De waargokster

Waar, als je heel goed en met de nodige fantasie en nonchalance kijkt, de witte kleur in het landschap puurheid en eerlijkheid symboliseert en de rode kleur hartelijkheid en wederzijdse liefde, waar de roofdieren met hun prooien samen het spel van gezondheid en geluk spelen, hier niet ver vandaan, woonde eens een zwangere vrouw die zo arm was dat ze haar man moest verkopen.
Toen het kind, een jongen, vijftien jaar oud was wilde het een souvenir van zijn vader hebben, om hem op een of andere manier toch te kunnen herinneren. Maar de moeder had door de jaren heen alles wat van haar man was geweest verkocht om geld te hebben voor de opvoeding van zoonlief.
‘Op het dak ligt volgens mij heel misschien nog een verroest zwaard van hem,’ zei de moeder, na bijzonder lang nadenken.
De knul klom het dak op, vond het zwaard, maakte het schoon en glimmend, en stak het links door zijn riem.
‘Ik ga toch maar eens de wijde wereld in nu, mam,’ zei hij lichtelijk naar zijn linkerkant gebogen, en hij voegde, zijn beenspieren gebruikende, de daad bij het woord.
Later die dag, niet lang na de lunch, kwam hij bij een zevensprong. Aan de kant van de weg zat een mystiek oud vrouwtje.
‘Welke weg zal ik nemen, mevrouw?’ vroeg de jongen, met zijn kin fier omhoog en zijn rechterarm in zijn rechterzij.
‘O, ik weet precies welke weg je gaat nemen,’ zei het vrouwtje. ‘Ik ben namelijk een waarzegster. Ik kan de toekomst voorspellen.’
‘Vertel!’
‘Nou, je gaat hier eerst rechtdoor. Dat is een eenrichtingsweg. Nooit is daar ook maar iemand van teruggekomen! Dan kom je een leeftijdgenoot tegen en jullie worden vrienden. Samen verder reizend komen jullie een derde leeftijdgenoot tegen, en jullie zweren trouw aan elkaar met veel poeha en zo. Dan komen jullie komen bij een kasteel. Daar is iets loos. Wie over de gracht kan springen mag met de prinses trouwen. Als het niet lukt, wordt je hoofd eraf gehakt. Jullie springen met z’n drieën tegelijk en het lukt! Een van jullie drieën gaat, na wat gekibbel, trouwen, een tweede blijft ook in het kasteel. Maar jij trekt verder. Bij het afscheid zeggen jullie om en om nog even de anderen te zullen helpen als die in gevaar zijn. Een tijdje later komen ze jou ook inderdaad helpen. Jij bent ondertussen getrouwd met de mooiste vrouw van het land. Daarvoor moest je eerst wat monsters en zo doden, en inmiddels word je continu belaagd door allerlei ridderfiguren. Iedereen wil immers wel een mooie vrouw hebben. Met je zwaard weet je echter al je concurrenten op afstand te houden. En ook je vrienden helpen je daarbij. Maar ik – want ik heb ook een duistere kant – kom er dan achter dat je zwaard je superkracht is, en ik gooi het in de zee. Je vrienden duiken het dan weer op en alles komt min of meer weer op z’n pootjes terecht. Maar dan beseffen jullie ineens dat jullie derde vriend nog geen vrouw heeft, en dan begint er een tergend lange en saaie zoektocht, waarin…’
‘Ja, stop maar, ho maar. Ik hoor het al. Daar heb ik allemaal geen donder zin in. Ik ga als ik het zo zie liever terug naar mijn moeder. Dan trouw ik wel met zo’n meiske uit het dorp.’
‘Kan ook,’ zei de waarzegster.
‘Maar wacht even, je hebt toch net mijn toekomst voorspeld?’
‘Nou ja, zo goed ben ik daar blijkbaar ook weer niet in.’

