Stelling van Thiel

Bij de verschillende overheden in ons land, groot en klein, wit, bont en fijn, is het, werd onlangs vol trots verkondigd, sinds een aantal maanden de trend om alle externe communicatie door niet één maar twee bijzondere dienstverleners, zoals professionals in het geven van trainingen over cursussen betreffende de monitoring van adviezen, te laten scannen. Twee kosten immers meer dan één.
Het voordeel van deze constructie is dat zo’n duo heel eenvoudig met een een-tweetje een verkeerde actie kan rechtvaardigen door te wijzen op een andere verkeerde actie. Prima afleiding om iets erdoor te drukken.
‘Het invoeren van een avondklok is absoluut geen goede maatregel, want onevenredig hard.’
‘Ja, maar de koekjes in de kantine zijn ook helemaal niet lekker, en bovendien zijn ze veel te klein.’
Het lijkt alsof er iets ongedaan is gemaakt. Het opsommen van twee misstanden lijkt, als je er niet te oplettend naar luistert, een en ander weer goed te maken. Waarschijnlijk komt dit omdat we gevoelsmatig aannemen dat twee ontkenningen elkaar opheffen. We herinneren ons maar al te goed dat we tijdens de lessen wiskunde vroeger erin gehamerd kregen dat de vermenigvuldiging van twee negatieve getallen een positief getal oplevert.
Maar goed, dit soort pogingen van onze autoriteiten om het plegen van een fout te billijken met het argument dat ergens anders eveneens iets niet zou deugen, is natuurlijk niet iets wat ze in een democratisch proces mee moeten laten lopen. Als deze vorm van argumentatie overtuigt, zou men immers alles kunnen rechtvaardigen. En door het onderwerp te veranderen van de ene misstand naar de andere zal een enkeling van de wijs raken, maar niet een meerderheid. Dat het voorwerk, en eigenlijk het hele werk, hierbij gedaan wordt door een tweetal deskundigen om zo het volk moeite uit handen te nemen, is daarom heel nobel van onze beleidsmakers. Tenminste, zo wordt het door elke ambtenaar keurig uitgelegd. Wat daarbij tevens nogal opvallend is, is dat overheden de ingehuurde experts onafhankelijk noemen. In geen enkele andere branche of situatie in onze samenleving, zelfs niet achter het station, wordt als enige definitie van dit woord verstaan dat er dubbel gefactureerd mag worden.
De discours-onderzoeker J.F. Thiel zou wat dit procedé betreft geen goed woord over hebben voor de informatieverwerking door onze ambtenarij. Volgens Thiel is een echte communicatie alleen mogelijk als deze tot stand komt door ongedwongen uitwisseling tussen elkaar erkennende personen (groepen) vanuit een rechtvaardige beginpositie, zelfs als er vervolgens grote ongelijkheden uit het proces voortkomen. Eventuele verschillen in de machtsverhouding van de uitwisseling zouden daarbij idealiter zo moeten worden geregeld dat ze de communicatief zwakkeren het meest ten goede komen. Het is daarbij, zo stelt Thiel, niet de bedoeling dat er gesprekspartners samenspannen om een derde partij te manipuleren.
Thiel heeft altijd weinig aanhangers gehad onder zijn vakgenoten. Zijn argumenten, hoe briljant ook, waren vaak te gebrekkig voor de sceptici. Zijn impact is echter enorm. Bijna elke latere theorie op het gebied van sociale communicatie is in wel enige mate schatplichtig aan zijn denkbeelden.

