zwemvliezen bedekt hoofd van een paard?’ vroeg de leerlooier.
‘Nou, ik heb het niet echt heel goed kunnen zien,’ zei de marskramer.
‘Was het een vis met de voeten van een man en de handen van een vrouw, overal kaal, behalve op z’n neus?’ vroeg de beenhouwer.
‘Nogmaals: ik heb het slechts vluchtig gezien,’ zei de marskramer.
‘Was het een min-of-meerman, maar dan meer een verzameling bulten waarop allerlei bulten zaten, met de nek van een schaap en de staart van een mens?’ vroeg de tinnegieter.
‘Vast wel, maar ik heb het maar heel even kunnen zien dus,’ zei de marskramer.
Ondertussen waren de burgemeester en zijn commissaris van politie polshoogte komen nemen.
‘We moeten het met eigen ogen zien!’ zeiden ze in koor (al was het wel wat vals).
En dus togen alle dorpelingen, de notabelen voorop, naar het betreffende meertje. Daar aangekomen keken ze stuk voor stuk in het water.
‘Hosanna in den hoge, ik zie het!’ zei de burgervader. ‘Wat een gedrocht!’
‘Inderdaad!’ zei de brigadier. ‘Wat een onooglijk mormel!’
Bijna de hele horde was het erover eens dat het ondier in het water dood moest, want zoiets lelijks kon nooit goed zijn voor de wereld. Bijna de hele horde, want in de meute mekkerende mensen was ook de bevallige dochter van de graaf aanwezig. Ook zij koekeloerde in het water, en ze moest heel erg lachen.
‘Ik zie helemaal geen wanstaltig cryptozoölogisch monstrum van enige soort,’ zei de dochter van de graaf. ‘Ik zie alleen maar een sierlijke jongedame!’
‘Grijp haar!’ riep de mensenmenigte. ‘Ze is bezeten door het beest!’
En toen vermoordden ze haar, en van het meermonster werd nooit meer iets vernomen.

De bijnarchist

Met de gedachte dat het verbouwen van het land het grootste goed was, omdat dat vroeg of laat zou bijdragen aan goede zeden en geluk, maar ook omdat hij ook in het koudste seizoen voldoende te eten wilde hebben, werkte ooit een vrome boer eeuwig zwetend op zijn akkers, hier niet ver vandaan, de meeste uren van de dag, van wintereind tot winteraanvang.
Toen hij op een best frisse ochtend zijn velden ging ploegen, hoorde hij een tamelijk verkouden stem die zei: ‘Pas op, jij goedgelovige boer, ik zie dat je gaat ploegen, maar ploeg vooral niet in oostelijke richting!’
Door druk om zich heen te kijken probeerde de boer te achterhalen waar de stem vandaan kwam, maar hij kon het niet zien. Waarom, vroeg hij zich af, zou hij niet in oostelijke richting mogen ploegen? En wie behalve hij zelf behoorde zich daar eigenlijk mee te bemoeien? Toch lang liet de boer zich niet door het voorval afleiden. Een van zijn motto’s was per slot: doe wat je kunt, met wat je hebt, waar je bent. Om het zekere voor het onzekere te nemen, sprak hij desalniettemin met zichzelf af dat hij dat jaar in zuidelijke richting zou ploegen, of misschien in westelijke of noordelijke richting, maar in ieder geval niet in oostelijke richting.
En het ploegen ging goed. De aarde had er nog nooit zo uitnodigend bijgelegen.
Een tijdje later, niet heel veel later, maar zeker niet dezelfde dag, trok de boer wederom naar zijn landerijen met een grote zak zaaigoed op zijn rug. En vlak voordat hij bij de erfgrens was, hoorde hij een behoorlijk schorre stem die zei: ‘Kijk goed uit, jij argeloze landbouwer, ik zie dat je gaat zaaien, maar zaai vooral niet in oostelijke richting!’
Hoe de boer ook draaide met zijn hoofd, het lukte hem niet te ontdekken waar de stem haar oorsprong had. Wel wist hij dat de stem via zijn oren zijn hoofd binnenkwam, maar daar schoot hij welbeschouwd weinig mee op. Veel zin om zich te laten commanderen door een of andere onzichtbare bemoeial had de boer niet, maar toch besloot hij niet in oostelijke richting te gaan zaaien. Er waren immers nog richtingen genoeg.
En het zaaien ging goed. De grond was nog nooit zo verzadigd geweest.
Toen de boer, weer later, naar de velden ging om te wieden, had de stem, nu nasaal, iets soortgelijks te mekkeren, en ook bij het oogsten meende de stem, onderbroken door nogal wat gekuch, een tip van dezelfde strekking te moeten geven. Beide keren volgde de boer de raad van de stem maar op, vooral omdat het sowieso niets uitmaakte en hij, in het geval er toch een waarheid in zat, gewoon geen tijd had om maandenlang zijn angst bij een Weense pseudodokter op de bank te leggen. Bovendien zag hij landbouw niet als een baan, maar als een manier van leven, en dat liet hij zich niet door eventueel gepieker afpakken.
En wieden en oogsten gingen fantastisch. De graanschuur was nog nooit zo relatief klein uitgevallen.
Maar toen de boer de eerste hap van zijn welverdiende voorraad wilde eten, drong er een bende rovers zijn hoeve binnen, die al zijn voedsel van hem stal. De lente daarop ging de boer niet meer werken; het hele jaar door ging hij lekker luieren. En toen de winter begon, sloot hij zich bij een bende aan om eten te stelen bij de hardwerkende sufferds, en hij gaf er een moraal voor terug.