De vinnige vis

Daar waar als je de velden zag het doorgaans ging regenen, en als het regende je de velden doorgaans niet zag, hier niet ver vandaan, bouwden eens drie werklieden een brug over een best ondiep, maar toch betrekkelijk stil riviertje. Althans, dat probeerde ze. Het bouwwerk stortte keer op keer in, en de arbeiders begonnen het steeds lastiger te vinden om het glas halfvol te blijven zien.
Toen hun constructie het voor de drieëndertigste keer had begeven, liep er toevallig een sjamaan langs de bouwplaats, die zo wijs was dat hij door al die bagage bijna dood was.
‘Als jullie iemand aan het water offeren, zal de brug blijven staan,’ zei de oude wijze, in feite niet eens speciaal tegen de werklui.
De drie bouwers keken elkaar na het horen van deze woorden om en om met nieuw enthousiasme aan, en de twee sterksten pakten hun zwakkere collega en gooiden hem in de rivier.
Meteen verscheen er een grote vis aan de oppervlakte, die de arme drenkeling met één enkele grote hap opslokte.
‘Bedankt voor het lekkere tussendoortje,’ zei de vis. ‘En nu ik jullie toch spreek, wil ik even zeggen dat ik het zeer op prijs zou stellen als jullie die brug van jullie een meter of vijftig verderop gaan bouwen. Als jullie dat voor mij doen zal ik voor de rest van deze dag al jullie wensen in vervulling brengen. Met plezier zelfs!’
De twee mannen moesten wat zenuwachtig lachen.
‘Is prima,’ zei de kaalste na wat momenten van stilte, iets te triomfantelijk, ‘dan wens ik dat alle stenen die in het water zijn gevallen hier netjes aan de kant staan opgestapeld.’
Hij had zijn zin nog niet uitgesproken of de stenen lagen inderdaad – vijftig meter verderop, dat wel – keurig in stapels gerangschikt op de oever. De mannen waren stupéfait, en ze stonden nog versteld ook. Die vis deed blijkbaar boter bij zichzelf.
‘Nou, als het zo is,’ zei de iets meer behaarde van de twee, met grote ogen, ‘dan wens ik een mooie blauwe pet!’
En nog geen tel later droeg hij een charmante korenbloemblauwe pet op zijn hoofd; eigenlijk had hij er eentje iets meer richting turquoise in gedachten gehad, maar hij nam er in deze toestand toch tot de laatste vezel genoegen mee.
‘Een petje? Ik weet wel iets beters!’ zei de petloze met een ongeduldig zwaaiende vinger in de lucht. ‘Ik wens dat ik de burgemeester hier ben!’
En zo geschiedde. (De vis lag er namelijk in beginsel totaal niet wakker van dat hij met het veranderen van één persoon in een burgemeester de geschiedenis en het zijn van flink wat andere mensen ook redelijk rigoureus moest wijzigen.)
Toen, beste lezers, begon het overbieden. Omdat de een nu burgemeester was, wilde de ander hertog worden, en daarop wilde de een weer landvoogd worden en de ander weer wereldheerser.
‘Oké!’ schreeuwde degene die daarna aan de beurt was. ‘Als jij wereldheerser bent, wens ik de vrouw van de wereldheerser te worden. Want luisteren naar me, dat zul je!’
Op dat moment vond de vis het blijkbaar welletjes, want hij schudde zijn schubben en pakte alle wensen weer af. Het bouwterrein was teruggekeerd tot een chaos.
‘Leer eerst maar eens fatsoenlijk een brug te bouwen zonder daarbij jullie tijd te verdoen met het praten met een of andere rare goudvis,’ zei hij, terwijl hij zijn lippen perfect o-vormig hield, en hij zwom weg.