Aanname van Lieberum

Sinds de ophef over vaccins onlangs is de verkoop van waxinelichtjes in ons land enorm gestegen; slordig omgaan met verstrekte informatie is nu eenmaal menselijk. Op televisie kwam gisteren nog – door mijn wimpers heen en tussen twee advertenties voor een cursus over de training van coaches voor een vlekkeloze monitoring door – een econoom in beeld die met behulp van een extrapolatie op een kleurrijke grafiek zijn idee van het verdere verloop van de verkoop uit de doeken deed.
Het schatten van waarden van een variabele buiten het bereik van bekende waarden gebeurt in de meeste gevallen met een recht lijntje, en dat lijnstuk schijnt met het stijgen van het aantal jaren deskundigheid steeds met één centimeter in lengte af te nemen. Tegelijkertijd neemt de lengte ervan met het opblazen van de onvermijdelijke gemakzucht per jaar één centimeter toe. Deze twee bewegingen heffen elkaar in de regel dus op, en over het algemeen valt het daarom wel mee met de roekeloze, overdreven manier waarop een grafiek van een verwachte toevoeging wordt voorzien. En dat is maar goed, want dat een lijn een x aantal keer met rechte sprongetjes groeit geeft nog niet aan dat dat de keer daarna weer zo verloopt. Grafieken kunnen immers ook goede voornemens hebben.
En waxinelichtjes zijn bijvoorbeeld ook geen schilderijen. Je kunt, net als waxinelichtjes, meerdere schilderijen aanschaffen, maar je doet dat niet omdat de vorige op zijn. De aankoop van schilderijen per huishouden zal derhalve zeer waarschijnlijk een veel minder continue ontwikkeling in de tijd laten zien dan die van waxinelichtjes. Maar toch, als er ineens, door mogelijkerwijs een wat onhandige berichtgeving van het nieuws, wordt ontsluierd dat elke verbeelding van de werkelijkheid iets positiefs bijdraagt aan je gezondheid en aan schilderijen dus een genezende kracht zou kunnen worden toegedicht, dan worden de kaarten vast anders geschud.
Veel processen in de liefde, oorlogen en retail zijn, linksom of rechtsom, niet blijvend lineair. Ze lijken misschien een tijdje in een strakke, rechte lijn te gaan, wat mensen kan verleiden om simpelweg met die trend te extrapoleren, maar we weten stiekem dat het niet in die richting maar door kan gaan. En er passen slechts een x aantal waxinelichtjes op een koffietafel. Dus de betreffende lijn zal gewis gaan buigen en afvlakken, en daarna (omdat men bijvoorbeeld op dingen uitgekeken raakt) waarschijnlijk weer dalen.
Het knappe van onze econoom was, vond ik, dat de schaal op de y-as van de door hem getoonde figuur een logaritmische indeling had. (Deze nam dus toe met factoren van tien: 1, 10, 100, 1000, et cetera.) Zijn lineaire extrapolatie was dus eigenlijk een exponentiële – en stijgend! Waarschijnlijkheid vond hij vast niet belangrijk bij zijn voorspelling, denk ik dan.
Maar ach, het is ook weer niet nuttig om het onbekende te schuwen. Dat is wat literair criticus en wetenschappelijk filosoof Robbert Lieberum ons leert: taal is ontstaan in het onderbewuste – en heeft daar eveneens telkens zijn oorsprong. Dus als we enkel uit zouden gaan van wat we kunnen kennen, van waar we ons bewust van zijn, dan hadden we ons ook niet zo fijn kunnen uiten als we nu doen met ons communicatiemiddel taal.

Kübler-effect

Tijdens de altijd wel twaalf dagen durende midwinterfeesten onlangs was er weer een verhoogd risico dat buitenaardse wezens de technologie van adviseurs in de coaching van trainingen voor cursussen zouden komen stelen. In tijden dat er meer gegeten en gedronken wordt daalt de algemene alertheid immers, en tegelijkertijd stijgt het aantal verkeerde sprongen in de logica.
Men zegt bijvoorbeeld dingen als: ‘Alle politici hebben een slechte rug. Mijn opa heeft een slechte rug. Dus mijn opa is een politicus.’ Wellicht dat degene die dit zegt een opa heeft die in de politiek zit, maar hij zit daar niet vanwege een slechte rug. Tenminste, dat is niet de conclusie die hier getrokken kan worden. Volgens de zuivere redeneerregels is het wel weer kloppend als je zegt: ‘Alle politici hebben een slechte rug. Mijn opa is een politicus. En dus heeft mijn opa een slechte rug.’ Vraag maar aan opa.
De ene opmerking moet min of meer de andere aantikken. Dan is het bij elkaar een geldige uitspraak. In het eerste geval tikken alle politici en mijn opa allebei een slechte rug aan. Daar loopt het spaak. Want dat mijn opa daarna een politicus aantikt, volgt dan niet bepaald uit het eerdere getik. Dat is bij het tweede geval wel anders. Mijn opa springt hier naar een politicus die op zijn beurt weer naar een slechte rug springt. En met die correct uitgevoerde tussensprong heeft mijn opa dus een slechte rug.
Kortom: als je met je glas wijn in je hand aan het redeneren bent dat x een y is en y een z is, dan mag je ook concluderen dat x een z is. Maar houd wel bij elke slok de numerieke bepalingen (zoals daar zijn sommige en alle) in de gaten! Want als x een y is, maar slechts sommige y’tjes een z zijn, dan is x natuurlijk niet zonder meer een z. Dat weet de broer van opa zelfs.
En daarom raad ik ook altijd aan om altijd te generaliseren tijdens bacchanalen: élke x is y en élke y is z, dus élke x is ook z. Geen enkele speld tussen te krijgen. Enfin, de generalisaties zijn waarschijnlijk hier en daar verkeerd of ongepast, maar de logische gevolgtrekkingen an sich in ieder geval niet.
Maar, even serieus, bij een drinkgelag moet natuurlijk sowieso geaccepteerd worden dat de redeneerkunde niet onophoudelijk ten volle wordt aangesproken. Juist in dergelijke tijden van bravoure komt er vaak een eerder krom dan recht machtsspelletje op gang tussen twee of drie – zelden meer – hoofdrolspelers rond de tafel. Dit is wat we het Kübler-effect noemen.
Bij dit spel is spreektijd van levensbelang. De relatie van de deelnemers met elkaar is volledig afhankelijk van hun onderlinge machtsverhoudingen. En het doel is overleving in de concurrerende omgeving. Geen enkel middel wordt belangrijker geacht voor het veiligstellen van dit behoud dan het verwerven van macht. Dit meet men, zoals gezegd, met spreektijd. En deze spreektijd wordt de ander beduidend meer gegund door de factor humor dan door waarheid of grammaticaliteit. Sterker nog: zinsbouw is hier zelfs ondergeschikt aan spreekvolume.
Küblers bezwerende theorie hierover domineerde zijn academische werk en hij werd er zowaar zelf zijn hele carrière door geconditioneerd. Ondanks veranderingen in de details en tevens in de grondbeginselen behield Kübler de fundamentele toewijding aan de analyse van zijn geliefde braniecommunicatie.