De breekkeizer

Hier niet ver vandaan is het prima wandelen en nadenken onder de lindebomen onder het genot van een pijpje gevuld met bijvoorbeeld die heerlijke tabaksmelange die de dorpsdokter onder de toonbank verkoopt. Vooral op een zomerdag. Zelfs als het zo heet is als in dit verhaal. Geen druppel regen was gedurende vele weken gevallen en sneeuw was ook al in geen tijden meer gespot. Alle vennen in de buurt waren opgedroogd, en de brouwerij deed opvallend goede zaken.
Zoals elke zomer was de burgemeester acht weken op vakantie. De dorpsinbreker maakte van dat gegeven ook ieder jaar dankbaar gebruik door in die periode te kijken wat er zoal in het burgemeestershuis te halen viel. Maar deze zomer was anders. De burgemeester van de naastgelegen gemeente had namelijk besloten eens een jaar niet op vakantie te gaan, en daarom was de dorpsinbreker aldaar genoodzaakt zijn werkterrein wat te verleggen.
En zo gebeurde het dat er op een dag maar liefst twee inbrekers onafhankelijk van elkaar in het burgemeestershuis achter de lindebomen aan het neuzen waren. Ze ontmoetten elkaar in de keuken.
‘Ik zie meteen dat u een vakman bent,’ zei inbreker A, de lokale boef. ‘Echt een professionele koevoet! Het lijkt me een feest om daar lekker mee te wrikken.’
‘Die plunjezak die u daar heeft is anders ook van een fantastische kwaliteit,’ zei inbreker B, de regionale rover. ‘Complimenten, collega!’
Toevallig was de veldwachter, die zoals elk jaar op het huis moest passen, hoewel hij amper door de deur paste, die dag voor de verandering eens in de bijkeuken aan het slapen. Een combinatie van honger en geluid maakte hem wakker.
Toen de veldwachter de keuken binnenkwam, dronken de twee inbrekers snel hun koffie op en renden ze de tuin in. Midden in de tuin stond een kastje, en achter in de tuin stond een muur, een hoge muur. Eroverheen klimmen lukte niet in je eentje.
De veldwachter versperde de vluchtweg het huis in, en hij blies op zijn fluit om versterking.
‘We zijn erbij!’ zei inbreker B, een kruisje slaand. ‘De sigaar van het haasje, de klos van de pisang!’
‘Welnee,’ zei inbreker A, terwijl hij rustig zijn nagels vijlde. ‘We hebben juist geluk. We zijn met z’n tweeën. Als jij me een steuntje geeft, kan ik op de muur klimmen. En als ik dan boven ben, trek ik jou ook omhoog.’
‘Klinkt als een puik plan,’ zei inbreker B, op zijn vingers kijkend of hij zijn nagels binnenkort wellicht moest vijlen, en hij klemde zijn handen ineen om zijn collega een opstapje te geven.
Dankbaar en handig klom inbreker A via inbreker B’s handen, schouders en hoofd boven op de muur. En hij sprong aan de andere kant van de muur op de grond.
‘Hé, en ik dan?’ riep inbreker B. ‘Je zou me toch helpen als ik jou zou helpen?’
‘Tja, ik weet niet hoe het in jouw dorp werkt,’ zei inbreker A, met een lach in zijn stem, terwijl hij zijn pijp stopte met dorpsdoktersmelangetabak en in de schaduw van de lindebomen wegsjokte. ‘Maar hier geldt dat je nooit een dief moet vertrouwen. Zeker niet als hij niet uit de buurt komt.’