De watermolenaar

Waar je geen prachtige stranden kunt vinden, ook geen koraalriffen of bergplateaus of diepe valleien, waar vulkanen of kalksteengrotten het landschap niet bepalen, waar geen eeuwige sneeuw, nog geen vlok, een kalme rustplaats heeft, hier niet ver vandaan, stond eens een fiere en altijd minstens ruisende watermolen waarin een oude man woonde van wie werd gezegd dat er regelmatig wat bloed zat in het meel dat hij had gemalen. Ooit had de man ook nog een broer, een jongere broer, en samen deden ze toen het molenaarswerk, met vlijt en lust. Maar een trieste geschiedenis had een einde gemaakt aan dit noeste duo.
Er was een tijd dat de twee broers na hun vruchtbare arbeid dagelijks de negen pauwen gingen bespieden die elke vooravond in het veld naast hun watermolen neerstreken. De negende pauw veranderde na een prachtige dans elke schemer weer in een mooi zigeunermeisje. Vooral de oudste broer was keer op keer erg van haar onder de indruk, en op een zwoele avond besloot hij haar de benaderen. Die nacht trouwden ze met elkaar.
Maar de volgende dag kwamen de pauwen niet meer terug. En ook het zigeunermeisje was ineens nergens meer te vinden.
Rouwend en mokkend trok de oudere mulder zijn jas aan en hij ging op zoek naar zijn geliefde. Al gauw belandde hij bij het plaatselijke kasteel, waar volgens de meest recente pamfletten die circuleerden doorlopend veel te doen was. De kasteelbewoners wisten echter niets van negen pauwen. In de achtertuin zaten wel soms acht eekhoorns, vertelden ze, maar daar had de molenaar natuurlijk geen lor of sikkepit aan, en hij vervolgde zijn zoektocht elders. Een kluizenaar leidde hem, dagen later, naar een ander kasteel. Hier mocht hij rondkijken en zoeken naar de pauwen, als hij maar niet in de zevende kelder kwam. Dus dat deed hij ook niet. Maar geen vogels hier, van welke soort dan ook, en teleurgesteld trok hij verder. Een visser vertelde hem, een weekje lopen verderop, niks van pauwen te weten, maar dat hij wel die dag zes vissen gevangen had. De graanmaler keek de hengelaar na deze boodschap lang en vol misprijzen aan. Dat hij niet geholpen werd, vond hij al vervelend, maar dat hij daarbij zelfs bespot moest worden, krenkte hem op een manier die hij nog niet had gekend. En daarom besloot hij maar onverrichter zake huiswaarts te keren. Hij had om de drommel geen zin om nog vijf kevers, vier klaprozen, drie tamelijk diepe kuilen, twee banketbakkers, en een hond te moeten tellen, zonder daarbij zijn bevallige zigeunerinnetje terug te vinden.
Toen zijn vertrouwde watermolen weer in zicht was, kraakte en piepte het rad hem vrolijk tegemoet. Hij had zijn broer ook best wel gemist, besefte hij bij de voordeur, en hij rende naar binnen.
Daar schrok hij zich ongans.
Hij zag zijn vrouwlief en zijn bloedeigen broer terwijl ze lieflijk elkaars hand vasthielden en elkaar teder in de ogen keken, klaar om de ranzige actie te ondernemen van het elkaar een zoentje geven.
De oudere broer voelde zijn hart breken, pakte een mes van de muur en stak de twee overspelplegers maar liefst veertien uur lang in hun lichamen, tot ze helemaal dood waren.
Het mes was door het vele gebruik helemaal waardeloos geworden, maar toch bewaarde de spaarzame, sentimentele molenaar het zorgvuldig, als leuk en leerzaam aandenken.

De uitmunter

Waar hutten huizen werden genoemd en huizen kastelen, waar de luchtdruk sinds mensenheugenis schommelt rond de zevenhonderdzestig millimeter kwikkolom en waar de zwaartekracht al die tijd al gemiddeld negen komma eenentachtig meter per vierkante seconde is, waar het nu nog steeds wemelt van de atomen, hier niet ver vandaan, leefde eens een held die het voorvoegsel ‘super’ toebedeeld had gekregen van de destijds in de regio wonende mensenpopulatie.
Dat was allemaal niet zonder slag of stoot gegaan. Nee, er ging een heel verhaal aan vooraf. Ooit was onze held geboren als boerenzoon, maar toen zijn vader van een drietal waarzegsters had gehoord dat zijn zoon hem later zou gaan vervangen, liet hij hem voorzichtig, met een tedere slag en een bijna onmerkbare stoot, midden in een diep bos achter om zich van hem te ontdoen.
Volgens de legende, en ook volgens Sjakie de dorpsgek, werd onze boerenzoon in het bos gevonden door een groep wilde koeien, die zijn opvoeding op zich namen. Omdat hij zonder uitzondering drie maal daags de melk van een van de koeien dronk, verwierf hij uitzonderlijke krachten, krachten die hem later als vrijheidsstrijder en allround klusjesman goed van pas kwamen. Hij groeide op tot een flinke, sterke man met een zwarte snor zo groot als een lammetje van zes maanden oud. Hij droeg een kap van wolfshuid en een mantel van ruwharige rattenvacht.
‘Het wordt tijd dat je terugkeert naar je eigen soort,’ zeiden de koeien toen de held oud genoeg was om borsthaar en kapsones te hebben. ‘Hier heb je een paard als vervoermiddel. Het bijzondere aan dit paard is dat het geen poten maar benen heeft. Dat past dus erg goed bij een excentriek iemand als jij.’
En de held vertrok en reed van A naar B, helemaal via C en D, en onderweg kwam hij langs allerlei heuvels, valleien, kliffen, grotten, rivieren, vennen en bosjes, waar hij iets gedenkwaardigs deed. Hij redde de aarde van bevingen en vulkanen van uitbarstingen, zonder ook maar enige vorm van zelfverheerlijking. En geen taak vond hij te min: hij behoedde bijvoorbeeld een jongeling voor het min of meer per ongeluk in brand steken van het hele dorp, en een andere jongeling, die niet kon zwemmen, maakte hij duidelijk dat hij beter niet in de rivier kon springen.
Onze beschermer maakte de samenleving mooier en beter en leefbaarder en rechtvaardiger. Hij opende de wereld voor de dimensie van het mysterie, dat ten grondslag ligt aan alle vormen. Met zijn daden gaf hij de kosmologische functie terug aan het leven. Door hem beseften de mensen dat ze een vals bewustzijn hadden dat onderdeel was van hoe ze hun verleden herinnerden, en ze waren hem daar dankbaar voor.
Op een dag waren er weer problemen in een dorp op ongeveer een halve week ouderwetse reisafstand van hier. Een boodschapper die de betreffende ramp maar ternauwernood overleefd had kwam half dood op een zelfs driekwart dode ezel onze redder in nood om hulp vragen.
‘Nee, het regent,’ was het antwoord, besluitvaardig en zelfverzekerd. ‘En ik ga mijn prachtige hoedje van wolfshuid niet nat laten worden!’
En terwijl onze held zich weer in zijn kussens liet zakken en door zijn wimpers de inkepingen in de bergen verderop probeerde te tellen, huilde de boodschapper de ezel in slaap, die uiteindelijke, welverdiende slaap, tot minstens morgen.