Wet van Lacey

Door de sluiting van de onderwijsinstellingen onlangs – en de daarmee gepaard gaande onvermijdelijke ontwikkelingsachterstand van onze jeugd – hangt de mensheid nu boven het hoofd dat er over een aantal jaar een generatie artsen wordt afgeleverd die in een crisistijd die de volksgezondheid raakt waarschijnlijk alleen maar kan reageren met: ‘Word niet ziek en was je handen!’
Tijdens mijn geheime culturele weekenden vroeger hadden we een steeds terugkerend grapje. ‘Als, diep in het bos, iemand die zich bezighoudt met de monitoring van coaches voor de training van adviseurs omvalt en er zijn geen artsen in de buurt om hem te horen, maakt hij dan eigenlijk wel geluid?’ zeiden we dan tegen elkaar, en we lachten er telkens uitbundig bij. We doelden natuurlijk op het alom bekende feit dat een ziekte enkel bestaat bij de gratie van het kunnen stellen van de diagnose ervan door een of andere arts.
Maar wij beseften zeer zeker wel dat het gemakkelijk meetbare gegeven dat zo’n 50% van alle artsen moeite heeft met de chronologie van oorzaak en gevolg nog niet betekent dat 50% van alle mensen moeite heeft met de chronologie van oorzaak en gevolg. Dat zou een misvatting zijn betreffende statistische gevolgtrekkingen. Zo is een demonstratie in Den Haag van artsen die vinden dat artsen meer moeten verdienen ook een stuk minder indrukwekkend dat een staking van makelaars omdat die vinden dat artsen meer moeten verdienen.
In het echte leven krijgt eigenbelang vaker de voorkeur boven empathie. Dat weten mensen van zichzelf en dat weten mensen van elkaar. Gevolg daarvan, onder andere, is dat je bij elke uitspraak die je doet je eigen statistische gegevens aanpast – in negatieve zin zelfs. Telkens als je klaagt heeft het minder effect dat de keer ervoor.
Klagen is ook in feite een uitspraak doen vanuit een te kleine steekproef. (De sterkte van een statistische conclusie wordt immers bepaald door de mate waarin de steekproef representatief is voor de populatie.) Een teken van onbegrip dus, eigenlijk. En dat onbegrip werkt twee kanten op – van het een komt het ander. Dat weten we van de wet van Lacey: zij die nu niet begrijpen, worden de onbegrepenen van straks. (Eerlijk gezegd is dit best een knullige ‘wet’. Door collega’s werd deze ook vaak schertsend Lacey’s velvet law genoemd. En Lacey was zelf ook liever gekend geweest om zijn onderzoek naar de semantische waarde van het metrum.)
Lacey ontwikkelde deze these in eerste instantie als onderdeel van een poging om de afstand tussen de radicale retoriek van de taalwetenschappers in de beginjaren van de twintigste eeuw en hun juist veel voorzichtigere theorieën in kaart te brengen. Hij putte veel van zijn bewijs uit zijn ervaring van een lokale schaakclub (waarvan hij slechts korte tijd lid was).
In de vroege formuleringen van zijn betoog was Lacey kritisch over zijn eigen ideeën, maar in latere geschriften lijkt de beproeving ervan hem ertoe te hebben gebracht om wederzijds onbegrip niet alleen als sociaal gunstig, maar ook als noodzakelijk te zien. Wat Lacey beschrijft is welbeschouwd een vorm van catharsis, een loutering van emoties (vooral medelijden) middels overbodig lijkende communicatie.