De kaaskaner

Zelfs hoofdpersonen uit sprookjes willen soms anoniem blijven, en daarom zal naar de jongen over wie dit verhaal gaat, die eigenlijk Kees heette, met de naam Cees verwezen worden.
Cees was een in sommige opzichten net iets meer dan gemiddelde jongeling, en in andere opzichten net iets mindere, in een tijd waarin kapsels in de mode waren, met echt blauwblauwe luchten en indrukwekkende wolkpartijen, daar waar koeien tussen smalle slootjes graasden, hier niet ver vandaan, waar de dorpskerken de horizon verticaal stippelden.
Cees hield van veel dingen. Hij hield bijvoorbeeld van knopen, de geur van kurk, eekhoorns, kaarsen uitblazen, vissen op zee, zijn moeder, klei, baardgroei, zijn handen boven de dekens houden, en de vorm van berkenbladeren, maar het meest nog hield hij van kaas. En niet alleen vond hij het leuk om kaas in de kast te zetten, hij at het goedje ook graag. Heel graag. Te graag, misschien. Als er ergens een gelegenheid was waar je onbeperkt kaas kon eten, was Cees altijd de eerste en laatste gast. Voor hem was er geen maaltijd zonder kaas, maar ook geen gesprek zonder kaas. Liever dan het halen van adem, at hij kaas.
Als vrienden hem vroegen hoe het met hem ging, dan antwoordde hij altijd zijn mildste vriend het eerst en richtte hij zich tot zijn pittigste vriend als laatst, omdat anders zijn meest recente antwoord zijn eerste zou gaan overheersen.
Hij zei dan (ongeveer): ‘Omdat er kaas op deze wereld is, mag ik mezelf gelukkig prijzen, en derhalve heb ik in ieder geval een reden minder tot klagen.’
Als Cees zijn verjaardag vierde, en dat was elk jaar wel, dan kon je hem het meest blij maken met een groot stuk chaource of een kilo nieheimer, maar ook voor een blokje gouda was hij dan zeker te porren.
Op den duur werd het zijn omgeving allemaal te veel. Altijd maar kaas dit en kaas dat werd vervelend. De wereld bestaat namelijk niet alleen maar uit kaas, maar ook bijvoorbeeld uit stoelen en wenkbrauwen.
Cees’ vrienden wilden hem daarom een keer op zijn nummer zetten, en op een dag dat ze allemaal konden, behalve Frits, maar die kon nooit die periode, omdat hij toen ook net een nieuwe baan had, ontvoerden ze Cees als het ware en namen ze hem, om tien uur in de ochtend, mee naar taveerne De Zoete Hondendarm.
Daar voerden ze hem kaas, aan een stuk door.
Ze dachten met een soort prepsychologische wijsheid dat ze hem van zijn kaasmanie af konden helpen door hem kennis te laten maken met een overvloed eraan.
In de namiddag, het was tussen drie uur en vijf over drie, begon Cees tegen te sputteren.
‘Voor mij geen kaas meer,’ kwam uit zijn mond, met kaas.
Maar de vrienden lieten zich niet kennen, want anders zouden het geen vrienden zijn, maar aan de andere kant waren ze al gekend, want anders zouden het geen vrienden zijn, en ze bleven Cees kaas voeren.
Tot hij op een gegeven moment van zijn stoel viel en het verschijnsel dood aannam. Er werd een dokter bijgehaald, die toevallig het college over de dood niet had gevolgd, maar die wel die diagnose kon stellen.
‘Dat zal hem leren!’ zei een van zijn vrienden.
En iedereen moest lachen. Er werd een nieuw vat aangeslagen, en er werd gedanst en gefeest tot het morgenlicht.