De toevalpartij

Waar het groen genade toont aan de onvruchtbare grond, waar het gevoel van schaduwrijke bossen toch dringend door de lucht zweeft, waar de mais het uitzicht dicteert en de muizen altijd dansen zonder tafels, hier niet ver vandaan, reden eens drie broers, zoons van een marskramer, op een kar met paard over misschien wel het zanderigste pad uit de regio.
De jongens waren door hun vader de wereld ingestuurd om elders, in een ander territorium, hun geluk te beproeven betreffende hun opgedane handelstechnieken. Maar de oudste twee broers hadden al lang gezien dat de kansen niet gelijk waren, omdat hun jongste broer de mooiste en de slimste van hen was. En daarom besloten ze de concurrentie uit de weg te ruimen en hun broertje de keel door te snijden. Maar net toen ze, bij de theepauze, hun slachtoffer van achteren wilden belagen, struikelden ze respectievelijk over een eekhoorn en een plag mos, waardoor ze enkel wat houterig tegen hun broer tuimelden, die dientengevolge viel, van de heuvel afrolde en in de rivier beneden terechtkwam.
De twee schavuiten zochten nog even naar een teken van leven, maar meenden al snel dat hun klus geklaard was, en ze trokken min of meer voldaan verder.
Een paar kilometer verder kwam de jongste broer, hangend en drijvend op een grote tak, weer bij bewustzijn in de rivier. Hij klom op de kant en doolde nog wat verdwaasd een paar dagen doelloos rond, tot hij het zanderige pad meende te herkennen, en hij volgde de weg richting horizon. Niet lang daarna werd de weg versperd door een grote, zwarte gedaante, een heksachtig wezen dat angstaanjagend met haar cape stond te zwaaien. Maar precies toen de duistere feeks haar lelijkste vinger opstak met de duidelijke bedoeling om iets te gaan krijsen, viel er een boom op haar.
De jongeman zag, toen hij zuchtend over de boom heen stapte, tot zijn geluk in de verte een kasteel. Hier kon hij wellicht om hulp vragen.
Wat hij niet wist was dat zijn broers ook in het kasteel waren en bij de hertog die er woonde in de gunst waren gekomen.
Bij het arriveren van de jongste broer schrokken de twee oudste broers op van hun avondmaal, en ze vertelden de hertog, die ook aan tafel zat, dat ze de vreemdeling kenden en dat deze de hertogsdochter wilde ontvoeren.
De kasteelheer beval zijn bewakers hierop meteen dat ze de jongen moesten grijpen, maar omdat ze eigenlijk nooit in actie kwamen deden ze dat zo onhandig dat ze per ongelijk elkaar verwondden met hun lansen.
Het jongste nestgenoot kreeg zo de kans om zijn zegje te doen.
‘Ik wil helemaal niemand ontvoeren,’ zei hij. ‘Ik kan duizend vrouwen krijgen, dus wat moet ik met die dochter van u doen?’
De hertog knikte instemmend.
‘Ik kom hier om mijn diensten aan te bieden. Als financieel adviseur kan ik u heel rijk maken!’
‘Ja, maar ik heb die post al aan deze twee heren beloofd,’ zei de hertog.
Toen verslikte de oudste broer zich ineens in een kippenbotje. Hij stond op, strompelde door het vertrek, en viel door zijn onhandige bewegingen uit het raam.
De andere broer volgde hem van tafel.
‘Die is dood,’ zei hij, uit het raam naar beneden kijkend, terwijl de hond van de hertog tegen hem op sprong om de kippenbout die hij vast had af te pakken.
De hond slaagde in zijn actie, maar de broer viel daardoor ook door het raam te pletter.
‘Het lijkt erop dat ik toch een nieuwe financiële adviseur kan gebruiken,’ zei de hertog kalm.
‘En ik zal u meteen geld besparen,’ zei de jonge adviseur wijs. ‘Als u mij driekwart betaalt van wat u hen beiden betaalde, ben ik al meer dan half tevreden.’