Melnjak-reflectie

Een uit privacyoverwegingen niet nader te specificeren gemeenteraad heeft onlangs verplicht een sessie mee moeten maken van een motivatie-illusionist – ook in te huren voor het verzorgen van cursussen betreffende de monitoring tijdens de advisering over trainingen –, waarin onder andere met behulp van het geven van een reeks rapportcijfers voor eenieder inzichtelijk moest worden gemaakt of men vond dat er sprake was van een team of van een groep.
Ik sta waarschijnlijk niet alleen als ik zeg dat dit soort oefeningen bij bestuurlijke organen juist de plank misslaat. Het smeden van een eenheid van zo’n raad heeft namelijk als effect dat de onvermijdelijke elitaire afsplitsing vooral vastomlijnder wordt. Er zou juist géén bestuurlijk team gekweekt moeten worden, maar wel een continu wakker geschud besef dat men te allen tijde onderdeel is van wat men feitelijk aan het besturen is. Je hoeft maar een willekeurige vergadering bij te wonen om te ontdekken dat er te vaak met de derde persoon meervoud verwezen wordt naar zaken waar men eigenlijk met de eerste persoon, enkelvoud of meervoud, naar zou moeten verwijzen. Het moet niet ‘zij’ of ‘de inwoners van deze gemeente’ zijn die hondenpoep op de stoep of wijzigingen in de belastinghoogte vervelend vinden, maar ‘wij als inwoners’, of zelfs ‘ik (in mijn hoedanigheid als dorpsgenoot)’.
De fout die je bij een scheiding van ‘zij’ en ‘wij’ zou kunnen maken, ligt met name op de loer bij uitspraken over de onvermijdelijke overlap. Stel de volgende gedachte gaat zich voordoen: sommige ‘wij’ zijn ‘zij’. (Oftewel: enkelen van ons behoren tot de dorpsgenoten waarover we het hebben.) Een daarop volgende gedachte zou dan kunnen zijn: dus sommige ‘wij’ zijn niet-‘zij’. (Oftewel: dus enkelen van ons behoren niet tot de dorpsgenoten waarover we het hebben.) Maar de verzameling van ‘wij’ die niet-‘zij’ zijn kan natuurlijk heel goed leeg zijn. (Als alle ‘wij’ ‘zij’ zijn, dan zijn logischerwijs ook sommige ‘wij’ ‘zij’.)
Ik heb het geluk een gesigneerd exemplaar te bezitten van het slechts 66 pagina’s tellende, maar zeer compact geschreven boekje On personality and outspokenness van de toonaangevende Duitse cultureel antropologe Amanda Melnjak. Hierin beschrijft zij, onder andere, het wij/zij-probleem beter dan ik het ooit verwoord heb gezien.
Uiteraard belicht Melnjak de kwestie van alle relevante perspectieven en ze neemt het zelfs in zekere zin op voor de plegers van bovenstaande fout door te stellen dat mensen doorgaans bij het doen van hun uitspraken helemaal niet in eerste instantie bezig zijn met het aanbieden van pure waarheden. In een ‘normale’ communicatie is logica lang niet altijd aan de orde, zegt ze. Of in een alledaags gesprek ‘sommige x zijn y’ nou wel of niet ‘sommige x zijn geen y’ impliceert, zal daarom niet per se extra problemen in het wederzijdse begrip opleveren.
Wat blijft, volgens Melnjak, is dat we uiteindelijk allemaal tot één groep behoren. Het is niet het ene stereotype dat ervoor zorgt dat sommige mensen gevoelens overdreven aan voedsel koppelen of het andere dat sommige mensen in flitsende pakken door het bos laat rennen. We moeten erkennen, zo herinnert Melnjak haar lezers, dat onder de oppervlakkige classificaties altijd dezelfde mogelijkheden bestaan om het mensdom te vieren. In die zin kennen de verzamelingen ‘wij’ en ‘zij’ enkel overlap.