De vis van kennis

In het reliëfrijke landschap tussen de bloemrijke weiden en de welige graslanden, waar de vuursalamander graag in de dikke laag van traag verterende bladeren kruipt, en de talrijke steenvliegen, kokerjuffers en haften op hun hoede zijn voor de grote gele kwikstaart, hier niet ver vandaan, kronkelde ooit nog meer dan nu een prachtige en sprankelende beek, en langs de kant daarvan zaten eens twee jongens te vissen. Om te laten zien dat ze hun activiteit serieus namen en niet lukraak bezig waren met een willekeurige onkuisheid tegenover de natuur hadden ze zelfs hengels bij zich. En ze visten op iets speciaals. Met een simpele kabeljauw of een marlijn namen ze geen genoegen. Nee, ze hadden gehoord – van niemand minder dan een verzekeringsagent – dat in het beekje de Zalm van Kennis moest zwemmen. At je van die vis, dan werd alle informatie van de wereld aan je geopenbaard.
Uiteraard liet die Zalm van Kennis zich niet zomaar vangen. Daarom probeerden onze twee vrienden allerlei werptechnieken uit.
‘De dobber creëert op deze manier een circulaire weerstand tegen de lucht. De druk langs de lijn stijgt en als de druk achter de dobber lager is dan aan de voorkant begint hij te draaien door de lucht die er doorheen stroomt,’ zei een van de jongens tijdens zijn worp, om vergeefs de theorie erachter uit te leggen, en prompt had hij beet.
Het bleek de Zalm van Kennis te zijn. De jongens herkenden het beest meteen. De vis had namelijk een bril op.
‘Eet jij maar als eerste,’ zei de oudste hengelaar quasibeleefd tegen de jongste.
‘Ik? Waarom jij niet?’
‘Omdat ik nog nooit vis gegeten heb. Ik weet niet hoe je die moet kauwen.’
De twee besloten de vis in een holle boom te verstoppen en eerst even in de dichtstbijzijnde bibliotheek een en ander op te zoeken over het eten van vis.
Na een week kwamen ze terug, met een zak rijst en een recept om sushi te maken.
‘Ah, de geur van trimethylamine! Zo ruikt de visboer bij ons in het dorp ook altijd, dus dat is alvast een goed teken,’ zei een van de knullen bij het weer tevoorschijn halen van de zalm.
En nog geen kwartier later waren ze volop aan het smullen van de gemaakte hapjes maki en nigiri. Maar twee moeizame sudokupuzzels later werden ze ineens heel erg ziek allebei. Ze moest overgeven, kotsen, en braken, en ze werden ook nog onwel.
‘Excuses, ik ben heus niet aan het spugen omdat jij zo lelijk bent,’ zei het ene ventje.
‘Ingelijks,’ gaf het andere ventje als respons. ‘Je bent werkelijk onooglijk, en er zijn geen dagen waarop ik niet misselijk word van jouw aanblik, maar dat ik nu mijn maaginhoud aan de buitenlucht toevertrouw heeft daar niets mee te maken, geloof me.’
Ze wisten natuurlijk allebei maar al te goed dat ze beroerd waren geworden van het eten van de Zalm van Kennis. Dingen weten was blijkbaar heel erg slecht voor je, beseften ze.
En zodra ze niet meer scheel keken, schreven ze zich uit bij hun school, verbrandden ze al hun boeken, beloofden ze elkaar plechtig nooit meer iets te willen weten, en maakten ze zich klaar voor een lang en gelukkig leven.