Over geiten en wolven

Achter de rij met behaagzieke struiken, waar het landschap bij vlagen teer en naakt lijkt, hier niet ver vandaan, waar de lucht altijd gepolijst de boomtoppen raakt, en waar de dieren ooit konden praten, vertelden moeders vroeger het volgende verhaal aan hun kinderen om hen een les te leren: op een sussende lentedag wilde een geitenmoeder boodschappen gaan doen, maar ze ging niet weg voor ze haar drie geitenkinderen goede instructies had gegeven.
‘Luister, jullie zijn straks alleen met z’n drietjes thuis,’ zei ze, streng maar moederlijk. ‘Dat betekent dat jullie rustig binnen moeten blijven en ook voor niemand de deur open mogen doen. Hebben jullie dat begrepen?’
De drie kleine geitjes mekkerden een beetje, maar gaven toen toch maar luid en duidelijk een bevestigend antwoord. Moeder geit was gerustgesteld, zoals moeders dat altijd zijn als hun kinderen aangeven een belangrijk gebod begrepen te hebben, en ze ging tamelijk onbezorgd op weg naar de kruidenier.
Nog geen vijf minuten later werd er op de deur van het geitenhuisje geklopt. De geitenkindekes raakten enigszins in paniek.
‘Wie is daar?’ riep de oudste tegen de amper tochtwerende deur.
‘O, wees maar niet bang,’ klonk het antwoord. ‘Ik ben de nieuwe buurman. Ik kom even kennismaken.’
‘Ja, maar we kennen u helemaal niet,’ zei het middelste geitje, dat nu ook bij de deur was komen staan.
‘Maar daarom kom ik ook even kennismaken,’ zei de nog anonieme deurklopper. ‘En misschien kunnen we samen verstoppertje of tikkertje spelen.’
Wat de geitjes niet wisten, was dat de nieuwe buurman een wolf was. Wat de geitjes ook niet wisten, was dat de nieuwe buurman een heel erg vriendelijke en goedaardige wolf was. Hij had nog nooit in zijn leven ook maar een vlieg kwaad gedaan en hij had absoluut niet de intentie om in zijn verdere leven een ander wezen of ding te schaden. Maar de geitjes hoefden dat uiteraard allemaal niet te weten. Moeder had hen opgedragen de deur voor niemand open te maken, en dat betekende dat er geen ruimte was voor uitzonderingen in deze kwestie.
Maar ondertussen was het jongste geitje bijzonder nieuwsgierig geworden, en zonder dat de andere twee er nog iets aan konden verhinderen gooide het met een begerige zwaai de voordeur open.
Daar stonden de drie geitjes oog in oog met de wolf. Het jongste geitje kon zich van angst niet verroeren, maar de oudste twee draaiden zich om en renden zo snel ze konden weg. Omdat ze hun sokken aanhadden gleden ze echter uit op de gladde tegelvloer en ze braken allebei hun nek.
‘Eh, ik zie dat dit misschien niet de gelegenheid is om even te socializen,’ zei de vriendelijke, goedaardige wolf toen hij de geitjes dood op de grond zag liggen, en hij verontschuldigde zich en vertrok.
Niet veel later kwam moedergeit thuis. Ze zag haar twee oudste kinderen levenloos op de grond liggen en tegen haar jongste telg, die beteuterd naar het tweetal stond te kijken, zei ze: ‘Ik heb het waarschijnlijk al honderd keer verteld. Nooit met sokken rennen op de gladde tegelvloer! Laat deze les nu definitief goed tot je doordringen. Laat ik dat deze keer eens niet voor niets gezegd hebben!’
En met dit verhaal waarschuwden moeders vroeger dus hun kroost voor het gevaar van uitglijden, hier niet ver vandaan.