Stelling van Wiehl

Mijn oude wiskundelerares heeft onlangs de verzameling van levenden verlaten en mag nu eindelijk beginnen met serieus onderzoeken of het oneindige bestaat. Ze gaf les op de school die voor mijn klasgenoten en mij de voorpret van de universiteit vorm moest geven. Haar naam weet ik niet meer, de code die het systeem haar gaf nog wel: wi233v56. Vanaf de eerste les al merkte ik op dat je van haar stoel naar mijn stoel een perfect rechte lijn kon trekken. Heel bijzonder. Nou ja, voor een deel had dat er wel mee te maken dat ze de klas meteen bij het begin in tweeën had gedeeld. Rechts moesten alle kinderen zitten die later enkel econoom wilden worden of jurist of iets als coach in het trainen van de monitoring tijdens het geven van adviezen, en links mochten de kinderen zitten die ook echt iets van haar leerstof op wilden steken. Dat lijkt op het eerste gezicht wat bot, maar haar streven was eenvoudigweg om lieden die ‘misschien’ als een prima antwoord zagen op zowat elke vraag niet te veel tot last te zijn tijdens haar lessen.
En de meeste van die lessen gingen over taal. Ze droomde vaak hardop over een precieze, eenduidige taal die alle vaagheden zou moeten elimineren. Ik kan me nog goed herinneren dat ze zichzelf tamelijk gek aan het maken was met het begrip kaalheid. Mensen zonder haar worden kaal genoemd, maar ook mensen met nog wel haar (maar niet bar veel, over het algemeen) worden kaal genoemd. ‘Kaal’ is derhalve een onnauwkeurig woord. Het is onduidelijk waar de grens ligt tussen wat kaal is en wat dat niet is. Als een soort reactie hierop zou je woorden in het leven kunnen roepen die ieder een ander exact aantal haren (op het hoofd of elders) specificeren. (Dat aantal kan ook relatief zijn, maar dan moet je natuurlijk weten hoeveel haren er oorspronkelijk waren.) Iemand met duizend haren op zijn kop kun je bijvoorbeeld ‘stig’ noemen, en iemand met duizend drieëndertig haren ‘ronk’. Het houdt de voortgang van het zijn allemaal flink op, maar op deze manier heb je uiteraard geen misverstanden meer. Tenzij mensen het verrekken om miljoenen nieuwe woorden uit hun hoofd te leren; dat soort mensen zul je toch altijd houden. En zo’n perfecte taal zou natuurlijk waardeloos zijn voor de meeste dagelijkse taken die we al communicerend uitvoeren. Maar dat moesten we er in de klas zelf bij denken.
Ik las toen al veel van de taalfilosoof Wiehl. Die bekeek het iets anders. Die zag slechts voordelen in eenduidigheid – en hij was wars van jargon en sociolecten et cetera. Want hij wilde taal graag zo uniform mogelijk houden. Zijn beroemde stelling zegt dan ook dat de beste (lees: meest optimale) taal (lees: communicatie) er een is die voor zo veel mogelijk mensen zo verstaanbaar mogelijk is.
Wiehl onderzocht hiervoor vooral hoe de communicatieve organisatie van de individualiserende samenleving, georiënteerd op concurrentie, maatschappelijke klassen en hun ongunstige onderlinge invloed produceert. Hoe iemand praat en schrijft heeft evenveel, zo niet meer, te maken met historische veranderingen in de sociale en economische structuur als met de individuele grillen van deze taalgebruiker. Een idioom kan, zonder zich afscheidende bedoelingen, simpelweg gegroeid zijn uit een zekere culturele sfeer die bij andere groeperingen in de samenleving niet aan de orde was en is. Desalniettemin vond Wiehl deze divergentie in de taal ongewenst.

Ortmann-principe

Er is door de scholen in de buurt weer een tombola met proefwerken afgehandeld onlangs. Het jammere van het huidige schoolsysteem is dat die verplicht aanwezige kinderen daar nog een worst voorgehouden wordt dat het hebben van kennis onmisbaar zou zijn om te slagen in onze door winst gestuurde samenleving, terwijl alle volwassenen dondersgoed weten dat succesvol zijn in deze neoliberale tijd (en misschien wel sinds mensenheugenis) vooral afhangt van je vermogen – en bereidheid – om anderen te overdonderen. Als je op je veertigste niet op elke vinger een desillusie kunt tellen, heb je niet goed opgelet, zeg maar. Voor een heldere bevestiging hiervan kun je bijvoorbeeld eens kijken naar al die beleidsmakers en bestuurders om je heen. Er is blijkbaar amper meer nodig dan wat slordige lessen in de retoriek om over wat dan ook bindende uitspraken te mogen doen. En waarschijnlijk is het besmettingsgebied zelfs nog veel groter dan dat. Kinderen worden immers maar al te vaak in hun schoolactiviteiten aangemoedigd door ouders en andere rondhangende volwassenen met het tenenkrommende argument ‘sommige dingen moet je nou eenmaal doen’. Een terechte vraag blijft: waarom moet je dat dan doen?
Als je niet eet, ga je dood. Daarom moet je nou eenmaal eten. In die setting is dat ‘moeten’ heel makkelijk uit te leggen en heel makkelijk te begrijpen. Maar als we met een gelijkvormige constructie kinderen aanzetten tot het slikken van een mengsel met overwegend triviale zaken, dan betekent dat dat we gewoon een erg zwakke analogie gebruiken. Het klinkt al veel beter als je zegt: ‘Beste kinderen, naar school gaan is goed voor je, want als je je zintuigelijke waarneming, je gevoelsvermogen en je bewustzijnservaring aan de kant zet, kun je er prima volwassen mee worden.’
Nu is het krijgen van uitleg uiteraard niet echt erg, meestal, en soms zelfs uitermate interessant, maar de vraag is of dat echt altijd getoetst moet worden. Sowieso is het van belang dat je weet wat je aan het toetsen bent als je aan het toetsten bent. Een grote bek, al met al, levert meer op dan een goed antwoord – in ons economische keizerrijk. En in het verlengde hiervan levert het zo veel mogelijk niet combineren van kennis topbanen op als het trainen van coaches inzake de monitoring van cursussen.
Als scholen al íets zouden moeten bijbrengen aan de jeugd, dan is het wel het Ortmann-principe. De als onderwijs- en systeemcriticus bekendstaande, Amerikaanse communicatiewetenschapper en publicist Ortmann haalde regelmatig in zijn vele publicaties over onderwerpen op het gebied van pedagogie, semantiek en cultuur zijn stelregel aan dat er een recht op communicatie bestaat. Daarmee had hij iets anders in gedachten dan wat tegenwoordig (voornamelijk) met de vrijheid van meningsuiting wordt bedoeld. Een recht op communicatie betekent dat iedereen zijn stem mag laten horen – maar niet om iets te schreeuwen wat anderen ook al geblaat hebben. Het gaat juist om een recht om te horen en laten horen wat nog niet gehoord is. Dit recht moet dan ook worden opgevat als een wisselwerking, een sociale verantwoordelijkheid die wij allen hebben ten opzichte van elkaar. Pas als dit Ortmann-principe in voldoende mate wordt nageleefd, is er werkelijk ruimte voor zinvolle kruisbestuiving van informatie. En daar hebben scholen dan een mooie functie te vervullen.