De torenbouwer

Daar waar de bossen sterker en dikker zijn dan de bossen eromheen, waar de bodembegroeiing nergens een uitnodigende toegang lijkt te bieden, hier niet ver vandaan, waar alle schuilplaatsen een zacht en overweldigend netwerk vormen, liet ooit een edelman een toren bouwen, puur om met de esthetische en bombastische waarde ervan zijn vrienden de loef af te steken.
De eerste maanden, bijna het hele eerste jaar zelfs, wilde het helemaal niet vlotten met de constructie, en de bouwmeester die was aangesteld om het geheel tot een goed einde te breien werd hier ook flink chagrijnig door. Elke keer als de eerste laag op de fundering de hoogte van tien meter had bereikt, stortte deze weer helemaal in. En dat was niet de bedoeling. Zo had hij het nooit geleerd op school. Bovendien kreeg hij niet per uur betaald, dus rekken van het karwei was niet in zijn voordeel. De bouwstagnatie lag hem daarom als een steen op de maag. Maar die steen viel van zijn hart toen hij in een zweterige nacht in een profetische droom opgedragen kreeg dat hij de eerste de beste persoon die hij de volgende dag op zijn werkplek tegen zou komen in de muur moest inmetselen; de toren zou daarmee blijven staan, en zijn probleem was daarmee dus opgelost.
De volgende ochtend ging de bouwmeester, nog wat troebel van de droom van die nacht, op pad naar zijn werk. In zijn warhoofdigheid vergat hij zijn lunchpakket, maar zijn vrouw merkte dat op en rende achter hem aan om hem zijn twee boterhammen met hagelslag en drie boterhammen met komijnekaas te overhandigen. Pas op de werkplek kon ze hem inhalen, en zij was daardoor de eerste die de bouwmeester daar zag. Bijgelovig als hij was liet de bouwmeester zijn eigen vrouw in de torenbasis inmetselen.
De toren bleef staan. En nog geen jaar later was het hele bouwwerk grofweg af.
Dat was geen dag te vroeg, want de opdrachtgever vond het onderhand ook welletjes. Toen hij naar de toren kwam kijken in die week, vond hij ook dat die wel af was. De bouwmeester gaf niettemin aan dat er helemaal boven op de toren nog een kleinigheid aan afwerking gedaan moest worden. Lang zou het niet meer duren, had hij gezegd, voor hij via ladders en steigers het bouwwerk beklom voor de laatste werkzaamheden.
De edelman was echter nogal ongeduldig. Door de langzame start van het project had hij nu al erg lang moeten wachten. Wat er boven op de toren zat, kon hij toch niet zien, dus hij vond het geheel eigenlijk al goed genoeg.
Toen hoorde hij een stem vanuit de muur: ‘Haal die ladders en die steigers toch weg. Het is immers uw toren. Als het bouwsel volgens u klaar is, dan is het klaar. Dat is klaar!’
En de opdrachtgever beval de steigers en ladders weg te halen. Dat de bouwmeester nog boven op het monument bezig was en niet meer naar beneden zou kunnen, interesseerde hem niet of was hij inmiddels vergeten.
De bouwmeester rotte weg op de toren, maar de aristocraat maakte flink de blits met zijn pilaar bij zijn vrienden.
De arme kinderen van de bouwmeester hadden eerst hun moeder verloren, en nu waren ze ook hun vader kwijt.
‘Ach ja, dat kan de beste overkomen,’ zei het jongetje.
‘We zijn echt niet de eerste wezen op aarde, en zeker niet de laatste. Dus laten we niet te lang treuren en er het beste van maken!’ zei het meisje.
Drie weken later ging hun hond dood. De kinderen waren niet meer te troosten.