Rogall-effect

De wind deed de laatste maanden in de Gestelsestraat verdacht vaak de stem van Vincent Price na, en in het meest vervallen, leegstaande pand daar, waar tot voor negen jaar een bloeiend bedrijf in het geven van adviezen aan coaches betreffende de monitoring van cursussen gehuisvest was, is onlangs, niet totaal onverwacht, een bescheiden zwerm vleermuizen aangetroffen. De eigenaar moet daarom nog sowieso een heel lang broedseizoen afwachten voor hij de verkoop aan een handige projectontwikkelaar af kan ronden. Bij een inval van de politie – waarschijnlijk geïnitieerd door iemand die graag gewichtig doet met het hier en daar gebruiken van termen van zijn verjaarde studie psychologie – bleken er overigens ook nog andere zoogdieren in het gebouw aanwezig te zijn.
Verschillende nationale en internationale kranten pakten dit bericht (van de al dan niet vliegende, ongenodigde gasten in een van de panden in ons dorp dus) op en deze lezende kreeg ik een mooi overzicht van hoe diverse mediawerknemers bij het samenstellen van hun stukjes hun doelgroep in gedachten houden – met behulp van goed geconstrueerde onzorgvuldigheid wordt de lezers datgene toevertrouwd waar ze naar verlangen, terwijl tegelijkertijd handig opzij wordt geschoven wat dat verlangen in de weg zou kunnen staan. De Singapore Financial Times laat zo een toch wel heel andere kleur zien dan, bijvoorbeeld, de Schweizer Illustrierte. Maar het gaat verder dan het aanbieden en kiezen van een smaak in deze branche. En worden hier smaken verhandeld waar waarden aan worden toegekend – daarbovenop is er sprake van een soort spel, van een rolverdeling: de krantenuitgever biedt de (niet-kritische) afnemer x én de wil dat x waar is, en die afnemer accepteert x én de wil dat x waar is.
Nu is dat wellicht íets te boud gesteld. Een dergelijke recht-toe-recht-aan-constructie zou zelfs voor de meeste lichtvaardige nieuwsabsorbeerder niet acceptabel zijn, als er niet al een zekere voorwaarde aan vooraf is gegaan, namelijk een vooroordeel over x, leidende tot het overschatten van het gewicht van het bewijs ten gunste van x, evenals het afzwakken van enig tegenbewijs. En ‘vooroordeel’ wordt redelijk vaak gezien als een vies woord, maar men is nou eenmaal geneigd om dat aan te nemen waar men het meeste baat bij denkt te hebben. (Zo waren de neanderthalers ervan overtuigd dat je van een 5G-netwerk impotent wordt, en daarom hebben ze ook nooit tijd in de ontwikkeling ervan gestopt.)
Technieken van het manipuleren van een onderwerp in de richting van een vooroordeel zijn uitvoerig onderzocht door de politicoloog Rogall. En een van de meest voorkomende technieken hiervan is wat we tegenwoordig het Rogall-effect noemen: door het maken van een grap wordt het thema gebagatelliseerd en zo neemt het relatieve belang ervan af.
Door ontkrachtende boutades eenzelfde podium te geven als de op dat moment besproken kwestie, bevordert men, volgens Rogall, niet de luchtigheid, maar ondermijnt men juist de significantie van de betreffende issue. Zo’n gekscherende opmerking tussendoor kan bij de ontvanger werken als het uittrekken van een splinter, waardoor het probleem dat er wellicht was zijn relevantie verliest.
De domper is dat in de ontstane moet-kunnen-sfeer de aangereikte verbandtrommel slechts een doekje voor het bloeden blijkt, waar vervolgens hooguit de neus in wordt gesnoten.

Wet van Häberle

In de grote hal op het nieuwe bedrijventerrein, waar doorgaans een heel parcours ligt voor de monitoring van trainingen voor het geven van advies aan cursusleiders, is onlangs met een warm gevoel de voorverkoop van vuurwerk weer van start gegaan. Over deze klasse consumptiegoederen, die voor de kopers ervan in de regel staat voor een bewuste waardering van het gezelschap van vrienden en het genieten van het moment, is de laatste jaren veel te doen en een groeiende groep landgenoten pleit zelfs voor een vuurwerkloos bestaan. Uiteraard zijn er effecten van het spul waar de mens echt wel zonder kan. Sommige bestuurders proberen hierop mee te liften, wat af en toe wat pijnlijk uitpakt, getuige een uitspraak in de regionale media van een provinciale politica die graag lokaal wil doorbreken: ‘Dat geknal met dat vuurwerk moet gewoon pats-boem uit onze samenleving, en het zou goed zijn om voor een korte periode het maken van geluid helemaal te verbieden, of, als dat niet lukt, de mogelijkheid tot het maken van geluid gewoon centraal uit te zetten.’
Het probleem van het niet goed over kunnen brengen van de overlast en het gevaar van vuurwerk heeft grotendeels te maken met de verkoop- en gebruikscyclus ervan. Het afsteken van vuurwerk gebeurt slechts een paar dagen per jaar, en uit die korte episodes stammen ook de ongelukken en de hinder die ermee gepaard gaan. Daarna is het weer maanden, kwartalen niks. Maar met vuurwerk is het natuurlijk net als met elk ander nieuws: uit het oog, uit het hart. De moderne mens is daarbij zelfs opgevoed met een nieuwsfrequentie van een week of twee. Uiterlijk elke veertien dagen moet er toch wel weer een fris nieuwsitem de boventoon voeren: alleen hypes leveren verkoopcijfers op.
Beschikbaarheidsheuristiek is niet alleen een woord dat bij Scrabble heel mooi lijkt maar daar feitelijk totaal ongeschikt voor is – het is ook een term waarmee het fenomeen bedoeld wordt dat het gemak waarmee een type gebeurtenis kan worden onthouden gebruikt wordt bij de neiging om de waarschijnlijkheid van dergelijke voorvallen te beoordelen. Aan vuurwerk gerelateerde schade en ander gedoe is in februari haast verwaterd en daarom is men er vanaf maart allang niet meer van onder de indruk. De truc voor het creëren van een draagvlak voor het aan banden leggen van vuurwerk is dus eigenlijk om regelmatig te zorgen voor een levendige, angstaanjagende herinnering – dat levert een sterker emotioneel effect op dan droge, slapende statistieken.
(Je vraagt je af in hoeverre dit ‘toepasbaar’ is. Er zijn voldoende artiesten die met elk optreden voortdurend waarschuwen voor hun gebrek aan talent en die toch keer op keer volle zalen trekken.)
Maar laten we even teruggaan naar de woorden van onze onbeholpen politica. Want daar is meer aan de hand. Mensen moeten beschermd worden tegen dit soort zelfbeschadiging. De dame in kwestie kan hier blijvend letsel aan overhouden, en daarvoor had de betrokken journalist haar moeten behoeden.
De helaas te vroeg gestorven antropoloog Häberle heeft veel over dergelijke materie geschreven, waarna hij uitkwam bij een pleidooi voor het zwijgen, en wat tot een naar hem genoemde wetmatigheid is gedestilleerd: als je de ander niets vraagt, hoeft die ander zijn (of haar) onkunde en onnozelheid ook niet te tonen.