De rijmende rover

Daar waar de wereld is opgedeeld in een gebied voor onder andere de nachtzwaluw, de wespendief en de roerdomp, en een gebied voor onder meer de haas, het wilde zwijn en de vos, hier niet ver vandaan, waar stuifzand als een bezorgde moeder altijd al de verbindingswegen – met aan weerszijden bossen en vennen – tussen de dorpen bekleedde, werd de brave bevolking ooit geteisterd door een reeks berovingen. En of dat nog niet onaangenaam genoeg was, maakte de betreffende dief er zelfs een soort spelletje van. Elke keer als hij een diefstal pleegde, liet hij op de plaats van het misdrijf een briefje achter met daarop een honend gedichtje. De snoodaard werd in de volksmond derhalve al snel ‘de rijmende rover’ genoemd (behalve door Rik, die de r niet uit kon spreken).
De bromsnorren uit de streek zaten met hun handen in het haar, maar veel resultaat leverde dat niet op. Ze begrepen, ook na eindeloos vaak lezen, de clou van de rijmelarijen niet, laat staan dat ze in het geheel een clue konden ontdekken. Een verwijzing naar het kleurenspectrum van rozen of de onvermijdelijke lotsbestemming van scheepjes hadden ze wellicht nog kunnen ontcijferen, maar wat de rijmende rover aan zingend en zinnebeeldend taalgebruik wist te produceren ging hen simpelweg boven hun pet.
Bijna wilden ze de zaak oplossen door gewoon maar weer Nelis de landloper op te pakken, toen de jongste der bromsnorren, die nog maar net de baard in de keel had, met een idee kwam.
‘Laten we de gedichten voorlezen op het marktplein,’ zei hij, met jeugdige schwung en glimmende neus. ‘Misschien herkent iemand van de meute wel iets van de schrijver of zelfs de hele schrijver!’
Bij gebrek aan beter werd het plan uitgevoerd, en bij gebrek aan Peter – die was ziek – las Frits de venijnige versjes voor aan het op de open plek tamelijk onvrijwillig verzamelde publiek.
Het duurde niet lang of een tong uit de mensenkudde roerde: ‘Noem je dat een gedicht? Het rijmt met slechts enorme moeite, het metrum klopt voor geen meter, en verder is er nergens een spannend spel van klinkers of een alliteratie te achterhalen.’
‘O nou, dat is een slecht gedicht dus?’ klonk het van ergens anders uit de menigte. ‘Meneer kan het dus beter? Zo makkelijk is het anders niet om elke keer weer zo’n rijmpje te maken!’
Waar de stem vandaan kwam ging het gepeupel uiteen. De man aan wie de stem toebehoorde, begreep ineens dat hij door de mand viel. Hij probeerde nog weg te rennen, maar werd al snel bij zijn kraag gegrepen. Daarna moest hij ondergaan wat dichters in die tijd nou eenmaal te wachten stond.
Naar verluidt werd hij meerdere malen opgehangen tot hij bewusteloos was en weer met koud water en een hete pook opgewekt. Vervolgens werden zijn armen en benen gebroken, en werd hij toch nog even opgerekt. Castratie en het openrijten van de buik, met een bot mes, gebeurden daarna, om het even in welke volgorde. Uiteindelijk knipte men zijn nog kloppende hart uit zijn lijf, en dit werd samen met zijn geslachtsdelen verbrand. Om zeker te zijn dat de rijmelende rakker dood was, werd hij aansluitend even gevierendeeld, waarna zijn sip kijkende hoofd op de paal voor taveerne De Drie Verliefde Zwanen werd gespietst, tot groot plezier van de plaatselijke jeugd.
Iemand schreef er de dag erna nog een gedicht over – met een pover binnenrijm en te makkelijke beeldspraak, dat wel.

De middernachtstudent

Daar waar geen bergen zijn, ook nooit waren, zelfs niet drie, waarvan op de buitenste twee van een afstand (maar niet van dichtbij) een soort olifantsmensen lijken te wonen, hier niet ver vandaan, kruiste ooit een student, gespecialiseerd in de middernacht en zojuist voor ruim negentig procent genezen van een tamelijk onaangename buikloop, het pad van een bijzonder hoopvol afwachtend uitziend en toch nonchalant, haast slordig huppelend meisje.
‘Zo zo, jongedame,’ sprak de student, met zijn potlood tussen zijn vingers draaiend, ‘u ziet er nogal verwachtingsvol uit.’
‘Wat opmerkzaam van u,’ zei het meisje haast kirrend, en ze begon een lang en redelijk saai verhaal over waarom ze zo opgewonden en dwepend met haar toekomst bezig was.
Ze vertelde over haar twee aanbidders, buurjongens waren het vroeger, die beiden op pad waren om haar hart te veroveren. Ze hield namelijk van allebei precies evenveel (afgerond op twee decimalen), en ze kon dus niet tussen de twee kiezen. En daarom had ze een taak bedacht voor het duo. Ooit had ze een verhaal gehoord over een land ver weg waar een zijden bloem zou groeien die door een onredelijke tovenares bewaakt zou worden. Het leek het meisje een romantisch idee dat de twee aanbidders die zijden bloem voor haar zouden proberen te plukken. En degene die zou slagen in de queeste, degene die terug zou keren met de zijden bloem, die zou ze dan als echtgenoot aanvaarden. (Dan moest diegene bovendien levend zijn, want met een dode ging ze niet trouwen. Dat laatste had ze niet vooraf tegen de twee jongens gezegd, want dat leek haar immers evident.)
Gapen onderdrukkend en haar rondingen bestuderend hoorde de student het verhaal van het geestdriftige meisje aan.
‘Maar dat is vroeg of laat voor beide buurjongens oneerlijk,’ zei de student, met dansende wenkbrauwen, toen het meisje eindelijk haar mond hield. ‘Dat levert gegarandeerd ruzie op. En daarom kun je beter met mij meegaan. Ik ben bovendien in het bezit van een aantal bergen die van goud zijn. Echt waar. Ik lieg niet!’
‘Oké,’ zei het meisje, en samen zochten ze het hoge gras op.
Ondertussen waren de twee aanbidders druk in de weer met het klimmen uit ravijnen en het zich verstaanbaar maken aan tovenaressen die hun taal niet spraken, maar na wat initiële misverstanden bleek het bemachtigen van een zijden bloem helemaal niet zo moeilijk te zijn. Niet alleen hadden ze er allebei eentje weten te vinden, ze hadden er zelfs een hele zak van meegenomen om later te kunnen verkopen aan wat luiere jongelingen die toch niet te omslachtig die en die wilden strikken voor een zo goed als risicoloos huwelijkje.
Toen ze bijna thuis waren, hoorden ze ineens vanuit het hoge gras: ‘Hallo, jongens! Leuk dat jullie er weer zijn.’
En ze zagen hun geliefde en de student, die voor hen uiteraard onbekend was, ongekamd maar stralend uit het groen komen.
‘Het spijt me heel erg,’ zei het meisje, ‘maar ik heb me bedacht. Ik heb al een man gevonden. Hij staat hier naast me. We gaan deze week nog trouwen, schat ik zo in.’
‘Nou, trouwen was niet echt mijn bedoeling,’ zei de student. ‘Met behulp van de zogenaamde leugenaarsmethode heb ik nu al gekregen wat ik wilde. Ga jullie gang dus, jongens, en verover haar hart. Tabee!’
En de student ging verder aan de studie, zoals het hoort.

De man uit de mist

Waar de leeuweriken de vlinders en kevers lachend tegemoet vliegen, hier niet ver vandaan, tussen de grote open velden met de geuren die op het hongergevoel werken, waar de vertrapte paden de natte sloten vergezellen, liggen de vennen waarvan met zegt dat daar vele manen geleden een man opdoemde elke keer als de mist als een dikke deken over de hele streek lag, meestal in de herfst, de tijd van de lange en donkere nachten. Dat gebeurde één keer per jaar, hooguit twee keer, en niemand had er eigenlijk last van, behalve de burgemeester dan. De man uit de mist liep namelijk altijd regelrecht naar het huis van de burgervader en hij bonsde dan heel hard op de voordeur.
‘Burgemeester, bent u klaar met werken? Heeft u al uw taken tot een goed einde gebracht?’ riep de mistman dan heel hard, met donkere, scherpe stem.
Al vele burgemeesters ging dat zo, en allemaal reageerden ze op dezelfde manier: ze kropen in de hoek achter de kapstok en hielden zich muisstil.
De mysterieuze man uit de mist nam echter geen genoegen met een simpel uitblijven van een antwoord. Hij liep steevast rond het huis en klopte op alle ramen en deuren, zelfs op de eerste etage.
‘Burgemeester, ik weet dat u thuis bent!’ riep hij dan, bijna krakend. ‘Laat u horen! Geef me antwoord! Bent u klaar met al uw taken? Is uw werk gedaan?’
De verschillende burgemeesters lieten zich hierdoor nochtans niet uit het veld slaan! Stoer en vastberaden bleven ze in de hoek achter de kapstok zitten, wachtend tot het gevaar geweken zou zijn.
In de dorpskroeg werd er weleens geginnegapt als er mist opkwam.
‘D’n burgemister mist d’n mist nie, nee,’ lachten ze dan, bijvoorbeeld, maar bij die weersomstandigheid kwam toch iedereen wat voorzichtiger uit de kroeg naar buiten. En dat was niet voor niets. Frits was namelijk door de mist een keer tegen een lamp gelopen, Leo liep in diezelfde mist tegen Frits op, en Geurt, die toch redelijk goed tegen een slok kon, was in dat vage weer tegen flink wat problemen aangelopen, terwijl hij toen zelfs al thuis was!
Al generaties had de man uit de mist met de mist die eromheen hing het dorp goed in bedwang. Je wilde die engerd niet graag tegenkomen. De ergste dingen konden er dan met je gebeuren immers! En vooral burgemeesters voelden die dreiging. Het dorp had er al heel wat versleten door de jaren heen. Een beetje burgemeester hield het nog geen drie jaar uit op zijn post. Er waren zelfs burgemeesters geweest die zich al binnen een jaar en ruim voor de mistige dagen weg hadden laten promoveren. Het waren huiveringwekkende tijden. Op den duur wilde niemand met een air meer burgemeester zijn in het dorp. En daarom besloot een jonge boerenzoon, Jan genaamd, zich kandidaat te stellen. Jan werd spoorslags en zonder morren aangenomen, en op de eerste dag van zijn aanstelling al was het zo mistig dat je niet eens je eigen oogleden kon zien.
‘Burgemeester, bent u klaar met werken? Heeft u al uw taken tot een goed einde gebracht?’ hoorde hij, gepaard gaande met een luid gebons op de voordeur.
Jan zette zich schrap, en met zijn ogen stijf dicht antwoordde hij: ‘Ja, ik ben helemaal klaar vandaag.’
‘Jammer, ik had vandaag net tijd om mee te helpen,’ klonk de stem buiten.