Hölscher-stelling

Niemand zal het ontgaan zijn dat onlangs de door de financiële branche in het leven geroepen, jaarlijkse aanmoedigingsprijs, bedoeld voor die personen of groepen in de samenleving die voor de bancaire wereld de meeste maatschappelijke goodwill kunnen genereren, weer uitgereikt is. Doorgaans gaat deze bokaal naar bedrijven of mensen die zich bezighouden met dingen als het coachen van verzorgers van cursussen over de training van adviseurs, maar dit jaar was onze eigen juttersvereniging de zielsgelukkige winnaar. Nu heeft die speurclub al sinds de oprichting geen noemenswaardig jutresultaat geboekt, en in juryrapport stond dan ook: ‘Een slechte juttersvereniging is beter dan een goede juttersvereniging, want slecht jutten is beter dan niets, en niets is beter dan een goede juttersvereniging.’
Duidelijk was dat de juryvoorzitter, een bankmanager pur sang en van het zuiverste water, de grap in het door een ingehuurde tekstschrijver geschreven rapport niet begreep, want bij het voorlezen knikte hij instemmend en wijs. Je verwacht hier toch dat eigenlijk iedereen wel bij het afspelen van de argumentatie een ongemakkelijk gevoel krijgt, omdat de vooronderstellingen allemaal waar lijken, maar de conclusie ronduit onjuist is. Op z’n minst moet er een zenuwachtig glimlachje worden gegenereerd, omdat gedetecteerd is dat er iets drastisch mis is met de voorbijgekomen reeks stellingen, maar dat het in eerste instantie niet intuïtief duidelijk is wat dat dan is.
Eenmaal uitgelachen is er met een zekere rust best goed de vinger te leggen op waar het doorgeven van de betreffende argumentatie spaak loopt: de dubbele betekenis van ‘niets’ zorgt hier voor een vreemd scharnier in de logica. De zinsnede ‘niets is beter dan x’ betekent hier natuurlijk niet dat de totale afwezigheid van alles beter is dan x, maar wel dat er geen dingen zijn die x kunnen overtreffen.
Bij het uitreiken van de trofee sprak de bankmanager, die tevens penningmeester van de juttersvereniging is en vanwege de afwezigheid van de voorzitter van de juttersvereniging de prijs in ontvangst nam, de woorden: ‘Ja, bedankt. Goh, ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Ik was er helaas bij en moest grinniken. Onwetendheid over andermans woorden is altijd nog te verkiezen boven onwetendheid over de eigen woorden, dacht ik toen. Maar ik vond het ook een prachtig voorbeeld om de Hölscher-stelling wat mee toe te kunnen lichten.
De socio-fonoloog Hölscher schreef een opmerkelijke set holistische articulatiewetten, waarvan de meest toegankelijke en daardoor leidende is: voor sommige mensen is de articulatie het begin van de communicatie – voor anderen is de articulatie het einde van de attentie.
Die laatste groep gaat, zeg maar, uit van een vrees dat met het uitspreken van iets er weliswaar aandacht voor datgene gevraagd wordt, maar dat deze zo goed als meteen weer los van de persoon komt en bij de groep gaat horen; het gezegde is immers aan de wereld ‘vrijgegeven’. En personen uit die eerste groep gloriëren juist door het niet ter discussie stellen van de eigen positie – zij verkeren soms zelfs in een denksfeer waarin het onmogelijk is dat de waarde van hen als subject geen verband zou houden met de maatschappelijke context. (Over een middelste stand van dit mechanisme hoor je Hölscher niet.)